CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - BRP JHP Zuidwest 3e actualisatie

Gemeenteraad 4 februari 2025, gemeente SchiedamBij agendapunt: Brieven over en van gemeenschappelijke regelingen13.457 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bovenregionaal plan JeugdzorgPlus Zuidwest 3e actualisatie

Holland Rijnland Haaglanden Zuid-Holland-Zuid Midden-Holland Rijnmond

Colofon Opdrachtgever:

Coördinerend gemeente Rotterdam namens 5 jeugdhulpregio’s d.d. 18 september 2024 – Definitief

copyright © 4advies, 2024 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van 4advies, Arnhemseweg 10, Amersfoort.

Inhoud Vooraf

4

1

Samenvatting

5

2

Inleiding

7

3

Integrale benadering zorg - onderwijs

9

4

Ontwikkeling regionaal alternatief aanbod

13

4.1 4.2

Bovenregionale coördinatie Versterken inzet BREN

13 14

5

Monitoring afbouw JeugdhulpPlus en alternatieven

15

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

Methodiek Regionale reflectiesessies Bovenregionale analyse Financiële implicaties Leidende principes Monitoringselementen en doelstellingen Aandachtspunten vervolg

15 16 17 18 18 18 21

6

Capaciteitsverdeling per locatie

22

7

Ontwikkelopdrachten

24

Bijlagen b1

Integrale visie zorg en onderwijs (in beeld)

b2

Integrale visie zorg en onderwijs (in tekst)

b3

DOS definitie hybride groepen

b4

Inventarisatie alternatief aanbod

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

3

Vooraf In opdracht van de VNG en het ministerie van VWS actualiseren alle landsdelen periodiek hun bovenregionale plannen ‘af- en ombouw gesloten jeugdhulp’1. Een geactualiseerd bovenregionaal plan is nodig om een aanvraag te kunnen doen voor de aankomende SPUK-regeling waarin middelen beschikbaar zijn voor de transformatie in de verschillende landsdelen. In deze 3e actualisatie2 is de gezamenlijke visie op de af- en ombouw van zorg en onderwijs aangevuld en verder aangescherpt, daarnaast is een integrale planning (capaciteitsverdeling) toegevoegd en een monitoringsvoorstel uitgewerkt. Omdat de af- en ombouw van JeugdzorgPlus nauw samenhangt met de opbouw van alternatieven, is daar in de monitoring ook verdere uitwerking aan gegeven. Het document is opgesteld door de jeugdhulpregio’s in samenwerking en afstemming met de aanbieders iHub en Schakenbosch, de onderwijscoalitie, GI’s, wetenschap (namens de beide aanbieders) en het Bovenregionaal Expertise Netwerk BREN ZH. Alle illustraties zijn ontworpen door Bienerbij ©

1

Bovenregionaal plan Zuidwest d.d. 24 juni 2021. De vijf jeugdhulpregio’s, de aanbieders Horizon (iHub) en Schakenbosch en gecertificeerde instellingen (GI) hebben via dit plan gezamenlijk invulling gegeven aan de ambities van Zuidwest. 2 1e actualisatie is opgeleverd voorjaar 2023, de 2e actualisatie in november 2023.

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

4

1

Samenvatting De gezamenlijke regio’s geven in dit document hun aangescherpte visie om de zorg en het onderwijs aan de meest kwetsbare jeugdigen die tijdelijk aangewezen zijn op hoog specialistische zorg door te ontwikkelen, door verdere afbouw van gesloten bedden en het gelijktijdig opbouwen van zo thuis nabij mogelijk alternatief aanbod. De opbouw van deze visie sluit aan bij de route die een jeugdige kan afleggen langs de verschillende fasen van instroom-plaatsing- uitstroom. Per 2028 zijn er in Zuidwest nog maximaal 54 hybride bedden op één locatie binnen het landsdeel voor de 12+ groep (locatie Schakenbosch) en is er geen gesloten voorziening meer voor de 12- groep. Geen jongere hoeft meer de regio uit voor passende zorg en de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen wordt zoveel mogelijk teruggedrongen. De aanbieders hebben vanuit hun gezamenlijke verantwoordelijkheid invulling gegeven aan de ambities naar 2028 in een capaciteitsverdeling per locatie. Hieraan zijn data gekoppeld per wanneer de instroom op de locatie vanuit het Zuidwest zal stoppen. Als een tijdelijke plaatsing bij een instelling toch nodig is, is dit altijd kortdurend en onderdeel van een langer traject.

Uit de wetenschap blijkt dat (intensieve) ambulante hulpverlening over het algemeen beter werkt dan residentiële hulpverlening - vaak met uithuisplaatsing - en dat een kort verblijf effectiever is dan een lang verblijf.3 Een enkele behandeling werkt vaak minder dan een integratieve netwerkbehandeling (collaborative care), waarbij ook onderwijs, perspectief en nazorg worden meegenomen. Ook zien we dat hoe minder dwang des te positiever het effect. Aanbieders, regio’s en ketenpartners staan voor deze transformatie gezamenlijk aan de lat. Kern is netwerkzorg (collaborative care) met intensieve betrokkenheid van: • Ouder(s) en jongere • School ((V)SO en regulier onderwijs) en/of samenwerkingsverband • Gemeente • Jeugdbescherming • Ervaringsdeskundigheid • Lokale hulpverlening Om onze ambities te bereiken, richten we ons op drie pijlers: 1. De instelling 2. Alternatieven 3. Onderwijs In alle drie de pijlers staan de volgende uitgangspunten centraal: • Onderwijs is leidend en er is een doorlopende leerlijn • Een inhoudelijke verbreding van het zorg- en onderwijsaanbod met GGZ-, LVB-, forensische en Verslavingszorg expertise • Aandachts-, liefdevolle en trauma sensitieve zorg en onderwijs: aandacht voor talenten, mogelijkheden en een positieve blik naar kinderen en jongeren

3 Om opvoeding en ontwikkeling te waarborgen en de band met het netwerk te behouden dient zoveel als mogelijk

te worden uitgegaan van een zo gewoon mogelijke leefsituatie (pedagogische basis). Wanneer we naar de uitkomsten van veel onderzoek en meta analyses kijken (Howick ea., 2022; Van der Helm ea. 2018; Van der Helm 2022; Ringbom ea., 2022 ) is daarom ambulante behandeling te prefereren boven residentiele behandeling (‘zo thuis als mogelijk’ in tegenstelling tot alleen ‘zo dichtbij als mogelijk’).

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

5

Ontwikkeling alternatief aanbod Cruciale schakel in de transformatie naar verbeterde jeugdzorg zijn de regionale alternatieven, op het gebied van onderwijs, wonen en zorg, om te voorkomen dat kinderen en jongeren gesloten geplaatst worden. Inventarisatie van de alternatieven heeft laten zien dat de opbouw van alternatief aanbod minder snel verloopt dan werd beoogd en achterloopt op de daling van het aantal bedden JeugdzorgPlus. De daling van gesloten bedden stagneert en ligt nu rond de 110 bedden. Zonder voortvarende opbouw van passende alternatieven stokt de ambitie tot afbouw van geslotenheid. Versterkte inzet BREN Om meer voortgang te boeken met de alternatieven is bovenregionale coördinatie nodig om enerzijds de bovenregionale zorgvraag beter in beeld te brengen en anderzijds onderlinge kennis- en informatie-uitwisseling tot stand te brengen. Het bovenregionaal expertise netwerk ZuidWest (BREN ZW) is de verbindende schakel tussen de regionale en bovenregionale ontwikkelingen; door versterkte inzet van BREN wordt tegemoet gekomen aan de vraag om centrale coördinatie. Monitoringsmethodiek Om te voorzien in de behoefte van regio’s aan structurele monitoring van de afbouw van gesloten jeugdhulp en opbouw van alternatieven is een monitoringmethodiek opgesteld.

