02 Collegebrief 8 september 2021 Herziening 2021 provinciaal omgevingsbeleid
Tekst van het document
gemeente Schiedam
gemeente Schiedam
team Ruimtelijke Ontwikkeling & Beleid Stadskantoor. Stadserfi Postbus 1501
Aan de gemeenteraad van Schiedam
3100 EA Schiedam 14 010
schiedam.nl
uw kenmerk
uw brief van
datum
ons kenmerk
21U1T07308
8 september 2021
doorkiesnummer
010-2191739
hj.solle@schiedam.nl
onderwerp
Herziening 2021 provinciaal omgeingsbeleid
Geachte leden van de gemeenteraad, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben afgelopen zomer een herziening van hun Omgevingsbeleid ter inzage gelegd, en bieden de mogelijkheid daarop een zienswijze in te dienen. Het provinciale Omgevingsbeleid ziet op de visie van de provincie op de fysieke leefomgeving, en de regels die zij stelt bij die visie. Als gemeente moeten we rekening houden met de regels die de provincie stelt, bijvoorbeeld in onze bestemmingsplannen. Wij hebben besloten een zienswijze op de ontwerp Herziening 2021 in te dienen. Ter informatie treft u deze zienswijze bijgaand aan. Het indienen van een zienswijze heeft met name als doel onwenseljke of onjuiste punten in de ontwerp-beleidsstukken te benoemen en de provincie te bewegen deze aan te passen. Naast onze eigen zienswijze vindt u bijgaand ook de zienswijze welke mede namens Schiedam door het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam is ingediend. Deze zienswijze ziet specifiek op het onderwerp wonen, en gaat in op aspecten die vanuit de regionale context bezien relevant zijn. De zienswijzen tvorden door Provinciale Staten betrokken bij de uiteindelijke vaststelling van de Herziening 2021. Wij gaan er van uit u met toezending van de zienswijzen voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Schiedam, de secretaris,
de burgemeester,
2
G.Ë.Bos
/
Ulili iI lII NIII11 1 1 fl1 II liii 1 1 1 1 1 I I I I
C.H.J. Lam
BIJLAGE 05a
CONCEPT TEKST REGIONALE ZIENSWIJZE ONTWERP HERZIENING 2021 PROVINCIAAL OMGEVINGSBELEID v5 Advies- en besluitvormend traject:
17 augustus 2021: Coördinatorenbijeenkomst SvWrR (CO-PLUS): bespreking heeft geleid tot diverse aanpassingen
1 september 2021: via Stuurgroep naar Regiotafel, ter vaststelling
in de tekst, zowel inhoudelijk als in toon; N.B.: het formele tijdpad is krap bemeten; er zal vermoedelijk in weinig colleges gelegenheid zijn om de concept-zienswijze van het SvWrR te bespreken voorafgaand aan de Regiotafel van 1 september.
Geacht bestuur, Vanaf 28 juli is door u het Ontwerp van de Herziening 2021 van het Omgevingsbeleid Zuid-Holland ter inzage gelegd. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden zienswijzen op dit Ontwerp in te dienen tot en met 8 september 2021. Het Ontwerp ziet op een partiële wijziging van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. Vanuit het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam1 hebben wij in het Ontwerp Herziening 2021 Omgevingsbeleid met name de modules Ruimtelijke kwaliteit, Bedrijventerreinen, Verstedelijking, Optimalisatie woningbouwplannen, Sociaal en betaalbaar wonen, Recreatiewoningen en Mobiliteit met belangstelling gelezen. Namens de veertien gemeenten van het Samenwerkingsverband ontvangt u hierbij onze zienswijze. Deze zienswijze dient bezien te worden tegen de achtergrond van de reikwijdte van onze samenwerking. Onderwerpen, opgenomen in het Ontwerp die bij uitstek de afzonderlijke gemeenten regarderen, zullen zo nodig door de afzonderlijke gemeenten worden opgepakt in een eigen zienswijze. Het Samenwerkingsverband is er niet op gericht om onnodig in te grijpen in de lokale beleidsvrijheid van gemeenten.
Algemene opmerking verschillende herzieningen Alvorens op de inhoudelijke onderwerpen in te gaan, moeten wij twee punten constateren: 1e: hoewel u met de voorpublicatie de periode van terinzagelegging heeft opgerekt, blijft het bijzonder onhandig om tijdens de zomerperiode/het reces zo’n belangrijke herziening in procedure te brengen terwijl vele ambtenaren maar ook collegeleden tijdelijk niet inzetbaar zijn; 2e: het is niet eenvoudig de voorgestelde wijzigingen, zoals opgenomen in het voorliggende Ontwerp, te relateren aan de laatste geconsolideerde versies van de documenten binnen het Omgevingsbeleid. Een van de oorzaken hiervoor is de zich kort na elkaar voordoende en elkaar qua consultatie- en procestijd overlappende herzieningen, waardoor een voorgaande herziening nog niet verwerkt is vóór de start van de volgende herziening. Wij geven u in overweging jaarlijks één verzamelherziening voor te leggen, een was/wordt-versie te hanteren die alle wijzigingen van dat moment inzichtelijk maakt en, na besluitvorming, een actuele geconsolideerde versie van het beleid te publiceren. Een volgende voorziening kan hierop voortborduren. De geest en de letter van alle voorgestelde wijzigingen wordt soms in een ander perspectief geplaatst als alle geconsolideerde stukken en wijzigingen in samenhang worden bezien.
