Bijlage 2 Bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-West
Tekst van het document
80 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
Jaar
GCN-achtergrondconcentratie rekenpunt: 15939425
2020 2030 Grenswaarden
NO2 (µg/m3) 28,3 20,8 40
PM1 0 (µg/m3) 19,9 17,1 40
PM2,5 (µg/m3) 12 9,6 25
Tabel 3 Achtergrondconcentraties stikstofdioxide en fijnstof ter plaatse van het plangebied De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM1 0 is 40 µg/m³ en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m³ de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zullen de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven.
5.8.3 Conclusie Gelet op bovenstaande toelichting wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige plan.
5.9 Bodem 5.9.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bodemanalyse te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van bepaalde bestemmingen of bestemmingswijziging. De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wet bodembescherming, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie zijn diverse (verkennende) bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze zijn als bijlagen bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. In deze paragraaf wordt kort samengevat ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit deze onderzoeken. Ook wordt ingegaan op de specifieke maatregelen die naar aanleiding van de onderzoeken zijn of worden genomen en hoe deze, in voorkomende gevallen, doorwerking hebben gekregen in de planregels van dit bestemmingsplan.
5.9.2 Relatie tot de ontwikkeling De milieukundige bodemsituatie ter plaatse van de glasfabriek is vanwege het staken van de bedrijfsactiviteiten door de voormalige eigenaar O-I Manufacturing Schiedam, als eindsituatie vastgesteld. Ook voor het VROM-terrein zijn diverse onderzoeken bekend en zijn saneringsrapportages opgesteld. Op de locatie Buitenhavenweg 114-120 (voormalige glasfabriek) zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: historisch onderzoek glasfabrieksterrein (Tukkers, kenmerk 43100787-3, 19 december 1994); verkennend bodemonderzoek bedrijfsterrein van de Verenigde Glasfabrieken te Schiedam (NBM, kenmerk 62.024, 8 juli 1997); historisch onderzoek in het kader van het Landsdekkend Beeld in de gemeente Schiedam, locatie Buitenhavenweg 114-120 (Geofox-Lexmond, AA060600034, 30 oktober 2008); eindsituatie bodemonderzoek O-I Manufacturing Schiedam, Buitenhavenweg 114-116 Schiedam (Tebodin, kenmerk 48368, november 2016); eindsituatie bodemonderzoek O-I Manufacturing Schiedam, Buitenhavenweg 114-116 Schiedam (Tebodin, kenmerk 52151, juli 2018). b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 81
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
Van de locatie Buitenhavenweg 154-176 (VROM-terrein) zijn de volgende onderzoeken en saneringsrapportages bekend: nader bodemonderzoek Buitenhavenweg te Schiedam (Milieu Adviesbureau Interproject, kenmerk 5088.10.02, 2 7 oktober 1995); aanvullend bodemonderzoek voormalig VROM-terrein, Buitenhavenweg te Schiedam (Milieu Adviesbureau Adverbo, kenmerk 99.10.0196.170, 1 7 april 2000); saneringsplan voormalig VROM-terrein, Buitenhavenweg te Schiedam (Milieu Adviesbureau Adverbo, kenmerk 03.10.0989.170, 12 juni 2003); milieukundig Bodemonderzoek terrein aan de Buitenhavenweg (voormalig VROM-terrein) te Schiedam (Adverbo, kenmerk 07.10.2203.170, 5 december 2007); evaluatie saneringswerkzaamheden Buitenhavenweg 154-176 te Schiedam (Milieu Adviesbureau Adverbo, kenmerk 08.20.2456.170, 16 april 2009); beschikking instemming evaluatieverslag locatie Buitenhavenweg 154-176 te Schiedam (gemeente Schiedam, kenmerk SC060600247, d.d. 23 juni 2009). Uit de onderzoeken verricht ter plaatse van de Buitenhavenweg 114-120 komt naar voren dat ter plaatse een ophooglaag aanwezig is bestaande uit een mengsel van zand, puin, kolengruis, verbrandingsresten en glas. De laag is naar verwachting deels aangebracht bij ingebruikname van de terreinen om de onderliggende bodemlagen te verstevigen en de bodem begaan te maken voor materieel.
Verwacht wordt dat als gevolg van verzakkingen er in de loop der jaren extra lagen zijn aangebracht waardoor uiteindelijk een ophooglaag is ontstaan met een dikte van 1,0 à 1,5 meter. Door de bijmengingen met verbrandingsresten maar ook omdat in oude bouwmaterialen zware metalen werden toegepast om ze beter weerbestendig te maken is de laag verontreinigd met zware metalen en PAK's. Naast deze integraal aanwezige verontreinigde laag zijn lokaal ook spots met minerale olie aanwezig. Deze hangen samen met de opslag en het gebruik van brandstoffen en smeerolie, één spot is naar verwachting het gevolg van een morsing. Ter plaatse van de Buitenhavenweg 154-176, het VROM-terrein, zijn als het gevolg van het bedrijfsmatige gebruik van de locatie alsmede stort (ophoging) en verbranding van huisvuil en veegafval verontreinigingen ontstaan. Tijdens een sanering in 2008 zijn resterende tanks en mobiele verontreinigingen verwijderd en is ook het asbesthoudende deel van de ophooglaag van de locatie afgevoerd. In de eindsituatie resteert een ophooglaag bestaande uit zand vermengd met puin en verbrandingsresten met een dikte van 1,0 à 1,5 meter die matig tot sterk verontreinigd is met zware metalen en PAK. In de ophooglaag zijn schone sleuven aangelegd ten behoeve van kabels en leidingen.
De verontreinigde laag is geïsoleerd door het aanbrengen van een gesloten verharding (10 cm schoon zand en stelconplaten). In het grondwater zijn bij de voorgaande onderzoeken licht verhoogde gehalten aan arseen, vluchtige aromaten en cyanide aangetoond. De uitgevoerde sanering is goedgekeurd door de gemeente Schiedam. Als nazorgverplichting geldt dat de aanwezige verharding in stand dient te worden gehouden. Naar aanleiding van de diverse onderzoeken is de noodzaak tot sanering van enkele delen van het terrein vastgesteld. Ook is geconcludeerd dat bij de beoogde herontwikkeling tot gemengd woon-werkgebied het aanbrengen van een leeflaag wenselijk is, om zodoende een geschikte bodemkwaliteit te kunnen garanderen. In het door Antea Group uitgevoerde cq. opgestelde nader onderzoek en raamsaneringsplan voor de locatie, zijn de diverse maatregelen uitgewerkt en vastgelegd (d.d. 6 juni 2023, kenmerk 0466025, revisieversie 3). Op 23 november 2023 is een beschikking Wet bodembescherming afgegeven (kenmerk 1982019_4805105), waarmee is vastgelegd dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt is cq. gemaakt wordt voor het beoogde gebruik. In de regels van het bestemmingsplan is verder een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de geschikte bodemkwaliteit in stand
82 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
moet worden gehouden. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor dit aspect geborgd. PFAS en asbest Specifiek naar het voorkomen van PFAS en asbest in de bodem is afzonderlijk onderzoek uitgevoerd door Antea Nederland BV (project nr. 0472110.100, d.d. 14 september 2021). Onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van de te saneren perceeldelen, door monsterneming in de ontgravingsvlakken. Ter plaatse bestaat de mogelijkheid dat de bodem door atmosferische depositie met PFAS is verontreinigd. Onderzoek naar PFAS is van toepassing wanneer grond vrijkomt welke niet eerder op deze stofgroep is onderzocht en elders dient te worden toegepast of wordt aangeboden aan een erkend verwerker. Gezien de aard van de beoogde werkzaamheden (sanering) is het aannemelijk dat bij de saneringswerkzaamheden grond vrijkomt en dat deze moet worden afgevoerd. Om die reden is onderzoek naar het voorkomen van PFAS uitgevoerd, conform NEN5740. Omdat de onderzoeksaanleiding ligt in de bodemsanering, en dus de afvoer van grond, is geen grondwateronderzoek uitgevoerd. Voor asbest is relevant dat glasfabrieken voor zover bekend niet bijzonder verdacht zijn voor wat betreft de aanwezigheid van asbest in de bodem.