Dit is gestoeld op halfjaarlijkse regionale en bovenregionale data-analyse (reflectiesessies) waarbij alle ketenpartners betrokken worden. Monitoring is bedoeld als toetsmiddel of de opbouw per regio in de pas loopt met het tempo van totale afbouw en als sturingsmiddel om gerichter te kunnen sturen op voortgang van opbouw van alternatief aanbod. Om te toetsen worden aan de monitor doelstellingen gekoppeld die inzichtelijk maken welke bijdrage elke regio levert. De verantwoordelijkheid voor de regionale analyses ligt bij de regio’s; de bovenregionale analyse gebeurt onder regie van BREN ZW. In deze actualisatie staat de methodiek4 van monitoring beschreven. Het is aan de 5 regio’s om samen met BREN het proces van kwalitatieve en kwantitatieve monitoring verder uit te werken (ontwikkelopdracht). Financiële implicaties Als de afbouw van capaciteit vertraging oploopt kan dit extra kosten met zich mee brengen, bijvoorbeeld door het langer openhouden van locatie(s). Het verder uitwerken van de financiële implicaties van de monitoring en bijbehorende methodiek zijn van belang voor de verdeling van de SPUK-middelen voor opbouwen van alternatieven en financiële gevolgen die voortkomen uit een eventuele vertraging van de afbouw van gesloten bedden.

Afspraken over de financiële consequenties en verdeling naar regio’s (positief/negatief) vallen buiten de scope van het bovenregionaal plan maar dienen wel vast te liggen voordat de monitoring kan starten. De af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp kent daarnaast een breder maatschappelijk vraagstuk. Ook is aandacht nodig voor de risico’s en maatschappelijke tolerantie.

4

Procesbeschrijving incl. elementen is tot stand gekomen met afvaardiging van 5 jeugdhulpregio’s, BREN ZW, GI’s, PC en aanvulling door beide aanbieders JZ+

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

6

2

Inleiding Drie jaar na vaststelling van het bovenregionale plan in 2021 is de transformatie van de gesloten jeugdhulp (hierna ook: JeugdzorgPlus of JZ+) in volle gang en zijn forse stappen gezet door gemeenten en aanbieders. In deze 3e actualisatie zijn recent opgedane kennis, ervaring en wetenschappelijke inzichten verwerkt tot een aangescherpte visie namens de jeugdhulpregio’s. We geven vervolgens ook aan welke stappen afgelopen periode gezet zijn (in doorontwikkeling, afbouw, opbouw alternatief aanbod) en welke nog (extra) nodig zijn om de ambities in Zuidwest te realiseren. Sinds de 1e actualisatie werkten we in Zuidwest al toe naar kleinschalig verblijf en verkleinde groepen, inmiddels zijn wij bezig aan de volgende stap. De visie schetst de hoofdcontouren van het getransformeerde zorg- en onderwijslandschap en wat nodig is om de (ongewijzigde) ambities5 van het landsdeel te realiseren: het doorontwikkelen en verbeteren van de jeugdzorg en het onderwijs aan de meest kwetsbare jeugdigen die tijdelijk aangewezen zijn op hoog specialistische zorg, door verdere om- en afbouw van gesloten bedden en het gelijktijdig opbouwen van zo thuis nabij mogelijk alternatief aanbod. Daarvoor staan aanbieders, regio’s en ketenpartners gezamenlijk aan de lat, onder meer via de ontwikkelopdracht uit de 2e actualisatie.

Omdat onderwijs(perspectief) leidend is in het leven van deze jeugdigen, en dus onlosmakelijk verbonden is met (residentiële) zorg, is gekozen voor een integrale benadering van zorg en onderwijs in onze visie. Voor het daadwerkelijk afbouwen van gesloten bedden is het opbouwen van alternatieven randvoorwaarde. Het is een gezamenlijke opgave van alle regio's om deze kwetsbare jeugdigen passende zorg te leveren in de eigen omgeving, echter loopt de opbouw van passend alternatief aanbod niet gelijk op met de afbouw. Om dit proces vooruit te brengen is een monitoringsmethodiek voorgesteld om via regionale en bovenregionale analyses tot een afgestemd bovenregionaal beeld te komen van ontbrekend (boven)regionaal aanbod en de voortgang van afbouw JZ+ en opbouw van alternatieven. Zodanig dat de bijdrage van regio’s hieraan getoetst kan worden en de financiële implicaties verrekend kunnen worden. Het actualiseren van het bovenregionaal plan wordt vervangen door de voorgestelde methodiek van halfjaarlijkse monitoring. Aanscherping van de visie zal pas plaatsvinden indien monitoring hiertoe aanleiding geeft of als de regio’s bijstelling noodzakelijk vinden. In de door aanbieders JZ+ op te stellen strategische ontwikkelplannen wordt de bovenregionale visie inclusief de capaciteitsverdeling verder uitgewerkt naar een af-/ ombouwplan per locatie (het HOE). Werkwijze

5

Per 2028 zijn er in Zuidwest nog maximaal 54 hybride bedden op één locatie binnen het landsdeel (locatie Schakenbosch). Geen jongere hoeft meer het landsdeel uit voor passende zorg en voor 12- groep verdwijnt de geslotenheid helemaal.

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

7

De regie bij het opstellen van de actualisatie ligt bij de 5 jeugdhulpregio’s, onder aanvoering van coördinerende gemeente Rotterdam. De jeugdhulpregio’s hebben in diverse inhoudelijke themasessies partners geraadpleegd waaronder de Gecertificeerde Instellingen (GI), de Kerncoalitie onderwijs, het Bovenregionaal Expertise Netwerk (BREN), en afstemming gezocht met beide aanbieders iHub en Schakenbosch. Beide aanbieders en de via hen beschikbare wetenschappelijke kennis zijn nadrukkelijk betrokken bij de totstandkoming van de visie. Periodieke ambtelijke afstemming en voorbereiding verliep via de reguliere Bovenregionale werkgroep JZ+ van de 5 jeugdhulpregio’s. Via voorbereiding in het Bovenregionaal Directeurenoverleg (BRDO) heeft op 23 september besluitvorming plaatsgevonden in de Stuurgroep Doorontwikkeling JZ+. Per jeugdhulpregio’s is vervolgens het besluit van de Stuurgroep op de daarvoor passende wijze bekrachtigd.

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

8

3

Integrale benadering zorg - onderwijs Onderwijs en zorg vormen samen fundamenten voor de ontwikkeling en het welzijn van kinderen en jongeren, en de samenwerking tussen beiden is cruciaal voor een gezonde toekomst. Te vaak worden onderwijs en zorg nog gescheiden en wordt er gekeken naar wat voorliggend is. Het leven van een jeugdige laat zich echter niet opknippen in domeinen. Zeker voor kinderen en jongeren die te maken hebben met een intensieve zorgbehoefte en/of een problematische thuissituatie, is het belangrijk dat zij perspectief (doorlopende leerlijn), zorg sluit hierop aan. Om opvoeding en ontwikkeling te waarborgen en de band met het gezin en het netwerk te behouden, dient zoveel als mogelijk te worden uitgegaan van een gewone leefsituatie (pedagogische basis). De rol van het informele netwerk (JIM) en een gezinsgerichte aanpak gericht op effectiviteit en duurzaamheid is van groot belang. Residentieel verblijf kan daarbij ondersteunend zijn, maar altijd zo kort mogelijk en als onderdeel van een traject. Het gezin en zo thuis als mogelijk, inclusief de school, is het uitgangspunt. Alternatieven en ketensamenwerking Centraal staat het ontwikkelen van alternatieven en ketensamenwerking. JeugdzorgPlus is een korte interventie in het zorgtraject van de jeugdige en wordt waar mogelijk voorkomen doordat er preventieve alternatieven zijn.

Complexe gesloten jeugdhulp wordt getransformeerd naar hoog specialistische en intensieve (ambulante) zorg. Indien residentiële (gesloten) plaatsing toch nodig blijkt te zijn, wordt de verblijfsduur teruggedrongen naar maximaal 10 weken. Het streven naar het verkorten van de maximale verblijfsduur van max. 6 maanden (huidig kwaliteitskader) naar max. 10 weken in 2028 sluit aan op nieuw wetenschappelijk onderzoek dat laat zien dat een JZ+ plaatsing veel meer gezien moet worden als kort traject als onderdeel van een langer traject. Hiervoor is het noodzakelijk samen met ketenpartners invulling te geven aan randvoorwaarden om dit mogelijk te maken (waaronder tijdige doorstroom en scholing van personeel). Collaborative care Om deze transformatie te realiseren, is een model van ‘collaborative care’ nodig. Dit houdt in dat er intensief en gelijktijdig wordt samengewerkt tussen meerdere disciplines en organisaties (bijv. GGZ, LVB, verslavingszorg, forensische zorg, school en gemeente) in plaats van de gebruikelijke benadering waar het meestal 1 instelling is die de zorg levert. Hierbij verschuiven we onze focus van een systeem van stepped care, waarbij er ingezet wordt op de minst intensieve interventie en geleidelijk wordt opgeschaald indien nodig, naar een systeem van matched care.

