Bijlage 2 Nota van zienswijzen op ontwerp Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2026
Tekst van het document
Gemeente Schiedam
Stadskantoor, Stadserf 1 Postbus 1501 3100 EA Schiedam
14 010 schiedam.nl
Nota van Zienswijzen Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2026
Inleiding Op 7 oktober 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam het Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2025, bestaande uit een introductiehoofdstuk, het deelprogramma ‘Klimaatmitigatie’ en het deelprogramma ‘Klimaatadaptatie’ (inclusief bijlage), in ontwerp vastgesteld en voor inspraak vrijgegeven. Het ontwerp van het Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2025 is gedurende zes weken ter inzage gelegd, van 20 oktober tot en met 30 november. Het ontwerp was digitaal in te zien via het digitale publicatieblad op officielebekendmakingen.nl, en heeft ook fysiek ter inzage gelegen op het Stadskantoor, Stadserf 1, te Schiedam. Eenieder is in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen ten aanzien van het ontwerp van het Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2025. De ingekomen zienswijzen zijn betrokken bij de definitieve vaststelling van het Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2026.
Zienswijzen Zienswijzen zijn ontvangen van: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Hoogheemraadschap van Delfland; TenneT; Eneco; Energiek Schiedam; Partij voor de Dieren Schiedam; Inwoner.
NB Er is geen dringende noodzaak om de NAW-gegevens van de zogenaamde natuurlijke personen die een zienswijze hebben ingediend openbaar te maken in dit document. Om deze reden is die indiener aangeduid als ‘Inwoner’.
Inhoudelijke beoordeling zienswijzen 1. Hoogheemraadschap van Delfland Het Hoogheemraadschap van Delfland waardeert in hoofdlijnen de uitwerking van het Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2025. Vanuit de rol als water- en zuiveringsbeheerder worden met name bij het deelprogramma klimaatadaptatie de volgende aandachtspunten naar voren gebracht: a) Opgemerkt wordt dat het Hoogheemraadschap van Delfland in het voortraject
niet is betrokken. b) Verzocht wordt het principe water en bodem sturend niet alleen te benoemen,
maar ook expliciet te laten doorwerken in keuzes voor ruimtelijke ontwikkeling en locatiekeuze. c) Bij het thema wateroverlast wordt gevraagd naast kortdurende buien ook
rekening te houden met langdurige neerslag en te verwijzen naar de landelijke maatlat en de algemene norm voor stedelijk gebied.
d) Verzocht wordt meer aandacht te besteden aan de samenhang tussen het
stedelijk watersysteem en het regionale oppervlaktewatersysteem, waaronder het benoemen van knelpunten in het oppervlaktewater. e) Geadviseerd wordt vitale en kwetsbare functies te identificeren en te
beschermen tegen wateroverlast met een hogere beschermingsnorm, met aandacht voor maatwerk en locatiekeuze. f)
Positief wordt gereageerd op de ambitie om het aandeel groen in bestaande wijken te vergroten, met het verzoek hierbij rekening te houden met (zoet)watergebruik, droogtebestendigheid en de effectiviteit voor waterberging.
g) Bij afkoppelen wordt benadrukt dat dit alleen effectief is in combinatie met
voldoende waterberging en -afvoer, en dat aandacht nodig is voor mogelijke negatieve effecten op de waterkwaliteit. h) Gevraagd wordt het onderdeel overstroming verder uit te werken, inclusief
maatregelen op wijkniveau en het benoemen van polderkades naast primaire en regionale keringen. i)
Verzocht wordt het waterschap vroegtijdig te betrekken bij de verdere uitwerking en bij de borging van klimaatadaptatie in het omgevingsplan, inclusief het formuleren van meetbare doelen.
Reactie Gemeente a) Het Hoogheemraadschap is in een vroeg stadium betrokken geweest bij de totstandkoming van het deelprogramma klimaatadaptatie. Medewerkers van het Hoogheemraadschap hebben in werksessies deelgenomen om kansen, knelpunten en maatregelen per wijk te inventariseren en ook de meetbare doelen voor het programma te bepalen. Het beeld dat het Hoogheemraadschap niet betrokken is wordt derhalve niet herkend. b) Het op een verantwoorde wijze omgaan met water en bodem is een van de uitgangspunten van het beleid van de gemeente Schiedam en heeft ook zijn doorwerking in dit omgevingsprogramma. Deze lijn is in het deelprogramma klimaatadaptatie nogmaals expliciet benoemd. c) De meetbare doelstelling in het deelprogramma klimaatadaptatie voor wateroverlast bij langdurige buien zijn gebaseerd op de landelijke maatlat en algemene norm voor stedelijk gebied. d) De gemeente gaat hierover graag met het Hoogheemraadschap de dialoog aan. Opgemerkt wordt dat de watersysteemanalyse geactualiseerd dient te worden. De gemeente geeft graag inzicht in de knelpunten en risico’s. De indruk bestaat dat diverse hydraulische constructies onder de Rijksweg en het spoor niet naar behoren functioneren en de afvoer belemmeren. Over het peilbeheer binnen Schiedam zal binnenkort ambtelijk overleg plaatsvinden.
e) Zoals aangegeven door het Hoogheemraadschap vraagt het beschermen van vitale en kwetsbare functies om lokale inrichtingsmaatregelen en maatwerk.