Gezien de historische aanwezigheid van glasfabricage op het terrein zijn er geen andere bedrijfsmatige activiteiten die de aanname dat sprake is van een onverdachte situatie in de weg staan. Voor zover bekend is de locatie niet eerder op asbest onderzocht. In juli en september 2021 zijn veldwerkzaamheden ter plaatse uitgevoerd, waarbij diverse grondboringen zijn gezet. Naast de boringen is ook een fysieke inspectie op de aanwezigheid van asbesthoudende materialen uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzigingen van bodemverontreiniging geconstateerd. Wel zijn verspreid over het terrein in verschillende gradaties kolengruis, olie-water reacties, teergeuren, baksteen, glas, metselpuin en beton aangetroffen. De grondboringen zijn vervolgens geanalyseerd op het voorkomen van PFAS en asbest. Uit de analyseresultaten blijkt dat geen sprake is van verhoogde gehalten aan PFAS in de bodem. De geanalyseerde monsters vallen voor wat betreft PFAS onder de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur. Dit betekent dat er wat betreft PFAS geen belemmeringen zijn voor de af te voeren vrijkomende grond tijdens de saneringswerkzaamheden. In de geanalyseerde monsters is voor asbest geen overschrijding van de actiewaarde aangetroffen. Bij het als worst-case aan te merken bodemmonster is sprake van 1/3 van de actiewaarde.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de grond ter plaatse van de verschillende deellocaties als niet-PFAS-houdend en niet-asbesthoudend kan worden aangemerkt (indicatief). Nader onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen is niet noodzakelijk, de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt door dit aspect niet in de weg gestaan. Verspreide percelen Voor de diverse verspreide percelen waar geen herontwikkeling wordt voorgestaan is sprake van een conserverende bestemminsgslegging. Ten opzichte van het voorheen geldende planologisch regime is geen sprake van substantiële wijzigingen in gebruiksmogelijkheden of een verandering van bouwmogelijkheden. Het bestaande gebruik op deze locaties wordt voortgezet. Nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk.
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 83
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
5.9.3 Conclusie Op grond van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgesteld en dat, in de huidige situatie, de aanwezige bodemverontreiniging in principe een belemmering vormt voor de voorgenomen herontwikkeling. Deze belemmering kan worden weggenomen door saneringsmaatregelen te nemen die er voor zorgen dat toekomstige gebruikers niet worden blootgesteld aan de aanwezige verontreiniging. De maatregelen dienen zo te worden vormgegeven dat de risico's worden weggenomen en dat de nazorg wordt geminimaliseerd. Vanwege de omvang en de aard van de aanwezige verontreiniging is het niet noodzakelijk de verontreiniging volledig te verwijderen. De verontreiniging mag geïsoleerd worden onder toekomstige bebouwing en verhardingen of het aanbrengen van leeflagen. De saneringsmaatregelen zijn uitgewerkt in samenhang met de geplande ontwikkeling en vastgelegd in een raamsaneringsplan dat door de gemeente is goedgekeurd via een beschikking Wet bodembescherming (kenmerk 1982019_4805105, d.d. 23 november 2023). Op basis van het vastgestelde saneringsplan wordt toegewerkt naar een situatie waarbij de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functies die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
De instandhouding van de bodemkwaliteit is planologisch geborgd door opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan.
5.10
Niet gesprongen explosieven
5.10.1
Algemeen
Door Saricon is gemeentebreed een vooronderzoek naar niet-gesprongen explosieven uitgevoerd (kenmerk 16S134, d.d. 6 maart 2018). In dit vooronderzoek zijn onder meer de volgende gebeurtenissen en omstandigheden in kaart gebracht: Grondgevechten tussen Nederlandse en Duitse eenheden in mei 1940; Luchtaanvallen door Duitse en geallieerde luchtstrijdkrachten; De aanwezigheid van mijnenvelden; De aanwezigheid van militaire verdedigingswerken; Vliegtuigcrashes; Munitievondsten. Bij de beoordeling van de gebeurtenissen zijn verspreid over het grondgebied van de gemeente diverse gebieden aangemerkt welke verdacht zijn voor de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Deze verdachte gebieden zijn opgenomen op een CE-bodembelastingskaart.
5.10.2
Relatie tot ontwikkeling
Uit de CE-bodembelastingkaart van de gemeente blijkt dat het plangebied ter plaatse van de voormalige glasfabriek en het VROM-terrein geheel onverdacht zijn. Ten aanzien van het plangebied is door Saricon een briefrapportage opgesteld die gebaseerd is op de resultaten van het vooronderzoek Conventionele Explosieven (CE). Op grond van de rapportage (kenmerk 20S096-BR-01, d.d. 2 november 2020) kan geconcludeerd worden dat er geen aanleiding is om een verdacht gebied aan te merken binnen het plangebied. Het plangebied is onverdacht op de aanwezigheid van conventionele explosieven.
84 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
5.10.3
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is er geen aanleiding om op voorhand gebieden als verdacht te markeren voor de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Indien bij werkzaamheden binnen het plangebied onverhoopt toch explosieven worden aangetroffen dan dienen de geldende procedures te worden opgevolgd. Risico's moeten worden vermeden, en na inschakeling van de relevante hulpdiensten zal de EOD van de vondst in kennis worden gesteld.
5.11
Kabels en leidingen
5.11.1
Algemeen
In paragraaf 5.6 zijn de relevante buisleidingen voor externe veiligheid reeds beschouwd. Hieruit is gebleken dat deze leidingen geen belemmeringen vormen voor het plan. Naast de planologisch relevante kabels en leidingen zijn er ook andere kabels leidingen aanwezig in de ondergrond.
