CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 17e Wijzigingsbesluit APV 2013

Raadscommissie 23 september 2021, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsvoorstel APV actualisatie (juli 2021)14.239 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

17e Wijzigingsbesluit Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013 (21VR053/21BIJ00984)

De raad van de gemeente Schiedam; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 juli 2021, nr. 21INT0026; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de raadscommissie; besluit vast te stellen de volgende wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013. Kennisgeving betogingen Huidige tekst Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen e.a. op openbare plaatsen 1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 72 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt; b. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing; c. de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

Voorgestelde tekst Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen e.a. op openbare plaatsen 1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 72 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt; b. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing; c. de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

f. maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. 6. Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.

f. maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het uiterste tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. 6. Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.

Toelichting op de wijziging Door de term ‘uiterste’ toe te voegen aan lid 4, wordt dit lid beter leesbaar.

Verboden gedragingen: OMG Huidige tekst Artikel 2:26 Verboden gedragingen 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden om bij evenement, al dan niet op het evenemententerrein, op of aan de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren.

Voorgestelde tekst Artikel 2:26 Verboden gedragingen 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden om bij evenement, al dan niet op het evenemententerrein, op of aan de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren.

3. Het is verboden deel te nemen aan een evenement of voor bezoekers om bij een evenement aanwezig te zijn of te blijven: a. waarvoor geen vergunning is verleend; b. indien het een evenement betreft als bedoeld in artikel 2:25a, dat niet of niet tijdig is gemeld of dat door de burgemeester is verboden op grond van artikel 2:25a, derde lid; c. indien wordt afgeweken van de in de aanvraag of bij de melding verstrekte gegevens, dan wel van de naderhand aan de burgemeester verstrekte nadere gegevens;

3. Het is verboden deel te nemen aan een evenement of voor bezoekers om bij een evenement aanwezig te zijn of te blijven: a. waarvoor geen vergunning is verleend; b. indien het een evenement betreft als bedoeld in artikel 2:25a, dat niet of niet tijdig is gemeld of dat door de burgemeester is verboden op grond van artikel 2:25a, derde lid; c. indien wordt afgeweken van de in de aanvraag of bij de melding verstrekte gegevens, dan wel van de naderhand aan de burgemeester verstrekte nadere gegevens;

d. indien wordt gehandeld in strijd met door de burgemeester aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel nadere regels als bedoeld in artikel 2:25b; e. indien door de burgemeester een bevel is gegeven tot onverwijlde beëindiging van het evenement.

d. indien wordt gehandeld in strijd met door de burgemeester aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel nadere regels als bedoeld in artikel 2:25b; e. indien door de burgemeester een bevel is gegeven tot onverwijlde beëindiging van het evenement. 4. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 5. Het verbod in het vierde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Toelichting op de wijziging Sinds 2016 is het Openbaar Ministerie verschillende juridische procedures gestart om Outlaw Motorcycle Gangs (hierna OMG’s) verboden te laten verklaren door de rechter, omdat de werkzaamheid (activiteiten) van deze motorclubs in strijd is met de openbare orde (artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek). Inmiddels zijn verschillende motorclubs verboden verklaard. Indien men het bij de motorclub horende jasje (colours) in het openbaar blijft dragen, kan een verstoring van de openbare orde opleveren. Gelet hierop kan de burgemeester in beginsel gebruik maken van zijn orderechtelijke bevoegdheden (zoals handhaving op clublocaties, bij evenementen, bij ride-outs en het geven van noodbevelen en gebiedsontzeggingen). In aanvulling hierop wordt in de APV een bepaling opgenomen waarin staat dat uiterlijke kenmerken van de verboden organisaties niet zijn toegestaan in de openbare ruimte. In geval van overtreding kan de politie direct optreden. Door in

de APV dergelijke gedragingen op te nemen bij evenementen is het mogelijk de organisator van het evenement verantwoordelijk te stellen op de controle en uitvoering hiervan. (zie verder toelichting artikel 2:50b) Wijzigingen in het kader van de wijziging van de Drank - Horecawet naar de Alcoholwet Huidige tekst Artikel 2:27 Begripsbepaling 12: Paracommerciele rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.

Voorgestelde tekst Artikel 2:27 Begripsbepaling 12: Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet.

Artikel 2:28a Weigeringsgronden exploitatievergunning

Artikel 2:28a Weigeringsgronden exploitatievergunning

1 onder b: de exploitant(-en) of leidinggevende(n) niet voldoen aan de eisen die bij en krachtens artikel 8, eerste en tweede lid, van de Drank- en Horecawet worden gesteld, met dien verstande dat de minimale leeftijd van 18 jaar is bereikt, tenzij het exploitanten en leidinggevenden ten behoeve van een coffeeshop betreffen die in dat geval de minimale leeftijd van 21 jaar moeten hebben bereikt. Artikel 2:28b Vrijstelling vergunningplicht 1. d.

1 onder b: de exploitant(-en) of leidinggevende(n) niet voldoen aan de eisen die bij en krachtens artikel 8, eerste en tweede lid, van de Alcoholwet worden gesteld, met dien verstande dat de minimale leeftijd van 18 jaar is bereikt, tenzij het exploitanten en leidinggevenden ten behoeve van een coffeeshop betreffen die in dat geval de minimale leeftijd van 21 jaar moeten hebben bereikt. Artikel 2:28b Vrijstelling vergunningplicht 1. d.

horecabedrijven behorende bij winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet, voor zover: - het verkopen van etenswaren of drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering behoort; - de horeca-activiteiten naar hun aard en omvang ondergeschikt zijn aan en overeenkomen met de in de onder a genoemde activiteiten; - de openingstijden van het horecabedrijf of de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden van de winkel; - er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet worden verstrekt; en

horecabedrijven behorende bij winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet, voor zover: - het verkopen van etenswaren of drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering behoort; - de horeca-activiteiten naar hun aard en omvang ondergeschikt zijn aan en overeenkomen met de in de onder a genoemde activiteiten; - de openingstijden van het horecabedrijf of de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden van de winkel; - er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet worden verstrekt; en

- een eventueel terras: 1⁰ is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; 2⁰ bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen en 2 tafels van maximaal één meter bij één meter; en

- een eventueel terras: 1⁰ is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; 2⁰ bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen en 2 tafels van maximaal één meter bij één meter; en

3⁰ het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria.