Gezien het voorgaande vragen wij u opmerkingen uit deze zienswijze, die raken aan wijzigingen uit een eerdere herziening of juist een toekomstige herziening, ook inhoudelijk mee te nemen. Inhoudelijke reactie Ontwerp Herziening 2021 Omgevingsbeleid In de onderstaande inhoudelijke reactie wordt zoveel als mogelijk de indeling en volgorde gevolgd zoals in het Ontwerp is opgenomen. 1. Bedrijventerreinen Het Samenwerkingsverband is verheugd dat in het Ontwerp nadrukkelijk wordt gekozen voor een tweesporenbeleid wat betreft de compensatie van leegstaande kavels, lege panden of panden waarin of 1
Albrandswaard, Barendrecht, Brielle, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Westvoorne
1
kavels waarop de bedrijvenfunctie niet wordt geaccommodeerd. Het opgenomen onderscheid naar planologische dan wel feitelijke compensatie geeft iedere gemeente de mogelijkheid de (schaarse) ruimte voor Wonen en Werken optimaal te benutten. Nu reeds worden compensatieplannen opgesteld. Deze compensatieplannen worden getoetst aan de regionale Strategie Werklocaties, die binnenkort zal worden herzien en zal aansluiten op de behoefteramingen van uw provincie, en de door de MRDH opgestelde TransformatieWijzer. Op deze wijze wordt het mogelijk om, afgewogen, een keuze te maken voor de transformatie van de locaties van Werken naar Wonen. a. Wij geven u in overweging de opgestelde compensatieplannen te beschouwen als specifieke woonwerkakkoorden. b. Een kanttekening willen wij plaatsen bij de voorwaarde, zoals genoemd in de toelichting op art. 6.12 Bedrijven, dat bij de feitelijke compensatie van leegstaande kavels, lege panden of panden waarin of kavels waarop de bedrijvenfunctie niet wordt geaccommodeerd, moet worden aangetoond dat hier (tijdens het moment van het formaliseren van de afspraken hierover) minimaal zeven jaar sprake van is.
Graag zien wij hier maatwerk per locatie, zeker waar deze aanliggen aan of onderdeel uitmaken van woongebieden, om te voorkomen dat gedurende deze 7 jaar verpaupering dan wel verloedering van deze panden of kavels kan plaats vinden, waarbij de ruimtelijke kwaliteit dan wel het woon- en leefklimaat voor jaren wordt aangetast. Zeven jaar leegstand kan geen doel zijn. c. Rondom de compensatieplicht bij minder dan 7 jaar leegstand, leggen wij u de kwestie voor hoe zo’n beleidslijn zich verhoudt tot gebieden rondom een HOV-lijn waar niet of nauwelijks leegstand is, en de compensatieplicht daardoor leidt tot mogelijk extra monofunctionele bedrijfsterreinen waar in het kader van duurzame verstedelijking juist meer functiemenging gewenst is. Dus: hoe verhoudt zich het beleid om functiemenging in gebieden te stimuleren tot de richtlijn om te moeten compenseren, zeker daar waar door de aanwezigheid van HOV goede kansen zijn om de mono-functionaliteit van een gebied te doorbreken? 2. Verstedelijking Bij de uitwerking van de verstedelijkingsopgave wordt uitgegaan van de ‘contouren van de verstedelijkingsstrategie’. Deze contouren dienen als basis voor de op te stellen Verstedelijkingsstrategie Zuid-Holland. a. Door deze contouren nu reeds om te zetten in beleid binnen de Omgevingsvisie wordt naar onze mening vooruitgelopen op de mogelijke discussie rond deze Strategie.
Als eerste aanpassing geeft u aan meer te willen sturen op het toevoegen van betaalbare woningen aan de woningvoorraad om een mismatch tussen vraag en aanbod tegen te gaan. b. Wij onderschrijven de noodzaak om de mismatch tegen te gaan. In onze regio hanteren we het uitgangspunt dat we bouwen naar behoefte. Dat doen we voor alle doelgroepen, maar daarbij is er in onze regio in het bijzonder aandacht voor de sociale voorraad en de doelgroepen die daarop zijn aangewezen. c. Wij zijn daarbij van mening dat de mismatch door middel van goede regionale afspraken kan worden aangepakt. Daarbij zijn de provincie en/of het rijk een belangrijke partner. Zij kunnen achterblijvende gemeenten verleiden (bijvoorbeeld door specifieke voorwaarden te stellen aan een subsidieregeling) of sanctioneren tot meer of betere woningbouwprogrammering. d. Wij denken niet dat meer sturing gaat helpen om meer betaalbare woningen toe te voegen, maar geloven wel in effectiever en efficiënter ingrijpen. Het gaat dan om gericht en snel ingrijpen als een regio daarom vraagt, maar denken daarbij ook aan het samen beslechten van verschillen van inzicht, visies en beleidsopvattingen om zo de woningbouw te kunnen versnellen. Het Samenwerkingsverband heeft in het ‘Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken regio Rotterdam 2018 tot 2030’ de opgaven voor de deelnemende gemeenten vastgelegd.
Essentieel uitgangspunt is dat wijken, gemeenten, maar ook de regio een goede balans kennen tussen de verschillende woningcategorieën. Hiertoe zijn in het genoemde regioakkoord nadere afspraken gemaakt voor een meer evenwichtige spreiding van sociale woningbouw. Het vooraf bepalen van een bepaald percentage van een specifieke categorie woningen bij nieuwbouw, dient afgezet te worden tegen de gewenste balans. In een gebied met een relatief hoog percentage sociale woningen zal nieuwbouw er juist op gericht zijn de balans in het gebied terug te brengen. Een vooraf vastgesteld en voor alle gemeenten/projecten identiek percentage bij de nieuwbouw kan dit streven naar meer balans tegenwerken. e. Wij pleiten er dan ook voor deze mogelijke mismatch per gemeente te bezien, binnen de kaders van de regionale afspraken betreffende het Meer Evenwicht-scenario gericht op een evenwichtiger samengestelde woningvoorraad.