5.11.2
Relatie tot de ontwikkeling
De aanwezige kabels en leidingen zijn geïnventariseerd en zullen waar nodig worden verlegd of aangepast aan de voorgenomen transformatie van het gebied. De aanwezige kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor uitvoering van het plan. Belangrijk daarbij is dat sprake is van een nagenoeg totale herontwikkeling van het plangebied. Zowel op gebouwniveau als voor wat betreft het stratenpatroon en de openbare ruimte gaat het gebied grotendeels op de schop. De transformatie van industrieterrein naar gemengd woon-werkgebied betekent dat bestaande kabels en leidingen worden verlegd en aangepast aan de beoogde nieuwe situatie. In overleg met de betrokken nutsbedrijven zal de concrete uitvoering van deze aanpassingen nader worden vormgegeven.
5.11.3
Conclusie
Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.12
Archeologie
5.12.1
Algemeen
De gemeente Schiedam heeft archeologisch beleid, met bijbehorende beleidsinstrumenten ontwikkeld, waaronder de beleidsnota 'Archeologische Monumentenzorg gemeente Schiedam' en de 'Archeologische Waardenkaart Schiedam' (januari 2008). Hiermee is een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen gewaarborgd. Het beleid sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem, voor documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is en dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 85
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
De locatie is zowel vanuit vigerend gemeentelijk beleid, waaronder het voorheen geldende bestemmingsplan, als op basis van archeologisch inhoudelijke bronnen verdacht op de aanwezigheid van archeologische resten.
5.12.2
Relatie tot ontwikkeling
Gelet op de voorgenomen transformatie van het plangebied, en de bouwvolumes die er al staan, zullen bodemingrepen in dit gebied op basis van het voorliggende bestemmingsplan meestal groter zijn dan 200 m2. Op basis van de voorheen geldende dubbelbestemming voor bescherming van archeologische waarden was dan nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het plangebied is door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (kenmerk 466025, d.d. 6 november 2020, zie bijlage 10). Op grond van het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor het plangebied een brede archeologische verwachting geldt. Wel kan deze, zeker voor de periode van de late middeleeuwen en nieuwe tijd, nader geconcretiseerd worden . De aanwezigheid van oudere resten is sterk afhankelijk van de aard van de bodemopbouw (die nog niet of enkel (te) grof bekend is). Er kunnen archeologische resten worden aangetroffen uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd, afhankelijk van de bodemopbouw in het plangebied. De hoogste verwachting geldt echter op het aantreffen van resten uit de nieuwe tijd, gebaseerd op de historische kaarten uit het gebied. De stroomrug langs de Schie, die aan de westkant van het plangebied ligt, vormde mogelijk een gunstige vestigingslocatie tussen de ijzertijd en de vroege middeleeuwen.
Deze verwachting is vervolgens alleen van toepassing indien de bodemopbouw niet geroerd is geraakt en alle lagen nog intact aanwezig zijn. De locatie is zowel vanuit vigerend gemeentelijk beleid als op basis van archeologisch inhoudelijke bronnen verdacht op de aanwezigheid van archeologische resten. Archeologie zal verder in de planvorming als één van de te onderzoeken aspecten moeten worden meegenomen. Pas wanneer kan worden aangetoond dat het plangebied tot voorbij de archeologisch relevante niveaus reeds verstoord is óf middels een waarderend archeologisch veldonderzoek er geen behoudenswaardige vindplaats binnen het plangebied wordt aangetroffen, kan de gemeente Schiedam het plangebied vrijgegeven voor wat betreft het aspect archeologie binnen het ruimtelijk domein. De aanwezigheid van archeologische sporen is sterk afhankelijk van het feit of de bodemopbouw in het plangebied verstoord is geraakt door bebouwing of andere grondwerkzaamheden. Dit kan niet worden bepaald door een archeologisch bureauonderzoek alleen. Antea Group adviseert dan ook om in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische lagen te bepalen.
Op die manier kan een gefundeerd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de noodzakelijke archeologische onderzoeken die daarvoor moeten worden uitgevoerd. De gemeente Schiedam heeft het onderzoeksrapport laten beoordelen door haar vaste adviseur, de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam, en besloten het advies van de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam uit haar brief van 11 november 2022 (kenmerk AS22/12186-22/9022806) over te nemen. Het onderzoeksrapport is goedgekeurd. Verder wordt de in het rapport geformuleerde aanbeveling opgevolgd, namelijk om in het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren maar de insteek hiervan te laten afhangen van de concrete bouw- en inrichtingsplannen. Een archeologische planbeoordeling moet, zodra deze plannen definitief zijn, nog worden uitgevoerd. Pas dan wordt bepaald of een veldonderzoek nodig zal zijn en, zo ja, of dit voor het gehele plangebied geldt of voor delen ervan. Ook kan op dat moment 86 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
worden bekeken welke vorm van onderzoek het meest geschikt is om de archeologische verwachting te toetsen. Omdat in dit geval een projectbestemmingsplan voor het plan wordt opgesteld, voldoet het om de regels uit het voorheen geldende bestemmingsplan en de daarin opgenomen archeologische dubbelbestemming(en) over te nemen. Hiermee is afdoende geborgd dat bij de nadere uitvoer van bouwplannen de archeologische onderzoeksplicht moet worden nagekomen, en kan de opzet van het onderzoek worden afgestemd op de concreet voorliggende bouwplannen. Verspreide percelen Ten aanzien van de diverse verspreide percelen is het beschermingsregime uit het voorgaande bestemmingsplan overgenomen. Omdat op deze locaties geen nieuwe ontwikkelingen worden voorgestaan is nader onderzoek niet nodig. Indien zich ontwikkelingen voordoen biedt het opgenomen archeologisch beschermingsregime voldoende handvaten om de eventuele archeologische waarde nader te bepalen.
5.12.3
Conclusie
Uit oogpunt van de bescherming van archeologische waarden geldt voor het gehele plangebied een archeologische dubbelbestemming. Belemmeringen voor de uitvoering worden niet verwacht.
5.13
Duurzaamheid
5.13.1
Algemeen
Het gemeentelijke beleid ten aanzien van duurzaamheid is neergelegd in het Klimaatbeleidsplan (gericht op klimaatmitigatie: aanpakken van de oorzaken van klimaatverandering) en het Klimaatadaptatieplan (gericht op adaptatie: aanpassen van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering). Het nieuwe Klimaatbeleidsplan 'Een wereld te winnen' is op 3 november 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Dit klimaatbeleidsplan is aangepast, geactualiseerd en aangevuld en bouwt voort op de weg die is ingeslagen met het Programma Duurzaamheid (2016-2018) en het Klimaatbeleidsplan 2016-2020. Het Klimaatadaptatieplan Schiedam en het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019 tot en met 2023 zijn op 12 maart 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Het Klimaatadaptatieplan gaat in op vier thema's: wateroverlast, droogte, hitte en overstromingsrisico's.