3⁰ het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria.

artikel 2:28b, Vrijstelling vergunningplicht 1 . e.

artikel 2:28b, Vrijstelling vergunningplicht 1 . e.

overige horecabedrijven, niet zijnde coffeeshops, voor zover : - zij gesloten zijn voor bezoekers tussen 22:00 uur en 07:00 uur noch gedurende deze periode bezoekers in het horecabedrijf laten verblijven; - er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet wordt verstrekt; en - een terras: 1⁰ is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; 2⁰ bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen en 2 tafels van maximaal één meter bij één meter; en 3⁰ het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria. Afdeling 8A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder:

overige horecabedrijven, niet zijnde coffeeshops, voor zover : - zij gesloten zijn voor bezoekers tussen 22:00 uur en 07:00 uur noch gedurende deze periode bezoekers in het horecabedrijf laten verblijven; - er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet wordt verstrekt; en - een terras: 1⁰ is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; 2⁰ bestaat uit niet meer dan 4 vierkante meter; en 3⁰ het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria.

1. alcoholhoudende drank: drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet;

1. alcoholhoudende drank: drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet;

2. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet.

Afdeling 8A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet Artikel 2:34a Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder:

2. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet.

artikel 2:48 Verboden drankgebruik

artikel 2:48 Verboden drankgebruik

3. Het bepaalde in het tweede en in het vijfde lid geldt niet voor: a. een terras en aanhorigheid dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2.3.8; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

3. Het bepaalde in het tweede en in het vijfde lid geldt niet voor: a. een terras en aanhorigheid dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2.3.8; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

artikel 3:9 Weigeringsgronden

artikel 3:9 Weigeringsgronden

1. de exploitant of leidinggevende minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één

1. de exploitant of leidinggevende minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één

rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

- bepalingen, gesteld bij of krachtens de Dranken Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen;

- bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet arbeid vreemdelingen;

- de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

- artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;

- artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;

- de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

- de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

- de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

- de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

- de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en - de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie; munitie; Toelichting op de wijziging De Drank- en Horecawet is gewijzigd. De gewijzigde wet treedt per 1 juli 2021 in werking. De wet wordt voortaan aangeduid als Alcoholwet door wijziging van de citeertitel in artikel 49 van de wet. Huidige tekst Artikel 2:40v Aanwijzing vergunningplichtige woningbemiddeling 1: Het college kan woningbemiddeling aanwijzen waarop het verbod uit het eerste lid van artikel 2:40w van toepassing is.

Voorgestelde tekst Artikel 2:40v Aanwijzing vergunningplichtige woningbemiddeling 1: Het college kan woningbemiddeling aanwijzen waarop het verbod uit het tweede lid van artikel 2:40w van toepassing is.

Huidige tekst Artikel is nog niet opgenomen

Voorgestelde tekst Artikel 2:40y Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen Op de vergunning als bedoeld in artikel 2:40w is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting op de wijziging Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn. De openbare orde en veiligheid vormt eveneens de reden om van een lex silencio positivo af te zien Huidige tekst Artikel is nog niet opgenomen

Voorgestelde tekst Artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Toelichting op de wijziging Aanleiding

Sinds 2016 is het Openbaar Ministerie verschillende juridische procedures gestart om Outlaw Motorcycle Gangs (hierna: OMG’s) verboden te laten verklaren door de rechter, omdat de werkzaamheid (activiteiten) van deze motorclubs in strijd is met de openbare orde (artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek). Inmiddels zijn verschillende motorclubs verboden verklaard. Maatregel

Om toch op te kunnen treden tegen openlijk vertoon van verboden organisaties in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een strafbaarstelling opgenomen in de APV. Regionaal is er collectief afgesproken om deze strafbaarstelling vast te stellen om zo eenduidig op te kunnen treden. Deze strafbaarstelling houdt in dat het is verboden om op openbare plaatsen, in voor het publiek openstaande gebouwen en op daarbij behorende erven en bij evenementen zichtbaar kleding en goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken vertonen van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Het verbod is van toepassing op kleding en goederen zoals badges, motoren en dergelijke waar de naam, logo’s, spreuken of andere aanduidingen op zichtbaar zijn. Ook kleding en goederen die sterk lijken op uitingen van een verboden of ontbonden organisatie zijn op basis van deze APV-bepaling verboden. Indien men het bij de motorclub horende jasje (colours) in het openbaar blijft dragen, kan een verstoring van de openbare orde opleveren.

Gelet hierop kan de burgemeester in beginsel gebruik maken van zijn orderechtelijke bevoegdheden (zoals handhaving op clublocaties, bij evenementen, bij ride-outs en het geven van noodbevelen en gebiedsontzeggingen). In aanvulling hierop wordt in de APV een bepaling opgenomen waarin staat dat uiterlijke kenmerken van de verboden organisaties niet zijn toegestaan in de openbare ruimte. In geval van overtreding kan de politie

direct optreden. Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruimte tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is. In de APV wordt een dergelijke bepalingen ook opgenomen voor wat betreft evenementen. Het verbod wordt opgenomen in een nieuw artikel 2:50b in de APV waarbij het verbod wordt ingesteld voor openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1 APV. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een samenloopbepaling in dit artikel.