2
Met u hechten wij grote waarde aan een actuele woningbehoefteraming ter onderbouwing van de inzet om de hiervoor aangegeven mismatch tegen te gaan. f. Wij attenderen u erop dat voor het maken van regionale woningbouwafspraken het voor de gemeenten van belang is dat ze duidelijk inzicht hebben in zowel de lokale als de regionale woningbehoefteraming. Essentieel is daarbij dat deze ramingen naadloos aansluiten bij de provinciale behoefteraming, maar eveneens de ruimte bieden voor de invulling van het gewenste Meer Evenwicht-scenario. Graag zien wij dan ook dat bij de provinciale woningbehoefteraming een verbijzondering naar gemeenten wordt toegevoegd. Indien u evenwel van mening bent dat deze verbijzondering geen directe taak is van de provincie, dan vragen wij u alsnog als partner te participeren in ons regionale traject naar actuele behoefteramingen. Zo blijven we cijfermatig aansluiting bij elkaar vinden en kunnen we de samenwerking op basis van gezamenlijk onderschreven uitkomsten voortzetten. 3. Optimalisatie Woningbouwplannen Wij waarderen en onderschrijven uw aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit bij het bepalen van de gewenste dichtheid op nieuwe woningbouwlocaties.
Wat betreft deze kwaliteit voor het overgangsgebied tussen bebouwing en landschappelijke omgeving, waarbij het voorstel is minimale normen voor dichtheid (aantal woningen per hectare) te hanteren, willen wij een kanttekening plaatsen. a. Naar onze mening houdt de voorgestelde formulering twee risico’s in, namelijk (1) dat er in concrete gevallen veel ruimte is voor een subjectieve beoordeling van de dichtheid in een overgangsgebied met als gevolg het risico van willekeur in de beoordeling, en (2) dat voor gemeenten onduidelijk is aan welke norm door de provincie zal worden getoetst. En in algemene zin is de begrenzing van het plangebied zeer bepalend voor de berekening van de dichtheid en daarmee kwetsbaar. b. Het is onzes inziens belangrijk om het doel van deze maatregel in het oog te houden, namelijk de schaarse ruimte in onze regio zo goed en efficiënt mogelijk te benutten. Een ‘nieuwe’ berekening van dichtheden moet ook resulteren in feitelijk meer woningen op dezelfde oppervlakte en niet alleen meer lijken door een nieuwe of andere manier van berekenen of door een andere begrenzing van het plangebied. c.
Het is daarbij belangrijk oog te blijven houden voor de weging van verschillende waarden en opgaven in een gebied en daarbij niet uitsluitend naar dichtheid van woningbouw te kijken; bij het stellen van normen voor minimale dichtheid zou naar ons idee toch ook onderscheid gemaakt kunnen worden tussen meer dorpse en meer verstedelijkte woongebieden?! d. In de vertaling van het boven gestelde, zoals opgenomen in de voorgestelde wijziging van art. 6.10.a van de Omgevingsverordening, ontbreekt naar onze mening de nuance. De expliciete aandacht voor de kwaliteiten van het overgangsgebied ontbreken in dit artikel. In de toelichting op voornoemd artikel wordt aangegeven dat (in zijn algemeenheid) de provincie wil dat bestemmingsplannen voor woningbouw een zo hoog mogelijke woningdichtheid mogelijk maken, passend bij een goed woon- en leefklimaat. De provincie hanteert daarbij een bandbreedte van 30-45 woningen per hectare voor de dichtheid van woningbouwlocaties. Voor nieuwe plannen wordt gestreefd naar een dichtheid van 45 woningen of meer per hectare. e. Naar onze mening is er een verschil tussen nieuwe plannen en nieuwe uitleggebieden.
Daarbij is het Samenwerkingsverband van mening dat een dergelijke algemene formulering voorbijgaat aan de wens om in herstructureringsgebieden een andere koers te kiezen omdat het juist noodzakelijk kan zijn om te bouwen in lagere dichtheden om het woon- en leefklimaat in een buurt of wijk juist te verbeteren. De in het Ontwerp uitgesproken wens om meer aandacht te hebben voor de bouw van andere typen woningen kunnen wij deels onderschrijven. f. Wij plaatsen hierbij de kanttekening dat ook de komende jaren nog een groei te zien zal zijn van 1- en 2persoonshuishoudens. De bouw van appartementen zal zeker voor deze categorie in de behoefte voorzien. 4. Parkeernorm sociale huur Bij de nieuwe beleidskeuze optimalisatie woningbouwplannen worden nieuwe regels opgenomen voor o.a. de parkeernorm voor sociale woningbouw. Daarbij stelt u voor deze norm te bepalen op 0,7 per sociale huurwoning maar die norm geldt alleen voor een gemeente die geen parkeerbeleid heeft geformuleerd. a. Wij beschouwen deze insteek van een bovengrens als een stimulans voor de lokale beleidsvrijheid, om zelf die parkeernormen te stellen, maar merken wel op dat het stellen van één norm, voor dorpse èn
3
b.
stedelijke woongebieden, voor gebieden die goed zijn aangesloten op (H)OV of daarvan juist min of meer verstoken zijn, ten onrechte geen rekening houdt met dat soort factoren. Het is wel de vraag of de formulering van het artikel hierover (6.10b, sub1) correct is omdat nu ook lijkt te worden voorgeschreven dat in bestemmingsplannen met een gevarieerd bouwprogramma deze parkeernorm voor alle woningen geldt want het plan voorziet immers (ook) in “nieuwe sociale huurwoningen”.