Dit is belangrijk omdat het huidige systeem van stepped care niet functioneert en zelfs desastreuze gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van kinderen.6 Bij matched care zorgen we ervoor dat de behandeling en het onderwijs vanaf het begin zijn afgestemd op de specifieke behoeften, voorkeuren en ernst van de situatie van de jeugdige. Dit gebeurt zo veel mogelijk in de vorm van alternatieven. Hiermee werken we preventief en voorkomen we dat plaatsing in geslotenheid en de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is.

6

In de praktijk zien we dat jonge kinderen vaak eerst in pleeggezinnen worden geplaatst. Ongeveer de helft van die plaatsingen mislukt doordat kinderen emotionele - en gedragsproblemen hebben of ontwikkelen. Vaak gaan ze ook niet meer naar school. Vervolgens volgt een jarenlange weg, waarbij gedrags- en emotionele problemen toenemen en er via meerdere groepen en instellingen opschaling plaatsvindt totdat het eindigt in gesloten vormen jeugdzorg (Van der Helm, 2022).

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

9

Hoewel er al langere tijd erkend wordt dat zorg en onderwijs niet zonder elkaar kunnen, wordt het te vaak nog als twee aparte zaken aangevlogen. Het recent verschenen onderzoek van de Academische Werkplaats Risicojeugd over het onderwijs bij de transformatie van de JeugdzorgPlus bevestigt dit.7 Het onderzoek geeft inzichten in hoe het onderwijs voor jongeren die op dit moment in de JeugdzorgPlus verblijven is geregeld, wat hierin goed gaat en wat hierin knelpunten zijn. De oproep is om in de transformatie van de JeudgzorgPlus (meer en gerichter) aandacht te besteden aan onderwijs om te kunnen voldoen aan het recht op (goed) onderwijs voor elke jongere. In dit plan zijn onderwijs en zorg daarom volledig samengevoegd en leggen we onze visie hierop vast. 8 De route die een kind of jongere volgt van instroom, plaatsing en uitstroom en nazorg, is als uitgangspunt genomen, zodat op die manier onderwijs en gesloten jeugdhulp in elke fase aan elkaar verbonden worden. Het doorbreken van patronen in de samenwerking tussen onderwijs en gesloten jeugdhulp naar het bieden van integrale matched care voor het kind en de jongere is een beweging. Een beweging die vraagt om actieve betrokkenheid van elkaar in alle fases, het delen van expertise en het leren van casuïstiek.

Omdat het hier gaat om een beweging vanuit zowel zorg als onderwijs, waar verschillende partners en ministeries bij betrokken zijn, is het belangrijk te realiseren dat de transformatie niet altijd gelijktijdig verloopt. Waar de zorg al een tijd bezig is om de af- en ombouw van de JZ+ te realiseren, is dit vanuit het onderwijs een relatief recente omslag en zijn de randvoorwaarden nog niet altijd duidelijk of op orde. Via verschillende actielijnen, met name vanuit de onderwijscoalitie maar ook door middel van wetswijzigingen op Rijksniveau, wordt hieraan gewerkt. In de implementatie en uitvoering van het plan is er aandacht voor tempo verschillen en bijbehorende risico’s. In de verschillende fases van instroom, plaatsing en uitstroom en nazorg kunnen ervaringsdeskundigen breed ingezet worden. Instroom Centraal in de instroom staat dat het een zorgvuldig en gezamenlijk traject moet zijn, waarbij er door de verwijzer in de breedte van zorg én onderwijs gekeken wordt wat er aan de hand is en wat er nodig is. Er wordt voor plaatsing gewerkt met een verklarende analyse.9 Hierbij worden altijd de ouders, de jongere zelf en het onderwijs betrokken. De verwijzers nemen in hun afweging expliciet het onderwijs mee en dienen altijd de onderwijsgegevens10 te vermelden in het aanmeldformulier.

Indien het goed gaat op school en dit een positieve beschermende factor is in het leven van een jeugdige, is het behouden van de plek op de eigen school zwaarwegend. 7 Passend onderwijs voor kwetsbare jongeren: de verantwoordelijkheid van ons allemaal » Academische Werkplaats

Risicojeugd (awrj.nl) 8 In aansluiting op de Onderwijscoalitie af- en ombouw gesloten jeugdzorg van ons landsdeel. 9 Met ‘verklarende analyse’ wordt in dit rapport bedoeld: verklarende analyse of vergelijkbare methodiek waarbij

sprake is van een gezamenlijk proces van en met ouder/naaste en de jeugdige zelf 10 School van herkomst (laatste school waar de leerling ingeschreven staat of stond), contactpersoon van de school

van herkomst, betrokken samenwerkingsverband indien bekend inclusief contactgegevens, niveau en leerjaar van het laatst genoten onderwijs

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

10

-

-

Er wordt advies ingewonnen van het regionale- of bovenregionale expertteam. Onderwijsexpertise wordt toegevoegd aan de regionale expertteams. Stamschool (laatst bekende school van herkomst/inschrijving) behoudt zorgplicht voor leerlingen geplaatst in de JeugdzorgPlus. Leerling wordt niet uitgeschreven.

Plaatsing Verblijf terugdringen naar maximaal 10 weken met behoud van inschrijving bij de stamschool (indien mogelijk). De inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen wordt teruggedrongen. De gesloten groepen 12+ op locatie Schakenbosch zijn omgevormd naar hybride groepen en er is geen gesloten jeugdhulp meer voor de 12- doelgroep (instroom stopt per mei 2025). Tijdens plaatsing wordt actief samengewerkt met de thuiscontext die belangrijk is voor het toekomstperspectief van een jeugdige (gezin, school van herkomst/toekomst, vrije tijd). De zorg- en onderwijsexpertise die er binnen het DiD is, wordt verbonden aan reguliere schoollocaties en alternatieven. Onderwijs is een cruciaal en integraal onderdeel van het aanbod: onderwijs is leidend en er is een doorlopende leerlijn voor de jongeren. Er is behoud van contact met de stamschool of het samenwerkingsverband (indien er nog geen school bekend is) om een doorlopende leerlijn en perspectief op onderwijs te behouden. Instellingsscholen worden voor kinderen en jongeren uit residentieel verblijf tijdelijke bovenregionale voorzieningen, gecombineerd met het verder ontwikkelen van de ambulante inzet op reguliere scholen. Instellingsscholen kunnen daarnaast reguliere externe (V)SO scholen zijn als onderdeel van het dekkend netwerk aan (speciaal) onderwijs in de desbetreffende gemeente.

Er is een inhoudelijke verbreding van het zorg- en onderwijsaanbod met GGZ-, LVB-, forensische expertise en Verslavingszorg. o Hierbij is extra aandacht voor de doelgroepen met een hoogforensisch profiel en met seksueel grensoverschrijdend gedrag, die nu nog vaak buiten de regio geplaatst worden Er is aandachts-, liefdevolle en trauma sensitieve zorg: aandacht voor talenten, mogelijkheden en een positieve blik naar jongeren. Uitstroom en Nazorg Er is communicatie tussen de zorginstelling, instellingsschool en stamschool samen met het kind of jongere over verwachte uitstroom en begeleiding die nodig is na uitstroom om terugval te voorkomen, herstel te bevorderen en een doorlopende leerlijn te realiseren. Er is na verblijf ambulante overstap begeleiding vanuit zowel zorg als onderwijs. De begeleiding is er niet alleen voor de jeugdige zelf, maar ook voor de omgeving (gezin, school). De ambulante overstapbegeleiding van zorg en onderwijs zijn op elkaar afgestemd en sluiten goed op elkaar aan. Zodra het uitstroommoment in zicht komt, wordt hierover in samenspraak met alle betrokkenen een maatwerkbegeleidingsplan gemaakt. Voor goede uitstroom en nazorg, is het belangrijk dat er naar de verschillende leefgebieden gekeken wordt: support, wonen, school en werk, vrijetijdsbesteding, inkomen en welzijn.