De gemeente houdt hier bij nieuwe functies rekening mee bij de uitwerking van het omgevingsplan. Daar worden de vitale en kwetsbare functies expliciet in beeld gebracht en wordt bezien welke maatregelen nodig en haalbaar zijn om een passend beschermingsniveau te realiseren. Daarbij wordt bij nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare en vitale functies nadrukkelijk aandacht besteed aan een zorgvuldige locatiekeuze. Hierbij zal het hoogheemraadschap Delfland worden betrokken. Voor bestaande situaties is dit niet mogelijk via het omgevingsplan. f) De aandachtspunten ten aanzien van het beperken van de zoetwatervraag in droge perioden nemen wij mee in de verdere uitwerking. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de toepassing van droogtebestendige beplanting (juist voorkomen van droogte in de ondergrond en waar mogelijk stabiliseren van de grondwaterstanden om schade in de openbare ruimte te voorkomen). Daarnaast zullen wij bij de inrichting van het groen aandacht besteden aan het vergroten van de effectiviteit voor waterberging, bijvoorbeeld door het laten afwateren van omliggende verharding richting groene zones. g) In de verdere uitwerking van het programma zullen wij explicieter aandacht besteden aan het ruimtebeslag dat hiermee gepaard gaat en aan het belang van een nauwe samenwerking met het waterschap bij de uitvoering.
Wij erkennen dat deze opgave alleen gezamenlijk effectief kan worden opgepakt. Daarnaast nemen wij het aandachtspunt over de mogelijke negatieve effecten van afkoppelen op de waterkwaliteit mee. In het uitvoeringsprogramma zullen wij daarom aandacht besteden aan een aanpak voor het voorkomen, signaleren en herstellen van foutieve aansluitingen (bij nieuwe aanleg), passend bij de toenemende aanleg van hemelwaterstelsels. h) In de verdere uitwerking van het programma zullen wij nader ingaan op mogelijke wijkgerichte maatregelen, zoals ruimtelijke inrichting, waterrobuust bouwen en het vergroten van zelfredzaamheid en evacuatiemogelijkheden. Hierbij wordt aangesloten op de bredere, gebiedsgerichte aanpak. i) Naar aanleiding van de opmerking bij paragraaf 4.2 bevestigen wij dat wij het van groot belang achten het Hoogheemraadschap zo vroeg mogelijk te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Vroegtijdige afstemming draagt bij aan een goede inpassing van waterbelangen in de fysieke leefomgeving en aan de ontwikkeling van robuuste en gedragen principe-oplossingen.
2. TenneT TenneT, als beheerder van het landelijke hoogspanningsnet, geeft aan het ontwerp Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2025 te waarderen en benadrukt het belang van een betrouwbare en veilige elektriciteitsvoorziening. De zienswijze richt zich op zowel klimaatadaptatie als klimaatmitigatie. Daarbij wordt het volgende naar voren gebracht:
a) Positief wordt gereageerd op de aandacht voor afstemming met beheerders van
kabels en leidingen bij de uitwerking van klimaatadaptatiemaatregelen. Gewezen wordt op het belang van voldoende ruimtereservering voor energieinfrastructuur in het kader van klimaatmitigatie. b) De informatie uit plankaart laadinfrastructuur waarnaar verwezen wordt niet
ingezien kon worden. c) Aandacht wordt gevraagd voor de uitbreiding van laadinfrastructuur, waarbij
wordt opgemerkt dat TenneT geen laadpalen toestaat binnen het beperkingengebied van bovengrondse hoogspanningsverbindingen vanwege veiligheidsrisico’s bij brand. Concreet wordt verzocht rekening te houden met de aanwezigheid van bovengrondse en ondergrondse hoogspanningsverbindingen binnen de gemeente. Ook wordt benadrukt dat deze infrastructuur beschermd en bereikbaar moet blijven voor beheer, onderhoud en calamiteiten. d) Verzocht wordt om TenneT te blijven betrekken in vooroverleg bij plannen en
projecten op het gebied van klimaatadaptatie en klimaatmitigatie in de nabijheid van haar assets. Reactie gemeente a) De gemeente erkent het belang van voldoende ruimtereservering voor energieinfrastructuur, en probeert deze zo goed mogelijk te borgen in het Handboek Openbare Ruimte (HOR) en herstructureringsprojecten. Bij herstructurering wordt integraal gekeken naar de opgaven in het gebied, waaronder de toekomstige energievoorziening. Omdat de ondergrond op veel locaties al intensief wordt benut, is extra ruimte vaak schaars en kostbaar. Reserveringen worden momenteel alleen getroffen indien de ruimte binnen de levensduur van de herstructurering daadwerkelijk nodig is. Daarnaast vragen wij ook begrip van de vele opgaven waarvoor de gemeenten staat en de bereidheid om te zoeken naar mogelijkheden om de benodigde ruimte voor energieinfrastructuur te beperken en het verminderen van belemmeringen voor meervoudig grondgebruik. b) De plankaart laadinfrastructuur kan niet worden ingezien omdat deze nog in ontwikkeling is. Deze passage zal worden aangescherpt om duidelijk te maken dat deze plankaart nog in ontwikkeling is, met een verwachte opleverdatum. Bij oplevering zal de gemeente de plankaart actief delen met TenneT.
c) De gemeente zal in het omgevingsplan, net als voorheen in de bestemmingsplannen, rekening houden met het beperkingengebied van bovengrondse hoogspanningsverbindingen van TenneT bij het realiseren van nieuwe laadinfrastructuur. d) Wij zullen TenneT, als gebruikelijk, blijven betrekken als gesprekspartner bij projecten en ontwikkelingen in de directe omgeving van de bestaande hoogspanningsverbindingen.
