CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Zandpolder fase 4 en 5 Bijlagen bij de toelichting vastgesteld

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan "Zandpolder 4 en 5"14.855 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De sloot rond het perceel waar Zandpolder, fase 4 ingericht zal worden is wel onderzocht. De volgende soorten werden daarbij aangetroffen: Aarvederkruid, Riet, Puntkroos, Klein kroos, Gewoon sterrenkroos, Gele waterkers, Veenwortel, Heen (vroeger Zeebies geheetten), Gele lis. Alleen Heen is een indicator van zwak brakke omstandigheden. Puntkroos, Klein kroos, Gewoon sterrenkroos, Gele waterkers zijn meer kenmerkend voor zoete omstandigheden. De overige soorten komen in zowel zoete als brakke omstandigheden voor.

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

25

Figuur 5. Voorkomen van zout-indicerende plantensoorten Dit beeld sluit toch verrassend goed aan bij de gegevens op basis van gemeten fysische waarden: De sterkste brakke kwel treedt op in het gebied direct achter de duinvoet, met een zwaartepunt tussen de hoeves Afrika en Duinoord. Daar ten noorden van ligt een tweede zwaartepunt: de beide meertjes aan de parkeerplaats aldaar waar Snavelruppia voorkomt. Conclusie 1: In Zandpolder 4 is geen of hoegenaamd geen sprake van brakke kwel. De wat verhoogde chloridegehaltes in de sloten rondom het gebied en het daar voorkomen van een enkele zoutindicerende plantensoort hangen samen met de aanvoer van chloridehoudend water van elders. Als bij de herinrichting van Zandpolder 4 zilte / brakke natuur wordt nagestreefd dan zal dit zout van elders dienen te worden aangevoerd. Mocht deze aanvoer niet lukken dan wordt een ontwikkeling van aan zoet grondwater gebonden waarden richtinggevend.

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

26

2. De huidige waterhuishouding Op onderstaande kaart zijn de waterpeilen in en om het studiegebied opgenomen.

Figuur 6. Polderpeilen volgens de legger van HHNK. De peilen voor Zandpolder4 en omgeving variëren van dertig tot zestig centimeter onder NAP. De hoogste peilen worden in het zomerhalfjaar bereikt wanneer het water in de sloten wordt opgezet. In de winterperiode worden juist lage peilen nagestreefd. Bij een maaiveldhoogte van 2 tot 3 decimeter + NAP geeft dat in de zomer een drooglegging van een halve meter en meer, ideaal voor de agrarische functie. Zolang deze agrarische functie in het gebied tussen Rietweg en duinvoet aanwezig is, zal het aanpassen van het peilregiem ten dienste van het natuurbehoud op z’n minst veel overleg vragen zo niet onmogelijk blijken. Wanneer in de toekomst alle gronden tussen Rietweg en duinvoet kunnen worden ingericht ten dienste van de natuur, vervallen veel van deze eisen. Dan blijven slechts de beide watergangen evenwijdig aan de hierboven genoemde wegen/grenzen van het gebied als waterhuishoudkundige randvoorwaarden over en kan gemakkelijker worden gesproken over een aanpassing van het peil. Maar zover is het nog (lang?) niet.

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

27

Conclusie 2. Gegeven het feit dat de gronden in de directe omgeving van Zandpolder 4 hun agrarische bestemming voorlopig houden, vervalt de optie om de peilen van de sloten direct grenzend aan Zandpolder 4 in een meer natuurlijke zin, aan te passen. Ter verkrijging van hoge natuurwaarden staat alleen de weg open van het optimaliseren de interne waterhuishouding dwz een peilverhoging of maaiveld verlaging gecombineerd met een natuurlijk peil van de gronden van Zandpolder 4. Daarbij kan ook gekeken worden naar de aanvoer van brak water van elders.

