CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Algemene en Finciële beleidskaders 2023 VRR

Overige evenementen 17 mei 2022, gemeente SchiedamBij agendapunt: Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR)7.037 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Algemene en Financiële beleidskaders 2023

Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

1

Inhoud Uitgangspunten opstellen begroting 2023 ............................................................................................. 3 1. Inleiding............................................................................................................................................... 3 2. Opzet van de programmabegroting................................................................................................ 4 3. Baten ................................................................................................................................................... 5 3.1 Gemeentelijke bijdragen ............................................................................................................ 5 3.2 Bijzondere Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) ........................................................... 8 3.3 Overige opbrengsten .................................................................................................................. 8 4. Lasten ................................................................................................................................................. 9 4.1 Personeel .....................................................................................................................................

9 4.3 Indexering van de lasten .......................................................................................................... 11 4.4 Investeringen en kapitaallasten .............................................................................................. 11 4.5 Ontwikkeling Begroting ............................................................................................................ 11 5. Eigen vermogen .............................................................................................................................. 12 5.1 Weerstandsvermogen .............................................................................................................. 12 5.2 Liquiditeitspositie ....................................................................................................................... 12 5.3 Reserves en voorzieningen ..................................................................................................... 12 6. Beleidsontwikkelingen .................................................................................................................... 13 6.1 Algemeen ...................................................................................................................................

13 6.2 Overige ontwikkelingen ............................................................................................................ 16 Bijlage 1: Uitwerking basis primaire gemeentelijke bijdrage 2023 ............................................... 18 Bijlage 2: Overzicht van plustaken 2023 .......................................................................................... 19

2

Uitgangspunten opstellen begroting 2023 Voor u ligt de kadernota 2023. Hierin zijn de financiële en beleidsmatige kaders voor de programmabegroting van 2023 opgenomen. De kadernota vormt het startpunt van het proces van begroting en verantwoording.

Kadernota

Programmabegroting

Begrotingswijzigingen

Jaarrekening

De kaders uit de kadernota zijn het uitgangspunt bij het opstellen van de programmabegroting 2023. Voordat het bestuur de programmabegroting 2023 definitief vaststelt, wordt deze aan de gemeenten aangeboden, zodat zij hun zienswijze kenbaar kunnen maken.

1. Inleiding Op 1 januari 2023 zal het nieuwe meerjarenbeleidsplan 2023 van start gaan. Dit beleidsplan zal grotendeels in het teken staan van de uitkomsten van de VRR Ontwikkelagenda. De aanleiding voor de VRR Ontwikkelagenda ligt in het feit dat het takenpakket van de VRR in het afgelopen decennium aanzienlijk is verbreed. De uitbreiding van taken is o.a. het gevolg van diverse nieuwe ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de dienstverlening van de VRR. Denk hierbij aan verstedelijking (inclusief hoogbouw), de klimaat- en energietransitie, de komst van de omgevingswet, digitalisering, informatisering en robotisering, extreem weer, Covid-19 etc. De uitkomsten van de ontwikkelagenda zijn inmiddels ter besluitvorming aan het bestuur voorgelegd en akkoord bevonden in de vergadering van het algemeen bestuur van 8 december 2021. De consequenties zijn in deze kadernota verwerkt. Als gevolg van dit traject zal de kadernota in tegenstelling tot voorgaande jaren de zienswijze procedure doorlopen. Nadat de kadernota de zienswijze heeft doorlopen wordt de programmabegroting opgesteld.

3

2. Opzet van de programmabegroting De opzet van de begroting 2023 voldoet aan het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en, voor zover van toepassing, de Wet- en regelgeving Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met de verbijzonderingen daarop zoals neergelegd in de Financiële Verordening van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Autorisatie van de begroting vindt volgens het BBV formeel plaats op programmaniveau. Wijzigingen als gevolg van het jaarverslag (en de jaarrekening) 2021 en wijzigingen in de begroting voor het jaar 2022 worden in de begroting 2023 verwerkt, waarbij tevens de uitkomsten van de toetsing van de omvang en noodzaak van de reserves en voorzieningen zijn verwerkt. De begroting 2023 bestaat uit vier programma’s: • programma Ambulancezorg • programma Brandweerzorg • programma Risico & Crisisbeheersing (R&C). In dit programma is ook de GHOR opgenomen. • programma Overhead

4

3. Baten

3.1 Gemeentelijke bijdragen Indexering bijdragen Voor de indexering van de gemeentelijke bijdragen wordt uitgegaan van het indexeringspercentage dat jaarlijks wordt bepaald door de Werkgroep verbetering financiële sturing gemeenschappelijke regelingen en is vastgesteld door de colleges van B&W van alle deelnemende gemeenten. Vooralsnog wordt in deze kadernota uitgegaan van de nog niet vastgestelde conceptbrief voor 2023. De werkgroep gaat bij de bepaling van het indexeringspercentage voor gemeenschappelijke regelingen vanaf 2022 uit van een gewogen indexpercentage. De looncomponent maakt daarvan 80% uit, op basis van het indexcijfer ‘prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers’. De overige 20% wordt bepaald door de ‘nationale consumentenprijsindex’. Beide indexcijfers zijn te vinden in de verzamelde bijlagen van de Macro Economische Verkenning 2022. Voor 2023 komen beide uit op 1,9%.

Jaren

2020

2021

2022

2023

Prijsindex CPB

2,30

2,30

2,90

1,90

Voorgaande jaren

1,70

1,50

1,40

Verrekening

0,60

0,80

1,50

1,90

Correctie 2022

1,50

Correctie 2021

0,80

Correctie 2020

0,60

Accres 2023

4,80

Getoonde cijfers in bovenstaande tabel zijn percentages. Inwonerbijdragen 2023 Nieuwe kostenverdeelsleutel Voor het begrotingsjaar 2023 zal voor de gemeentelijke bijdrage een nieuwe kostenverdeelsystematiek gebruikt gaan worden voor het bepalen van de gemeentelijke bijdrage (op basis van het voorstel van het AB van 8 december 2021 met betrekking tot kostenverdeelsleutel en gemeenschappelijke regeling). Het aantal inwoners per gemeente is niet langer de basis voor het bepalen van de primaire bijdrage. Vanaf 2023 is dat het evenredig aandeel van de gemeente in het Gemeentefonds voor het cluster Brandweer en Veiligheid zoals opgenomen in de September circulaire (uitgavejaar 2022). Tevens zijn de kosten voor bluswatervoorzieningen uit de primaire bijdrage gehaald en worden deze vanaf 2023 separaat doorbelast, net als de Plustaken (voorheen DVO+). Voor Schiedam en Rotterdam worden de wijkbrandweermannen als Plustaak gezien vanaf 2023. Daarentegen wordt de Chemisch adviestaak en FLO met ingang van 2023 onderdeel van de primaire bijdrage. Deze methodiek leidt tot een andere opbouw van de primaire bijdrage per gemeente. Om sommige gemeenten niet direct met een grote kostenverhoging te confronteren is ervoor gekozen om deze geleidelijk te verhogen met een ingroeisleutel van 25% per jaar over de periode van 4 jaar (t/m 2026).