5. Sociaal en betaalbaar bouwen Bij het bepalen van een voldoende voorraad sociale huurwoningen geeft u aan veel betekenis te hechten aan het aantal reacties van actief woningzoekenden op een bepaald type vrijkomende sociale huurwoningen. De veronderstelling die hier schijnbaar onder ligt is dat veel reacties moet leiden tot meer nieuwbouw van dat type (één-op-één-vertaling van de ‘vraag’). Wij plaatsen hierbij de volgende kanttekeningen: a. Denkbaar is dat op vrijkomende grote huurwoningen veel wordt gereageerd maar dat uit de cijfers blijkt dat de voorraad grote sociale huurwoningen op zich ruim voldoende is ten opzichte van dat deel van de doelgroep met een groot huishouden. Het nieuwbouwprogramma en/of het doorstroombeleid moet er juist op gericht zijn kleiner geworden huishoudens in de grote sociale huurwoningen een alternatief te bieden waardoor meer grote woningen in de bestaande sociale voorraad vrijkomen; b. Er wordt ook gereageerd om uit te testen of men inmiddels kans maakt (hoge rangordepositie), uit opportunistische overwegingen (niet van plan te verhuizen maar niet geschoten is altijd mis), vanuit de veronderstelling dat je minstens één keer per jaar moet reageren om inschrijving te behouden.
Indien er al waarde moet worden gehecht aan het aantal reacties op vrijkomende huurwoningen, dan zou ook rekening moeten worden gehouden met de ‘no show’-aantallen van woningzoekenden die de uitnodiging voor bezichtiging van de vrijgekomen woning negeren. Dit vergt een forse administratieve inspanning. Zoals eerder gezegd hanteert onze regio het uitgangspunt dat we bouwen naar behoefte. Actuele behoefteramingen zijn voor ons daarbij essentieel en die laten wij door een onafhankelijk bureau objectief in beeld brengen. Dat vormt voor onze regiogemeenten de basis voor het maken van regionale woningmarktafspraken op basis van het Meer Evenwicht-scenario. Bij de beschrijving van Betaalbare Woningbouw stelt u uniforme grenzen voor inkomens en koop- en huurprijzen voor. Wij onderschrijven de noodzaak hiervan. Evenwel moeten we constateren dat de voorgestelde grenzen (deels) afwijken van de inkomens-/prijsgrenzen zoals door het Rijk worden gehanteerd. Hierdoor kan verwarring ontstaan. c. Wij verzoeken u aansluiting te zoeken bij de prijsgrenzen van het ministerie van BZK. Het belang/gemak van uniforme prijs- en inkomensgrenzen voor monitoring op provinciaal (en rijksniveau) is duidelijk, maar niet elke woningmarkt ervaart eenzelfde vraagdruk, of heeft vergelijkbare koopkracht bij de bevolking. d.
Wij vragen u de komende periode te benutten voor een gesprek met de regio’s en het rijk om de mogelijkheid te onderzoeken om provincie-breed tot gelijkluidende inkomensgrenzen en koop- en huurprijsgrenzen te komen. Onzes inziens zou de inzet moeten zijn gezamenlijk tot een voorstel te komen en dit niet eenzijdig via de provinciale verordening of provinciaal beleid vast te stellen. e. Bij diverse wijzigingsvoorstellen is opgenomen dat er een provinciale norm geldt tenzij er anderszins kan worden aangetoond of onderbouwd dat die norm lokaal/regionaal niet zou moeten gelden. Wij geven u in overweging ook in dit geval een geclausuleerde beleidsvrijheid voor regio’s op te nemen om, met redenen omkleed, eigen inkomens- en prijsgrenzen te hanteren maar dan voor het hogere/hoogste segment. 6. Ruimtelijke kwaliteit Het Samenwerkingsverband onderschrijft de doelstellingen, zoals opgenomen bij dit onderwerp. Slechts voor één aspect vragen wij hierbij uw aandacht. a. Bij de beschrijving van de stedelijke landschappen, onderdeel Hoogstedelijk gebied geeft u aan dat ontwikkelingen in stationsgebieden bijdragen aan de versterking van de (hoog)stedelijke kwaliteit ter plaatse. Graag zien wij hieraan toegevoegd: “haltes dan wel knooppunten van Hoogwaardig Openbaar Vervoer”. 7. Permanente bewoning recreatiewoningen
4
Wij onderschrijven het belang van recreatieve voorzieningen, ook in onze regio. De voorgestelde teksten in het Ontwerp, met name waar de grens van twaalf woningen of meer wordt gesteld, vormen evenwel naar onze mening een te strak keurslijf. Naar onze mening moet het mogelijk worden om de volgende ontwikkelingen niet te blokkeren: a. Lopende experimenten van BZK en afzonderlijke gemeenten om bestaande recreatieparken waar permanente bewoning feitelijk geen probleem is, of wel een probleem is omdat er geen aangepast beheer wordt toegestaan, af te ronden en eventueel de positie/bestemming aan te passen. b. Verouderde recreatieparken die alleen door grootschalige/ingrijpende investeringen kunnen worden getransformeerd tot gebieden voor tijdelijke of permanente bewoning naar de maatstaven die in Nederland gebruikelijk zijn en worden nagestreefd. Een ander punt is de aankondiging -bij artikel 6.10 e- dat in een bijlage de recreatieparken gaan worden genoemd waar wel permanente bewoning toegestaan zal zijn. c. Graag zien wij door u bevestigd dat de gemeenten die het betreft vooraf betrokken worden bij de keuze van deze verblijfsrecreatieparken.