Huidige tekst Artikel is nog niet opgenomen

Voorgestelde tekst Artikel 2:60a Storend geluid/voederen van dieren 1. Een ieder, die de zorg voor een dier heeft, is verplicht al het mogelijke te doen om te voorkomen, dat dit voor de omgeving in ernstige mate storend geluid maakt. 2. Het college kan voor nader te bepalen locaties en perioden een verbod instellen om dieren te voeren indien: a. er door het voeren verkeersonveilige situaties ontstaan; b. er door de frequente aanwezigheid van dieren problemen ontstaan door de uitwerpselen (stank en gladheid); c. dieren ook ’s nachts op of bij voerplaatsen aanwezig blijven en dan geluidsoverlast veroorzaken; d. er door de aanwezigheid van voer ook dieren aangetrokken worden die minder gewenst zijn ; e. er door een overdaad aan voer, gezondheidsproblemen voor de gevoerde dieren ontstaan (bij kinderboerderij en dierenweiden).

Toelichting op de wijziging Op verschillende plekken in de gemeente wordt overlast ervaren van ratten. Deze ratten worden vermoedelijk aangetrokken door resten van voer dat aan andere dieren wordt gevoerd. Met dit artikel kan opgetreden worden tegen het voederen van dieren. Hiermee kan voorkomen worden dat er hinderlijke situaties ontstaan en dat de volksgezondheid aangetast wordt. Zoals kan gebeuren bij een grote toeloop van ratten. Dit artikel zal alleen gebruikt worden bij excessen. Het gaat er om dat er met dit ‘kapstokartikel’ opgetreden kan worden bij zeer uitzonderlijke situaties en er geen andere oplossingen mogelijk zijn.

Mosquito Huidige tekst Artikel 2:77b Mosquito (gereserveerd)

Voorgestelde tekst Artikel 2:77b Mosquito 1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

Toelichting op de wijziging De bevoegdheid voor de burgemeester om een mosquito te plaatsen was nog niet in de APV opgenomen. Er zijn in Schiedam plaatsen waar overlast wordt ervaren van jongeren. In het belang van de openbare orde kan op dergelijke plaatsen een mosquito worden geplaatst om deze overlast te bestrijden. Regionaal is collectief afgesproken om het gebruik van een mosquito in de APV vast te stellen om het zo eenduidig te kunnen regelen. . In de regio wordt dit artikel al gebruikt. Dit artikel zal alleen gebruikt worden bij excessen. Het gaat er om dat er met dit ‘kapstokartikel’ opgetreden kan worden bij zeer uitzonderlijke situaties en er geen andere oplossingen mogelijk zijn.

Huidige tekst Artikel 2:78 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat

Voorgestelde tekst Artikel 2:78 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. 4. De last kan een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf als bedoeld in artikel 151d, derde lid, van de Gemeentewet.

Toelichting op de wijziging Toelichting De Wet aanpak woonoverlast is per 1 januari 2021 gewijzigd. De belangrijkste wijziging is dat een burgemeester direct de verhuurder aan kan spreken bij zeer overlastgevend gedrag van huurders. Hij kan een gedragsaanwijzing opleggen aan de verhuurder als deze zich niet, of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder. De burgemeester kan dit direct doen en hoeft daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Een gedragsaanwijzing kon al aan verhuurders worden opgelegd, als hun huurders niet waren ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), doch wel moesten. Per 1-1-2021 is dat nu ook mogelijk voor alle verhuurders, ongeacht wel of geen BRP-inschrijving van hun huurders. Denk aan toeristen en arbeidsmigranten die korter dan 4 maanden in Nederland verblijven. Dus ook voor huisjesmelkers en uitzendbureaus die panden verhuren en waar huurders ernstige en herhaaldelijk overlast veroorzaken. In artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet is de zinsnede ‘aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven’ komen te vervallen. De APV wordt conform deze wijziging aangepast. Vierde lid Dit lid regelt expliciet de bevoegdheid van de burgemeester dat de last een verbod kan inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf.

Artikel 151d Gemeentewet kan zo worden gelezen dat de raad de handhavingsbevoegdheid van de burgemeester kan reguleren en beperken. De APV kan nadere voorwaarden stellen aan de oplegging van een huisverbod, maar

desgewenst kan de gemeenteraad er ook voor kiezen niet de bevoegdheid te geven tot opleggen van een huisverbod. Om onduidelijkheid te voorkomen wordt deze bevoegdheid expliciet benoemd in de APV en mag de burgemeester een huisverbod opleggen. Artikel 5:12 wordt gewijzigd als volgt: Huidige tekst Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen: a. onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan, of b. langer dan vier weken aaneengesloten onbeheerd te laten staan.

Voorgestelde tekst Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de volksgezondheid aangewezen wegen of weggedeelten fietsen of bromfietsen: a. onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan, of b. langer dan twee weken aaneengesloten onbeheerd te laten staan. 2. Het is verboden op of aan de weg fietsen of bromfietsen hinderlijk te parkeren, zoals: • op zodanige wijze voor of tegen een gebouw, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd; • op zodanige wijze op een voetpad of trottoir, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd; • op geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten; • op zodanige wijze dat daardoor het inen uitstappen bij tram, bus taxi of gehandicaptenplaats gehinderd of belemmerd wordt; • op zodanige wijze dat daardoor de functie van straatmeubilair gehinderd of belemmerd wordt; • tegen monumenten of gedenktekens; • op een zodanige wijze dat daardoor de doorgang en opbouw op een markt wordt gehinderd of belemmerd.