5.13.2
Klimaatadaptatie
Met het beleid wordt ingezet op een aanpassing van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering. Ingezet wordt op het hebben van voldoende mogelijkheden voor waterberging in geval van wateroverlast door overvloedige regen, alsmede het beperken van her risico op instabiliteit van kaden en verzakkingen ten gevolge van droogte. Om wateroverlast te voorkomen, is uitgangspunt dat de stad een extreme bui (waarbij 60 mm neerslag valt in een uur tijd) kan verwerken. Om in tijden van droogte het uitdrogen van de bodem en het 'uitzakken' van de grondwaterstand tegen te gaan, wordt zoveel mogelijk water opgevangen, vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem. Met het beleid wordt ingezet op een aanpassing van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering. Uitgangspunt is dat het stedelijk gebied bij hittegolven niet meer dan 2 graden Celsius opwarmt ten opzichte van het omliggende gebied. Om die reden is het wenselijk dat maatregelen worden getroffen die extreme opwarming tegengaan, zoals het toepassen van 'vergroenende' maatregelen. In het algemeen geldt dat indien 40% van de planlocatie wordt vergroend, een daling van 2 graden Celcius optreedt. Naast 'vergroenende' maatregelen is het b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 8 7
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
ook belangrijk om bouwtechnische voorzieningen te treffen. De transformatie van het Glasfabriek terrein te Schiedam vindt plaats in meerdere fasen, waarbij het terrein transformeert van bedrijvigheid naar een combinatie van gemengd wonen en werken. De concrete uitwerking van maatregelen vindt gefaseerd plaats. Het gaat daarbij om het zoeken van een combinatie van maatregelen die enerzijds bijdragen aan een aantrekkelijk woon- en leefgebied, en die anderzijds soms nodig zijn om aan bepaalde wettelijke eisen te voldoen. Uitwerking VROM-locatie als voorbeeld In samenhang met de uitwerking van het (ontwerp)bestemmingsplan is ook een (ontwerp)omgevingsvergunning voor bebouwing van het VROM-terrein uitgewerkt. Het bouwplan voor het VROM-terrein kan als voorbeeld dienen voor de wijze waarop diverse maatregelen binnen het plangebied worden uitgewerkt. Door Laneco is in samenwerking met VOIDS, ten behoeve van de vergunningaanvraag, een Memo natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen uitgewerkt (d.d. 15 augustus 2023). De memo is onderdeel van het vergunningdossier. In de memo zijn de ambities voor vergroening en natuurinclusief bouwen beschreven. Hierin is het puntensysteem Groen en Natuurinclusief Bouwen als basis genomen.
De transformatie van de voormalige glasfabriek en omgeving vergroot het aandeel (oppervlakte)groen fors, en daarmee de ecologische- en natuurlijke waarde van het terrein. Het VROM-terrein als voorbeeld bestaat uit een bouwblok met een drietal (afsluitbare) openingen. Aan de binnenzijde van het bouwblok komt een centrale binnentuin voor alle bewoners van de VROM-locatie. Wateropgave Om wateroverlast te voorkomen zorgt de ontwikkelaar voor de mogelijkheid tot infiltratie op zowel de daken van de bebouwing als in de binnentuin. Uitgangspunt is dat de VROM-locatie een piekbui van 60 mm/uur kan verwerken. Als principe wordt er gehanteerd dat het hemelwater wordt opgevangen, vastgehouden/ geïnfiltreerd (minimaal 24 uur) en vervolgens (vertraagd) wordt afgevoerd naar de Schie. Naast de privéterrassen bij de woningen bestaat de binnentuin uit 90% onverharde materialen. Ook wordt gedacht aan extra waterberging in de vorm van een wadi, wat ook bijdraagt aan de biodiversiteit. Hittestress Hittestress is gelet op de klimaatverandering een steeds urgentere opgave, voornamelijk in het stedelijk gebied. Als uitgangspunt voor het VROM-terrein is gekozen zoveel mogelijk warmte absorberende materialen in de buitenruimte te gebruiken. Meer dan 30% van de schil wordt warmtewerend of verkoelend ingericht.
Alle daken worden uitgevoerd als groendaken en de binnentuin bestaat voor 90% uit groen en halfverharding. Alleen de privéterrassen en de toegangen hier naar toe vanuit de binnentuin, worden uitgevoerd in klinkers. Daarnaast wordt de beplanting in de binnentuin niet alleen benut voor biodiversiteit, maar geeft deze ook schaduw in de binnentuin. Vergroening binnentuin Voor de inrichting van de binnentuin is gekeken naar soorten die van nature in de omgeving voorkomen, en soorten die naar verwachting de meeste kans hebben om een meerwaarde voor biodiversiteit te bieden. In de planvorming zijn slechts beperkt doelsoorten voor fauna opgenomen. Door gelegenheid te bieden aan een breed spectrum van diersoorten is de verwachting dat van nature voorkomende dieren het gebied uit zichzelf zullen koloniseren. Enkel voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw zijn specifieke eisen opgenomen. Qua bomen is de keuze gemaakt om in ieder geval één grote volwassen boom te plaatsen die
88 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
direct meerwaarde kan bieden voor onder meer vogels en insecten. Er wordt gekozen voor een inheemse boom, bij voorkeur een die een lange levensverwachting heeft en hiermee voor meerdere jaren een rol in het ecosysteem kan vervullen (bijvoorbeeld zomerlinde of zomereik). Daken en gevels De gevels en daken worden gezien als verlengde van de binnentuin, met specifieke eigenschappen en mogelijkheden voor zowel het versterken van de biodiversiteit als de woonkwaliteit. Voor het VROM-terrein wordt gekozen voor klimplanten, met een afwisseling in groei- en bloeiperiodes, en bij voorkeur ook enkele geurende soorten. Hierdoor wordt een zo lang mogelijke periode gerealiseerd waarin insecten en vlinders nectar kunnen verzamelen, en is ook sprake van een aantrekkelijke omgeving voor de bewoners. Het gevelgroen biedt ook ruimte aan (broed)vogels voor nestplaatsen, beschutting en mogelijke voedselbronnen. Alle daken worden vergroend. Op enkele daken gaat dit samen met de plaatsing van zonnepanelen. De combinatie van zonnepanelen met een groen dak zorgt voor een minder sterke opwarming van de omgeving, een verbeterde waterbuffering van hemelwater en een betere opbrengst van de PV-panelen. De groene daken worden deels afgewisseld met faunavoorzieningen door delen te bedekken met kiezels. Er worden 50 nestkasten gerealiseerd in het bouwblok op het VROM-terrein.
De nestkasten worden geclusterd in de drie doorgangen van het bouwblok. Door aanbod van een diversiteit aan nestgelegenheden met wisselende materialen en groottes van invliegopeningen, wordt voor verschillende soorten de gelegenheid geboden om van het terrein gebruik te maken. Denk hierbij aan algemene broedvogels, vlinders, bijen en overige insecten. Bij de plaatsing van de nestkasten wordt rekening gehouden met de specifieke condities die nodig zijn om de kans voor een succesvol gebruik van de nestkasten te vergroten.