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

11

In bijlage 1 is de complete integrale visie opgenomen. Het beeld hierna vat onze visie samen.

Visie op Zorg & Onderwijs langs de route van jongere: instroom-verblijf-uitstroom-nazorg

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

12

4

Ontwikkeling regionaal alternatief aanbod Kwantitatieve opgave Het landsdeel heeft eind Q2 2024 ongeveer 110 bedden in gebruik (inclusief bedden in gebruik buiten het landsdeel). De doelstelling is om af te bouwen naar 54 bedden in Zuidwest in 2028, waarmee dus ongeveer 50% (56 bedden) worden afgebouwd in 3 ½ jaar tijd. Dit aantal bedden zal niet 1 op 1 vervangen kunnen worden door open bedden, maar juist door alternatieven11 – nieuw of versterkt bestaand aanbod - die passen bij elke regio. Zonder voortvarende opbouw van passende alternatieven, door regio’s en aanbieders samen, stokt de ambitie tot afbouw van geslotenheid. Verwijzers spelen hierbij ook een cruciale rol. Daarmee is deze ontwikkeling een cruciale schakel in de transformatie naar verbeterde jeugdzorg. Daarnaast is het belangrijk om in de keten te werken aan matched care. Omdat veel doorverwijzing plaatsvindt vanuit open aanbieders is het versterken van open aanbod en werken met matched care belangrijk middel om plaatsing in JeugdzorgPlus te verminderen. Zonder voldoende en passende alternatieven blijft JeugdzorgPlus langer nodig. Zie ook hoofdstuk 3 Integrale benadering zorg – onderwijs.

De SPUK-regeling beschrijft alternatief aanbod als volgt12: • residentiële of ambulante zorg ter vervanging en voorkoming van gesloten jeugdhulp; • door innovatie (nieuw aanbod) of doorontwikkeling van zorg en onderwijs (versterken bestaand aanbod); • passend voor jeugdigen (voorheen) in gesloten jeugdhulp

Stand van zaken medio 2024 Een inventarisatie13 van de alternatieven die onder regie van de 5 regio’s worden ontwikkeld, bevestigt het beeld dat de opbouw van alternatief aanbod minder snel verloopt dan werd beoogd en achterloopt op de daling van het aantal bedden JZ+. We zien daarom ook dat de daling van gesloten bedden stagneert. De inventarisatie heeft ook duidelijk gemaakt dat een bovenregionale coördinatie nodig is om via de ontwikkeling van alternatieven voortgang te boeken in de transformatie van JeugdzorgPlus. Zie voor een totaalbeeld bijlage 4.

4.1

Bovenregionale coördinatie Om de alternatieven te laten slagen is bovenregionale coördinatie nodig op tenminste 2 onderdelen: 1. Bovenregionale zorgvraag in beeld Het ontbreekt op bovenregionaal niveau aan data en inzicht over welke zorgvraag er nog bestaat náást het regionaal aanbod dat wordt ontwikkeld. Op regionaal niveau zijn de regio’s aan de slag met hun plannen van aanpak maar het is nog onvoldoende 11

Met alternatief aanbod wordt ook bedoeld: ontwikkelen van kennis en expertise, scholing (nieuw) personeel Concept SPUK regeling, februari 2024 13 Met de inventarisatie is een eerste beeld opgehaald van de alternatieven per regio, zie bijlage. 12

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

13

duidelijk waar regionaal een antwoord op wordt gegeven en waar mogelijk hiaten ontstaan in het bovenregionaal zorglandschap bij verdere afbouw. Dit komt deels voort uit de keuze voor regionale opdrachtverstrekking zonder bovenregionale sturing. 2. Kennis en informatie-uitwisseling is basisbehoefte Er is behoefte aan betere kennis- en informatie-uitwisseling zodat meer bekendheid komt van wat er al ontwikkeld en beschikbaar is (vanuit zorg en onderwijs). Het delen en benutten van elkaars leerervaringen, zowel onderling als regio-, domein en aanbieder-overstijgend, maakt het ook beter mogelijk om expertise van (open)aanbieders, aanbieders uit andere regio’s en onderwijs in te zetten en lerend vermogen aan te wenden. Dit geldt zowel voor het versterken van bestaand aanbod als het ontwikkelen van nieuw aanbod en nieuwe kennis14. Kennisdelen kan bovendien een motor zijn om te komen tot versterking van onderlinge samenwerking bij deze gezamenlijke opdracht. Het blijkt tot nu toe niet mogelijk om deze uitwisseling van kennis vanzelf te laten ontstaan; een centrale aanpak wordt gemist. Zie voor opdracht aan BREN ZW hoofdstuk Ontwikkelopdrachten.

4.2

Versterken inzet BREN Voor bovenstaande opgaven is het bovenregionaal expertise netwerk Zuid-West (BREN ZW) de verbindende schakel tussen de regionale en bovenregionale ontwikkelingen gedurende de transformatie die het landsdeel doormaakt. Door grotere betrokkenheid te organiseren vanuit BREN sluiten we aan bij de behoefte van de verschillende regio’s om een meer centrale aanpak maar ook bij de aankomende opdrachtformulering vanuit VNG aan Bovenregionale Expertisenetwerken15 om bij het opbouwen van alternatieven, vinden én organiseren van passende hulp gebruik te maken van de Regionale Expertise Teams (RET’s) en BREN. VNG en Rijk maken voor 1 november 2024 afspraken over de inhoudelijke opdracht aan BREN over: o Analyse van de casuïstiek, waarbij veel voorkomende patronen geduid worden; o Monitoring huidig en benodigd zorgaanbod, o Advies aan de regio’s over de ontwikkeling van een passend zorgaanbod en capaciteit daarvan. In volgende hoofdstukken worden de rol van BREN ZW en de ontwikkelopdracht toegelicht.

14

Noot: Inmiddels is voor de financiering van ontwikkelkosten ed. de subsidieregeling BREN opengesteld en kunnen financieringsaanvragen worden ingediend via de aanvraagprocedure voor BREN-subsidie. 15 Als onderdeel van de bestuurlijke afspraken rond de SPUK frictiepot

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

14

5

Monitoring afbouw JeugdhulpPlus en alternatieven De regio’s hebben behoefte aan structurele monitoring van de afbouw16 en opbouw van alternatieven om 1) te toetsen of de opbouw in de pas loopt met het tempo van afbouw, 2) inzicht te krijgen in de bijdrage die afzonderlijke regio’s hieraan leveren en 3) gerichter te kunnen sturen op voortgang. Deze sturing is ook nodig om zoveel mogelijk middelen te kunnen inzetten voor af- en ombouw. De werkelijk gerealiseerde afbouw wordt beïnvloed door: 1. De opbouw van alternatief aanbod inclusief het versterken van bestaand open aanbod (regionale opgave). 2. Doorontwikkeling van (voorheen gesloten residentiële) zorg en onderwijs bij de instellingen (bovenregionale opgave) De monitoring richt zich met name op de bijdrage die afzonderlijke regio’s leveren aan de capaciteitsafbouw door het beperken van de instroom, via versterking van het voorveld en nieuw alternatief aanbod.

De monitoring heeft als doel: • Meten van de voortgang van de afname van de capaciteit JeugdzorgPlus en de ombouw naar hybride groepen (inclusief afname van inzet vrijheidsbeperkende maatregelen) • Meten van de bijdrage van de regio’s hieraan in relatie tot SPUK-middelen • Inzichtelijk maken van o (boven)regionale gaten in zorglandschap o voortgang van de ontwikkeling van alternatieven • Versnellings- en sturingsmiddel voor de opbouw van alternatief aanbod in de regio’s In dit bovenregionaal plan staat de methodiek17 van monitoring beschreven. Het is aan de 5 regio’s om samen met BREN het proces van kwalitatieve en kwantitatieve monitoring verder uit te werken (ontwikkelopdrachten). Deze monitoringcyclus komt voortaan in de plaats van de huidige werkwijze van halfjaarlijkse actualisatie van het BRP.