Toelichting op de wijziging Door de groei van fietsen en bromfietsen met name in de vorm van deelmobiliteit in stedelijke omgeving en Schiedam neemt de druk op de openbare ruimte en overlast toe. In dit artikel worden twee wijzigingen voorgesteld. In de eerste plaats wordt de periode van het onbeheerd mogen plaatsen van (brom)fietsen in de aangewezen gebieden, gewijzigd van vier naar twee

weken (nieuw eerste lid onder b). Ook wordt een tweede lid toegevoegd waarmee hinderlijk plaatsen van (brom)fietsen in de gehele gemeente wordt verboden. Deze wijzigingen voorzien in de uitbreiding van de mogelijkheden tot handhaving van overlast door (brom)fietsparkeren. Na artikel 5:12 wordt ingevoegd artikel 5:12a: Huidige tekst Artikel is nog niet opgenomen

Toelichting op de wijziging

Voorgestelde tekst Artikel 5:12a Vergunningsplicht deeltweewielers 1.Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig fietsen of bromfietsen voor gebruik door derden op de weg te plaatsen. 2. Het college stelt nadere regels vast ten behoeve van het creëren van gelijke kansen om voor een vergunning in aanmerking te komen, als het aantal aanvragen het maximaal aantal vergunningen te verlenen overtreft, waarbij in elk geval regels worden gesteld betreffende: a. de inhoud en wijze van indiening van een aanvraag; b.de verdelings- en toekenningsprocedure voor een vergunning. 3. Het college bepaalt het maximum aantal te verlenen vergunningen met in achtneming van maximaal 1 geëxploiteerd voertuig per 100 inwoners. 4. Één aanbieder, mag maximaal 50 procent van het in lid 3 genoemde maximum aantal voertuigen exploiteren. 5. Ter bepaling van de in het derde lid inwoneraantal wordt als peildatum 1 januari van het jaar dat de vergunning wordt aangevraagd gebruikt. 6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Vergunningplicht deeltweewielers (eerste lid) De gemeente wil het aantal deeltweewielers beperken tot een maximum aantal voertuigen van 1 per 100 inwoners en het parkeren /plaatsen ervan reguleren. Dit kan enkel worden bereikt door een vergunningplicht te introduceren. Het gaat hierbij om onderstaande voertuigen als gedefinieerd in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en welke volgens artikel 27 van het RVV 1990 op het trottoir dienen te worden geparkeerd: -

Fietsen (ook E-bike) Bromfietsen (ook speed-pedelecs) En varianten hierop zoals:

-

Snorfiets Brombakfiets Brommobiel Segway Elektrische Step

Kenmerkend daarbij is dat deze deeltweewielers door (commerciële) aanbieders worden verhuurd. Dienstenrichtlijn Het commercieel aanbieden van deelmobiliteit valt onder diensten als bedoeld in de Dienstenrichtlijn. In verband met de vrijheid van vestiging is in de Dienstenrichtlijn bepaald dat vergunningstelsels in beginsel verboden zijn. Volgens art. 9 lid 1 stellen lidstaten de toegang tot en uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van een vergunningstelsel. Tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan: • Het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking jegens de betrokken dienstverrichter • De behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang ; en • Het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt. De aanleiding om een vergunningstelsel te introduceren is dat er een waarneembare toename is aan het aanbod /gebruik van deelmobiliteit. Naast de vaste ‘deelvoertuiglocaties’ verschijnen er nieuwe gebruiksvormen zoals het ‘free floating’-deelsysteem. In dat systeem kan een voertuig overal worden achtergelaten. Deelvoertuigen kunnen een onevenredige belasting van de openbare ruimte in de gemeente opleveren en gepaard gaan met hinder en gevaar voor de omgeving. Ook bestaat het risico dat beschadigde of ongebruikte voertuigen niet snel genoeg door de aanbieders worden verwijderd.

Dit levert niet alleen een onnodig en ongewenst beslag op de schaarse openbare ruimte op, met bijbehorende hinder, maar ook een rommelige aanblik waardoor het aanzien van de openbare ruimte wordt aangetast. Zonder een regulerend kader, heeft de gemeente weinig invloed op de inrichting van deze initiatieven. Naast het verbod op hinderlijk parkeren van (brom)fietsen, wordt het dan ook als noodzakelijk en geschikt instrument gezien om een vergunningplicht te introduceren. Via de vergunninghouder kan effectiever worden opgetreden tegen ongewenste effecten dan via de gebruikers, die bovendien voor de gemeente anoniem blijven. Het vergunningstelsel heeft geen discriminerende werking; er worden geen eisen gesteld die de toegang tot een vergunning beperken voor aanbieders uit andere lidstaten. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1 APV. Schaarse vergunning (tweede lid) De verwachting is dat het aantal gegadigden het aantal vergunningen zal overstijgen. Is dat het geval, dan is sprake van een zogenaamde ‘schaarse vergunning’. Uit nationale jurisprudentie volgt dat, gelet op het gelijkheidsbeginsel dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen bij de verdeling van schaarse vergunningen, door het bestuur op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunning(en) mee te dingen. (Zie o.a.

de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2927). Er moet daarbij tijdig voorafgaand aan de start van de

aanvraagprocedure duidelijkheid worden gegeven, door informatie over deze aspecten bekend te maken via een zodanig medium dat potentiële gegadigden daarvan kennis kunnen nemen (aldus rechtsoverweging 6.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 augustus 2017 inzake “Emmen” (ECLI:NL:RVS:2017:2336)). In het vierde lid wordt de bevoegdheid tot uitwerking van deze aspecten in nadere regels, overgedragen aan het college. Vergelijkbare eisen vloeien voort uit de Unierechtelijke regelgeving (w.o. Dienstenrichtlijn, art. 10 t/m 13). Lex silencio positivo (zesde lid) Decentrale overheden moeten verplicht de Lex Silencio Positivo (LSP) toepassen bij vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. De Dienstenwet geeft in Nederland uitvoering aan de Europese Dienstenrichtlijn. Om de LSP in Nederland te regelen, is via de Dienstenwet een paragraaf 4.1.3.3 aan de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegevoegd. De LSP houdt in dat bij het uitblijven van een besluit binnen de daarvoor gestelde termijn op een vergunningaanvraag, de vergunning van rechtswege is verleend (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen). Alleen vanwege dwingende redenen van algemeen belang kan van de LSP worden afgezien.