Uitzondering hierop is de gemeente Goeree-Overflakkee, waarvoor een ingroeisleutel van 6 jaar geldt. Ontwikkelagenda Als gevolg van de uitvoering van de ontwikkelagenda (op basis van het besluit van het AB van 8 december 2021) stijgt de bijdrage in totaal met € 9.450k. Conform het AB-besluit zal de totale bijdrage in het kader van de ontwikkelagenda tot en met 2026 stapsgewijs toenemen. In 2023 is de tranche opgenomen van € 3.858k. Deze is onderdeel van de primaire bijdrage. Deze toename ziet er als volgt uit:

Toename per jaar (bedragen x € 1.000,-) 2023 3.858

2024 2.576

2025 1.887

2026 1.129

5

In de volgende tabel is de primaire bijdrage bepaald op basis van de nieuwe kostenverdeelsleutel. Voor 2023 is een indexering toegepast conform de conceptbrief die hierboven is genoemd. Voor 2024 en verder is nog geen indexering toegepast.

Nieuwe systematiek

Gemeente

Albrandswaard Barendrecht Brielle Capelle aan den IJssel Goeree-Overflakkee Hellevoetsluis Krimpen aan den IJssel Lansingerland Maassluis Nissewaard Ridderkerk Rotterdam (excl. GB) Schiedam Vlaardingen Voorne aan Zee Totaal

Totale primaire bijdrage 2023** 1.323.407 2.601.209 4.158.798 4.175.170 1.635.708 3.271.275 1.919.405 5.323.422 2.775.332 54.772.998 5.834.093 5.153.076 4.406.017 97.349.908

Accres

Mutatie ingroei verdeelsleutel 2023

Totale primaire bijdragen 2023

61.006 119.910 191.711 192.466 75.402 150.798 88.480 245.398 127.937 2.524.912 268.939 237.545 203.107 4.487.612

-26.829 -59.755 135.639 -1.057.244 -101.991 518.190 -100.365 136.981 -273.167 -22.297 256.211 495.795 -6.890 -105.724

1.357.583 2.661.364 4.486.148 3.310.391 1.609.119 3.940.264 1.907.520 5.705.801 2.630.101 57.275.612 6.359.242 5.886.416 4.602.234 101.731.796

Totale primaire bijdragen 2024

Totale primaire bijdragen 2025

Totale primaire bijdragen 2026

1.401.545 2.750.114

1.436.141 2.820.453

1.460.432 2.870.539

4.550.982 3.632.320

4.586.382 3.924.699

4.589.400 4.184.569

1.686.399 3.854.096 1.991.765 5.801.005 2.794.596 58.732.406 6.428.215 5.857.508 4.721.120 104.202.071

1.752.102 3.744.775 2.062.425 5.858.532 2.939.448 59.801.541 6.455.898 5.792.129 4.808.821 105.983.347

1.805.069 3.609.983 2.118.140 5.874.609 3.062.690 60.444.195 6.438.155 5.686.626 4.862.216 107.006.622

Voor een toelichting op de totstandkoming van de kolom: “totale primaire bijdrage 2023” wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze kadernota op blz 18. Het toegepaste accres is o.b.v. 4,8% (zie “indexering bijdragen” op blz 5) over de primaire bijdrage 2023 exclusief de ontwikkelagenda. Op de bijdragen van de ontwikkelagenda is dus geen accres toegepast. In de bovenstaande tabel is er vanuit gegaan dat de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne per 1 januari 2023 gefuseerd zijn in de gemeente Voorne aan Zee.

6

Meerjarenraming Plustaken Naast de basisbijdrage voor de basiszorg zijn met enkele gemeenten separate afspraken gemaakt. Dit worden de zgn. Plustaken genoemd. Onder deze taken vallen in de huidige systematiek onder andere de individuele bijdragen ten aanzien van de lasten voortvloeiend uit het FLO-overgangsrecht. Als gevolg van de nieuwe kostenverdeelsleutel is de FLO bijdrage vanaf 2023 een onderdeel van de primaire bijdrage en is de bluswatervoorziening als aparte bijdrage opgenomen. Onderstaande tabel geeft de verwachte ontwikkeling van de plustaken en bluswater-bijdragen over de jaren 2023-2026:

Gemeente Albrandswaard Barendrecht Capelle aan den IJssel Goeree-Overflakkee Krimpen aan den IJssel Lansingerland Maassluis Nissewaard Ridderkerk Rotterdam (excl. GB) Schiedam Vlaardingen Voorne aan Zee Totaal

Plustaken Plustaken Bluswater Plustaken Bluswater Plustaken Bluswater Plustaken Bluswater 2022 2023 2023 2024 2024 2025 2025 2026 2026 36.428 70.000 38.620

73.360

1.175.319 70.000

1.231.734 73.360

24.826 1.378.765

26.018 1.404.472

85.185 65.889 30.617

86.715 56.592 810.902

31.214 1.203.543

36.428 73.360

1.231.734 73.360 26.018 1.404.472

85.185 65.889 30.617

86.715 56.592 810.902

31.214 1.203.543

36.428 73.360

1.231.734 73.360 26.018 1.404.472

85.185 65.889 30.617

86.715 56.592 810.902

31.214 1.203.543

36.428 73.360

1.231.734 73.360 26.018 1.404.472

85.185 65.889 30.617

86.715 56.592 810.902

31.214 1.203.543

De gemeenten die bijdragen voor bluswatervoorzieningen zijn de gemeenten voor wie de bluswatervoorzieningen van oudsher bij de VRR zijn georganiseerd. De gemeenten die geen bijdrage aan de VRR leveren voor bluswatervoorzieningen hebben deze taak in eigen beheer.