3. Bodem en grondwater Op 4 mei 2017 is veldwerk verricht en zijn 10 bodemmonsters gestoken. Op onderstaande foto is een typisch bodemprofiel te vinden: De bovengrond bestaat uit een sterk humeuse zandlaag met een dikte van ongeveer een halve meter. Daaronder bevindt zich min of meer zuiver zand met een bleke tot licht bruine kleur. Op een diepte van ongeveer 75 cm wordt het zand blauwachtig. Dit duidt erop dat we daar de permanent gereduceerde zone, ook wel de grote G genoemd, aantreffen. Dit is het niveau waaronder het grondwater zelden tot nooit wegzakt en een belangrijk ontwerpcriterium bij de herinrichting van het gebied.

In figuren 7 en 8 staan de boorlocaties en de bodemprofielen en grondwaterstandsgegevens weergegeven. Opvallend is dat al deze tien profielen een zeer grote overeenkomst vertonen.

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

28

Figuur 7. Locaties van de boringen.

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

29

Figuur 8 Bodem en grondwatergegevens van de 10 boringen. Voor de herinrichting en de natuurontwikkeling van het gebied leveren deze gegevens het volgende beeld. Uitgaande van een fluctuatietraject van het grondwater van ongeveer een halve meter, waarbij de hoogste winterstanden een halve meter boven de laagste zomerstanden liggen, en een GLG van 7 dm onder maaiveld, zal het hoogste winterpeil tot 2 a 3 decimeter onder maaiveld reiken. Om in het veld een plas /dras situatie te creëren dient het maaiveld verlaagd te worden. De mate waarin is afhankelijk van het gewenste natuurdoeltype en van de mate waarin eventueel stuwing van het grondwater ter plekke kan plaats vinden.

4. Herinrichting als ‘zoet’ gebied In de sloten rondom Zandpolder 4 wordt een zeer onnatuurlijk peilregiem gevoerd met lage winteren hoge zomerstanden. Bij de herinrichting streven we een waterhuishoudkundige isolatie van het gebied voor. Aan de buitenzijde, langs de poldersloten handhaven we een kade van ca. 5 meter

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

30

breed. Daarbinnen laten we het natuurlijk grondwaterregiem zoveel als mogelijk zijn gang gaan. Wel dienen we voor een afvoer van overtollig neerslagwater in het winterhalfjaar te zorgen, door middel van een stuw. Uitgaande van het gehanteerde polderpeil ter plekke met een hoogste stand van (zie figuur 6) 0.3 m – NAP, zou eerst afvoer van water plaats mogen vinden bij een waterstand in het gebied van ca. 0.1 m – NAP. Op basis van het hoogtebestand van Nederland, schatten we de maaiveldhoogte in op 0,3 m + NAP. Uitgaande van een stuwhoogte van 0,1 m – NAP betekent dit dat als we plas-drasse natuur willen maken er een verlaging van het maaiveld met minimaal 0.5 meter dient plaats te vinden. (Dit is een eerste grove indicatie. Voor een nauwkeuriger maatvoering is kennis van de maaiveldhoogte van het terrein noodzakelijk.) Om permanent open water te verkrijgen zal het maaiveld met ca. 1 meter moeten worden verlaagd.

Conclusie 3: Om te komen tot de ontwikkeling van natte aan het grondwatergebonden natuurdoeltypen is het gewenst om verlaging van het maaiveld toe te passen. Om in de winter een plas/dras situatie te creëren is een maaiveldverlaging met ongeveer een halve meter gewenst. Om permanent open water te krijgen dient het maaiveld met een kleine meter te worden verlaagd. Bij dit alles speelt een eventuele fosfaatverzadiging van de bodem een belangrijke rol. Deze kan ervoor zorgen dat het lang duurt voordat de gewenste waardevolle typen zich ontwikkelen.