5.13.3
Klimaatmitigatie
Energie Het beoogde energieconcept voor het project De Glasfabriek is een collectief bodemenergiesysteem. Bij dit systeem worden zes warme en koude bronnen gekoppeld worden aan een ringleidingnet. Dit systeem wordt vervolgens gekoppeld aan één of meerdere collectieve centrales in het gebied waarmee het systeem goed gefaseerd kan worden aangelegd. Het energieconcept staat voor een hoog energierendement en een lage CO2-uitstoot. Bovendien zijn de onderhoudskosten voor de eindgebruikers laag en kan er vanuit dit systeem zowel warmte als koude worden geleverd.
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 89
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
Afbeelding 18 Indicatieve aanduiding warmte- en koudebronnen Voor de ten gunste van dit systeem te boren bronnen is door de ontwikkelaar een waterwetvergunning aangevraagd, deze is inmiddels ook verleend. Op de bovenstaande afbeelding zijn de (indicatieve) locaties voor de warmte- en koudebronnen aangegeven, in overeenstemming met de aan de ontwikkelaar verleende waterwetvergunning.
5.13.4
Conclusie
Binnen de kaders van het bestemmingsplan is een verdere uitwerking van de concrete plannen mogelijk, en zijn eventuele verdere duurzaamheidsmaatregelen uit te werken.
5.14
Windhinder
5.14.1
Algemeen
In het kader van een goede ruimtelijke ontwikkeling is het wenselijk om te kunnen vaststellen of er een aanvaardbaar windklimaat optreedt na voltooiing van het plan, zodat duidelijk is dat geen windgevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Windhinder op een bepaalde plek is het aantal uur per jaar dat het op deze plek harder waait dan de gestelde grens van 20 km/h. In de NEN8100 zijn hiervoor kwaliteitsklassen opgenomen. Hoe iemand het windklimaat ervaart hangt af van zijn activiteit. In een park of speeltuin is meer behoefte aan een rustiger windklimaat dan op een parkeerplaats. De norm beschrijft daarom drie activiteitsklassen. De waardering van het lokale windklimaat wordt gekwalificeerd met goed, matig of slecht. Het plangebied kent een omvang van circa vijftien hectare, en beoogd onder andere in beperkte mate vormen van hoogbouw te realiseren. Daarbij ligt het plangebied nabij de gebiedsontwikkeling Merwe-/Vierhavens, waar eveneens sprake is van ontwikkelingen met hoogbouw. Op enige afstand ten zuiden en oosten van het plangebied ligt voorts het open water van de Nieuwe Maas en het havenbekken van de Merwehaven. Hoewel op enige afstand, wordt 90 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
het plangebied vooralsnog niet door substantiële hoogbouw of opgaande beplanting van deze open gebieden gescheiden.
5.14.2
Relatie tot ontwikkeling
Ter onderbouwing van het bestemmingsplan en de ontwikkeling is een windhinderonderzoek uitgevoerd door Peutz (d.d. 10 november 2023, kenmerk O 16860-7-RA-003 ). Het gaat om een theoretische beschouwing van het windklimaat. Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Met behulp van het Computational Fluid Dynamics (CFD) model is onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom het terrein van de voormalige glasfabriek. Deze beoordeling geeft een eerste inzicht in het te verwachten windklimaat rond de beoogde gebiedsontwikkeling. Aan de hand van onderstaande tabel 4, afkomstig uit de NEN 8100, wordt een beoordeling gegeven van de te verwachten mate van windhinder.
tabel 4 Criteria windhinder volgens NEN 8100 Het windklimaat wordt beoordeeld op basis van de uitgevoerde CFD-berekeningen, de windstatistiek van de betreffende locatie en de grenswaarden uit de NEN 8100.
Afbeelding 19 Het te verwachten windklimaat in de beoogde situatie, conform NEN 8100
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 9 1
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: rond de geplande bebouwing is overwegend sprake van een goed windklimaat voor zowel de activiteit slenteren als de activiteit doorlopen (blauw/groen in afbeelding); in de nabijheid van gebouw A en D is in grote mate sprake van een beoordeling matig; verblijfsgebieden moeten worden gerealiseerd in gebieden met een voor goede kwaliteit voor slenteren; het treffen van windafschermende maatregelen kan een positief effect hebben op de windkwaliteit. Met lokale ingrepen kan het windklimaat worden verbeterd. Om het windklimaat beter te kunnen beoordelen of de verbeteringsmaatregelen (luifels, schermen of begroeiing) daadwerkelijk een positief effect hebben op het windklimaat in een definitieve bouwplan, is aanvullend onderzoek nodig op basis van een concreet bouw- of inrichtingsplan. Dit kan worden geborgd door in de regels een voorwaardelijke verplichting op te nemen.
5.14.3
Conclusie
Het aspect windhinder geeft op enkele plekken binnen het plangebied aandachtspunten voor de verdere uitwerking van bouw- en inrichtingsplannen. Er is geen sprake van onaanvaardbare windhinder, of van een zodanige impact van wind op de voorgenomen bouwplannen dat dit directe gevolgen heeft voor de bestemmingslegging. Binnen de kaders van het bestemmingsplan is een verdere uitwerking van de concrete plannen mogelijk, en zijn eventuele maatregelen uit te werken. In de regels bij de bestemming Gemengd-3 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee is geborgd dat bij de concrete uitwerking van een bouwplan een aanvaardbaar verblijfsklimaat is verzekerd. Het thema wind(hinder) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.15
Bezonning
5.15.1
Algemeen
Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de bebouwing van omwonenden of de openbare ruimte. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Wet- en regelgeving Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning en schaduw. In Schiedam hanteren wij de TNO-norm. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. De 'lichte' TNO-norm houdt in dat ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag moet zijn in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden). Deze norm wordt alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Bestemmingsplan Als een bestemmingsplan nieuwe bebouwing toestaat moet beoordeeld worden of deze bebouwing effect heeft op de omgeving. Het onderzoek is gebaseerd op de rekenkundige bezonning van een 3D-model van de bestaande en nieuwe plansituatie. Ook bij de nieuwbouw zelf moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit betekent dat de nieuwe bebouwing, tuinen, terrassen, speelplekken, openbare ruimte etc. voldoende zon moeten krijgen.
In het bestemmingsplan kan door de wijze van bestemmen van de bouwmassa's en openbare ruimte voorkomen worden dat er onaanvaardbare schaduwwerking optreedt. Bijvoorbeeld door 92 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
lagere bebouwing en zongericht verkavelen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten we een afweging maken. Als er een toename is van schaduw, kan het toch een wenselijke ontwikkeling zijn. Er vindt een afweging plaats tussen verschillende belangen.