3. Eneco Eneco onderschrijft de ambitie van het Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2025 en het Deelprogramma Klimaatmitigatie, en benadrukt het belang van een integrale en toekomstbestendige aanpak van de warmtetransitie. De zienswijze richt zich met name op de ruimtelijke inpassing en uitrol van warmtenetten. Daarbij wordt het volgende naar voren gebracht: a) Verzocht wordt om tijdige en structurele ruimtelijke reservering in de onder- en
bovengrond voor warmte-infrastructuur, waaronder leidingen, hulpwarmtecentrales, regelstations en duurzame bronnen. Daarbij wordt benadrukt dat bij (her)inrichting van de openbare ruimte expliciet rekening moet worden gehouden met toekomstige uitbreiding van warmtenetten (zoals beoogd in de Transitievisie Warmte), en de benodigde voorzieningen voor een betrouwbaar warmtenet op te nemen in het Handboek Openbare Ruimte. b) Gepleit wordt voor het actief stimuleren van collectieve warmtesystemen met
een hoge dekkingsgraad, met het verzoek individuele oplossingen te reguleren in gebieden waar een collectief warmtenet aanwezig is of wordt voorzien. Daarbij wordt expliciet verzocht in het omgevingsplan en bij vergunningverlening te borgen dat individuele systemen geen negatieve invloed hebben op de betaalbaarheid en werking van het collectieve systeem. c) Verzocht wordt bij beleidskeuzes en vergunningverlening sterker te sturen op
toekomstbestendigheid, flexibiliteit en maatschappelijke kosten, waaronder aansluiting van nieuwe duurzame bronnen en ruimte voor uitbreiding en innovatie. d) Aandacht wordt gevraagd voor de kostenimpact van band-tot-band afgraven en
klimaatadaptieve maatregelen bij de aanleg van warmtenetten, met het verzoek om hierin een regierol voor de gemeente te nemen. e) Geadviseerd wordt de aanleg van warmtenetten leidend te maken in de
strategische planning van onderhoud en vervanging van de openbare ruimte en andere netten. f)
Verzocht wordt in te zetten op monitoring en evaluatie, met aandacht voor kosten, ruimtelijke prioritering, effectiviteit van klimaatadaptieve maatregelen, vergunningenbeleid en strategische planning van onderhoudswerkzaamheden.
Reactie gemeente a) Bij herstructureringen wordt integraal gekeken naar de opgaven in het gebied, waaronder de toekomstige energievoorziening. Omdat de ondergrond op veel locaties al intensief wordt benut, is extra ruimte vaak schaars en kostbaar. Tijdige duidelijkheid over de beoogde energievoorziening is daarom noodzakelijk om passende ruimtereserveringen te kunnen maken. Echter worden deze reserveringen momenteel alleen getroffen indien de ruimte binnen de levensduur van de herstructurering daadwerkelijk nodig is.
Ruimtereserveringen kunnen pas in het Handboek Openbare Ruimte (HOR) worden opgenomen nadat het beleid formeel is vastgesteld. Dit gebeurt altijd in afstemming met het beheer, zodat de uitvoering haalbaar is en aansluit op bestaande en geplande onderhouds- en herinrichtingsprojecten. Hiermee wordt een doelmatige inzet van middelen geborgd en onnodige verstoring van de openbare ruimte voorkomen. Anderzijds vragen wij ook begrip van de vele opgaven waarvoor de gemeenten staat en de bereidheid om te zoeken naar mogelijkheden om de benodigde ruimte voor energie-infrastructuur te beperken en het verminderen van belemmeringen voor meervoudig grondgebruik. b) De gemeente zet in op collectieve warmtesystemen in gebieden waar dit technisch en financieel gezien de meest haalbare oplossing is om aardgasvrij te worden. Wanneer in een gebied gekozen wordt voor een collectief warmtesysteem, streeft de gemeente naar een zo hoog mogelijke dekkingsgraad. Uw opmerking inzake het reguleren van individuele initiatieven zullen wij ter overweging meenemen bij de uitwerking van ons omgevingsplan. c) De gemeente Schiedam wil benadrukken dat zij stuurt op warmteoplossingen met de laagste maatschappelijke kosten, waaronder zowel de laagste nationale kosten als laagste kosten voor eindgebruikers, naast ook de technische haalbaarheid van een voorkeursoplossing.