5.1

Methodiek De voorgestelde methodiek bestaat uit een halfjaarlijkse kwantitatieve en kwalitatieve analyse, per regio, van het gebruik van JZ+-bedden en de ontwikkeling van passend alternatief zorg- en onderwijsaanbod (reflectiesessies). Gevolgd door een bovenregionale analyse van het zorglandschap en de voortgang van de afbouw en alternatief aanbod. De bovenregionale analyse leidt tot een advies aan de Bovenregionale Directeuren over de voortgang in relatie tot de ambitie van het landsdeel en eventuele aanbevelingen voor bijsturing om de ambities voor 2028 te behalen.

16 Met afbouw wordt bedoeld: naar max. 54 hybride bedden via sluiting en ombouw. Afbouw wordt gemeten in 17

aantal bedden dat een regio bezet ten opzichte van peilmoment 1 juli 2023 Procesbeschrijving incl. elementen is tot stand gekomen met afvaardiging van 5 jeugdhulpregio’s, BREN ZW, GI’s, PC en aanvulling door beide aanbieders JZ+

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

15

Het proces ziet er schematisch als volgt uit:

inanci le conse uenties versnelling vertraging conform nader uit te werken methode

a titatie e a al se Kwartaal rapportage PC

Regio specifieke data

alitatie e a al se

Rapportage Normen kader.

Kwartaal rapportage aanbieders HP

Rode draden analyse RET s

v erige data

nder wijsdata

REGI NAA (5 )

Regionale reflectie sessie 1x per halfjaar

REGI NAA (5 )

e re i ale a al se

Door regio s, regionaal niv eau

5.2

Advies aanbeveling aan BRD

Sturing BRD via: Aanpassing regionaalPvA pdracht aan aanbieders of regio( s)

Regionale reflectiesessies Bij de regionale kwantitatieve analyse wordt gebruik gemaakt van de data in bestaande (monitorings)rapportages18 en (kwartaal)gesprekken; per jeugdhulpregio wordt inzichtelijk gemaakt wanneer plaatsing met Machtiging Gesloten Jeugdhulp wordt ingezet. Hiervoor is gezamenlijke duiding nodig van de beschikbare data in rapportages naar regionaal niveau. De regio’s zijn verantwoordelijk voor het opleveren en uitvoeren van de kwantitatieve analyses. Duiding van de data gebeurt door betrokken partijen samen met de regio’s en onder aansturing van de regio’s. Belangrijke gesprekspartners voor de regio’s: aanbieders JZ+, Plaatsingscommissie, GI’s. Hierbij hanteren we de CBS-regels voor het gebruik van data. De kwantitatieve analyse is input voor de kwalitatieve analyse in de zogenoemde halfjaarlijkse reflectiesessies per regio. De kwalitatieve analyse brengt de ‘verhalen achter de cijfers’ in beeld op basis van trends, ontwikkelingen en casuïstiek (Worden jongeren passend geplaatst? Is ontbrekend aanbod? Wordt er gehandeld in lijn met de visie van het landsdeel? Loopt de ontwikkeling in de pas met de ambities en doelstellingen? Zo nee, wat is aanvullend nodig?). Hier vindt verbinding plaats van de kwantitatieve data met de praktijk van onder meer de regionale expertise tafels19 en het onderwijs. 18

Waaronder in elk geval kwartaalrapportage PC, kwartaalrapportages aanbieders. Onderwijsdata. Bij voorkeur via bestaande contractmanagementgesprekken 19 Of vergelijkbare regionale overleg tafels, de naam verschilt per regio

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

16

De Regionale Expertise Teams hebben nu al een belangrijke rol in het signaleren en duiden van trends, mede op basis van de casuïstiek die bij hen langskomt en kennis van aanbod ook in voortraject. Zij vormen een belangrijke bron voor de analyse. Het is daarbij belangrijk dat de RET’s informatie over de kwaliteit van zorg delen met contractmanagement, zodat (in aansluiting op onderzoeken vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd IGJ) vanuit de regio’s sturing op de kwaliteit van geleverde zorg kan plaatsvinden. Ook wordt hier de koppeling met de ontwikkelingen in het open aanbod (3milieu) gelegd. De regio’s zorgen aan de voorkant voor de relevante data. Duiding van de data gebeurt in reflectiesessies door betrokken partijen samen met de regio’s en onder aansturing van de regio’s. Dit bij elkaar is input voor de kwalitatieve analyse in de halfjaarlijkse reflectiesessies. Belangrijke gesprekspartners voor de regio’s: Regionale Expertise Teams (RET), de aanbieders JZ+, het onderwijs (betrokken samenwerkingsverbanden in de regio en schoolbestuur van de instellingsschool). De reflectiesessie richt zich nadrukkelijk niet alleen op de kwantitatieve aantallen JZ+, maar juist de combinatie hiervan met de kwalitatieve duiding vanuit de verschillende perspectieven. De aanpak van de regionale analyses reflectiesessie is door regio’s verder uit te werken.

5.3

Bovenregionale analyse De opbrengst van deze 5 regionale analyses vormt basis voor een bovenregionale analyse door BREN ZW. Het BREN brengt op basis van de regionale input hiaten in het (boven)regionale zorglandschap in beeld. Hierover vindt afstemming plaats met JZ+ aanbieders. Landelijke trends en analyses van IGJ20 worden hierbij betrokken. Voor de bovenregionale analyse en duiding worden bij deze stap ervaringsdeskundigheid en wetenschap aangesloten, om ook vanuit deze perspectieven duiding te geven aan de ontwikkelingen. De analyse maakt duidelijk voor welke zorgvraag het zorglandschap (nog) niet voldoende aansluit op de zorgbehoefte, welke hiaten ingevuld moeten worden en in welke mate de afzonderlijke regio’s hieraan bijdragen via afbouw/opbouw alternatief aanbod. Zo kunnen de regio’s– op basis van een compleet bovenregionaal beeld – gerichter sturen op de regionale opbouw van meer en passender alternatief aanbod. Door de inzet van BREN kan onafhankelijkheid en vergelijkbaarheid van regionale analyses worden geborgd. Deze werkwijze benadrukt het belang van bovenregionale coördinatie, maar het eigenaarschap en de verantwoordelijk voor de ontwikkeling van alternatief aanbod ten behoeve van afbouw blijft bij de jeugdhulpregio’s liggen. Om zo, vanuit wederzijdse inzet en vertrouwen, tot ontwikkeling van alternatieven te komen en afbouw van JZ+.

20

Inspectie Gezondheidszorg & Jeugd

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

17

5.4

Financiële implicaties Als de afbouw van capaciteit vertraging oploopt betekent dit dat locatie(s) mogelijk langer open moeten blijven. Dat brengt extra kosten met zich mee die gedragen moeten worden. Versnelling zou het omgekeerde kunnen betekenen. Om een kostenverdeling te kunnen maken moet in elk geval inzichtelijk worden in welke mate elke jeugdhulpregio bijdraagt aan de bovenregionale afbouw en of dit in de pas loopt met de ambitie. Om te toetsen of er voldoende voortgang is worden aan de monitor doelstellingen gekoppeld. Het verder uitwerken van de financiële implicaties van de monitoring en bijbehorende methodiek zijn van belang voor de verdeling van de SPUK-middelen bij het opbouwen van alternatieven en financiële gevolgen die voortkomen uit een eventuele vertraging van de afbouw van gesloten bedden. Afspraken over de financiële consequenties (positief/negatief) van monitoringsdoelstellingen vallen buiten de scope van het bovenregionaal plan. Deze dienen wel vast te liggen voordat de monitoring kan starten.

5.5

Leidende principes Bij deze aanpak hoort een aantal leidende principes: • Twee monitoringsmomenten per jaar, waarbij de eerste zich meer richt op analyse en in kaart brengen van hoe het gaat en de tweede op concrete acties die daaraan gekoppeld kunnen worden • Monitoring bestaat uit 2 onderdelen: 1. kwantitatieve en kwalitatieve analyse op regionaal en bovenregionaal niveau. 2. financiële consequenties bij niet behalen van de monitoringsdoelstellingen. • BREN ZW is trekker van de bovenregionale monitoring, de regio’s trekken de regionale reflectiesessies en leveren regionale analyse (kwantitatief en kwalitatief) aan bij BREN ZW. • De kwantitatieve data van de Plaatsingcoördinatie (PC) worden onverkort door alle regio’s als uitgangspunt genomen om kwantitatieve analyse op regionaal niveau te kunnen uitvoeren. • Zoveel mogelijk aansluiten bij eigen regionale monitoringproces, PC rapportages en andere bestaande rapportages (zoals vanuit aanbieders en de onderwijscoalitie) • Data van aanbieders centraal aanleveren aan accounthoudende gemeenten • Zowel verhalen als ‘harde data’ • Peildatum: 1 juli 2023, eindmoment 31 december 2030 (looptijd SPUK-regeling).