5.15.2
Relatie tot ontwikkeling
Ten behoeve van de beoogde planontwikkeling is een bezonningstudie uitgevoerd om te toetsen of aan de lichte TNO-norm kan worden voldaan. De door Peutz uitgevoerde bezonningstudie bestaat uit een vergelijking tussen de huidige en toekomstige planologische situatie (rapportnummer O 16860-6-RA-006, d.d. 10 november 2023). In het rekenmodel zijn geen bomen meegenomen. De reden hiervoor is dat in de maanden met de minste zonuren deze geen tot weinig blad hebben en zon er doorheen kan schijnen. Wanneer de bomen meegenomen zouden worden geeft dit een onrealistisch beeld weer. Uit de bezonningstudie blijkt dat nagenoeg alle omliggende woningen ten minste twee uur zon per dag ontvangen en voldoet daarmee aan de lichte TNO-norm. Uit de berekeningen blijkt verder dat de grootste invloed van de geplande bebouwing gevonden wordt op de lagere verdiepingen van de bebouwing aan de Rotterdamsedijk direct ten noorden van het plangebied. Hierdoor voldoet lokaal zes woningen aan de Rotterdamsedijk niet aan de lichte TNO-norm.
Afbeelding 20 Weergave berekende bezonningsduur op 21 september De gemeente Schiedam vindt het ruimtelijk aanvaardbaar als niet overal wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Als argumentatie wordt daarbij het volgende opgemerkt: De betreffende geveldelen voldoen een groot deel van het jaar wél aan de lichte TNO-norm, globaal van maart t/m september doordat de zon net na 19 februari al, en net voor 21 oktober nog snel significant hoger staat. In de zomerperiode is er op deze woningen geen sprake van enige schaduwwerking van de geplande nieuwbouw. b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 93
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
De realisatie van een groot aantal woningen op deze plek is van groot maatschappelijk belang. De herontwikkeling van het glasfabriekterrein draagt bij aan de stedelijke vernieuwing van Schiedam. Een grote woningdichtheid zo dicht bij het centrum van Schiedam wordt door alle overheden nagestreefd. Daglicht Daglichttoetreding is wat anders dan bezonning. Bij bezonning gaat het om zonlicht in de tuin, openbare ruimte of op de gevel. Bij daglichttoetreding gaat het om daglicht in de woning. In het bouwbesluit staan eisen voor de daglichttoetreding in woningen. Bij nieuwe woningen wordt getoetst of het plan hieraan voldoet. Het bouwbesluit stelt geen eisen aan de daglichttoetreding bij naastgelegen woningen. In het Bouwbesluit 2012 staat in artikel 3.11 dat een gebouw voldoende daglichttoetreding moet hebben. Per gebruiksfunctie gelden verschillende eisen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat aan deze eisen niet meer wordt voldaan.
5.15.3
Conclusie
Het aspect bezonning geeft op enkele plekken rondom het plangebied aandachtspunten voor de verdere uitwerking van bouw- en inrichtingsplannen. Binnen de kaders van het bestemmingsplan is een verdere uitwerking van de concrete plannen mogelijk, en zijn eventuele maatregelen uit te werken. Gelet op onder andere het grote maatschappelijke belang dat is gemoeid met de voorgenomen ontwikkeling is het aspect bezonning als aanvaardbaar beoordeeld.
94 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
Hoofdstuk 6
Juridische aspecten
6.1 Algemene juridische opzet In dit bestemmingsplan wordt de planologisch-juridische basis gelegd voor de herontwikkeling van Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-West van (nagenoeg) monofunctioneel bedrijventerrein naar een gemengd woon-werkgebied. Het bestemmingsplan heeft een belangrijke functie als toetsingskader voor aanvragen omgevingsvergunning en het toekomstige gebruik van de gronden en gebouwen. Het plan is opgesteld op basis van de RO-standaarden SVBP2012 en IMRO 2012, binnen de kaders van de Wet ruimtelijke ordening. Op de verbeelding (plankaart) is te zien waar en welke bestemmingen van toepassing zijn. Eveneens is op de verbeelding de exacte omvang en ligging van het plangebied vastgelegd. De regels behorende bij het bestemmingsplan zijn gebaseerd op standaardregels van de gemeente Schiedam. De standaardregels vormen de basis voor keuzes met betrekking tot gebruik van bestemmingen en aanduidingen in het bestemmingsplan. Wijzigingen ten opzichte van deze standaardregels vloeien voort uit bepaalde situaties die zich in het plangebied voordoen of de beoogde ontwikkeling. Opbouw regels De regels zijn als volgt gestructureerd: Hoofdstuk 1 van de regels geeft de algemene bepalingen weer. Het betreft de begripsbepalingen (artikel 1) waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd.
In artikel 2 (wijze van meten) wordt aangegeven hoe de voorgeschreven maatvoering (zoals goothoogte, bouwhoogte, inhoud en oppervlakte) in het plan gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per bestemming is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitsbepalingen opgenomen (zie paragraaf 6.2 en 6.3). In hoofdstuk 3 staan aanvullende bepalingen die, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, voor het hele plangebied gelden. Hierbij kan worden gedacht aan de algemene afwijkingsregeling, die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om op ondergeschikte punten van de regels in hoofdstuk 2 af te wijken; Hoofdstuk 4 van de regels heeft betrekking op het overgangsrecht en de slotbepaling.
6.2 Bestemmingen 6.2.1 Bedrijf De bestemming 'Bedrijf' is gelegd op de beoogde locatie van de nieuwe centrale parkeervoorziening in het plangebied, voor zover het gaat om gronden die alleen voor een bedrijfsmatig geëxploiteerde parkeergarage worden gebruikt. Naast een bedrijfsmatig geëxploiteerde parkeervoorziening zijn ook regulier bedrijfsactiviteiten op dit perceel toegestaan.
6.2.2 Gemengd De bestemmingslegging is een uitwerking van het Ruimtelijk Raamwerk Nieuw-Mathenesse fase 1 en de nadere afspraken die met de eigenaren van de voormalige glasfabriek zijn gemaakt over de herontwikkeling van de terreinen in haar eigendom. Gekozen is voor bestemmingen Gemengd omdat wordt gestreefd naar een stedelijk interactiemilieu, waarbij wonen, bedrijvigheid en voorzieningen gemengd in het gebied hun plek vinden. b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 9 5
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
Het VROM-terrein is bestemd als 'Gemengd - 1'. Het VROM-terrein heeft een afzonderlijke bestemming gekregen omdat wordt beoogd dit deel van het plangebied als eerste in ontwikkeling te brengen. Gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan is ook een ontwerp-omgevingsvergunning voor de bebouwing van dit terrein in procedure gebracht. De bestemming Gemengd-1 is afgestemd op deze omgevingsvergunning. De primaire functie is hier wonen, maar er is ook enige ruimte geboden voor horeca 1 (bijvoorbeeld een koffiezaak) en horeca 2 (bijvoorbeeld een wijnbar) en bedrijvigheid. Het noordelijk deel van het terrein van de glasfabriek is bestemd als 'Gemengd - 2'. Binnen deze bestemmingen zijn diverse functies toegestaan, met name wonen en bedrijven en bedrijfsmatige activiteiten met een beperkte milieuimpact, maar ook diverse vormen van horeca, (maatschappelijke) voorzieningen en dienstverlening. De bestemming Gemengd - 2 is ook gelegd op de bebouwingsstrook aan de noordzijde van de Couwenhovenstraat. De bestemmingslegging is daarbij in hoofdzaak afgestemd op de bestaande planologische mogelijkheden, en bouw van woningen is uitgesloten. Het zuidelijke deel van het plangebied, grenzend aan het bedrijventerrein Nieuw-Mathenesse, is bestemd als 'Gemengd - 3'.