De in de Transitievisie Warmte vastgelegde uitgangspunten en selectiecriteria, zoals de focus op laagste maatschappelijke kosten, betaalbaarheid, leefbaarheid en het aansluiten bij andere opgaven, blijven daarbij onverkort van kracht. Ruimte voor uitbreiding warmtenet De gemeente houdt in beleid, uitvoeringsprogramma’s en programmering van de vervangingsopgave rekening met mogelijke groeimogelijkheden van het warmtenet naar nieuwe wijken en grootschalige gebiedsontwikkelingen. Dit betekent dat in de integrale planning van ondergrondse infrastructuur tijdig zal worden afgestemd met alle netbeheerders en andere betrokken partijen, zodat kansen voor laagste nationale kosten en lage eindgebruikerskosten benut worden en onnodige dubbele werkzaamheden en overlast worden voorkomen. Deze overwegingen worden ook betrokken bij de voorbereiding van het (wettelijk verplichte) Warmteprogramma dat de gemeente komende periode zal opstellen. Aansluiten van nieuwe duurzame bronnen In het op te stellen Warmteprogramma voor de stad en uitvoeringsplannen per wijk zal nadrukkelijk worden gekeken naar de consequenties voor de toekomstige warmtevoorziening, waaronder: ruimte voor uitbreiding van het warmtenet naar nieuwe wijken en renovatiegebieden, mogelijkheden om nieuwe duurzame bronnen aan te sluiten en de flexibiliteit om innovaties zoals opslag, sturing en hybride systemen toe te passen.
Flexibiliteit voor innovaties en hybride oplossingen In ruimtelijke en technische randvoorwaarden wordt waar mogelijk flexibiliteit ingebouwd, zodat innovaties in opslag, sturing en hybride systemen toepasbaar blijven. Dit ondersteunt de keuze voor oplossingen met de laagste nationale kosten en eindgebruikerskosten, binnen de bandbreedte van wat technisch haalbaar en ruimtelijk inpasbaar is, terwijl de uitgangspunten en criteria uit de Transitievisie Warmte onverkort het kader blijven voor de gemeentelijke afwegingen. d) Bij herinrichting van de buitenruimte bekijkt de gemeente altijd de kansen en knelpunten in het gebied. Voor klimaatadaptatie zijn deze in beeld gebracht in het deelprogramma Klimaatadaptatie. Ook andere opgaven – zoals energie, circulariteit en toekomstige infrastructuur zoals warmtenetten – worden standaard meegenomen in een herinrichting. De gemeente probeert de volgordelijkheid bij het toepassen van maatregelen zo te organiseren dat er een samenhangende aanpak ontstaat en extra kosten en werkzaamheden waar mogelijk worden vermeden in de toekomst. Daarnaast streven we ernaar om de verschillende belangen en technieken zo te combineren dat de kosten en hinder voor bewoners en gebruikers beperkt blijven, terwijl de openbare ruimte toekomstbestendig en multifunctioneel wordt ingericht.
Hierbij is goed toezicht vanuit de gemeente en samenwerking met betrokken partijen, zoals energiebedrijven en aannemers, wenselijk om efficiëntie en kwaliteit te waarborgen. e) Vanuit gemeentelijk oogpunt is het niet mogelijk om de aanleg van warmtenetten strategisch leidend te maken ten opzichte van andere opgaven in de openbare ruimte en ondergrond die de gemeente en andere beheerders hebben. De gemeente en onder andere de gasnet beheerder hebben zich te houden aan termijnen voor onderhoud en vervanging. Hierop kunnen geen concessies worden gedaan, aangezien dit risico’s oplevert voor de veiligheid en leveringszekerheid. Wel streeft de gemeente naar synergie van werkzaamheden bij herstructurering-, vervanging- en ontwikkelopgaven. Echter, de werkzaamheden van partijen in de openbare ruimte en daarbij behorende ruimtelijke claims kunnen niet altijd optimaal op elkaar afgestemd worden. De keuzes in het aanstaande Warmteprogramma zijn bepalend voor de mate van prioriteit die wordt gegeven aan warmtenetten. f) De gemeente is voornemens de genoemde punten zo goed als mogelijk te betrekken in uitvoerende werkzaamheden, nieuw te ontwikkelen beleid (zoals het Warmteprogramma) en monitoring en evaluatie van bestaande programma’s en projecten.
4. Energiek Schiedam Energiek Schiedam is kritisch over zowel het proces als de inhoud van het ontwerp Omgevingsprogramma Klimaat – deelprogramma Klimaatmitigatie. De zienswijze richt zich voornamelijk op participatie, doelstellingen, hernieuwbare energie en netcongestie. Daarbij wordt het volgende naar voren gebracht: a) Gesteld wordt dat bij de totstandkoming van het programma onvoldoende
participatie heeft plaatsgevonden en dat niet is voldaan aan de Omgevingswet en de gemeentelijke participatieverordening. Verzocht wordt te verhelderen en te reflecteren op de wijze waarop participatie is vormgegeven. b) Aangegeven wordt dat het programma onvoldoende concrete en meetbare
doelstellingen en indicatoren bevat, waardoor monitoring en bijsturing niet mogelijk zijn. c) Gesteld wordt dat het programma onvoldoende inzicht geeft in de gemeentelijke
inspanning richting 2030 en 2050 en dat de indruk wordt gewekt dat aanvullende inzet niet noodzakelijk is. d) Opgemerkt
wordt dat een duidelijke koppeling met de Regionale Energiestrategie (RES) ontbreekt, met name waar het gaat om ambities voor windenergie. Daarbij wordt aangevoerd dat windenergie, specifiek in het Vijfsluizen-gebied, ten onrechte als moeilijk realiseerbaar wordt gepresenteerd. Verzocht wordt het belang van windenergie expliciet te benoemen, of alternatieve maatregelen en gevolgen daarvan inzichtelijk te maken.
e) Gesteld wordt dat de rol van lokale opwek, energiegemeenschappen en
gebiedsgerichte afstemming onvoldoende is uitgewerkt. Gevraagd wordt om de rol van energiegemeenschappen bij lokale opwek en kleinschalige energiesystemen concreet te maken. f)
Gesteld wordt dat ook bij netcongestie specifieke en meetbare maatregelen ontbreken.