7

3.2 Bijzondere Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) De Bijzondere Doeluitkering Rampenbestrijding, waarmee gerekend wordt voor de begroting 2023 en de meerjarenraming, is overgenomen uit de brief van 7 juni 2021 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. In de brief is de prognose gegeven voor de jaren 2022-2025. Voor het jaar 2026 nemen wij de cijfers voor 2025 als uitgangspunt.

Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDUR) (x € 1.000,-) 2021

2022

2023

2024

2025

2026

12.478

12.490

12.492

12.492

12.492

12.492

( Incl. bijzondere bijdrage CBRN risico's)

3.3 Overige opbrengsten Zorgverzekeraars Op 1 januari 2021 zijn de activiteiten van de Coöperatie AZRR volledig overgaan naar de VRR. De VRR maakt jaarlijks afspraken met de zorgverzekeraars over het aantal te leveren diensten en het daarbij behorende budget. De onderhandelingen over het budget 2023 zullen naar verwachting in oktober 2022 plaats vinden. Bij het opstellen van de begroting 2023 zijn de financiële uitgangspunten 2021 opgenomen worden. Na het vaststellen van het wettelijk budget met de zorgverzekeraars zal het definitieve budget via de begroting(swijziging) worden aangepast.

8

4. Lasten 4.1 Personeel Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren Met de komst Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) zijn de arbeidsvoorwaarden van de gemeentelijke sector geregeld in de cao-gemeenten/cao samenwerkende gemeentelijke organisaties van de VRR. Voor de veiligheidsregio’s is tijdelijk een uitzondering gemaakt en is de huidige publiekrechtelijke regeling van arbeidsvoorwaarden (CAR-UWO) nog steeds van kracht. In de aanpassingswet Wnra is een bepaling opgenomen dat het personeel van de veiligheidsregio’s met uitzondering van het personeel van de ambulancezorg op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip zal plaatsvinden. Voor de veiligheidsregio’s is nu een werkgeversvereniging opgericht (Werkgevers Vereniging Samenwerkende Veiligheidsregio’s) die zich gaat richten op de collectieve arbeidsvoorwaardenvorming. Zij zullen zich eerst bezig houden met het moment van inwerkingtreding van de Wnra. Hierbij is de discussie over het onderscheid tussen vrijwilligers en beroeps bij de brandweer belangrijk. Met het verschijnen van het rapport “de juridische kaders voor maximaal behoud van brandweervrijwilligheid in Nederland” lijkt deze duidelijkheid (voorlopig) gegeven. Dat betekent dat de vraag naar voren komt over de inwerkingtreding van de Wnra.

De werkgeversvereniging gaat hierbij 3 scenario’s uitwerken: 1) Vrijwilligers blijven buiten de Wnra en voor al het overige personeel treedt de Wnra in werking; 2) Het volledige personeel van de veiligheidsregio blijft buiten de Wnra; 3) Voor het volledige personeel van de veiligheidsregio’s (dus ook de brandweervrijwilligers) treedt de Wnra in werking. De keuze zal halverwege 2022 ter besluitvorming worden voorgelegd. De uiteindelijke keuze wordt door de minister/kabinet gemaakt. Taakdifferentiatie De positie van de brandweervrijwilligers op grond van de deeltijdrichtlijn is juridisch niet meer houdbaar. Het onderscheid tussen vrijwilligers en beroeps moet aangescherpt worden. Landelijk is onderzocht of een fundamenteel onderscheid in taken tussen een vrijwilliger en een beroepsmedewerker (taakdifferentiatie) hiervoor een oplossing biedt. De minister heeft hierop een finale juridische toets laten doen waaruit blijkt dat voor het behoud van vrijwilligheid bij de brandweer taakdifferentiatie niet vereist wordt door Europees recht onder voorwaarden dat de rechtspositie van brandweervrijwilligers expliciet gebaseerd wordt op het concept van vrijwilligheid. Dit betekent dat het contrast tussen vrijwillige brandweer en beroeps verscherpt moet worden en dat niet meer gewerkt kan worden met geconsigneerde en gekazerneerde vrijwilligheid.

Landelijk wordt in kaart gebracht wat de consequenties hiervan zijn, waarbij het uitgangspunt is om vanuit een landelijke aanpak te komen tot een vergoeding vanuit het Rijk voor deze consequenties. 2e loopbaanbeleid veiligheidsregio’s Het 2e loopbaanbeleid is tot stand gekomen doordat de pensioengerechtigde leeftijd verschoven is naar een hogere leeftijd. Dit betekent dat medewerkers die op of na 1 januari 2006 in dienst zijn getreden in een repressieve Brandweerfunctie deze (bezwarende) functie in principe maximaal 20 jaar mogen uitoefenen. De gedachte achter het 2e loopbaanbeleid is dat medewerker gedurende zijn loopbaan zich voorbereidt op uitstroom. Het uiteindelijk doel is een functie binnen dan wel buiten de eigen organisatie te vinden. Om dit te kunnen realiseren wordt de medewerker gefaciliteerd in opleiding, stage en andere vormen van scholing gericht op het vergroten van zijn/haar arbeidsmarktwaarde. Daarnaast is facilitering en ondersteuning mogelijk door een interne loopbaanadviseur/coach die de medewerker kan begeleiden op de arbeidsmarkt. De kosten die hiermee gemoeid zijn zitten niet zozeer in de directe kosten (school-, collegegeld en begeleiding), maar veeleer in verleturen van medewerkers en vervanging van deze medewerkers tijdens de opleidingen. In de praktijk blijk dat veel brandweermensen willen en kunnen langer doorwerken dan 20 jaar.

Landelijk wordt gewerkt aan een herijking van het 2e loopbaanbeleid. De universiteit van Maastricht doet onderzoek om inzicht te krijgen in de elementen van het zware werk in de huidige situatie, de samenhang tussen (combinaties van) deze elementen en parameters van duurzame inzetbaarheid.