5.6

Monitoringselementen en doelstellingen Kwantitatieve monitoringselementen De belangrijkste kwantitatieve monitoringselementen zijn: • Aantal jongeren in zorg op peilmoment (max. 54 in 2028) (ic bezette bedden per regio) • Aantal geplaatste jongeren per periode • Aantal geplaatste jongeren buiten de regio (residentieel) • Aantal herplaatsingen inclusief uit alternatieven

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

18

• • • • • •

• • • •

Aantal jongeren in hybride groep vanwege ontbreken vervolgplek op gebied van a) wonen b) onderwijs c) zorg-expertise Afname in duur plaatsing Afname gebruik vrijheidsbeperkende maatregelen 21 Spoedplaatsingen Herkomst bij plaatsing (type zorg, aanbieder/instelling22) Terugplaatsing in onderwijs bij uitstroom (toename t.o.v. peildatum) o Is jongere teruggekeerd naar school van herkomst -indien aanwezig/passend (na plaatsing)? Aantal thuiszitters (tijdens residentiële plaatsing) Schoolinschrijving (vóór, tijdens en na plaatsing) Onderwijsniveau (vóór, tijdens en na plaatsing) Dagprogramma volgend (vóór, tijdens plaatsing)

Kwalitatieve monitoringselementen m een goede bovenregionale analyse mogelijk te maken geven de regionale analyses tenminste inzicht in (kwalitatieve elementen):

• • • • • • • • • •

•

•

Welke doelgroep wordt onvoldoende in de regio opgelost en komt toch in JZ+ terug? Bij buitenregionale plaatsingen: stromen deze jongeren uit of in de JZ+? Ambulante initiatieven binnen de regio die bijdragen aan afbouwdoelstelling Overige relevante ontwikkelingen en voortgang in open aanbod i.r.t. afbouwdoelstelling Welke problemen voor plaatsing en welk effect heeft dit? Wat zijn alternatieven die benut worden? Hoeveel zaken lopen in opschalen (hebben gelopen) die het RET niet kan oplossen, en hoe vaak betreft dit JZ+? Rode draden vanuit de RET Resultaten Monitor Normenkader per aanbieder JZ+ (veldnormen) Signalen / aandachtspunten vanuit contractgesprekken met aanbieders om plaatsing te voorkomen Signalen vanuit specialistische jeugd GGZ ten aanzien jongeren met complex gedrag, kenmerken van forensisch profiel en die op de grens zitten met open aanbod23 Welke rol speelt een verklarende analyse bij de toeleiding? Wordt hier al mee gewerkt door verwijzende partijen? Is er een perspectiefplan binnen 4-6 weken (onderdeel Normenkader)? Duur plaatsing indien behandeling langer nodig of geen vervolg/uitstroom?24

Doelstellingen De kwantitatieve monitoringselementen dienen uitgewerkt te worden naar concrete doelstellingen, waaronder het aantal plaatsingen vanuit de regio’s. Zo leidt een

21

PC werkt aan toevoegen statusverandering in de registraties (spoed, regulier, geschorst, voorwaardelijk) zodat ook het omklappen van voorwaardelijk naar regulier etc. inzichtelijk wordt Wordt nu nog niet geregistreerd; kan helpend zijn om op regionaal niveau in gesprek te kunnen met zorgaanbieder in voorveld. Niet voor in openbare data 23 Behoefteanalyse specialistisch alternatief gesloten jeugdhulp Januari 2023, AEF 24 Reden van langere duur registreren 22

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

19

afbouwdoelstelling van 125 naar 54 plaatsen voor het landsdeel naar een jaarlijkse afbouw van 16% per regio, bij gelijkblijvend aandeel per regio [zie tabel]. Regio’s, GI’s, PC en BREN hebben een eerste voorzet hiervoor gedaan op basis van onderstaande data: in zorg totaal (peildatum 17-2023)

ambitie 2028 afbouwdoelstelling (totaal)

49

21,2

27,8

-57%

8,0

-16%

Rijnmond

45

19,4

25,6

-57%

7,3

-16%

Holland rijnland

16

6,9

9,1

-57%

2,6

-16%

Zuid holland zuid

7

3,0

4,0

-57%

1,1

-16%

Midden holland

8

3,5

4,5

-57%

1,3

-16%

125

54,0

71,0

it ri

sele e te k a titatief

Afbouw matched care

le e t

V BM Duur

doelstelling doelstelling gemiddeld per gemiddeld per jaar jaar medio 2024 medio 2024 t/m 2027 (42 t/m 2027 maanden)

Haaglanden

totaal

Doorlopende leerlijn

afbouwdoelstelling (%)

aar

20,3

elstelli

e

i

el er

elstelli

ongeren in zorg

1

Plaatsingen buiten ZW

per regio, per (half)jaar

plaatsingen

per jaar, per regio

rstel

Max. 54 ZW (202 )

Herplaatsingen

per (half)jaar

Uitstroom niet mogelijk

per (half)jaar

Plaatsingsduur

per (half)jaar

Max. 10 weken ( )

Gebruik VBM

per (half)jaar

Geen VBM (..)

Schoolinschrijving aanwezig

100

nderwijs dagprogramma volgend (op niveau..)

100

Terugkeer naar school van herkomst (indien passend)

100

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

mits passend

20

5.7

Aandachtspunten vervolg De methodiek van regionale analyses dient door regio’s verder uitgewerkt te worden tot een halfjaarlijkse cyclus in afstemming met BREN en stakeholders inclusief afspraken over hoe om te gaan met financi le implicaties. Belangrijke aandachtspunten in uitwerking voorafgaand aan de 1 e monitoring zijn in elk geval: • afbakening van wat wel niet wordt verstaan onder ‘alternatief aanbod’ in het kader van dit bovenregionaal plan, de SPUK en monitoring • gezamenlijk uitwerking van monitoringselementen en bijbehorende doelstellingen, governance en evaluatie.

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

21

6

Capaciteitsverdeling per locatie Het landsdeel, Schakenbosch en iHub Onderwijs & Zorg zijn in het bovenregionaal plan25 overeengekomen dat gezamenlijk wordt toegewerkt naar locatie Schakenbosch als enige residentiële hoog specialistische voorziening voor jongeren uit Zuidwest met een (vorm van) Machtiging Gesloten Jeugdhulp in 2028. De aanbieders hebben de ambities van het landsdeel voor afbouw omarmd en hebben vanuit hun gezamenlijke verantwoordelijkheid invulling gegeven aan hoe die ambitie stapsgewijs naar 2028 wordt ingevuld. Dit betekent voor de (boven)regionale functie per locatie het volgende: •

•

•

Locatie Schakenbosch (Leidschendam) is vanaf 2028 de enige locatie met een bovenregionale functie voor Zuidwest met een capaciteit van maximaal 54 hybride bedden. Schakenbosch is de enige JZ+ aanbieder. De locaties Harreveld, Bergse Bos en Rijnhove hebben niet langer een bovenregionale functie voor gesloten aanbod voor Zuidwest: o Bergse Bos (Rotterdam) wordt een regionale voorziening voor hoog specialistische zorg voor jongeren -12 jaar. Rijnmond is de primaire afnemer. o Rijnhove (Alphen a/d Rijn) heeft geen bovenregionale functie voor Zuidwest. o Harreveld (Oost) heeft geen landelijke functie meer en geen functie voor Zuidwest; dit in lijn met bestuurlijke afspraken om als eerste de voormalige jeugdgevangenissen te sluiten. Op locaties Schakenbosch en Bergse Bos wordt het zorg- en onderwijsaanbod doorontwikkeld en verbreed zoals beschreven in de aangescherpte visie op Zorg & Onderwijs.