Tot slot Als overheden moeten rijk, provincie, regio’s en gemeenten elkaar zeker kunnen vinden op het moment dat er een woningtekort is, en vele huishoudens ontevreden zijn over hun mogelijkheden om een thuis te vinden: een woning die naar hun wens is, aan de behoefte om te wonen voldoet, op een goede locatie staat en tegen een redelijke ‘prijs’ kan worden bewoond. De opmerkingen in deze zienswijze zijn weliswaar kritisch maar gericht op het bieden van een efficiënte en effectieve aanpak waarbij de kwaliteiten en kansen van elke overheidslaag en alle partners in het veld (zoals de corporaties) maximaal kunnen worden benut. “Meer sturing” is niet hetzelfde als “beter sturen”, zoals “meer regie” wat anders is dan “beter regisseren”. De veertien wethouders van het Samenwerkingsverband wensen GS en PS veel wijsheid toe in de beoordeling en honorering van alle zienswijzen en kijken uit naar een succesvolle voortzetting van de samenwerking! Deze zienswijze is op woensdag 1 september 2021 vastgesteld door de Regiotafel Wonen van het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam. Met vriendelijke groet,
…………… J.W. Mijnans, voorzitter SvWrR en wethouder Wonen van de gemeente Nissewaard
5
gemeente S chieda rn
gemeente Schiedam
team Ruimtelijke Ontwikkeling & Beleid Stadskantoor. Stadserf i Postbtis 1501 3100 EA Schiedam
Provincie Zuid Holland Team Omgevingsbeleid Postbus 90602 2509 LP ‘S-GRAVENHAGE
Uw kenmerk
Ons kenmerk
21U1T06105 Uw brief van
14010
schiedam.nl
Datum
8 september 2021
Doorkiesnummer
14 010
contact@schiedani.nl
Onderwerp
zienswijze ontwerp Herziening 2021 Omgevingsbeleid
Geachte mevrouw, meneer, Op 23 maart 2021 hebben Gedeputeerde Staten het ontwerp van de Herziening 2021 van het Omgevingsbeleid Zuid-Holland vastgesteld. Het gaat om een gedeeltelijke herziening van: de Omgevingsvisie Zuid-Holland; de Omgevingsverordening Zuid-Holland; het Omgevingsprogramma Zuid-Holland. Het ontwerp van de Herziening 2021 is ter inzage gelegd van 2$ juli tot en met 8 september 2021. Gedurende deze termijn is ook de mogelijkheid geboden om zienswijzen op het ontwerp van de Herziening 2021 in te dienen. Met deze brief maken wij gebruik van deze mogelijkheid, en geven wij onze zienswijze op de diverse ontwerpstukken. Naast enkele algemene opmerkingen is er ook een aantal specifieke onderwerpen waarop wij graag onze zienswijze geven. -
-
-
Subsidiariteit In algemene zin merken wij op dat het ontwerp van de Omgeingsverordening diverse nieuwe elementen bevat waarbij de vraag opkomt in hoeverre dit voldoet aan de wettelijke basis van de verordening: het stellen van regels ter borging van provinciale belangen. Voorbeelden zijn regels voor de dichtheid en verscheidenheid van woningbouw, parkeernormen hij sociale woningbouw en stationsomgevingen en bereikbaarheid (artikel 6.ioa tot en met 6.iod ontwerp Omgevingsverordening). Hoofd\Taag die wij stellen: in hoeverre is sprake van een provinciaal belang? De onderbouwing voor opname is summier en rechtvaardigt het stellen van dergelijke regels allerminst. Het stellen van regels met als doel een gesprekspositie met een gemeente te creëren is niet waarvoor het provinciale Omgevingsbeleid dient te worden ingezet. Dat bijvoorbeeld een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houdt met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid (art. 6.;od), is evident. De onderbouwing voor opname van dergelijke algemene regels is niet afdoende.
1 1 1 Hfl1 III 1 1 1 1 1 1 1 IN 1 1 1 1 1 1 Hfl1 1 1 1 IN) I I)
Stellen van dergelijke regels betekent een lastenverzivaring voor de gemeente, en is ook om die reden ongewenst. In elk nieuw bestemmingsplan zal de motivering ten aanzien van het provinciaal beleid uitgebreider moeten worden vormgegeven. In het geval van Schiedam gaat het daarbij dan, gelet op de wijze van formulering van de regels, ook vaak om een motivering waarom het betreffende plan onder een afwijkingsmogeljkheid uit de Omgevingsverordening komt te vallen. Dit is niet in lijn met het uitgangspunt van de Wet ruimtelijke ordening. Het stellen van regels dient een duidelijk doel te hebben. Het zekerheidshalve als provinciaal belang formuleren om in voorkomende gevallen een haakje voor een gesprek of bestuurlijke aanwijzing te hebben, is niet de juiste manier waarop de opgaven waar we als overheden voor staan moeten worden aangepakt. Mede met het oog op de aankomende Omgevingswet is een goede verdeling tussen de bevoegdheden van de diverse overheden wenselijk. De voorliggende Herziening 2021 draagt hier naar onze mening niet aan bij. Het herhaaldelijk gebruik van terminologie als ‘streven’, en de inzet van de Omgevingsverordening als modus om tot overleg met een andere overheid te komen doet geen recht aan de juridische positie van het provinciale beleidsstelsel. In de Omgevingswet is daarbij de samenwerking tussen de diverse overheden op andere wijzen reeds verankerd.
Regelstelling door middel van een verplichtende provinciale verordening is daardoor op diverse vlakken niet noodzakelijk, en achten wij op andere niet wenselijk. Wij verzoeken u de provinciale Omgevingsverordening te gebruiken voor het stellen van regels ten aanzien van provinciale belangen, danwel regels die zien op een uitwerking van Rijksbelangen op provinciaal niveau. Daarbij dient het instrument van de verordening alleen te worden ingezet wanneer dit noodzakelijk is. De voorliggende Herziening 2021 strookt niet op alle punten met deze principes, en wij verzoeken u dan ook deze daarop aan te passen. Planning en werkwijze Een tweede algemene opmerking ziet op het tempo waarin herzieningen van het provinciaal Omgevingsbeleid worden doorgevoerd, en de werkwijze die daarbij wordt toegepast. Herzieningen van het provinciale Omgevingsbeleid volgen elkaar in hoog tempo op, waardoor het overzicht op sommige momenten verdwijnt. Het komt regelmatig voor dat lopende de procedure van opstelling van een gemeentelijk bestemmingsplan het provinciaal Omgevingsbeleid diverse keren wijzigt. Ook wordt vaak reeds gestart met de (ambtelijke) consultaties voor een nieuwe herziening, terwijl de voorgaande herziening nog niet in werking is getreden. Daarmee leggen de herzieningen veel bestuurlijke druk op gemeenten. Wij geven u ter overweging om actualisaties minder frequent door te voeren (bijv.