9

Daarnaast is in april 2017 het plan brandweerzorg vastgesteld door het Algemeen Bestuur. Dit plan schetst in grote lijnen de koers tot het jaar 2025. Het gaat hierbij om de zoektocht naar een optimale mix van preventieve maatregelen en flexibele en dynamische brandweerzorg waarmee de Brandweer de continuïteit van de veiligheid kan blijven waarborgen. De personele consequenties van deze ontwikkeling worden de komende jaren duidelijk en kunnen ook invloed hebben op het tweede loopbaanbeleid. Ter dekking van de kosten van de uitvoering van het 2e loopbaanbeleid voor een periode van 10 jaar, is in 2013 een bestemmingsreserve ingericht. Conform BBV-regelgeving (omtrent structurele en incidentele aard) wordt deze reserve vanaf 2022 omgezet naar een voorziening. Op basis van de huidige prognose bevat deze voorziening voldoende middelen om de kosten tot en met 2027 op te vangen. Vanaf 2028 is er sprake van een daling van de FLO lasten. Door de daling van de FLO lasten kan de stijging van de lasten 2e loopbaan worden opgevangen. De lasten in het kader van het 2e loopbaanbeleid worden in de begroting en de meerjarenraming meegenomen en zijn als volgt begroot:

Lasten 2e loopbaanbeleid (x € 1.000,-) Omschrijving Opleidingen en begeleiding Verleturen personeel in opleiding Garantietoelage Totale lasten Dotatie aan de voorziening Toevoeging / Onttrekking aan de voorziening Beginstand voorziening Eindstand voorziening

2022 30 53 83 2.754 2.671 2.671

2023 74 273 347 225 -122 2.671 2.549

2024 110 406 516 225 -291 2.549 2.258

2025 143 608 752 225 -527 2.258 1.731

2026 149 617 53 819 225 -594 1.731 1.137

De onderstaande grafiek laat het meerjarig verloop van de kosten 2e loopbaan zien ten opzichte van de daling van de FLO kosten.

10

4.3 Indexering van de lasten Eventuele reeds overeengekomen CAO-wijzigingen en wijzigingen in de sociale lasten en pensioenpremies worden in de personele lasten verwerkt. Eind 2021 zijn bonden en werkgevers een principeakkoord voor een nieuwe CAO voor gemeentemedewerkers overeengekomen met een looptijd tot 31 december 2022. Begin 2022 zal deze naar verwachting goedgekeurd worden. In deze CAO zijn o.a. afspraken gemaakt over structurele loonstijgingen (1,5% per 1 december 2021 en 2,4% per 1 april 2022), vergoeding thuiswerken en verlof. Deze afspraken werken ook door naar 2023. Daarnaast worden de overige lasten verhoogd met het laatst bekende inflatiecijfer van het Centraal Bureau voor de statistiek (CBS).

4.4 Investeringen en kapitaallasten Bij het opstellen van de begroting 2023 en de meerjarenplanning wordt uitgegaan van de investeringsplanning 2023-2026.

Investeringen & Kapitaallasten (* € 1.000) Omschrijving

2022

2023

2024

2025

2026

Investeringen Kapitaallasten

21.071 9.993

17.016 10.772

4.325 11.114

8.574 11.005

4.315 10.909

De kapitaallasten worden in de begroting en meerjarenraming verwerkt op basis van de laatst bekende informatie. Voor de berekening van de rente op kapitaallasten is gerekend met de reële rente op de leningen. Als gevolg van het grote investeringsvolume in 2022 en 2023 wijzigen de kapitaalslasten ten opzichte van 2022.

4.5 Ontwikkeling Begroting In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de raming op hoofdlijnen 2023-2026 ten opzichte van de ontwikkelingen uit deze kadernota. Ontwikkeling Begroting 2023 en raming 2024-2026 (x € 1.000) B2023 obv PROGRAMMA'S Mutaties B2023 B2024 meerjaren 2e BW 2021 Ambulancezorg 55.145 -555 54.590 54.590 Brandweerzorg 82.378 6.477 88.855 91.952 Risico- en Crisisbeheersing 7.656 1.143 8.799 8.210 Overhead 26.801 990 27.791 27.747 Totaal lasten 171.980 8.055 180.035 182.498 Totaal baten 171.881 8.403 180.284 182.755 Saldo (vóór bestemming) -99 348 249 257 Toevoeging bestemmingsreserves 225 -225 Onttrekking bestemmingsreserves 595 -348 247 25 Saldo (ná bestemming) 271 225 496 282

B2025

B2026

54.590 94.215 8.347 27.747 184.899 184.537 -362

54.590 94.424 8.485 27.747 185.246 185.560 314

212 -150

314

In de raming 2023 is vooralsnog uitgegaan van een loonkostenstijging van 1,9% conform de conceptbrief van de gemeentesecretarissen. Tevens zijn de gevolgen van het principeakkoord voor de nieuwe CAO ingaande per 1-12-2021 meegenomen in deze raming. Voor overige kosten is een indexering van 1,9% toegepast ten opzichte van 2022. Voor de jaren na 2023 is geen indexering opgenomen. Voor het programma Ambulancezorg is uitgegaan van het meeste actuele begrotingsvoorstel aan de zorgverzekeraars. In de programmabegroting wordt rekening gehouden met de financiële consequenties van de invoering van de plannen uit de Ontwikkelagenda zoals die zijn goedgekeurd in de vergadering van het Algemeen Bestuur van 8 december. Dit betreft een bedrag van € 3.858k voor 2023.

11

De belangrijkste ontwikkeling van de lasten in de jaren 2024 t/m 2026 is de invoering van de ontwikkelagenda. In 2025 is er sprake van een incidentele stijging in de FLO-lasten.

5. Eigen vermogen

5.1 Weerstandsvermogen Jaarlijks worden de geraamde risico’s (met een financiële consequentie) geactualiseerd. In de begroting 2023 worden deze risico’s wederom herijkt. Dit betekent dat, bij de berekening van het weerstandsvermogen, ook in de begroting 2023 met een zo actueel mogelijke raming van de financiële implicatie kan worden gewerkt. Bij het opstellen van de Begroting 2023 zal goed gekeken worden welke risico’s opgenomen worden in de risicoparagraaf en wat de mogelijke beheersmaatregelen voor deze risico’s zijn. Voor het vaststellen van de weerstandscapaciteit is met het bestuur de norm voor de weerstandsratio vastgesteld op minimaal 1 (voldoende). Dat betekent dat de VRR in staat is om tenminste de geraamde risico’s op te vangen. Door positieve resultaten zal het weerstandsvermogen vanaf 2023 weer worden opgebouwd.

5.2 Liquiditeitspositie Met de liquiditeitsplanning is de organisatie in staat om voor de komende jaren de vermogensbehoefte op de kapitaalmarkt in te schatten. De investeringen hebben daarbij een grote impact. Op basis van de actuele investeringsprognose zal worden bekeken in hoeverre voor het jaar 2023 extra vreemd vermogen nodig is.