5. Herinrichting als ‘zilt’ gebied Op 11 mei is een veldbezoek gepleegd, samen met HHNK en LHN. Daarbij is de mogelijkheid besproken om in Zandpolder 4 een zilte ontwikkeling te realiseren. Eerder al hebben we gezien dat ter plaatse geen zoute kwel optreedt. Om toch zilte omstandigheden te creëren dient zout water van elders te worden aangevoerd. Daarvoor staan ons drie wegen ter beschikking:

1. Naar boven halen van het op enkele meters diepte aanwezige brak/zoute grondwater 2. Aanvoer van zout, opkwellend water vanuit de NO punt van de Boskerploder. Daar waar een onderbemaling aanwezig is. 3. Aanvoer van de zoute kwel bij de parkeerplaats aan de binnenduinrand ten noorden van hoeve Duinoord. Het hoogheemraadschap stelt zich op het standpunt dat de zoutbelasting van de polder Callantsoog al groot is. Aanvoer van extra zout water naar het gebied is onbespreekbaar. Daarmee vervalt de hierboven genoemde optie 1. Aanvoer vanuit de NO punt van de Boskerpolder (optie 2.) is technisch moeizaam. Er zal een aanvoersysteem moeten worden aangelegd met een stromingsrichting tegen de loop van de huidige watergangen in. De enige te verkennen en wellicht haalbare optie is optie 3. Door de poeltjes bij de parkeerplaats af te koppelen van de rest van het watersysteem en een afvoer te maken in noordelijke richting via de bermsloot van de weg langs de binnenduinrand, kunnen we dit zoute water, langs Zandpolder 3, ter hoogte van Zandpolder 4 brengen. Vanaf dat punt aan de binnenduinrand zal dit water via een buis naar de ZW punt van Zandpolder 4 gebracht moeten worden. Daar kan het tenslotte vrijelijk uitstromen in het nieuwe natuurgebied. Bij deze optie 3 wordt geen extra zout aan het poldersysteem toegevoegd. Wel wordt er bewuster gebruik van gemaakt van dit zout.

Als we de bron van dit zoute water ic de beide plasjes bij de

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

31

parkeerplaats, en de verdere aanvoer via de bermsloot voldoende kunnen isoleren, worden de omstandigheden voor de agrariërs ter plaatse beter. Wij stellen ons voor dat er een geleidelijke aanvoer van zout water zal plaats vinden. In het zomerhalfjaar vindt geen afvoer van water vanuit zandpolder 4 plaats en zal zich dus een ophoping van zout voordoen. In het najaar / winter wanneer het neerslagoverschot groot is zal op enig moment water worden afgevoerd, dat dan, zeker in eerste instantie, brak zal zijn. Deze lozing vindt echter plaats In een periode die voor de landbouw minder kritisch is. Voor de terreininrichting kunnen dezelfde uitgangspunten als hierboven onder 4. ‘Herinrichting als zoet gebied’ zijn genoemd. Conclusie 3: Om te komen tot de ontwikkeling van zilte natuurwaarden dient zout / brak water van elders te worden aangevoerd. De enige werkbare optie is om gebruik te maken van brak water vanuit de plasjes nabij de parkeerplaats. Bij de herinrichting van het gebied kunnen in die situatie dezelfde uitgangspunten worden gehanteerd, zoals voor een ‘zoete’ inrichting zijn geformuleerd. Echter de fosfaatverzadiging van de bodem speelt in een brakke situatie een minder grote rol, omdat fosfaat voor planten in een brakke situatie minder beschikbaar is.

6. Een doorkijkje naar de toekomst Een belangrijke overweging is: hoe zouden we het gebied nu inrichten als alle gronden tussen Rietweg en duinvoet ter beschikking zouden komen voor natuurontwikkeling? In de huidige manier van werken, wordt het gebied van de Zandpolders stapsgewijs, gebiedje voor gebiedje, heringericht. Wanneer in de toekomst het hele gebied ter beschikking zou komen voor natuurontwikkeling lijkt, samenhangend met de ontwikkeling tot nu toe, de meest werkbare optie om deze stapsgewijze ontwikkeling te handhaven en door middel van stuwen de winterpeilen te regelen. In de zomerperiode vindt dan in elk geval voor een aantal sloten geen aanvoer van water meer plaats met een grotere, dan nu het geval, daling van de grondwaterstanden. Afhankelijk van de mate waarin sloten gedempt zouden worden zullen de grondwaterstanden in het aangrenzende veld, naar grove schatting in de zomer kunnen deze een decimeter verder wegzakken.