Reactie gemeente a) Bij de voorbereiding van het Omgevingsprogramma Klimaat is met een aantal stakeholders gesproken. Het college heeft er vervolgens voor gekozen de participatie vorm te geven via een terinzagelegging van het ontwerp, zodat alle belanghebbenden de mogelijkheid kregen om hierop te reageren. Daarmee is de participatie niet afgerond. De gemeente zoekt bij de uitvoering van maatregelen actief de samenwerking met relevante doelgroepen en belanghebbenden, zodat zij daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen en/of meeprofiteren van de energietransitie. b) Het Omgevingsprogramma Klimaat geeft uitvoering aan de klimaatopgave zoals vastgelegd in de Schiedamse Omgevingsvisie en het in 2020 vastgestelde Klimaatbeleidsplan. De centrale doelstelling blijft een CO₂-reductie van 49% in 2030 ten opzichte van 1990. In 2024 heeft de gemeente samen met CE Delft
de voortgang van de CO₂-reductie in beeld gebracht. Deze analyse wordt in 2028 en 2032 herhaald om te beoordelen of de klimaatdoelen worden gehaald. Dat dit niet op kortere termijn kan, hangt samen met de beschikbaarheid van landelijke CO₂-data, die doorgaans pas twee jaar na dato beschikbaar komt. Hierdoor is bijsturing op basis van actuele emissiedata beperkt mogelijk. Aanvullend monitort de gemeente de reductie van CO₂ binnen de eigen organisatie via de CO₂-prestatieladder, waarop jaarlijks wordt gerapporteerd. Over de uitvoering van het Omgevingsprogramma Klimaat wordt daarnaast jaarlijks verslag gedaan via een voortgangsrapportage aan college en raad. Dit biedt inzicht in de voortgang en maakt bijsturing mogelijk waar nodig. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar kwantitatieve en kwalitatieve resultaten, maar ook naar de financiële, politieke en maatschappelijke context waarin de gemeente opereert. c) De gemeente herkent dit beeld niet. Met het omgevingsprogramma wordt juist concreet gemaakt op welke maatregelen de gemeente zich de komende jaren richt. Daarbij wordt expliciet benoemd dat de voortgang van CO₂-reductie in belangrijke mate wordt beïnvloed door externe factoren, maar wordt tegelijkertijd onderstreept dat blijvende en versnelde inzet nodig is (ook van de gemeente) om de gestelde doelen te behalen.
Weliswaar met de financiële en politieke context van de gemeente in ogenschouw nemend. Het programma vormt daarmee geen eindpunt, maar een kader voor gerichte uitvoering en verdere doorontwikkeling van een duurzamer Schiedam richting 2030. d) De gemeente benadrukt dat regionale samenwerking een essentieel onderdeel vormt van het Schiedamse klimaatbeleid. Schiedam vervult hierin sinds de start van de RES een actieve rol, onder meer op het gebied van de warmtetransitie, en deelt haar kennis en ervaringen actief binnen de regio. De gemeente is het daarom niet eens met de stelling dat een duidelijke verwijzing met de RES ontbreekt. Schiedam heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de warmtetransitie. Voor wat betreft windenergie, Energiek Schiedam is bekend met de ruimtelijke beperkingen en onmogelijkheden bij de inpassing daarvan in een stedelijke omgeving. Dat de mogelijkheden voor inpassing van een windmolen zeer minimaal zijn, staat los van de inspanning die wij leveren aan het realiseren van de doelen uit de RES. Zoals wij eerder in het kader van de Schiedamse Omgevingsvisie hebben medegedeeld, ligt voor ons daarbij echter de focus met name op zonne-energie. e) De gemeente onderschrijft het belang van lokale opwek, gebiedsgerichte aanpakken en de betrokkenheid van energiegemeenschappen.
De rol van energiegemeenschappen kan volgens de gemeente per project verschillen, bijvoorbeeld als initiatiefnemer, sparringpartner, samenwerkingspartner of uitvoerder. Om die reden is in het omgevingsprogramma geen vaste of uniforme rol vastgelegd.