5.3 Reserves en voorzieningen Evenals bij de begroting 2022 vormt de ‘Nota reserves en voorzieningen’ de leidraad bij de waardering van de voorzieningen en (bestemmings-)reserves voor de begroting 2023. De Nota is geactualiseerd en moet nog door de besluitvormingsroute. In de geactualiseerde nota reserves en voorzieningen is een minimale weerstandscapaciteit opgenomen1. Op basis van de BBV-regelgeving zijn enkele reserves vanaf 2022 omgezet naar een voorziening. Het betreft de reserves voor Groot Onderhoud Gebouwen en 2de LBB. Beiden hebben betrekking op taken van structurele aard. Een bestemmingsreserve is bedoeld ter dekking van taken van incidentele aard.

1

Artikel 3.2.2 lid 3 van de nota luidt : De algemene reserve zal op het niveau worden gehouden waardoor een minimale weerstands- capaciteitswaardering wordt bereikt tussen de 1,0-1,4 (=voldoende).

12

6. Beleidsontwikkelingen 6.1 Algemeen Op 8 december 2021 heeft het Algemeen Bestuur besloten aan welke ontwikkelpunten van de VRR ontwikkelagenda de komende jaren uitvoering gegeven gaat worden. Deze ontwikkelpunten zijn verwerkt in deze kadernota en worden opgenomen in het VRR meerjarenbeleidsplan 2023 – 2027. In afwijking van de normale procedure heeft het Algemeen Bestuur besloten de gemeenteraden om een zienswijze te vragen op de kadernota, zodat zij hun zienswijze kunnen geven over de uitgangspunten genoemd in de kadernota. VRR Ontwikkelagenda De aanleiding voor de VRR Ontwikkelagenda ligt in het feit dat het takenpakket van de VRR in het afgelopen decennium aanzienlijk is verbreed. De uitbreiding van taken is o.a. het gevolg van diverse nieuwe ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de dienstverlening van de VRR. Denk hierbij aan verstedelijking (inclusief hoogbouw), de klimaat- en energietransitie, de komst van de omgevingswet, digitalisering, informatisering en robotisering, extreem weer, Covid-19 etc. Tijdens het traject van de ontwikkelagenda heeft het Algemeen Bestuur de volgende standpunten onderschreven: -

-

-

De VRR is een hoogwaardige crisisorganisatie en het is noodzakelijk om hierin te investeren, zodat de organisatie op dit niveau kan blijven acteren De VRR moet een lerende organisatie zijn en moet nieuwe kennis op kunnen bouwen. Deze kennisopbouw gebeurt zo veel mogelijk in afstemming en door uitwisseling met andere veiligheidsregio’s. Er zijn veel ontwikkelingen in de samenleving waarbij veiligheid om aandacht vraagt. Denk daarbij aan verder verdichting van woningbouw en industrie, kennis van nieuwe crisis en incidenten en nieuwe ontwikkelingen op het gebied van infrastructuur zoals vervoer door de lucht. De basis voor gedegen brandweerzorg en crisisbeheersing dient – ook in financieel opzicht – op orde te zijn.

Om aan deze standpunten te voldoen zal de basisdienstverlening van de VRR op orde gebracht moeten worden. In de vergadering 8 december jl. heeft het Algemeen Bestuur besloten om uitvoering te geven aan scenario 2 van de ontwikkelagenda. Hierin worden de volgende thema’s benoemd: Vakbekwaam worden en blijven De VRR heeft één van de meest complexe risicoprofielen van Nederland. Als gevolg van allerlei maatschappelijke ontwikkelingen – zoals een verminderde beschikbaarheid van vrijwilligers tijdens daguren, kortere dienstverbanden, vergrijzing personeelsbestand, tweede loopbaanbeleid -, is de doorstroom van personeel fors gestegen. Om de bezetting van bluseenheden te kunnen continueren moet vaker aanvullend beroepspersoneel worden ingezet en moeten extra vrijwilligers worden aangetrokken, die opgeleid moeten worden. Daarnaast wordt ook het vakbekwaam blijven een steeds groter probleem. Het minimale basisniveau van vakbekwaamheid wordt in veel gevallen niet meer gehaald. Daarnaast is er te weinig aandacht voor nieuwe maatschappelijke en technologische ontwikkelingen en schiet de capaciteit om effectief te kunnen leren van incidenten tekort. Bovendien moet er meer aandacht zijn voor de verplichte rijvaardigheidstrainingen.

Om de kwaliteit van vakbekwaamheid van het personeel te verhogen zal de komende jaren meer opleidingsruimte voor nieuwe medewerkers georganiseerd worden en verplichte rijvaardigheidstrainingen ingesteld worden. Daarvoor zal de instructiecapaciteit zowel kwantitatief als kwalitatief vergroot worden waarbij er meer aandacht komt voor moderner materiaal, betere ondersteuning en meer aandacht voor het leren van incidenten. In 2022 wordt hiermee gestart en in 2023 zal hier verder aan gewerkt worden. Versterken piketorganisatie Uit de praktijk blijkt, dat er steeds meer complexe incidenten plaatsvinden, waardoor er meer inzet van piketfunctionarissen vereist is (er is sprake van verdubbeling van de incidenten waar piketinzet voor vereist is) en meer deskundigheid. Doordat deze functie naast de niet-repressieve taak wordt gedaan, gaat dit ook ten koste van de capaciteit van de niet-repressieve taak. In 2022 wordt gestart met het traject om de piketorganisatie te versterken door de beschikbaarheid voor cruciale functies te vergroten en te investeren in de kwaliteit, continuïteit en toekomstbestendigheid van de piketorganisatie.

13

Aanpassen op de Omgevingswet De stelselherziening Omgevingsrecht – bestaande uit de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen – vraagt van lokale (maar ook andere) overheden om een nieuwe manier van werken, waarbij participatie en inspraak een belangrijk en groot onderdeel zal zijn. De veiligheidsregio wordt door de wetgever gezien als een interne ‘dienst’ (want verlengd lokaal bestuur) en is daarom niet apart genoemd, maar moet wel mee in die nieuwe methode van werken. Door de stelselherziening Omgevingsrecht krijgen gemeenten ook een grotere rol bij de inrichting van de omgeving, zo kan er bijvoorbeeld lokaal beleid worden opgesteld voor het gebruik van de ruimte binnen zogenaamde aandachtsgebieden. Om dit op een veilige manier plaats te laten vinden wordt de VRR nu al ingezet door gemeenten om aan de voorkant mee te denken vanuit veiligheidsoptiek, omdat deze specifieke, integrale expertise alleen bij de VRR beschikbaar is. Hierbij gaat het niet alleen om aansluiten bij omgevingstafels e.d., maar om het volledige spectrum van advisering en toezicht voor gemeenten en bevoegd gezag bij complexe dossiers. Aangesloten blijven bij maatschappelijke ontwikkelingen vraagt om nieuwe en een gedeeltelijke verschuiving van werkzaamheden binnen de veiligheidsregio.