2-jaarlijks). Dit versterkt de bestendigheid van uw omgevingsbeleid, en draagt bij aan een meer consistente beleidsljn. Laatste punt in deze is de periode waarin ontwerpstukken voor zienswijzen worden opengesteld. Een terinzagelegging welke begin september eindigt betekent dat de gehele ambtelijke en bestuurlijke voorbereiding in de zomer.akantie dient plaats te vinden. Dit hindert het doorlopen van een goed proces binnen de gemeente, zotvel qua ambtelijke voorbereiding als bestuurlijke besluitvorming. Ook maakt deze planning het betrekken van de raad in voorkomende gevallen nagenoeg onmogelijk. Wellicht is het mogelijk rekening te houden met het zomerreces.
21U1T06105
Pagina 2
Molenbiotoop Het ontwerp van de Omgevingsverordening introduceert voor een aantal molens in Zuid Holland het begrip van de bijzondere molenbiotoop. Dit principe ondersteunen wij van harte. Reeds lange tijd is het provinciaal beleid ten aanzien van molenbiotopen en de situatie in Schiedam onderwerp van gesprek. Dit in relatie tot de beoogde ontwikkelingen in ons stedelijk gebied, de specifieke situatie van de diverse molens in de binnenstad van Schiedam en de beperkende werking van de provinciale molenbiotopen. Daarbij is ook herhaaldelijk verzocht te bezien in hoeverre de situatie in Schiedam aanleiding is voor een herziening van het provinciaal regime voor molenbiotopen, al dan niet breder getrokken naar de situatie van stadsmolens in andere historische steden in Zuid-Holland. De aanduiding van diverse bijzondere molenbiotopen is een stap in de goede richting, en biedt ook voor Schiedam goede mogelijkheden voor een maatwerk wat recht doet aan de integrale opgaves binnen ons stedelijk gebied. Des te meer verbaast het ons dat op de situatie in Schiedam in het geheel niet is ingegaan in de Herziening 2021. Dit terwijl hierover diverse malen, zowel ambtelijk als bestuurlijk, concreet het gesprek is gevoerd.
Uit het oogpunt van rechtsgelijkheid mag verwacht worden dat alle molens in Zuid-Holland door de provincie langs dezelfde meetlat worden beoordeeld, en dat in vergelijkbare gevallen een vergelijkbare status wordt toegekend. Weliswaar biedt de ontwerp Omgevingsverordening de mogelijkheid om in de toekomst ook andere molens een bijzondere molenbiotoop toe te kennen, het verzoek van Schiedam daartoe is reeds in het voortraject van de voorliggende herziening gedaan. Dat dit verzoek in het geheel geen aandacht krijgt in de Herziening 2021 is niet acceptabel. Het ontwerp Omgevingsbeleid 2021 kent een bijzondere molenbiotoop toe aan een viertal molens in Leiden en aan twee molens in Den Haag. De argumentatie voor toekenning van deze bijzondere molenbiotopen is mager. Voor Leiden wordt gesteld dat een wijziging in het regime nodig is omdat de huidige molenbiotopen de beoogde ontwikkeling van het stationsgebied belemmeren. Deze ontwikkelingen kwalificeren als provinciaal belang. De noodzaak voor een bijzondere molenbiotoop voor de beide molens in Den Haag wordt niet gemotiveerd, er wordt slechts een parallel getrokken met de situatie in Leiden. Aanduiding van een bijzondere molenbiotoop is daarmee niet consistent doorgevoerd, en vergelijkbare gevallen zijn niet op een eenduidige manier beoordeeld.
Ook in Schiedam werkt de aanduiding van diverse (soms overlappende) molenbiotopen immers beperkend ten aanzien van bijvoorbeeld de beoogde herontwikkeling van de wijk Nieuwland. Mede gelet op de toegezegde forse bijdrage vanuit het Rijk in het kader van de Woningbouwimpuisgelden mag duidelijk zijn dat hier sprake is van wijkontwikkelingen van groot belang. Aanvullend aandachtspunt is dat in de summiere onderbouwing voor de nieuwe bijzondere molenbiotopen wordt verwezen naar een advies dat eind 2019 door u is gevraagd aan de provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit (PARK). Het advies van de PARK wordt aangehaald, maar met de aanbevelingen wordt niet consistent omgegaan. De opname van bijzondere molenbiotopen voor Leiden en Den Haag lijkt met name ingegeven door concrete plannen voor gebiedsontwikkeling, niet door de advisering door de PARK. Dat is een gemiste kans. Wellicht ten overvloede merken wij daarbij op dat bescherming van de molens ook een specifiek beleidsdoel van Schiedam is. De stadsmolens zijn kenmerkend voor Schiedam, en behoud in een passende context is een belangrijk uitgangspunt in de verdere ontwikkeling van onze stad. Het provinciale molenbeleid doet in dat opzicht naar onze mening weinig recht aan de ruimtelijke context waarin onze molens staan. 21U1T06105
Pagina 3
Een uniforme provinciale regeling voor een volledig vrijstaande poldermolen en een (van oudsher) ingebouwde stadsmolen is uiterst onwenselijk. Met de bijzondere molenbiotoop kan daarin meer onderscheid worden gemaakt, recht doend aan de specifieke omstandigheden ter plaatse. Het is dan wel wenselijk dat dit onderscheid ook wordt aangebracht, wanneer de situatie daar om vraagt. Wij herhalen dan ook nogmaals ons verzoek om voor de molens in de Schiedamse binnenstad een bijzondere molenbiotoop vast te stellen. De ontwikkelingen die wij het komend decennium in Schiedam voorstaan zijn van een dusdanig groot belang dat het wenselijk is op voorhand de beperkingen die de huidige structuur biedt weg moeten nemen. Mede gelet op de omvang van de ontwikkelingen zal over de uitwerking ook uitgebreid met de provincie worden gesproken. Borging van een goede bescherming van de molens is daarbij integraal onderdeel van de uit te werken plannen voor de doorontwikkeling van onze stad. Verstedelijking en woningbouw De voorliggende Herziening 2021 bevat een aantal aspecten die zien op de positionering ten aanzien van verstedelijking en woningbouw. In algemene zin merken wij op dat wij diverse belangrijke uitgangspunten ondersteunen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de nadruk die wordt gelegd op binnenstedeljke woningbouwlocaties en het belang van een integrale aanpak in de verstedeljkingsopgave.