Per locatie is onderstaande capaciteitsverdeling in 2028 overeengekomen, en de daarbij behorende momenten van stoppen met verwijzen:

In de transitiefase tussen 2024 en 2028 zal de afbouw van drie locaties en de ombouw van de residentiële voorziening Schakenbosch gerealiseerd moeten worden in nauwe samenwerking en afstemming tussen beide aanbieders, onderwijs en de regio’s zodat de beschikbaarheid van zorg aan deze jongeren gegarandeerd blijft. De afbouw van capaciteit op Harreveld en andere locaties en de opbouw van capaciteit en expertise bij Schakenbosch moeten goed op elkaar aansluiten en in samenhang plaatsvinden.

25

2e actualisatie november 2023

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

22

Zodat tijdig passende zorg beschikbaar is in Zuidwest en niet langer dan nodig geplaatst wordt buiten het landsdeel. Het strategisch ontwikkelplan /vastgoedplan van beide aanbieders geeft uitwerking aan hoe de afbouw en ombouw van locaties gerealiseerd wordt, binnen het kader van het bovenregionale plan. Deze plannen dienen ter onderbouwing van een aanvraag voor huidige of nieuwe SPUK-regeling ingediend te worden bij de coördinerende gemeente Rotterdam. Landelijke schuifruimte Het vraagstuk rondom landelijke schuifruimte (capaciteit ten behoeve van plaatsingen buiten het eigen landsdeel) ligt bij de bestuurlijk aanjager26. In Zuidwest zijn gemiddeld ca. 6 jongeren buiten het landsdeel geplaatst waarvan wordt verwacht dat zij om zorginhoudelijke reden (Pluryn, LTA of niet-geslaagde behandeling), geografische reden (regio-/netwerkbinding), vanwege dader-slachtoffer situatie of als gevolg van een incident een plek buiten Zuidwest nodig hebben. In het najaar wordt hierover meer duidelijkheid verwacht. Het lijkt er nu op dat landsdelen zelf een oplossing dienen te vinden vanwege ontbreken van draagvlak hiervoor bij overige landsdelen.

26 Bestuurlijk aanjager voor de landelijke transformatie van de JeugdzorgPlus en residentiële jeugdhulp (L. Meijer).

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

23

7

Ontwikkelopdrachten Gemeenten willen gaan werken met ontwikkelopdrachten in samenwerking met de zorgaanbieders en andere betrokkenen. Een ontwikkelopdracht is een aanpak waarin met één of meerdere partijen gezamenlijk een specifieke dienst of product wordt ontwikkeld tot een oplossing voor een vraagstuk. De ontwikkelopdrachten moeten een bijdrage leveren aan het bereiken van de gezamenlijke doelstellingen zoals verwoord in deze actualisatie. ntwikkelopdracht aan Bovenregionaal netwerk Zuidwest (BREN): •

Zorg als onderdeel van monitoring dat hiate i z r la scha helder worden en een b e re i aal af este beel ontstaat i.s.m. RET’s, PC, regio’s, aanbieders, ervaringsdeskundigheid, wetenschap en onderwijs.

•

Zorg op basis van de kwantitatieve en kwalitatieve analyses van de regio’s voor een bovenregionale analyse van de af en ombouw H en de voortgang van de alternatieven.

•

rganiseer binnen het netwerk in Zuidwest de ke is t ikkeli uit isseli rondom alternatief aanbod (leren en ontwikkelen).

e

ntwikkelopdracht aan regio’s: •

Werk als onderdeel van monitoring het re i aal r ces a k a titatie e e k alitatie e a al se verder uit in afstemming met BREN en stakeholders. Inclusief werkafspraken, verwachte inzet en planning van halfjaarlijkse cyclus van dataverzameling analyse duiding conclusie rapportage.

•

Zorg dat de i richti a bestaa e re i ale it ri e ata er er i zodanig op orde is dat goed invulling gegeven kan worden aan monitoring. (Indien van toepassing)

•

Zorg voor afstemming met iHub Onderwijs en de onderwijscoalitie over gebruik van (in ontwikkeling zijnde) monitoringsinstrumenten.

ntwikkelopdracht aan Plaatsingcoördinatie (PC): •

Werk uit hoe de huidige registratie en rapportage verrijkt kan worden met de genoemde monitoringselementen en wat daarvoor nodig is.

ntwikkelopdracht aan inanci le werkgroep: •

Werk proces en afspraken uit ten aanzien van de fi a ciële i licaties voor regio’s als gevolg van versnelling vertraging in de afbouw en ombouw Z vóór start van de halfjaarlijkse monitoring.

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

24

Bijlagen b1 Integrale visie zorg en onderwijs (in beeld)

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

25

b2 Integrale visie zorg en onderwijs (in tekst)

Instroom hoog specialistische zorg en onderwijs Zorgvuldig en gezamenlijk traject Centraal in de instroom staat dat het een zorgvuldig en gezamenlijk traject moet zijn, waarbij in de breedte van zorg én onderwijs gekeken wordt wat er aan de hand is en wat er nodig is. Hierbij worden altijd de ouders, de jongere zelf en het onderwijs betrokken. Veel jongeren ervaren dat er telkens over hun beslissingen genomen worden, waar zij geen invloed op hebben. Zij raken hier hun eigen regie door kwijt en kunnen daar later last van ervaren. Wanneer er onderzocht wordt wat er aan de hand is, gaat het om een gezamenlijk proces waarin ouders, de jongere zelf, professionals (inclusief ervaringsdeskundigen) en gemeente samen oplopen. Er wordt advies ingewonnen van het regionale- of bovenregionale expertteam. Het is belangrijk dat bij deze multidisciplinaire expertteams ook vanuit onderwijs gekeken wordt naar de situatie. De verwijzers dienen in hun afweging expliciet het onderwijs mee te nemen. Indien het goed gaat op school en dit een positieve beschermende factor is in het leven van een jeugdige, is het behouden van de plek op de eigen school zwaarwegend. Het is nodig dat onderwijsexpertise wordt toegevoegd aan de regionale expertteams.

Dit is ook belangrijk omdat we vaak zien dat zodra een jongere niet meer naar school gaat of mag, de problematiek verder escaleert en in sommige gevallen leidt tot een uithuisplaatsing. Om dit proces vorm te geven denken we aan een verklarende analyse, maar ook een andere methode kan hiervoor passend zijn, zolang sprake is van een methodiek waarbij ouder/naaste en het kind betrokken zijn. Wetenschappelijk gezien wordt er gewezen op het belang van een verklarende analyse, waarbij o.a. de volgende vragen worden gesteld: • Wat is er met je gebeurd? • Wat zijn je weerbare en kwetsbare kanten? • Waar wil je naar toe? • En wat is daarvoor nodig? • Maar ook zingevingsvraagstukken zoals: wat is voor jou van waarde? Wat past bij jou? En wat geeft je energie? Daarnaast heeft de onderwijscoalitie gemerkt dat aan de ene kant zorgaanbieders vaak niet beschikken over de onderwijsgegevens van een kind of jongere die bij hen instroomt en dat aan de andere kant scholen vaak niet weten dat een leerling uit hun klas vertrokken is naar residentiële zorg. Bij langdurige thuiszitters is er meestal helemaal geen school meer in beeld. Hierdoor is er weinig contact tussen alle partijen, wat wel essentieel is voor de doorlopende leerlijn. Het is belangrijk dat de onderwijsgegevens27 al bij de instroom bekend worden en door de verwijzer volledig opgenomen worden in het aanmeldformulier.