Als dwingende redenen van algemeen belang gelden op dit moment onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, bescherming van het milieu, behoud vanuit nationaal historisch en artistiek erfgoed (zie ook overweging 40 van de Dienstenrichtlijn). Ook hier is er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de LSP niet van toepassing te verklaren. Het zonder vergunning(stelsel) toestaan van bedrijfsmatig ter beschikking stellen van deelvoertuigen die in de openbare ruimte kunnen worden achtergelaten kan onder meer negatieve gevolgen hebben voor de openbare orde, volksgezondheid, de verkeersveiligheid, en het stedelijk milieu waaronder de stedelijke ruimtelijke ordening. Na artikel 5:12a wordt ingevoegd artikel 5:12b: Huidige tekst Artikel is nog niet opgenomen

Voorgestelde tekst Artikel 5:12b Weigering vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert het college de vergunning: als het maximaal aantal af te geven vergunningen is verleend.

Toelichting op de wijziging Indien het maximaal aantal voertuigen als genoemd in artikel 5:12a aantal is bereikt kan een nieuwe vergunningsaanvraag op basis van dit artikel worden geweigerd. Na artikel 5:12b wordt ingevoegd artikel 5:12c: Huidige tekst Artikel is nog niet opgenomen

Voorgestelde tekst Artikel 5:12c De vergunning 1. De vergunning wordt verleend voor de duur van maximaal vijf jaar. 2. Het college vermeldt in de vergunning in elk geval: a. de naam van de vergunninghouder; b.de locaties en deelgebieden waar deeltweewielers geplaatst mogen worden;

c. het aantal en type toegestane fietsen of bromfietsen; 3. Aan de vergunning worden in elk geval voorschriften verbonden met betrekking tot: a. het voorkomen van overlast en openbare orde verstoring.

Toelichting op de wijziging Het eerste lid bepaalt de geldigheidsduur van de vergunning. Daar waar artikel 1:7, lid 1 van de APV in beginsel bepaalt dat een vergunning voor onbepaalde tijd geldt, verzet de aard van de vergunning zich daartegen en geldt artikel 1:7, lid 2, dat een geldigheidsduur van de vergunning voorschrijft. De reden daarvoor is dat de vergunning voor deeltweewielers een zogeheten ‘schaarse vergunning’ betreft. Jurisprudentie laat zien, dat dergelijke vergunningen niet langer voor onbepaalde tijd mogen worden verleend. Dat zou voor de vergunninghouder een onevenredige bevoordeling zijn, omdat het voor concurrenten dan nagenoeg onmogelijk is om nog tot de markt toe te treden. De geldigheid van de vergunning is daarom gesteld op 5 jaar. Het tweede lid beschrijft welke onderwerpen het college in elk geval in de vergunning moet vermelden. Het derde lid beschrijft waarover in elk geval voorschriften moeten worden verbonden. Het lid sluit aan bij de te beschermen belangen van de vergunning (genoemd in artikel 1:8 van de APV, i.c. openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het milieu).

Na artikel 5:12c wordt ingevoegd artikel 5:12d: Huidige tekst Artikel is nog niet opgenomen

Voorgestelde tekst Artikel 5:12d Schorsing, intrekking en wijziging vergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het college de vergunning schorsen, intrekken of wijzigen als: a. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; 2. De vergunning vervalt van rechtswege als: a. binnen zes maanden na verlening van de vergunning niet is gestart met de exploitatie van deeltweewielers; b. de exploitatie van deeltweewielers voor een periode van langer dan zes maanden onderbroken is geweest. 3.In afwijking van het eerste lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel reeds onder dit artikel vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten eerst drie maanden na inwerkingtreding van dit artikel.

Toelichting op de wijziging Intrekkings- en wijzigingsgronden (eerste lid) Het eerste lid beschrijft gronden waarop het college een vergunning kan intrekken, schorsen of wijzigen. Gelet op het feit het een kan-bepaling betreft, vraagt gebruik van deze gronden om een belangenafweging en een besluit van het college. Vervallen van de vergunning van rechtswege (tweede lid) Het tweede lid beschrijft omstandigheden wanneer een vergunning van rechtswege vervalt. Bij het van rechtswege vervallen is geen gemeentelijke inspanning nodig. Via monitoringsrapportages is controle van daadwerkelijke gebruik en exploitatie van deeltweewielers inzichtelijk te maken en daardoor goed controleerbaar. Overgangsbepaling (derde lid) Voor exploitanten die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel reeds onder dit artikel vallende bedrijfsmatige activiteiten verrichten, geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod.

Als een vergunning onherroepelijk is ingetrokken of van rechtswege is vervallen, wordt de vergunning via de door het college vast te stellen de verdelingsprocedure opnieuw aangeboden aan de markt.

Huidige tekst Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie:

Voorgestelde tekst Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie:

2:1 (Samenscholing en ongeregeldheden)

2:1 (Samenscholing en ongeregeldheden)

2:6 (Beperking aanbieding stukken)

2:6 (Beperking aanbieding stukken)

2:10 (Voorwerpen of stoffen op de weg)

2:10 (Voorwerpen of stoffen op de weg)

2:11 (Aanleggen, beschadigen en veranderen weg)

2:11 (Aanleggen, beschadigen en veranderen weg)

2:12 (Maken, veranderen van uitweg)

2:12 (Maken, veranderen van uitweg)

2:13 (Veroorzaken van gladheid)

2:13 (Veroorzaken van gladheid)

2:14 (Winkelwagentjes)

2:14 (Winkelwagentjes)

2:16 (Openen straatkolken)

2:16 (Openen straatkolken)

2:18 (Rookverbod bossen en natuurterreinen)

2:18 (Rookverbod bossen en natuurterreinen)

2:20 (Vallende voorwerpen)