De gemeente staat nadrukkelijk open voor constructieve samenwerking met energiegemeenschappen bij energieprojecten. Concrete voorstellen of signalen over onbenutte kansen worden daarbij zeer gewaardeerd en kunnen aanleiding zijn voor verdere samenwerking. Daarbij wil de gemeente wel benadrukken dat de tussenkomst van een energiegemeenschap in projecten tot verbetering en/of versnelling van de hernieuwbare energieopgave moet leiden, en niet tot extra juridische belemmeringen, met als mogelijk gevolg vertraging of zelfs afstel. f) Netcongestie vormt ook in Schiedam een reëel en groeiend probleem, met gevolgen voor woningbouw, bedrijvigheid en de inrichting van de openbare ruimte. In het omgevingsprogramma is daarom met name ingezet op maatregelen op bedrijventerreinen, gericht op slimmer gebruik van beschikbare netcapaciteit. De gemeente volgt de ontwikkelingen rond netcongestie nauwgezet en besteedt hier in toenemende mate aandacht aan. Tegelijkertijd constateert de gemeente dat het oplossen van netcongestie grotendeels een bovengemeentelijke opgave is. Netbeheerders en het Rijk hebben hierin een doorslaggevende rol. De gemeentelijke invloed is beperkt, maar waar mogelijk wordt ingezet op maatregelen die de impact van netcongestie lokaal zoveel mogelijk beperken, zoals netbewust bouwen.
5. Partij voor de Dieren Schiedam De Partij voor de Dieren Schiedam waardeert de inzet van de gemeente om te komen tot een Omgevingsprogramma Klimaat Schiedam 2025, maar acht de ambities en uitwerking onvoldoende in het licht van de klimaat-, biodiversiteits- en dierenwelzijnscrisis. De zienswijze is in behandeling genomen, maar aangezien Partij voor de Dieren Schiedam sinds de recente gemeenteraadsverkiezingen een positie in de raad heeft, is dat de plek waarin deze partij per heden haar standpunten kenbaar kan maken. De zienswijze richt zich op aanscherping van doelen, energiebeleid, rechtvaardigheid, participatie en ecologie. Daarbij wordt het volgende naar voren gebracht: a) Gesteld wordt dat het programma onvoldoende gebruikmaakt van de ruimte om
de klimaatambitie te verhogen, nu uit analyses blijkt dat een grotere CO₂reductie richting 2030 haalbaar is. Verzocht wordt de ambitie aan te scherpen door CO₂-neutraliteit uiterlijk in 2035 vast te leggen, met concrete tussendoelen, energiebesparingsdoelstellingen en een bestuurlijke bijsturingsplicht. b) Aangevoerd wordt dat het warmtenetbeleid te sterk leunt op fossiele
restwarmte, zonder duidelijke einddatum of route naar volledig duurzame bronnen. Verzocht wordt warmtenetten en het bredere energiebeleid structureel fossielvrij te maken, met uitsluiting van fossiele restwarmte en biomassa en een duidelijke routekaart naar duurzame alternatieven.
c) Gevraagd wordt klimaatrechtvaardigheid expliciet te borgen, onder meer door
tariefbescherming voor warmtenetgebruikers en zwaardere verplichtingen voor grote vervuilers. d) Gesteld wordt dat de invloed van inwoners op de energietransitie beperkt is en
verzocht wordt om versterkte participatie en minimaal 50% lokaal eigendom bij nieuwe energieprojecten. e) Gewezen wordt op het ontbreken van beleid voor biodiversiteit en dierenwelzijn
in de periode 2026–2027. Verzocht wordt om een tijdelijke borging van biodiversiteit en dierenwelzijn in het omgevingsprogramma, in afwachting van separate programma’s, met onder meer ecologische toetsing en natuur-inclusief beheer.
Reactie gemeente a) De prognose voor CO₂-reductie in 2030 is indicatief en onder andere afhankelijk van uitvoering van reeds vastgestelde plannen. Aangezien op dit moment al bekend is dat niet alle plannen (die nodig zijn om de prognose voor 2030 te behalen) uitgevoerd zullen worden binnen de gestelde termijn, is de verwachting dat de reductie in 2030 ook lager uit zal vallen dan de gestelde 59%. De ambitie inzake de CO2-reductie is onderdeel geweest van het proces dat heeft geleid tot de Schiedamse Omgevingsvisie. Daarbij is er voor gekozen deze ambitie niet aan te scherpen. In het programma wordt derhalve vastgehouden aan de door de gemeenteraad bepaalde ambitie van 49% reductie in 2030. b) Zowel landelijk als gemeentelijk wordt vastgehouden aan het einddoel CO₂neutraal in 2050. De rijksoverheid regelt de verduurzaming van de bron van warmtenetten in de Wet Collectieve Warmte, die naar verwachting in 2026 in werking treedt. De gemeente Schiedam zal per nieuw aan te wijzen warmtekavel de milieuprestatie vaststellen. Daarnaast wordt restwarmte nadrukkelijk wél als een bron gezien door de Rijksoverheid, getuige het ophaalrecht die er voor grote bedrijven is afgesproken onder artikel 6.2. van de Wet Collectieve Warmte (WCW). De gemeente volgt hierin het landelijk beleid. Het verbranden van afval gebeurt alleen wanneer recycling geen optie is.