In formele zin zijn het de ouders of voogd die deze gegevens moeten aanleveren bij de verwijzer of bij de school. Hoe dit proces goed in te richten is, zodat alle betrokken partijen op de hoogte zijn en over de informatie beschikken die nodig is om passende zorg en onderwijs te kunnen leveren, wordt nog uitgezocht door de onderwijscoalitie met alle betrokken partijen. Het gaat daarbij ook om de expliciete 27

School van herkomst (laatste school waar de leerling ingeschreven staat of stond), contactpersoon van de school van herkomst, betrokken samenwerkingsverband indien bekend inclusief contactgegevens, niveau en leerjaar van het laatst genoten onderwijs

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

26

vraag wie welke rol in het proces heeft. Vanuit de onderwijscoalitie wordt er een tijdelijke netwerkregisseur aangesteld die dit proces tussen zorg en onderwijs moet gaan stroomlijnen. Hierbij wordt ook gekeken hoe dit geborgd kan worden in structurele procesafspraken. De intentie is dat de doorgaande leerlijn gewaarborgd kan worden door vanaf de start van de plaatsing te werken aan het uitstroomperspectief op gebied van zorg én onderwijs. Crisis en urgentie Een groot deel van de jeugdigen komt in de gesloten jeugdhulp terecht omdat er sprake is van crisis. Het is lastig om dan voldoende tijd te nemen voor een gedegen verklarende analyse, als deze er nog niet is, en om het onderwijsperspectief mee te nemen. Deze gegevens zijn er niet direct, terwijl er wel met spoed verblijf nodig is. Omdat we weten hoe essentieel het is dat er een verklarende analyse voorafgaand aan plaatsing in de JeugdzorgPlus is gedaan en er goede afstemming heeft plaatsgevonden met het onderwijs, willen we niet meer dat crisis plaatsingen gebruikt worden om te plaatsen in de JeugdzorgPlus. Op dit moment is een hoog percentage van de plaatsingen urgent dus dit roept de vraag op wat er in het geval van hoge urgentie wel moet gebeuren.

Het is van belang dat crisisplaatsingen voorkomen en teruggedrongen worden en dat er regionale alternatieven ontwikkeld worden om het urgente verblijfprobleem in geval van crisis tijdelijk op te lossen. We denken hierbij aan een time-out voorziening, extra crisisbedden met observatie, een spoedteam JZ+ of andere innovatieve ideeën. Zodra de jeugdige hierin geholpen is, is het belangrijk om niet alleen vanuit de zorg, maar ook vanuit het onderwijs naar alternatieven te kijken. Als er bijvoorbeeld een ambulant crisisteam JZ+ is en de leerling kan tijdelijk niet naar school in verband met veiligheidsrisico’s, dan kan er gedacht worden aan een combinatie traject van een crisisplaatsing bij een onderwijsvoorziening zoals School2Care. Zo houdt een jongere, indien dit gaat, ook in crisis onderwijsperspectief, terwijl in de tussentijd een goede verklarende analyse gemaakt kan worden. Toeleiding hybride groep Jeugdigen uit Zuidwest met een Machtiging Gesloten Jeugdhulp (MGJ), voorwaardelijke MGJ of geschorste MGJ, die zijn aangewezen op hoog specialistische jeugdzorg, worden voortaan geplaatst op zogenaamde hybride groepen. In deze groepen mogen onder voorwaarden vrijheidsbeperkende maatregelen ingezet worden, maar altijd zo min mogelijk en volgens het principe ‘nee tenzij’.

Zodra een jongere geen vrijheidsbeperkende maatregelen meer nodig heeft en de MGJ is komen te vervallen, kan de jongere op dezelfde groep de behandeling voortzetten met een geschorste machtiging. Dit is belangrijk, omdat de jongere vaak wel nog een hoog specialistische behandelbehoefte heeft. In het huidige systeem met gesloten groepen moeten deze jongeren uitgeplaatst worden naar een open setting. Dit heeft tot risico dat zij weer terugvallen in oude patronen en opnieuw in geslotenheid geplaatst worden. Om dit te voorkomen, werken wij in het landsdeel met flexibele (geslotenheid als onderdeel integraal traject) en hybride groepen. Daarnaast is er volgens onderzoek van AEF een groep kinderen en jongeren die wel passende hulp kunnen krijgen in de open jeugdhulp, maar voor wie tijdens een korte periode toch een beperkte vorm van vrijheidsbeperkende maatregelen wenselijk is om

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

27

passende hulp of veiligheid te kunnen (blijven) bieden. Bijvoorbeeld bij slachtoffers van mensenhandel of eerwraak of jongeren die uit een Justitiële Jeugdinrichting (JJI) komen. Het tijdelijk inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen (nog steeds volgens het principe ‘nee, tenzij’) kan dan juist bijdragen aan hun (gevoel van) veiligheid. Het maakt bovendien de overgang van een gesloten naar een open setting voor hen kleiner. Voor deze jongeren kan een plaatsing in een hybride groep ook passend zijn om zo onnodige en soms zelfs schadelijke overplaatsingen te voorkomen. Hybride groep In landsdeel Zuidwest is de hybride groep als volgt gedefinieerd28: Een hybride groep is een groep waarin jeugdigen geplaatst kunnen worden met een Machtiging Gesloten Jeugdhulp (MGJ), een voorwaardelijke Machtiging Gesloten Jeugdhulp of een geschorste Machtiging Gesloten Jeugdhulp. Jeugdigen met een beschikking van de schorsing van de voorlopige hechtenis, met daarin als voorwaarde opgenomen het volgen van behandeling op een hybride groep op de locatie van de JZ+, worden ook passend binnen deze voorwaarden gezien. Deze groep wordt gekenmerkt door een open leefklimaat. Een hybride groep kan alleen worden vormgegeven op locaties waar een MGJ uitgevoerd mag worden.

Vrijheidsbeperkende maatregelen worden alléén toegepast bij jongeren met een MGJ en worden op maat en zo min mogelijk toegepast, volgens de veldnormen Terugdringen Vrijheidsbeperkende Maatregelen. Zodra een jongere geen vrijheidsbeperkende maatregelen meer nodig heeft en de MGJ is komen te vervallen, kan de jongere op dezelfde groep de behandeling voortzetten met een geschorste machtiging. Aanbieders die hybride groepen hebben ingericht zijn verplicht zich maximaal in te spannen jongeren met een MGJ al dan niet voorwaardelijk te plaatsen als uit de triage blijkt dat dit de geëigende zorgvorm is voor de betreffende jongere. Rechtsbescherming Het lansdeel zet de rechtsbescherming van de jeugdige die geplaatst wordt op een hybride groep centraal, dit wordt gewaarborgd door de afspraak dat alleen met (een vorm van) machtiging kan worden geplaatst. In uitzonderlijke gevallen kan een jongere met een schorsing van een voorlopige hechtenis geplaatst worden op een hybride groep als dit in het vonnis is opgenomen. Het landsdeel heeft dus gekozen voor een smallere definitie - dan door IGJ gehanteerd voor hybride voorziening - door het niet toestaan van open instroom vanwege de rechtsbescherming van jeugdige. Resultaat ontwikkelopdracht en vervolg In de actualisatie van het bovenregionale plan van 21 november 2023 is als ontwikkelopdracht opgenomen om weging en triage te herzien.

Samen met de zorgaanbieders, de Plaatsingscommissie en GI’s hebben de regio's een procesbeschrijving en juridisch kader opgesteld voor de toeleiding naar hybride groepen. Zodat het plaatsen van jeugdigen in hybride groepen in de hoog specialistische jeugdzorg mogelijk wordt en volgens duidelijke en heldere afspraken verloopt. 28

Zie bijlage 1, DOS landsdeel Zuidwest. Vastgesteld in bovenregionale Stuurgroep 17 mei 2024

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

28

Hiertoe is een nieuw concept-hoofdstuk29 toegevoegd aan het plaatsingsprotocol van de regio Zuidwest. Dit hoofdstuk is een verdere uitwerking en formalisering van de werkwijze voor de triage en weging van aanmeldingen voor en plaatsingen in hybride groepen in het landsdeel Zuidwest30. m alle ketenpartners, waaronder GI’s, de Raad, de Rechtbank en de Veiligheidsregio’s, te informeren over de nieuwe werkwijze wordt binnenkort een communicatieplan opgesteld (werkgroep). Voor het monitoren van plaatsingen op hybride groepen wordt aangesloten op al lopende monitoring die wordt aangevuld met extra data (dit beperkt zich tot de hoogstnoodzakelijke data). Zodanig dat de administratieve last voor de aanbieders en Plaatsingscommissie niet wordt vergroot. De Plaatsingscommissie neemt de kwantitatieve monitoring voor haar rekening (Kwartaalrapportages), beide zorgaanbieders de interne kwalitatieve (Key Performance Indicator) monitoring.

29 Concept hoofdstuk plaatsingsprotocol hybride groepen d.d. juni 2024

30 Door werkgroep bestaande uit: Coördinatoren gesloten jeugdhulp van JBRR, JBW, WSG, LdH en Nidos, plaatsingsfunctionarissen iHub en Schakenbosch en plaatsingscoördinatoren ZW (ook voorzitter)].

Actualisatie bovenregionaal plan september 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14978376/1