Binnen deze bestemming zijn diverse functies toegestaan, met name bedrijven en bedrijfsmatige activiteiten met een beperkte milieuimpact, maar ook diverse vormen van horeca, voorzieningen en dienstverlening. De functie wonen is minder prominent aanwezig, en zo nodig op maat aangeduid. Dit deel van het plangebied fungeert daarmee als een overgangszone tussen het wat meer op wonen ingerichte gebied aan de noordzijde van het plangebied, en de zwaardere bedrijfsactiviteiten die ten zuiden van het plangebied gehandhaafd blijven. Uitgangspunt voor de bestemmingslegging is dat sprake is van een gemengd woon-werkgebied. De functies wonen en bedrijvigheid vinden naast en door elkaar plaats, en de systematiek in de regels is zodanig dat de toegestane functies geen noemenswaardige hinder veroorzaken of elkaars activiteiten hinderen. Enkele functies zijn specifiek uitgezonderd of op maat bestemd. Zo zijn bijvoorbeeld geen zelfstandige kantoren toegestaan, en zijn functies als horeca en dienstverlening gereguleerd. Beoogd wordt een aantrekkelijk stedelijk woon- en werkmilieu te realiseren. De toegestane bedrijvigheid is met name gericht op de interactie tussen bewoners en bezoekers van het gebied. Denk aan ambachtelijke bedrijvigheid, ontwerptechnische- en kunstzinnige beroepen (ateliers), creatieve maakindustrie en andere bedrijvigheid die bijdraagt aan een levendig straatbeeld.
Als onderdeel van de bedrijvigheid is ondergeschikte detailhandel van de eigen producten toegestaan. Op kleinschaliger niveau kunnen veel van deze activiteiten ook als beroep aan huis worden uitgeoefend. In samenhang met de horeca, zowel daghoreca, enkele cafés en een hotel, en door de ligging op de route tussen de Schiedamse binnenstad en het oostelijker gelegen Glasbuurt-Oost en M4H, is sprake van een levendig straatbeeld met een aantrekkelijk verblijfsklimaat. De inrichting van het openbaar gebied is hier verder op afgestemd. Met de bestemmingslegging is zowel een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied geborgd, als het verantwoord voortzetten van de bestaande bedrijvigheid in het distilleercluster en elders op het bedrijventerrein. Gelet op het gewenste gemengd woon-werkgebied is er voor het reguleren van de toegestane bedrijfsfuncties voor gekozen om gebruik te maken van de zogenaamde ABC-systematiek voor gemengde gebieden. In Bijlage 2 bij de regels is een uitgebreidere toelichting op de werking van deze systematiek opgenomen. Voor het gehele plangebied zijn afspraken gemaakt over het minimaal percentage te realiseren sociale huurwoningen. Dit percentage bedraagt 30% (van de in totaal 738 toe te voegen woningen). Woningen zijn toegestaan binnen de bestemmingen Gemengd - 1, Gemengd - 2 en Gemengd - 3.
Binnen de bestemming Gemengd - 1 worden echter geen sociale huurwoningen gerealiseerd. Om die reden is het percentage sociale huurwoningen in de artikelen 5.6.2 en 6.6.2 van de regels bepaald op 33,85%. Per saldo, over het gehele plangebied gezien, is echter sprake
96 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
van een minimum van 30% sociale huurwoningen. Het voorliggend plan betreft een omvangrijke binnenstedelijke herontwikkeling, waarvan de realisatie diverse jaren in beslag zal nemen. De bestemmingsregels kennen mede daarom diverse flexibiliteitsbepalingen, waaronder, binnen kaders, uitwisselbaarheid tussen bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de bestemmingen Gemengd en afwijkingen van maatvoering. Hiermee wordt enige flexibiliteit geboden ten aanzien van de concrete uitwerking van bouwplannen, maar is wel op voorhand gekaderd binnen welke bandbreedte dit moet bewegen.
6.2.3 Verkeer en Verkeer - Verblijfsgebied De bestaande wegen in het plangebied die blijven behouden, zijn bestemd als 'Verkeer' (doorgaande wegen) of 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De planologische mogelijkheden zijn voor het merendeel overgenomen uit de voorheen geldende bestemmingsplannen. Ook is een verkeersbestemming gelegd op de nieuwe weg die wordt aangelegd ter ontsluiting van diverse nieuwe (woon)gebouwen. Deze nieuwe weg wordt op enig moment overgedragen in eigendom aan de gemeente.
6.2.4 Water Het water van de Buitenhaven is bestemd als 'Water'. De planologische mogelijkheden zijn voor het merendeel overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan, en waar nodig nader afgestemd op de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
6.3 Dubbelbestemmingen 6.3.1 Waarde - Archeologie Voor het gehele plangebied geldt één archeologische (verwachtings)waarde (zie Archeologie). Deze verwachtingswaarde wordt beschermd door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Binnen deze dubbelbestemming is in de regels een bouwverbod en omgevingsvergunningplicht gegeven voor bouw- en graafwerkzaamheden welke de in de regels genoemde oppervlakte en dieptemaat overschrijden. Ontheffing of aanlegvergunning kan pas worden verleend nadat een archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Aan het verlenen van een ontheffing of omgevingsvergunning kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden. Hierdoor kunnen mogelijk aanwezige monumenten in de bodem worden behouden gekoppeld aan de reguliere omgevingsvergunning. Aanvullend is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waardoor deze bij het verkrijgen van nadere informatie geheel of gedeeltelijk kan worden verwijderd.
6.3.2 Waarde - Cultuurhistorie Deze dubbelbestemming is bedoeld om een goede afweging van de cultuurhistorische belangen zeker te stellen ten aanzien van monumentale panden. Het bouwen, voor zover sprake is van aanpassing van de gebouwen, is op deze gronden pas mogelijk nadat wordt afgeweken van het bestemmingsplan. De aanwezige cultuurhistorische belangen en waarden worden op het moment van verlenen van de afwijking betrokken in de afweging. De bestemmingslegging heeft met name een signaalfunctie, als aanduiding van de (gemeentelijke) monumenten in het plangebied.
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 9 7
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
6.3.3 Waterstaat - Waterkering De waterkerende functie is in het bestemmingsplan bestemd als 'Waterstaat - Waterkering'. Het gaat om een klein deel van het plangebied, in de uiterste zuidoostpunt. De dubbelbestemming dient ter bescherming en instandhouding van de waterkering en de goede waterbeheersing. In de regels is bepaald dat alleen gebouwd mag worden volgens de van kracht zijnde bestemming van deze gronden, mits de belangen van de waterkering zich daartegen niet verzetten. Bouwen is pas mogelijk na toestemming van burgemeester en wethouders, waarbij advies wordt ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Een vergelijkbare regeling geldt voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de aanleg van werken en werkzaamheden.