7. Naar een watervergunning Op grond van bovenstaande schatten wij in dat het aanpassen van het huidig peilbesluit niet aan de orde kan zijn. Twee punten blijven dan over:

1. Bij een inrichting met plas/dras omstandigheden en open water, zal in tijden van veel neerslag een snelle afvoer van overtollig water plaats gaan vinden. Daarmee wordt de berging van de polder Callantsoog extra belast. Een manier om in zo’n situatie binnen het gebied Zandpolder 4, extra berging te creëren is om bij het afvoerpunt een automatische stuw te plaatsen die dan een hoger peil instelt dan de hiervoor geformuleerde 0.1 m – NAP. 2. Bij een zilte inrichting zoals geformuleerd in hoofdstuk 5, vindt geen extra belasting van het poldersysteem met zout water plaats. Dit zout wordt ingezet om in Zandpolder 4 zilte omstandigheden mogelijk te maken. De belasting van het poldersysteem met zout vindt plaats in tijden met een neerslagoverschot. Dat zal vooral plaats vinden in het winterhalfjaar en daarmee gunstiger dan nu het geval voor het agrarisch belang.

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

32

4.2

Zandpolder 4: Notitie Brak Grasland

In deze notitie wordt ingegaan op de vraag of Zandpolders 4 brak genoeg kunnen worden voor de ontwikkeling van een SNL-type Zilt en overstromings-grasland. Definitie Zilt- en overstromingsgrasland In de definitie worden een aantal doelsoorten benoemd, die bij een goede kwaliteit aanwezig kunnen zijn. Op basis van deze soorten blijkt dat een aantal vegetatietypen relevant zijn. Deze typen behoren tot het zilverschoonverbond (12Ba), of zeeasterklasse (26). Zilverschoonverbond De vegetaties van zilverschoonverbond zijn kenmerkend voor permanent natte, al of niet overstroomde, drassige weilanden, met begrazing. Het verbond komt dan ook veel voor op kleiige bodems, of op veen(12Ba2). Klei deeltjes houden namelijk goed water vast, in tegenstelling tot zandige bodems. In tabel 1 wordt een kort overzicht gegeven van de associaties. Tabel 1 Associatie 12Ba1; assocaitie van geknikte vossenstaart

12Ba2; Associatie van moeraszoutgras en fioringras 12Ba3; associatie van aarbeiklaver en fioringras 12Ba4; associatie van kattendoorn en zilte zegge

ecologie Kleigrond, periodiek overstroomd, grote schommelingen waterstand, zoet Permanent natte weilanden, vooral in veenweidegebied Brak, nat blijvende grond. 10 cm dikke laag venig slik op zandgrond. Vooral buitendijks op buitenrand kwelder en groene stranden. Incidenteel binnendijks op zandige welvingen in brak grasland.

doel Geen doelvegetatie

knelpunten

Geen doelvegetatie

doelvegetatie

Chloridegehalte water, bodemontwikkeling (slik op zand)

Geen doelvegetatie

Chloridegehalte water, Komt bijna niet voor binnendijks. Huidige bodem te humeus en voedselrijk

De chloridegehaltes van bovenstaande vegetatie zijn in figuur 1 weergegeven. Het betreft hier metingen (Wamelink) op plekken waar de vegetatie goed ontwikkeld is. Hieruit blijkt dat 95% van de meetpunten met de associatie van aarbeiklaver en fioringras minimaal een chloridegehalte van ongeveer 800 mg/l heeft. De associatie van kattendoorn en zilte zegge komt op iets minder brakke gronden voor (minimaal 550 mg/l). Dit vegetatietype is echter zeer kritisch betreft bodemopbouw en dynamiek (randjes hoge kwelder) en daarom geen doelvegetatie.

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

33

Wamelink - oplosbaar chloride in de bodem (Cl mg/kg) 1.600 1.550 1.500 1.450 1.400 1.350 1.300 1.250 1.200 1.150 1.100 1.050

mg / kg

1.000 950 900 850 800 750 700 650 600 550 500 450 400 350 300 250 1

2

3

1 12Ba03-Associatie van Aardbe klaver en Fioringras (n ?) 4 12Ba01-Associatie van Gekn kte vossestaart (n ?)