Beleidskeuzes zoals verwoord onder A3 Verstedelijking in de ontwerp Omgevingsvisie, sluiten goed aan bij opgaven waar we in Schiedam aan werken, zoals de aanpak voor de wijk Nieuwland of de transformatie van Nieuw-Mathenesse. De focus op binnenstedelijk ontwikkelen zorgt er daarbij voor dat investeringskracht en bouwcapaciteit in de bestaande stad behouden blijft. Dit is van groot belang, gelet op de uitdagingen die bouwen binnen bestaand stads- en dorpsgebied kent ten opzichte van ‘bouwen in het weiland’. Wij zien ons door het provinciaal beleid in deze dan ook gesteund in de inspanningen die wij als stad op dit vlak verrichten. Op een aantal onderdelen is een nadere uitwerking of detaillering echter noodzakelijk, zodat het provinciaal beleid onze eigen beleidsvorming en —realisatie ook daadwerkelijk ondersteunt. Sociaal en betaalbaar wonen De begrippen sociaal wonen en betaalbaar wonen komen op diverse plaatsen in de ontwerp Omgevingsvisie en ontwerp Omgevingsverordening voor. Duidelijke definities voor deze begrippen zijn wat ons betreft absolute noodzaak. In de ontwerpstukken ontbreken deze echter. Wij verzoeken u deze op te nemen, en in de stukken daarbij ook consequent het onderscheid tussen sociaal wonen en betaalbaar wonen door te voeren.
Dit is van groot belang, omdat hier grote opgaven aan gekoppeld zijn voor gemeenten en corporaties, bijvoorbeeld met het Regioakkoord wonen regio Rotterdam 2018-2030. U bent bekend met dit Regioakkoord, en dus ook met de definities die wij als regio voor sociaal en betaalbaar wonen hanteren. Afstemming van het provinciaal beleid op dergelijke regionale akkoorden lijkt dan ook meer dan voor de hand liggend. Daarnaast strookt de tekst van de Herziening 2021 niet op alle vlakken met de praktijk. Een voorbeeld is te vinden onder beleidskeuze A.5 Sociaal en betaalbaar wonen in de ontwerp Omgevingsvisie. Hier wordt gesproken over betaalbare woningen met een minimale inkomenseis van vier keer de huursom. Dit kan gelden voor middenhuur, maar niet voor sociale huur.
21U1T06105
Pagina 4
Een duidelijk onderscheid tussen sociale huur en middeldure huur/koop is daarom erg belangrijk. Dit mede in het licht van de opgave voor sociale woningbouw en de regionale woningmarktafspraken. Uitgangspunt moet zijn dat voor alle inkomensgroepen voldoende wordt gebouwd, waaronder sociaal. Het ontbreken van definities en het niet consequent doorvoeren van het onderscheid tussen sociaal en betaalbaar leidt tot verwarring en misverstanden. Buitenstedetjke woningbouwtocaties groter dan 3ha Kaart 19 bij de ontwerp Omgevingsverordening geeft een overzicht van de grote buitenstedeljke bouwlocaties (de zogenaamde 3 ha-kaart). In algemene zin merken wij op dat de legenda bij deze kaart kan worden verduidelijkt. Zowel op de PDF-weergave als in de digitale planviewer is niet op eerste gezicht duidelijk wat de diverse aanduidingen op de kaart betekenen. In Schiedam is een woningbouwlocatie aangeduid als buitenstedelijke woningbouwlocatie. Het gaat om een gebied ter plaatse van de Polderweg / Schiekade. Het gaat in deze om de aanduiding van een woongebied, die reeds planologisch mogelijk is gemaakt. De gronden zijn gemeentelijk eigendom en worden op termijn benut voor woningbouw. Primair zien wij deze locatie als binnenstedeljke ontwikkelingslocatie.
Het gebied betreft feitelijk een restperceel, aan alle zijden omgeven door de stedelijke structuur van de industrie- en bedrijventerreinen ‘s-Gravelandsepolder en Noord-West (gemeente Rotterdam) en het gemengde bebouwingslint langs de Polderweg en Schiekade. Ruimtelijkfunctioneel gezien is geen sprake van een buitenstedelijke locatie. Daarbij is invulling van de locatie in lijn met de regels die de ontwerp Omgevingsverordening nu voor dergelijke buitenstedelijke woningbouwlocaties introduceert, niet aan de orde (doorwerking beleidskeuzes A3, A4 en A. uit de ontwerp Omgevingsvisie). De ontwerp Omgevingsverordening gaat voor deze woningbouwlocaties uit van een zo hoog mogelijke bebouwingsdichtheid, met in ieder geval een streven naar 45 of meer woningen per hectare. Ook moet worden gestreefd naar een gevarieerd aanbod aan woningtypen, waaronder met name ook betaalbare woningen. Voor het bedoelde gebied in Schiedam, circa 5ha groot, zou dit betekenen dat op basis van het provinciaal beleid invulling met 225 woningen of meer nodig wordt geacht. Dit terwijl wij uitgaan van 25 tot 50 woningen. Naast toevoeging van een aantrekkelijk woonmilieu hebben wij daarbij ook nadrukkelijk de verbetering van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteit ter plaatse voor ogen. Daarbij wordt, mede vanwege deze seffing, uitgegaan van vrijstaande en twee-aaneen gebouwde woningen.