Nieuwe initiatieven in het kader van effectiever ruimtegebruik, energietransitie en klimaatadaptie betekent ook een grotere werklast. Doordat de omgevingswet leidt tot een verkorting van de vergunningstermijnen, wordt in alle veiligheidsregio’s een verschuiving verwacht van advisering op veiligheid als afsluitende toets naar het vooroverleg. Vooral bij complexe aanvragen zal het vooroverleg een meer formele rol krijgen waarbij het vraagstuk: ‘Hoe borgen we veiligheid en gezondheid?’ bij de ontwerpfase al op tafel komt. Ook voor de GHOR komt er een nieuwe wettelijke adviestaak bij. In het Besluit Kwaliteit Leefomgeving staat opgenomen dat in een omgevingsplan en bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten rekening gehouden moet worden met geneeskundige hulpverlening aan personen. Ook hiervoor is ontwikkeling van deskundigheid nodig. Om invulling te kunnen geven aan deze taak zal de VRR meer risicogericht gaan werken in plaats van regelgericht en meer aan de voorkant mee gaan denken over veiligheid met lokale overheden. Hiervoor zal geïnvesteerd gaan worden in extra deskundigheid en competenties van functionarissen en capaciteit.

Hoogbouwbrandbestrijding Binnen de regio Rotterdam-Rijnmond worden veel nieuwe (zeer) hoge gebouwen neergezet, maar is de brandweer Rotterdam-Rijnmond geen expert op het gebied van hoogbouw-brandbestrijding, terwijl dit één van de punten uit de missie van de VRR is en dit op basis van het risicoprofiel wel verwacht mag worden. Om expert te worden op het gebeid van hoogbouw zal er geïnvesteerd gaan worden in kennis, kunde, materieel en materiaal. In 2022 wordt met dit traject gestart en de komende jaren zal één en ander verder geïmplementeerd worden, zodat bij incidenten in hoge gebouwen effectief en veilig opgetreden kan worden en er geen onveilige situaties voor eigen personeel ontstaan. Multi Intelligence Center Incidenten op straat worden complexer. De informatie aan het begin van een incident is steeds crucialer. De noodzaak om meer ‘informatie-ondersteund’ te beslissen bij incidenten wordt binnen de veiligheidsregio’s steeds groter; ook bij de crisispartners is dat het geval. De ontwikkeling en inrichting van een Multi Intelligence Center (MIC) zorgt voor een enorme stap voorwaarts in deze noodzakelijke informatievoorziening. Door betere en snellere beschikbaarheid van de juiste informatie kan met betrokken partners effectiever opgetreden worden bij incidenten en bij crises.

Het MIC wil informatie die wel érgens beschikbaar is, maar niet of niet tijdig bij de hulpdiensten bekend is ontsluiten, zodat hulpverleners en ketenpartners sneller een actueel en integraal veiligheidsbeeld hebben tijdens een incident/crises. Dit versterkt zowel de positie van de calamiteitencoördinatie, als die van de beslissers in het veld en crisisstaven. Ook op momenten dat elke seconde telt.

14

Het MIC is een flexibel samenwerkingsverband/-netwerk tussen ketenpartners bij incident- en crisisbestrijding, die nu in beginsel wordt geïnitieerd door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR), de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) en de Gezamenlijke Brandweer (GB). Het MIC biedt een vooraf afgestemde informatievoorziening en een informatiecentrum dat binnenkomende informatie kan duiden en de juiste functionarissen kan betrekken. MIC borgt dit integrale informatiemanagement voor de aangesloten hulpverleners en ketenpartners van de meldkamer Rotterdam. Op dit moment is gestart met het oriënteren en inrichten van het MIC en dat zal de komende jaren verder uitgebreid worden. Doorontwikkelen netwerkfunctie Veiligheidsregio Naast de klassieke flitsrampen krijgen we door het complexer worden van de maatschappij steeds meer te maken met ongekende en nieuwe crisistypes (digitaal, klimaat, ziektes). Waar de klassieke risico’s vooral een lokale impact hebben met een duidelijk bron en effectgebied, houden nieuwe crisistypes zoals cyberdreigingen en ziektes zich niet aan regio-grenzen of werkgebieden van organisaties. Om dergelijke crises het hoofd te kunnen bieden, hebben veiligheidsregio’s een netwerk aan crisispartners nodig en zullen hier in moeten investeren en ontwikkelen.

Veiligheidsregio’s zullen telkens wisselende crisispartners en verschillende expertises nodig hebben en zullen zich hierop moeten voorbereiden. Om deze functie goed op te kunnen bouwen, zal de VRR haar capaciteit op dit gebied verder uitbreiden. Voorbereiden op gevolgen klimaatverandering Het klimaat verandert met als gevolg dat er sprake is van meer extreme weersomstandigheden. Dit heeft zowel gevolgen voor de voorbereiding op crises als op de incidentbestrijding door de brandweer. Een voorbeeld hiervan is, dat bluswater niet meer overal toegankelijk is als gevolg van extreme droogte. Daarnaast nemen veel gemeenten initiatieven om gebouwen klimaat adaptief te maken. Hierbij wordt o.a. door achterhaalde bouwregelgeving en/of geen regelgeving niet altijd rekening gehouden met de brandveiligheid. Er wordt de komende jaren meer capaciteit ingezet om hiervoor oplossingen te vinden. Beperken maatschappelijke impact digitale verstoring Eén van de nieuwe vormen van crisis is de maatschappelijke impact van digitale verstoringen. Door een steeds verdere digitalisering van de maatschappij zal het aantal digitaal gerelateerde maatschappelijke knelpunten toenemen. Hier zal de VRR zich nadrukkelijk op moeten voorbereiden.