6.4 Overige bepalingen Het plan kent verder diverse algemene regels, welke vaak standaard in bestemmingsplannen worden opgenomen indien dit wenselijk wordt geacht.
6.4.1 Algemene aanduidingen Het plangebied ligt binnen de geluidzones van diverse nabijgelegen (gezoneerde) industrieterreinen, en binnen de geluidzones van wegen. De geluidzone is op de verbeelding aangeduid, en gekoppeld aan regels met betrekking tot het toestaan van nieuwe (geluidgevoelige) functies.
6.4.2 Algemene afwijkingsregels In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling grotendeels bij recht bestemd. In aanvulling op de afwijkingsmogelijkheden bij de individuele bestemmingen is een aantal 'Algemene afwijkingsregels' opgenomen. Om te voorkomen dat kleine meetfouten tot grote gevolgen leiden en om enigszins flexibel met maatvoeringen om te kunnen gaan, zijn enkele afwijkingsmogelijkheden opgenomen om in geringe mate te kunnen afwijken van genoemde maten, oppervlaktes enzovoorts. Daarnaast zijn afwijkingen opgenomen ten behoeve van bijvoorbeeld het oprichten van bouwwerken voor nutsdoeleinden.
6.4.3 Algemene gebruiksregels Het toegelaten gebruik van de gronden is geregeld in de individuele bestemmingen. Een aantal zaken geldt uniform voor het gehele plangebied en zijn daarom benoemd in de 'Algemene gebruiksregels'. Voor het gehele plangebied is zo bepaald welke vormen van gebruik niet zijn toegestaan, zoals een verbod op het uitoefenen van een seksinrichting of het permanent bewonen van niet voor bewoning bedoelde gebouwen. Ook zijn enkele regels opgenomen met betrekking tot de eisen aan berging van hemelwater en de oppervlakte van woningen. Tot slot is een specifieke gebruiksregel opgenomen voor het aspect parkeren e.d.. Het gaat in basis om een standaardregeling voor Schiedam, waarbij sprake is van een dynamische verwijzing naar de geldende Mobiliteitsnormen.
6.4.4 Algemene wijzigingsregels Het plan kent een algemene wijzigingsregel waarmee bestemmingsgrenzen in het plan beperkt kunnen worden gewijzigd wanneer dit bij het uitmeten van de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is.
98 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
7.1 Economische uitvoerbaarheid Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet onder andere in de herontwikkeling van een voormalig bedrijventerrein, waarbij woningen worden gerealiseerd in combinatie met diverse andersoortige functies. Privaat eigendom Een groot deel van het plangebied betreft gronden in privaat eigendom (gronden voormalige glasfabriek, diverse verspreid over het plangebied gelegen percelen met bedrijfsbebouwing). De verspreide percelen met bedrijfsbebouwing hebben in het voorliggende plan een bestemming gekregen welke feitelijk overgenomen is uit de voorheen vigerende planologische regelingen. Op deze percelen worden geen nieuwe ontwikkelingen voorgestaan, anders dan ontwikkelingen welke ook reeds op basis van het voorheen geldende planologische regime mogelijk waren. Van substantiële wijzigingen is geen sprake, er is geen sprake van aangewezen bouwplannen conform de Wet ruimtelijke ordening. De economische uitvoerbaarheid van deze plandelen is daarmee gegarandeerd en vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.
Voor de gronden van de voormalige glasfabriek en het VROM-terrein is tussen de eigenaren en de gemeente een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten waarin de randvoorwaarden en nadere afspraken ten aanzien van de voorgestane ontwikkeling zijn vastgelegd (zie ook paragraaf 7.2). Bij de uitwerking van de stedenbouwkundige invulling voor deze gronden is de financiële haalbaarheid getoetst, waarbij de haalbaarheidsstudie een neutraal/positief resultaat laat zien. Gemeentelijk eigendom Een klein deel van het plangebied is gemeentelijk eigendom. Het gaat met name om de bestaande openbare gronden in het plangebied. Het huidige openbare gebied blijft openbaar. Structurele wijzigingen die van invloed zijn op de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan zijn niet aan de orde. Mogelijk dat als gevolg van de herontwikkeling wijzigingen in de uitvoering nodig zijn, maar de kosten hiervoor zijn ofwel via de reguliere beheer- en onderhoudscyclus, danwel via de grondexploitatie behorend bij de gebiedsontwikkeling Nieuw-Mathenesse, gedekt. Planschade Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan met een planologische wijziging kan in beginsel aanleiding geven tot voor vergoeding in aanmerking komende planschade.
De kans op planschade door de herontwikkeling wordt gering geacht, maar dat sprake zal zijn van voor vergoeding in aanmerking komende schade kan niet op voorhand worden uitgesloten. Gelet hierop is voor de herontwikkeling een planschadeovereenkomst met de relevante grondeigenaren gesloten, als onderdeel van de anterieure exploitatieovereenkomst. Dit betekent dat eventuele gegronde planschadeclaims financieel niet door de gemeente Schiedam worden afgehandeld, maar door de initiatiefnemer voor herontwikkeling van de voormalige glasfabriek. Het aspect planschade is hiermee voldoende afgedekt.
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 99
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t
7.2 Exploitatieplan Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en artikel 6.2.1 van het besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient, indien sprake is van één van de in artikel 6.2.1 van het Bro genoemde bouwactiviteiten, een exploitatieplan te worden vastgesteld. Een exploitatieplan heeft onder meer tot doel om te komen tot een adequaat publiekrechtelijk kostenverhaal, het realiseren van een goede inrichting van de openbare ruimte door middel van het stellen van locatie-eisen en het bieden van een goede grondslag om de verdeling van woningbouwcategorieën te ondersteunen. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is, staan in artikel 6.2.1 Bro benoemd. Indien een exploitatieplan vereist is moet de gemeenteraad het exploitatieplan tegelijk vaststellen met de planologische maatregel die het bouwen mogelijk maakt. Een gemeente behoeft geen exploitatieplan op te stellen indien het kostenverhaal al op een andere manier geregeld is ('anderszins verzekerd') en tevens locatie-eisen en regels voor woningbouwcategorieën niet nodig zijn. Die laatste situatie kan zich voordoen wanneer met alle eigenaren een overeenkomst is gesloten waarin de inrichting van de locatie en het kostenverhaal is geregeld. Het toevoegen van (maximaal) 738 woningen betreft een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro.
Voor de gronden van de voormalige glasfabriek en het VROM-terrein is een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten met de eigenaar van de gronden. In deze overeenkomst zijn onder andere afspraken gemaakt over het kostenverhaal en zijn locatie-eisen en regels voor de beoogde woningbouwcategorieën vastgelegd. Hiermee is het kostenverhaal voor de gronden van de voormalige glasfabriek anderszins verzekerd. Ook is er geen reden om aanvullend nog locatie-eisen te stellen. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding tot het vaststellen van een exploitatieplan.
100 t (vastgesteld)
b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s