2:20 (Vallende voorwerpen)

2:21 (Voorzieningen voor verkeer en verlichting)

2:21 (Voorzieningen voor verkeer en verlichting)

2:21a (Verwijdering e.d. van voorzieningen en voor verkeer en verlichting) 2:22 (Objecten onder hoogspanningslijnen) 2:22a.(Valschermspringen) 2:23 (Veiligheid op het ijs) 2:23a (Verboden slaapverblijf) 2:25 (Evenement) 2:25a (Vrijstelling vergunningplicht, melding evenement) 2:25b(Nadere regels, organiseren van een evenement) 2:26 (Ordeverstoring tijdens evenement) Artikel 2:26a (Verbod gebruik wegwerpplastic) 2:28 (Exploitatievergunning horecabedrijf) 2:28f (Sluiting van horecabedrijven) 2:29 (Openings- en sluitingstijden) 2:30a (Individuele ontheffingsmogelijkheden sluitings- en openingstijden) 2:31 (Verboden gedragingen) 2:31a (Exploitatieregels horecabedrijven, verplichtingen exploitant) 2:32 (Handel binnen openbare inrichtingen) 2:34 (Beperking sterke drank) 2:38 (Verschaffen gegevens nachtregister) 2:40a (Vergunningsplicht speelautomatenhal)

2:21a (Verwijdering e.d. van voorzieningen en voor verkeer en verlichting) 2:22 (Objecten onder hoogspanningslijnen) 2:22a.(Valschermspringen) 2:23 (Veiligheid op het ijs) 2:23a (Verboden slaapverblijf) 2:25 (Evenement) 2:25a (Vrijstelling vergunningplicht, melding evenement) 2:25b(Nadere regels, organiseren van een evenement) 2:26 (Ordeverstoring tijdens evenement) Artikel 2:26a (Verbod gebruik wegwerpplastic) 2:28 (Exploitatievergunning horecabedrijf) 2:28f (Sluiting van horecabedrijven) 2:29 (Openings- en sluitingstijden) 2:30a (Individuele ontheffingsmogelijkheden sluitings- en openingstijden) 2:31 (Verboden gedragingen) 2:31a (Exploitatieregels horecabedrijven, verplichtingen exploitant) 2:32 (Handel binnen openbare inrichtingen) 2:34 (Beperking sterke drank) 2:38 (Verschaffen gegevens nachtregister) 2:40a (Vergunningsplicht speelautomatenhal)

2:40c (De vergunning) 2:40f (Gokken op de openbare weg) 2:40g (Sluiting overlastgevende gokpanden) 2:41 (Betreden gesloten woning) 2:41a (Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen) 2:42 (Plakken en kladden) Artikel 2:47a (Messen en andere steekwapens) 2:59 (Gevaarlijke honden)

2:40c (De vergunning) 2:40f (Gokken op de openbare weg) 2:40g (Sluiting overlastgevende gokpanden) 2:41 (Betreden gesloten woning) 2:41a (Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen) 2:42 (Plakken en kladden) Artikel 2:47a (Messen en andere steekwapens)

2:60 (Houden van hinderlijke/schadelijke dieren)

Artikel 2:50b Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

2:65 (Bedelarij)

2:59 (Gevaarlijke honden)

2:73 (Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling)

2:60 (Houden van hinderlijke/schadelijke dieren)

2:73a (Verbod bezigen van carbid)

Artikel 2:60a Storend geluid/voederen van dieren

2:74 (Drugshandel op straat) 2:74a (Verzameling van personen in verband met drugs) 2:74b (Openlijk drugsgebruik) 2:74c (Weggooien van spuiten en dergelijke) 2:77a (Gebiedsontzeggingen)

2:65 (Bedelarij) 2:73 (Verbod gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling) 2:73a (Verbod bezigen van carbid) 2:74 (Drugshandel op straat)

3:3 (Nadere regels)

2:74a (Verzameling van personen in verband met drugs)

3:4 (Seksinrichtingen)

2:74b (Openlijk drugsgebruik)

3:6 (Sluitingstijden)

2:74c (Weggooien van spuiten en dergelijke)

3:7 (Sluiting van de seksinrichting)

2:77a (Gebiedsontzeggingen)

3:8 (Aanwezigheid/toezicht exploitant en beheerder)

3:3 (Nadere regels)

3:9 (Straatprostitutie) 3:10 (Sekswinkels)

3:4 (Seksinrichtingen) 3:6 (Sluitingstijden) 3:7 (Sluiting van de seksinrichting)

3:11 (Tentoonstellen/aanbieden pornografisch materiaal) 3:14 (Vervallen exploitatie vergunning seksinrichting e.a.)

3:8 (Aanwezigheid/toezicht exploitant en beheerder) 3:9 (Straatprostitutie)

3:15 (Wijziging beheer)

3:10 (Sekswinkels)

4:4 (Verboden incidentele activiteiten

3:11 (Tentoonstellen/aanbieden pornografisch materiaal)

4:6 (Overige geluidhinder) 4:7 (Straatvegen)

3:14 (Vervallen exploitatie vergunning seksinrichting e.a.)

4:9 (Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen)

3:15 (Wijziging beheer)

Artikel 4:10 (Verbod oplaten ballonnen)

4:6 (Overige geluidhinder)

4:13 (Verbod opslag voertuigen e.d.)

4:7 (Straatvegen)

4:15 (Hinderlijke reclame)

4:9 (Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen)

4:18 (Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterrein) 5:2 (Parkeren voertuigen autobedrijf) 5:3 (Te koop aanbieden voertuigen) 5:4 (Defecte voertuigen)

4:4 (Verboden incidentele activiteiten

Artikel 4:10 (Verbod oplaten ballonnen) 4:13 (Verbod opslag voertuigen e.d.) 4:15 (Hinderlijke reclame)

5:5 (Voertuigwrakken)

4:18 (Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterrein)

5:6 (Kampeermiddelen e.d.)