Het gaat hierbij niet alleen om expertise voor het beheersen en bestrijden van cyberincidenten, maar ook om als gesprekpartner aan te kunnen sluiten bij andere betrokken partijen in het kader van pro-actie en preventie. Hiervoor zal de VRR de komende jaren investeren in personeel en opleidingen. Energietransitie De energietransitie heeft gevolgen voor de hele VRR. Nieuwe ontwikkelingen in het kader van de energietransitie doen zich in versneld tempo voor: waar voorheen wetten en regels de ontwikkelingen konden bijhouden, is dat nu niet meer mogelijk. De wetgeving loopt jaren achter bij de ontwikkelingen. Hierdoor is er bijvoorbeeld geen meldingsplicht voor veel initiatieven. Voorbeelden van ontwikkelingen in het kader van de energietransitie in onze regio zijn de komst van windmolens/windparken, zonnepanelen/zonneparken, biobrandstoffen, elektrische voertuigen, kV stations en diverse waterstofprojecten. In geval van brand brengt dit nieuwe risico’s met zich mee en vergt dit een ander type incidentbestrijding. Op landelijk niveau vindt er veel kennis- en informatiewisseling tussen de veiligheidsregio’s plaats om goed op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen en veiligheidsprincipes.

Dit vertaalt zich uiteindelijk weer in aandachtspunten en best practices op het gebied van veiligheid voor de gesprekken die de VRR met initiatiefnemers en de gemeenten uit haar verzorgingsgebied heeft De veranderingen voor de VRR als gevolg van de energietransitie houden enerzijds aan de voorkant in dat de adviserende rol van de VRR een stuk groter is (er is praktisch geen wetgeving) en aan de achterkant moet worden gezocht naar nieuwe manieren om andere typen incidenten te kunnen bestrijden. In de komende beleidsperiode zal de VRR investeren in opleidingen en speciaal materiaal om ook deze crises het hoofd te kunnen bieden.

15

Doorontwikkeling informatievoorziening en informatiebeveiliging Om de crisis van de toekomst te kunnen beheersen is beschikbaarheid van de juiste informatie cruciaal. Goede informatievoorziening zorgt ervoor dat de medewerkers van de VRR hun werk effectiever en veiliger kunnen doen. De VRR beschikt op dit moment deels over de benodigde technische voorzieningen om haar hulpverleners van informatie te kunnen voorzien. De manier waarop dit nu is ingericht is echter nog te weinig professioneel om hierop te kunnen vertrouwen. De huidige voorzieningen zijn heel kwetsbaar terwijl de hulpverleners op straat afhankelijk zijn van deze voorzieningen om effectief en veilig hun werk te kunnen doen. Hiernaast is er ook een grote informatiebehoefte bij bestuurders, burgers en de pers. Zowel real-time tijdens een incident of crisis om de juiste besluiten te kunnen nemen, als na afloop om verantwoording af te leggen. Informatieanalyse is hard nodig om de incidenten van de toekomst het hoofd te kunnen bieden. Om in deze behoeftes te voorzien gaan wij stappen zetten in de informatie-huishouding van de VRR. Er zal in de komende jaren geïnvesteerd worden in zowel ICT-ers, functioneel beheerders en professionele technische voorzieningen. Daarnaast gaan wij goede informatiebeveiliging realiseren.

6.2 Overige ontwikkelingen Evaluatie Wet Veiligheidsregio’s Naar aanleiding van het advies van de Evaluatiecommissie Wet veiligheidsregio’s heeft de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie aangekondigd de Wet veiligheidsregio’s in 2019 te evalueren. Voor deze evaluatie is een commissie evaluatie Wet veiligheidsregio’s ingesteld. De commissie had tot taak de doeltreffendheid en de effecten van de Wet veiligheidsregio’s en onderliggende regelgeving in de praktijk te onderzoeken en te bezien of de huidige wet bruikbaar is in het licht van actuele en toekomstige dreigingen, maatschappelijke ontwikkelingen en ontwikkelingen in de crisisbeheersing in het algemeen. De commissie heeft in dit onderzoek in ieder geval aandacht besteed aan de volgende onderwerpen: -

De vormgeving van (het stelsel van) de veiligheidsregio’s, mede in het licht van het gehele stelsel van de rampenbestrijding en crisisbeheersing De wijze waarop de taken, de verantwoordelijkheden en de bevoegdheden van de verschillende actoren in het stelsel zich tot elkaar verhouden De samenwerking tussen de bedoelde actoren Brandweer, GHOR en bevolkingszorg Informatievoorziening Instituut Fysieke Veiligheid.

De uitkomsten van de evaluatie van de wet veiligheidsregio zijn in december 2020 aangeboden aan de minister van Justitie en Veiligheid. De commissie heeft geadviseerd om de wet veiligheidsregio’s en de onderliggende besluiten minder gedetailleerd te maken en eventueel te wijzigen in een wet crisisbeheersing en brandweerzorg. De voorgestelde wijzigingen van de Wet veiligheidsregio’s en de geformuleerde adviezen kunnen grote consequenties hebben voor de veiligheidsregio’s. Momenteel is het ministerie van Justitie en Veiligheid om het programma “Versterking crisisbeheersing en brandweerzorg’ op te zetten. Hierin moet een verder vervolg gegeven worden aan het rapport van de evaluatie Wet veiligheidsregio’s. De raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio’s hebben een taskforce ingesteld die betrokken zal zijn bij het vervolgproces. Professionalisering bevolkingszorg De landelijke (door)ontwikkeling van bevolkingszorg speelt al ruim 10 jaar. Het gaat hierbij om gemeentelijke taken bij ramp- en crisisbeheersing zoals voorzien in opvang, verzorging en nazorg van de bevolking, registreren van de slachtoffers en schadegevallen enz. In deze periode zijn eenduidige processen en prestatie-eisen voor bevolkingszorg en crisiscommunicatie tot stand gekomen en zijn er resultaten behaald in de praktische samenwerking tussen gemeenten.

Er is echter nog verdere kwaliteitsverbetering nodig, mede gezien het toenemende risico op ‘moderne crisis’, die worden gekenmerkt door een complex bovenregionaal karakter met een veelheid aan actoren en aspecten en kans op maatschappelijke ontwrichten. Voorbeelden hiervan zijn de Covid-crisis en de recente wateroverlast in Limburg. Ook valt te denken aan scenario’s als langdurige droogte of grootschalige uitval van digitale systemen. In onze regio is voor bevolkingszorg alleen de ambtelijke ondersteuning belegd bij de VRR en onderdeel van de begroting. Op basis van een plan van aanpak ‘Bevolkingszorg: Basis op orde’ wordt in Rotterdam-Rijnmond gewerkt aan de doorontwikkeling naar een hoogwaardige gemeentelijke crisisorganisatie.