Overigens raakt dit specifieke onderwerp ook aan ons eerder in deze zienswijze gemaakte algemene punt van subsidiariteit. Op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze planologisch reeds mogelijk gemaakte woningboiiwlocatie is geen provinciaal belang. In algemene zin kan nog worden opgemerkt dat de gekozen formulering op voorhand weinig ruimte laat voor lokaal maatwerk. Zeker in Zuid-Holland is een maximale invulling van mogelijke bouwlocaties ook door andere regelgeving beperkt. Denk aan de impact van de luchtvaart op de toegestane hoogte van bebouwing, of de doonverking van externe veiligheidsaspecten in stedenbouwkundige ontwerpen. Maatwerk is in deze vaak cruciaal om te komen tot een zo optimaal mogelijke invulling.
21U1T06105
Pagina 5
Bedrijventerreinen Kaart 20 bij de ontwerp Omgevingsverordening geeft een overzicht van bedrijventerreinen. Op deze kaart zijn diverse bedrijventerreinen aangeduid in Schiedam. Op de kaart staan in Schiedam de terreinen ‘s-Gravelandsepolder, Spaanse Polder, Nieuw-Mathenesse, de Havens en Kethelvaart aangeduid. Deze terreinen kwalificeren als bedrijventerrein conform de Omgevingsverordening. Op de kaart staan echter ook enkele solitaire bedrjfspercelen aangeduid als bedrijventerrein. Het gaat om bedrijven aan de Polderweg. Deze percelen hebben weliswaar een bedrijfsbestemming, ze kwalificeren niet als bedrijventerrein zoals in de Omgevingsverordening bedoeld. Wij verzoeken u dan ook om de aanduiding voor deze percelen van de kaart te verwijderen. Daarnaast is een gebied aangeduid als bedrijventerrein in de binnenstad van Schiedam. Dit is onjuist. Voor een deel van deze locatie is op 10juli 2018 het bestemmingsplan De Branderij vastgesteld door onze raad. Op basis van dit bestemmingsplan zijn de betreffende gronden bestemd voor wonen met bijbehorende voorzieningen. De omvang van het aangeduide gebied met een bestemming voor bedrijfsvestigingen is kleiner dan iha geworden, daarmee voldoet het niet meer aan de begripsomschrijving voor bedrijventerreinen zoals opgenomen in de Omgevingsverordening. Ook op dit punt is aanpassing van de kaart dus wenselijk.
In de informele consultatie in aanloop naar het voorliggende ontwerp Herziening 2021 hebben wij deze opmerkingen overigens reeds gemaakt. Helaas is deze inbreng dus niet verwerkt. Volledigheidshalve merken wij op dat voor het bedrijventerrein Nieuw-Mathenesse een (gedeeltelijke) transformatie in gang is gezet. Voor het noordelijk deel van Nieuw-Mathenesse is in maart 2021 een WoonWerkAkkoord gesloten tussen gemeente en provincie. Deze ziet onder andere op de transformatie van een deel van het bedrijventerrein tot gemengd woonwerkgebied, en bevat ook de instemming met het benodigde compensatieplan. De planologische uitwerking van de transformatie wordt nog in september 2021 opgestart. Bos en bomen Kaart 23 bij de ontwerp Omgevingsverordening geeft een overzicht van de zogenaamde A locaties, bosreservaten en groen erfgoed. Het gaat om een nieuwe kaart, gekoppeld aan regels. Voor Schiedam is een aanduiding opgenomen rondom een bosschage tussen de Harreweg en het Octave de Coninckpad. In het geldende bestemmingsplan voor het perceel (Kethelse Venen), zijn de betreffende gronden bestemd als Agrarisch met Waarden Natuur-en Landschapswaarden. Er geldt onder andere een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, waaronder het verwijderen van beplanting of bomen. Hiermee is het bosje afdoende beschermd.
Onduidelijk is welk provinciaal belang gemoeid is met het opnemen van dit specifieke bosje in de Omgevingsverordening. De toelichting op dit punt is uiterst summier. Een mogelijke relatie met het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfiand, of de voor dat gebied ontwikkelde visie, wordt bijvoorbeeld niet gelegd. Ofwel dient de toelichting uitgebreider te zijn, ofwel dient de aanduiding van de kaart te worden verwijderd. —
21U1T06105
Pagina 6
Omgevingswet Hoewel de Herziening 2021 op een aantal punten voorsorteert op de Omgevingswet, zal deze worden vastgesteld onder vigeur van de huidige Wet ruimtelijke ordening. In de stukken wordt op diverse punten verwezen naar doorwerking van het provinciaal Omgevingsbeleid in omgevingsplannen. Wij geven er de voorkeur aan om vooralsnog de terminologie uit het huidig wettelijk kader te gebruiken. Tot slot Met deze zienswijze hopen wij op een constructieve manier bij te dragen aan de uitwerking van het provinciaal Omgevingsbeleid. Uiteraard zijn wij bereid om over de aangedragen punten in onze zienswijze met u nader het gesprek aan te gaan. Wij nodigen u daarvoor van harte uit in Schiedam. Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Schiedam, de secretar __.
_—
de burgemeest /
Bos
C.H.J. La ers
/
4
21U1T06105
Pagina 7