5:2 (Parkeren voertuigen autobedrijf)

5:7 (Reclamevoertuigen)

5:3 (Te koop aanbieden voertuigen)

5:8 (Parkeren grote voertuigen)

5:4 (Defecte voertuigen)

5:9 (Parkeren uitzichtbelemmerende voertuigen)

5:5 (Voertuigwrakken)

5:10 (Parkeren voertuigen met stankverspreidende stoffen)

5:6 (Kampeermiddelen e.d.) 5:7 (Reclamevoertuigen)

5:11 (Aantasting groenvoorzieningen)

5:8 (Parkeren grote voertuigen)

5:12 (Overlast fiets/bromfiets)

5:9 (Parkeren uitzichtbelemmerende voertuigen)

5:13 (Inzameling geld of goederen en werving van leden of donateurs)

5:10 (Parkeren voertuigen met stankverspreidende stoffen)

5:15 (Venten)

5:11 (Aantasting groenvoorzieningen)

5:18 (Standplaatsen)

5:12 (Overlast fiets/bromfiets)

5:23 (Snuffelmarkten)

Artikel 5:12a Vergunningsplicht deeltweewielers

5:24 (Voorwerpen op/in/boven water) 5:27 (Verbod innemen ligplaats)

5:13 (Inzameling geld of goederen en werving van leden of donateurs)

5:28 (Beschadigen waterstaatswerken)

5:15 (Venten)

5:29 (Reddingsmiddelen)

5:18 (Standplaatsen)

5:29a(Zwemmen)

5:23 (Snuffelmarkten)

5:31 (Overlast aan vaartuigen)

5:24 (Voorwerpen op/in/boven water)

5:33 (Beperking verkeer in natuurgebieden)

5:27 (Verbod innemen ligplaats)

5:34 (Stookverbod)

5:28 (Beschadigen waterstaatswerken)

5:36 (Asverstrooiing

5:29 (Reddingsmiddelen)

2.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie:

5:29a(Zwemmen)

2:9 (Straatartiest)

5:34 (Stookverbod)

2:43 (Vervoer plakgereedschap)

5:36 (Asverstrooiing

2:44 (Vervoer inbrekerswerktuigen)

2:46 (Rijden over bermen)

2.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie:

2:47 (Hinderlijk gedrag op of aan de weg)

2:9 (Straatartiest)

2:48 (Openlijk drankgebruik)

2:43 (Vervoer plakgereedschap)

2:48a Verbod gebruik lachgas

2:44 (Vervoer inbrekerswerktuigen)

2:49 (Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen)

2:45 (Betreden plantsoenen)

2:45 (Betreden plantsoenen)

5:31 (Overlast aan vaartuigen) 5:33 (Beperking verkeer in natuurgebieden)

2:46 (Rijden over bermen)

2:50 (Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimte)

2:47 (Hinderlijk gedrag op of aan de weg)

2:50a (Overig hinderlijk gedrag)

2:48 (Openlijk drankgebruik)

2:51 (Neerzetten van fietsen)

2:48a Verbod gebruik lachgas

2:52 (Overlast van (brom)fiets op markt of kermis)

2:49 (Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen)

2:53 (Bespieden van personen)

2:50 (Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimte)

2:57 (Loslopende honden)

2:50a (Overig hinderlijk gedrag)

2:58 (Verontreiniging door honden)

2:51 (Neerzetten van fietsen)

2:62 (Loslopend vee)

2:52 (Overlast van (brom)fiets op markt of kermis)

4:8 (Natuurlijke behoefte doen) 5:30 (Veiligheid op het water 3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vierde lid, 2:11, tweede lid. 4.In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

2:53 (Bespieden van personen) 2:57 (Loslopende honden) 2:58 (Verontreiniging door honden) 2:62 (Loslopend vee) 4:8 (Natuurlijke behoefte doen) 5:30 (Veiligheid op het water 3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vierde lid, 2:11, tweede lid. 4.In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Toelichting op de wijziging Het spreekt voor zich dat de nieuwe artikelen hierin opgenomen worden.

Bijlage bij het 17e wijzigingsbesluit Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013 Toelichting op artikel 2:26 Verboden gedragingen Vierde en vijfde lid: Sinds 2016 is het Openbaar Ministerie verschillende juridische procedures gestart om Outlaw Motorcycle Gangs (hierna OMG’s) verboden te laten verklaren door de rechter, omdat de werkzaamheid (activiteiten) van deze motorclubs in strijd is met de openbare orde (artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek). Inmiddels zijn verschillende motorclubs verboden verklaard. Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Indien men het bij de motorclub horende jasje (colours) in het openbaar blijft dragen, kan een verstoring van de openbare orde opleveren. Gelet hierop kan de burgemeester in beginsel gebruik maken van zijn orderechtelijke bevoegdheden (zoals handhaving op clublocaties, bij evenementen, bij ride-outs en het geven van noodbevelen en gebiedsontzeggingen). In aanvulling hierop wordt in de APV een bepaling opgenomen waarin staat dat uiterlijke kenmerken van de verboden organisaties niet zijn toegestaan in de openbare ruimte. In geval van overtreding kan de politie direct optreden. Door in de APV dergelijke gedragingen op te nemen bij evenementen is het mogelijk de organisator van het evenement verantwoordelijk te stellen op de controle en uitvoering hiervan.

(zie verder toelichting artikel 2:50b) Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1 APV.

Wijziging van de toelichting op de artikelen betreffende de wijziging Drank- en Horecawet naar Alcoholwet: In de volgende zinnen dient de term Drank- en Horecawet, gewijzigd te worden in Alcoholwet. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing ’Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet.’