16

In het rapport ‘Evaluatie Wet Veiligheidsregio’s’ wordt voorgesteld om de veiligheidsregio’s een sterkere regierol te geven op bevolkingszorg en crisiscommunicatie. Voor bevolkingszorg betekent dit advies, dat gemeenten zelf verantwoordelijk blijven voor de uitvoering en dat de veiligheidsregio’s met name moeten zorgen voor regie en samenhang. In het verlengde hiervan heeft het Veiligheidsberaad besloten om een landelijk kwaliteitsniveau voor bevolkingszorg (inclusief crisiscommunicatie) op te stellen. Dit kwaliteitsniveau kan meegenomen worden in het vervolgtraject van de evaluatie Wet veiligheidsregio’s. Dit onderwerp is niet meegenomen in de ontwikkelagenda, omdat nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden over de mate waarin de VRR deze coördinatie op zich moet gaan nemen. Alarmering bevolking Het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) in Nederland is een netwerk van ongeveer 3.800 sirenes die draadloos en onafhankelijk van elkaar aangezet kunnen worden vanuit de meldkamer en worden gebruikt om te waarschuwen voor (dreigend) gevaar, met name als er gevaarlijke stoffen in de lucht aanwezig (kunnen) zijn. Het waarschuwingsstelsel is eigendom van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het ministerie was oorspronkelijk van plan het WAS per 1 januari 2020 op te heffen en te laten vervangen door NL-Alert, calamiteitenzenders en sociale media.

Eind 2019 heeft de minister van Veiligheid & Justitie aan de Tweede Kamer laten weten dat het besluit om het luchtalarm per 1 januari 2022 uit te faseren uitgesteld werd naar eind 2020. Een aantal veiligheidsregio’s waaronder de VRR hebben er bij de minister op aangedrongen het WAS in stand te houden op risicolocaties. Het gaat dan om risicolocaties waar sprake is van grote industriële complexen en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Namens het kabinet heeft de minister zich dit najaar uitgesproken voor de instandhouding van het WAS op risicolocaties waarbij het lokaal bestuur verantwoordelijk zal zijn voor het aanwijzen van deze locaties en voor het beheer van de sirenes op die locaties. Een definitief besluit over de toekomst van het WAS is nog niet genomen. Een volgend kabinet zal hierover beslissen. Eventuele consequenties voor de VRR zullen na dit besluit duidelijk worden. Deeltijdrichtlijn / taakdifferentiatie vrijwilligers brandweer De positie van de brandweervrijwilligers op grond van de deeltijdrichtlijn is juridisch niet meer houdbaar. Het onderscheid tussen vrijwilligers en beroeps moet aangescherpt worden. Landelijk is onderzocht of een fundamenteel onderscheid in taken tussen een vrijwilliger en een beroepsmedewerker (taakdifferentiatie) hiervoor een oplossing biedt.

Onlangs heeft de minister hierop een finale juridische toets laten doen waaruit blijkt dat voor het behoud van vrijwilligheid bij de brandweer taakdifferentiatie niet vereist wordt door Europees recht onder voorwaarden dat de rechtspositie van brandweervrijwilligers expliciet gebaseerd wordt op het concept van vrijwilligheid. Dit betekent dat het contrast tussen vrijwillige brandweer en beroeps verscherpt moet worden en dat niet meer gewerkt kan worden met geconsigneerde en gekazerneerde vrijwilligheid. Landelijk wordt in kaart gebracht wat de consequenties hiervan zijn, waarbij het uitgangspunt is om vanuit een landelijke aanpak te komen tot een vergoeding vanuit het Rijk voor deze consequenties.

7. Procedure De kadernota is de eerste stap bij het opstellen van de begroting 2023. Hierin worden de financiële en beleidsmatige kaders vastgelegd voor de begroting 2023. Na de behandeling van de kadernota in het bestuur wordt deze ter informatie aan de gemeenten gezonden. In de kadernota zijn de financiële consequenties van de keuze voor scenario 2 verwerkt. In afwijking van de normale procedure heeft het Algemeen Bestuur daarom besloten de gemeenteraden om een zienswijze te vragen op de kadernota. Op basis van de informatie die zij hebben ontvangen tijdens de informatiebijeenkomsten kunnen de raden een zienswijze geven over de uitgangspunten genoemd in de kadernota. De zienswijzeprocedure duurt 8 weken vanaf het kerstreces en loopt van 22 december 2021 tot en met 4 maart 2022.

17

Bijlage 1: Uitwerking basis primaire gemeentelijke bijdrage 2023 In de onderstaande tabel worden de totale primaire bijdragen over 2023 per gemeente gespecificeerd op basis van de huidige systematiek:

Bijdragen

Primaire Uit bijdrage Uit DVO+ in Primaire Uit 2022 obv Primaire begroting Primaire oude begroting DVO+ begroting systematiek (Chemisch Bluswater (wijkbrandinc IOV Advies) weerman) gelden

FLO in Primaire begroting

-34.760

Basis Primaire bijdrage 2023*

Albrandswaard

1.267.936

Barendrecht

2.414.494

1.233.176

Capelle aan den IJssel

4.118.796

-81.283

Goeree-Overflakkee

2.774.666

-40.000

2.734.666

Krimpen aan den IJssel

1.461.625

-29.215

1.432.410

Lansingerland

3.827.581

2.414.494 131.000

4.168.513

3.827.581

Maassluis

1.644.600

62.000

1.706.600

Nissewaard

5.233.744

-82.743

136.000

5.287.001

Ridderkerk

2.289.346

-54.000

61.556

2.296.902

Rotterdam (excl. GB)

50.082.393

-773.762

2.697.897

52.489.329

Schiedam

5.755.631

250.000

5.935.631

Vlaardingen

5.370.084

232.000

5.602.084

3.570.453

93.343.906

552.801

-70.000

Voorne aan Zee

4.245.304

-29.785

Totaal

90.486.200

-1.125.548

Additonele bijdragen 2023 3e trede Goeree Overflakkee Effecten Ontwikkelagenda scenario 2 Basis 2023

-70.000

4.215.519 -140.000

552.801

148.000 3.858.000 97.349.906

18

Bijlage 2: Overzicht van plustaken 2023 In de onderstaande tabel wordt een overzicht van de Plustaken per 2023 gepresenteerd.

Gemeente

Plustaken

Capelle Wijkbrandweerman Capelle aan den IJssel Wijkbrandweerman Rotterdam Strandwachten WABO/TCH Wijkbrandweerman Schiedam Wijkbrandweerman Voorne aan Zee Cultureel erfgoed Kazerne Oudenhoorn Totaal

2023 73.360 73.360 525.983 632.391 73.360 73.360 25.351 667 1.404.472

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11501668/1