Er worden meerdere bronnen ontwikkeld, zodat er tijdig een alternatief is wanneer er in de toekomst bij een toename van recycling minder afval beschikbaar is voor verbranding en om de emissie van broeikasgassen verder te beperken. Specifiek voor Groenoord: Aardgasgestookte hulpketels zijn in het geval van Groenoord een secundaire warmtebron die slechts 5 tot 15% van het totale warmtevolume voor Groenoord produceren. De hulpketels zijn alleen bedoeld om warmte te produceren bij een piekvraag en als back-up om de leveringszekerheid te
garanderen. De primaire warmtebron is het Rotterdamse warmtenet. Het warmtestation in combinatie met het warmtenet levert een aanzienlijke bijdrage aan de klimaatdoelstellingen en het doel om Groenoord aardgasvrij te maken. Met het aansluiten van Groenoord op een warmtenet wordt ongeveer 6.400 ton CO2-uitstoot per jaar bespaard. In deze fase zullen hulpketels op aardgas nog nodig zijn. De tweede stap is de overstap naar 100% duurzame bronnen voor het warmtenet uiterlijk in 2040. Daarmee wordt nog eens 3.100 ton CO2-uitstoot per jaar bespaard. De stapsgewijze verduurzaming sluit aan bij het gemeentelijke klimaatbeleid en bij het landelijke beleid uit het Klimaatakkoord. c) Met de WCW verandert de prijs van warmte uit warmtenetten van het principe van "niet meer dan anders", gebaseerd op de gasprijs, naar een kostplusregeling. Dit betekent dat de prijs gebaseerd wordt op de werkelijke kosten van het warmtenet, plus een redelijk rendement voor de exploitant. Daarnaast wordt er een landelijk vangnet geïntroduceerd om te zorgen dat consumenten niet onevenredig hoge kosten voor warmte hoeven te betalen. Onder de WCW mogen partijen geen afwijkende tarieven afspreken. Uiteraard is een betaalbaar aanbod voor eindgebruikers iets waar de gemeente zich voor inzet. d) De gemeente is in principe voorstander van lokaal eigendom en participatie in de energietransitie.
Echter, de energietransitie voor inwoners van Schiedam richt zich met name op zonnepanelen op kleinere daken en alternatieve warmteoplossingen voor particulieren, die vallen meestal niet onder het streven van 50% lokaal eigendom zoals in het Klimaatakkoord bedoeld is. Waar de omvang van een hernieuwbaar energieproject wel in aanmerking komt voor 50% lokaal eigendom, is dit uitgangspunt een streven en geen harde eis voor realisatie, om eventuele belemmeringen te voorkomen. e) De gemeente zal geen tussentijds uitvoeringskader vormgeven. De reden hiervoor is dat de gemeente haar beschikbare capaciteit voornamelijk wil richten op de totstandkoming van de structurele programma’s die uiterlijk in 2027 worden vastgesteld. Het ontwikkelen van een tijdelijk aanvullend kader vraagt extra inzet en brengt het risico met zich mee van versnippering en onduidelijkheid in beleid en uitvoering. De genoemde uitgangspunten krijgen waar mogelijk een plek binnen de bestaande kaders en werkwijzen. De gemeente acht een afzonderlijk voorlopig uitvoeringskader daarom niet noodzakelijk. Wel blijft de gemeente onverminderd doorwerken aan de totstandkoming van beter beleid voor biodiversiteit, o.a. door doorlopende taken die met het Actieprogramma Dierenwelzijn tot stand zijn gekomen en het vormgeven van betere ecologische toetsing en natuur-inclusief beheer, welke momenteel o.a.
worden geborgd in bijvoorbeeld het Soortenmanagementplan en het Handboek Openbare Ruimte.
6. Inwoner De indiener richt zich op het deelprogramma Klimaatmitigatie, specifiek het onderdeel duurzame mobiliteit. Aangevoerd wordt dat: a) In het programma sterk wordt ingezet op openbare laadpalen, terwijl de
mogelijkheid van Verlengde Private Aansluitingen (VPA) niet wordt benoemd. Hierdoor wordt onvoldoende ruimte geboden aan bijdragen van bewoners zelf, terwijl het programma inzet op samen ontwikkelen. Aanvragen voor een VPA worden momenteel structureel afgewezen. b) Er sprake is van ongelijkheid tussen bewoners met een eigen oprit en bewoners
die zijn aangewezen op openbare laadpalen, wat strijdig wordt geacht met het uitgangspunt dat iedereen moet kunnen meedoen aan de energietransitie. c) Wordt verzocht te onderzoeken onder welke voorwaarden VPA’s mogelijk
kunnen worden toegestaan, als aanvullende maatregel naast onder meer openbare laadpalen, deelmobiliteit en andere verduurzamingsmaatregelen. Reactie gemeente a) Binnen de gemeente Schiedam is deze vorm van laden momenteel niet toegestaan. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) biedt hier geen ruimte voor. Concreet stelt artikel 2:10 van de APV, dat het verboden is om zonder vergunning voorwerpen op of aan de openbare weg te plaatsen die niet tot doel hebben om daar te staan. Dit verbod is bedoeld om de openbare orde, verkeersveiligheid en bruikbaarheid van de weg te waarborgen. De gemeente staat een VPA (kabel over de stoep, bedekt met een kabelgoot, -mat, -tegels, zwenkarm of een andere vergelijkbare constructie) derhalve niet toe. De gemeente realiseert zich dat daarmee het elektrisch rijden en de functionele inzet van duurzame energie niet worden gestimuleerd, maar wijzen er daarbij wel op dat deze beperking is ingegeven vanuit het oogpunt van een veilig gebruik van de openbare ruimte. Deze afweging zullen we ook expliciet toevoegen aan het deelprogramma klimaatmitigatie. b) De gemeente is zich ervan bewust dat door het niet toestaan van VPA’s op dit moment verschillen ontstaan in de manier waarop bewoners kunnen meedoen met de energietransitie, in dit geval de mogelijkheid om hun voertuig elektrisch te kunnen laden.