Afdeling 7 evenementen ’5. Drank- en Horecawet’ Artikel 2:27 Begripsbepalingen → Eerste lid onder a: ‘Deze definitie van ´horecabedrijf´ wijkt af van de definitie in de Drank- en Horecawet, waar met de ‘uitoefening van het horecabedrijf’ de activiteit wordt bedoeld het bedrijfsmatig schenken van alcoholhoudende dranken.’ → Zevende lid : ’Hierbij is aansluiting gezocht bij de begripsbepaling van de Drank- en Horecawet, aangezien die de functies en verantwoordelijkheden reeds beschrijft. Het enige verschil zit hem er in dat in de APV twee rollen worden erkend, te weten de eigenaar (de exploitant(en)) en diens leidinggevende personeel (de leidinggevenden), daar de Drank- en Horecawet die allen onder hetzelfde begrip schaart.’

en ’Zij mogen overeenkomstig het regime van de Drank- en Horecawet voor leidinggevenden direct na indiening van de aanvraag tot bijschrijving aan de slag.’ → Twaalfde lid : ’Een paracommerciële rechtspersoon volgens de Drank- en Horecawet is een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.’

Artikel 2:28a: Weigeringsgronden exploitatievergunning  Eerste lid onder b : ‘Voor de eisen waaraan moet worden voldaan wordt aangesloten bij de eisen die bij en krachtens artikel 8 van de Drank- en Horecawet worden gesteld aan leidinggevenden in het kader van de verstrekking van alcoholhoudende drank:’ En ’Bij algemene maatregel van bestuur zijn naast deze algemene eisen nadere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld in het ‘Besluit zedelijk gedrag Drank- en horecawet 1999’.’ Artikel 2:28b Vrijstelling vergunningplicht → Eerste lid onder b : ’Daarnaast blijven alcoholschenkende sport- en recreatieverenigingen en -stichtingen vergunningplichtig op grond van de Drank en Horecawet. De toetsing op actualiteit van de rechtsvorm, bedrijfsvoering, antecedenten en moraliteitseisen blijft hiermee voor deze instellingen gewaarborgd. Het motief daarbij is echter in eerste instantie gericht op sociaal hygiënische aspecten, volksgezondheid, het voorkomen van paracommercie en in mindere mate op openbare orde en veiligheid.

Voor zover deze bedrijven alcoholhoudende dranken verstrekken, heeft de Drank- en Horecawet voldoende raakvlakken om ook ten aanzien van de openbare orde doeltreffende maatregelen te nemen.’ → Eerste lid onder d: ’Ook mogen ze alleen alcoholvrije en zwak-alcoholhoudende dranken als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet verstrekken. Voor het schenken van alcoholhoudende drank is vanzelfsprekend wel een drank- en horecavergunning benodigd.’ → Eerste lid onder e: ’Ook mogen ze alleen alcoholvrije en zwak-alcoholhoudende dranken als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet verstrekken. Voor het schenken van alcoholhoudende drank is vanzelfsprekend wel een drank- en horecavergunning benodigd. Het is bij deze vergunningsvrije categorie toegestaan om een klein gevelterras te exploiteren.’ Artikel 2:28e Schorsing, intrekking en wijziging van een exploitatievergunning → Tweede lid: ’Om misbruik te voorkomen van de mogelijkheid om een leidinggevende in afwachting op de bijschrijving op de vergunning alvast te laten beginnen in een horecabedrijf, krijgt de burgemeester de bevoegdheid om de exploitatievergunning geheel in te trekken als hij binnen twee jaar ten minste drie maal een bijschrijving van een leidinggevende heeft geweigerd op grond van de zedelijkheidseisen uit de Drank- en Horecawet, waarnaar wordt verwezen in artikel 2:28a, eerste lid, onder b, van de APV.’

→ Derde lid: ’Het intrekken van de exploitatievergunning in het geval van slecht levensgedrag wordt gelijk getrokken met de regeling zoals verwoord in de Drank- en Horecawet.’ Artikel 2:34 Beperking verstrekking sterke drank ’Op grond van artikel 25a van de Drank- en Horecawet kan bij gemeentelijke verordening het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank worden verboden of beperken tot de verstrekking van zwak-alcoholhoudende drank.’ Afdeling 8A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2:39 Begripsbepalingen ’In artikel 30 van de Wet op de Kansspelen wordt ook het onderscheid tussen hoogdrempelige en laagdrempelige inrichtingen uitgelegd. Hoogdrempelige inrichtingen zijn (zie artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen) inrichtingen: 1.

die over een horecavergunning in de zin van de Drank- en horecawet beschikken;’ 2:40d Leeftijdsgrenzen ’Voor wat betreft de vaststelling van de leeftijd is aansluiting gezocht bij de Drank- en Horecawet.’ Artikel 2:40m en 2:40o ’Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet (zie ook: hoofdstuk 2, afdeling 8).’ Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik ’In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben.

Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.’ Artikel 2:48a Verbod gebruik lachgas ’De verkoop van lachgas valt mogelijk onder het verbod op kleinhandel in artikel 14 van de Drank- en Horecawet, maar dat verbod geldt alleen voor openbare inrichtingen waar alcoholhoudende dranken tegen betaling worden verstrekt en niet voor horecabedrijven waar alcoholvrije dranken worden verstrekt.’ Artikel 3:2 Begripsbepaling ’Voor de definitie van exploitant is aansluiting gezocht bij een van de definities van het begrip leidinggevende in artikel 1, eerste lid, onderdeel 1°, van de Drank- en Horecawet.’ Artikel 3:9 Weigeringsgronden ’De eisen sluiten zoveel mogelijk aan bij de eisen die de Drank en Horecawet en daaronder vallende lagere regelgeving stellen aan exploitanten en leidinggevenden. Dit betekent dat in het geval een seksbedrijf tevens een drank- en horecavergunning nodig heeft, met één antecedentenonderzoek kan worden volstaan. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ moet aansluiting worden gevonden bij de terminologie van de Drank- en Horecawet.’

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10494837/1