Het toestaan van een VPA lost dit probleem deels op, al wegen de voordelen hiervan volgens de gemeente niet op tegen de nadelen, zie 6.c. Ook al zouden VPA’s worden toegestaan, zijn er nog steeds veel Schiedammers (bijvoorbeeld zij die woonachtig zijn in een appartementengebouw) die geen mogelijkheid hebben om een VPA te plaatsen. Het toestaan van VPA’s lost de ongelijkheid daarom niet op voor iedereen. De gemeente werkt wel aan oplossingen via het netwerk van openbare laadinfrastructuur die duurzaam werken voor alle bewoners van Schiedam. Schiedam is aangesloten bij de Samenwerkende Gemeenten Zuid-Holland (SGZH), waarmee de concessie voor het plaatsen van laadpalen in de openbare ruimte collectief is aanbesteed. Op regionaal niveau wordt ook nagedacht over
technische mogelijkheden, potentieel, laadopstellingen (niet laadpalen).
en
uitrol
van
andersoortige
c) De gemeente heeft recent onderzoek gedaan naar de (on)mogelijkheden van Verlengde Private Aansluitingen (VPA). Hierbij is bekeken of bewoners hun elektrische voertuig vanaf hun eigen woning kunnen opladen via een laadkabel in of over de openbare ruimte, al dan niet met gebruik van de zogeheten kabelgoottegels. Het onderzoek heeft zich o.a. gericht op gemeenten die de afgelopen jaren hebben geëxperimenteerd met kabelgoottegels of andere vormen van verlengd privaat laden. Op basis van die ervaringen zien wij meerdere structurele nadelen bij het toestaan van verlengd privaat laden in Schiedam: I.
II. III. IV.
V.
VI.
Veiligheidsrisico: De gemeente is conform NEN3140 installatieverantwoordelijke voor elektrotechnische voorzieningen in de openbare ruimte en daarmee ook risicoaansprakelijk bij schade. De gemeente heeft, in tegenstelling tot bij de realisatie van openbare elektrotechnische installaties, echter geen rol bij de realisatie en toetsing van particuliere elektriciteitsaansluitingen. Bovendien bevindt deze aansluiting zich in de woning en is deze in geval van incidenten niet vanaf de openbare weg toegankelijk. Het is daarom niet mogelijk de aanvullende installatieverantwoordelijkheid en bijbehorende risicoaansprakelijkheid te aanvaarden. Veiligheidsrisico: Kabels op of in de stoep kunnen leiden tot struikelgevaar, ook als deze netjes in een goottegel zijn weggewerkt. Belemmering toegankelijkheid: met name voor mensen met een visuele beperking, rolstoelgebruikers of mensen met kinderwagens. Uitdagingen handhaving: wie controleert of de kabel correct is weggewerkt? Wat als bewoners toch een kabel over de stoep leggen buiten het systeem om. Oneigenlijk gebruik openbare ruimte: bewoners krijgen de facto een gereserveerde parkeerplaats voor hun deur, zonder dat dit juridisch zo is geregeld. Dit kan leiden tot (ongewenst) claimgedrag.
Kosten en beheer: de aanleg en het onderhoud van bijvoorbeeld kabelgoottegels brengt gemeentelijke kosten met zich mee en vraagt structurele inzet van beheer als ook toezicht & handhaving.
Gelet op bovenstaande is ervoor gekozen om in Schiedam geen pilot uit te voeren met verlengd privaat laden. Die keuze is ingegeven door de stedelijke context van Schiedam, met smalle trottoirs, hoge parkeerdruk en beperkte publieke ruimte, mede gelet op de ervaringen van andere stedelijke gemeenten en de evidente nadelen. Om VPA’s in Schiedam toe te staan in de toekomst, zal voor bovenstaande punten een oplossing moeten komen. Ontwikkelingen op het gebied van mogelijkheden voor privaat laden in een stedelijke omgeving worden gevolgd en waar mogelijk ingezet. Hierbij is speciale aandacht voor "Opladen tegen eigen tarief" bij collectieve laadpalen. Dit betekent dat je als gebruiker of eigenaar van een laadpunt zelf het kWh-
tarief kunt instellen voor het opladen van voertuigen, in plaats van het standaardtarief van de exploitant. Momenteel is dit echter nog niet toepasbaar in Schiedam en, vanwege de regionale concessie, kan Schiedam dit niet eigenstandig regelen. De huidige regionale concessie voor openbare laadinfrastructuur, waar Schiedam onderdeel van uitmaakt, loopt af. Er wordt op dit moment gewerkt aan een nieuwe collectieve concessie binnen het kader van RAL-Zuidwest, waarvan Rotterdam penvoerder is. Doel van deze concessie is een efficiënte, data-gedreven en schaalbare uitrol van publieke laadpalen, waarbij uniformiteit, veiligheid, betaalbaarheid en gelijke toegang vooropstaan.