4 2 12Ba04-Associatie van Kattedoorn en Zi te zegge (n ?)

3 12Ba02-Associatie van Moeraszoutgras en Fioringras (n ?)

Figuur 1: Chloridegehaltes van de associaties uit het zilverschoonverbond. Zeeasterklasse De vegetaties van de zeeasterklasse zijn vooral kenmerkend voor buitendijkse terreinen, zoals kwelders en schorren. De bodem bestaat gewoonlijk uit zand met eventueel een dunne humeuze toplaag, of algenlaag. In tabel 2 wordt een samenvatting gegeven van deze vegetaties Tabel 2 Vegetatie 26Aa verbond van gewoon kweldergras 26Ab verbond van stomp kweldergras 26Ac1 associatie van zilte rus

26Ac2 – associatie van Engels gras en rood zwenkgras

Ecologie Lage schor. Iets beneden gemiddelde hoogwaterlijn Pioniervegetaties, meestal verdichte bodem hoge kwelder, of binnendijks op zilte tot brakke bodem. Slibrijk zand met humeuze bovenlaag Binnendijks op zilte laagten. Gemiddeld zandige en beter doorluchte bodem dan 26Ac1

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

Doel Geen doelvegetatie

knelpunten

Geen doelvegetatie

doelvegetatie

Zilt milieu

doelvegetatie

Zilt milieu

34

26Ac3 – kwelderzeggeassociatie

26Ac4 associatie van rode bies

26Ac5 – zeealsemassociatie 26Ac6 – strandkweekassociatie 26Ac7 – assocaitie van zeerus en zlt torkruid

Randen van hoge plaatkwelders, voet van duinen en achterduinse strandvlakten. Niet binnendijks. Rand achterduinse strandvlakten, slenken in lage duinen, veepaadjes en karrensporen. Alleen op de wadeneilanden. Niet binnendijks Niet binnendijks

Geen doelvegetatie

Niet binnendijks

Geen doelvegetatie

Niet binnendijks

Geen doelvegetatie

Geen doelvegetatie

Geen doelvegetatie

Van de vegetaties van de zeeaster klasse zouden in potentie alleen de associatie van zilte rus en associatie van Engels gras en rood zwenkgras op grote schaal kunnen ontwikkelen. Een knelpunt van alle vegetaties van de zeeasterklasse is dat deze vegetaties van nature voorkomen op kwelder en schorren met bijbehorende bodemopbouw. De bodem bestaat in het algemeen uit slibrijk zand, wat door (incidentele) overstromingen zo heeft kunnen ontwikkelen. Een tweede knelpunt is het zilte karakter van deze vegetaties. In figuur 2 worden de gemeten chloridegehaltes van de 2 mogelijke doelvegetaties weergegeven. Wamelink - oplosbaar chloride in de bodem (Cl mg/kg) 2.300 2.250 2.200 2.150 2.100 2.050 2.000 1.950 1.900

mg / kg

1.850 1.800 1.750 1.700 1.650 1.600 1.550 1.500 1.450 1.400 1.350 1.300 1.250 1.200 1

2 1 26Ac02-Associatie van Engels gras en Rood zw enkgras (n ?)

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

2 26Ac01-Associatie van Zi te rus (n ?)

35

Figuur 2: Chloridegehaltes van de 2 mogelijke doelvegetaties uit de zeeasterklasse. Deze associaties komen pas tot ontwikkeling bij concentraties vanaf respectievelijk 1750 mg/l en 1450 mg/l. Conclusies:

-

-

-

-

Voor de ontwikkeling van zilt- en overstromingsgrasland komen vegetaties van het zilverschoonverbond (12Ba3, 12Ba4) en de Zee-asterklasse (26Ac1, 26Ac2) in aanmerking. De vegetaties van het zilverschoonverbond zijn kenmerkend voor permanent natte graslanden (veelal op klei). De vegetaties van de zee-asterklasse zijn kenmerkend voor verschillende type hoge kwelders en schorren (slibrijk zand). Wanneer water vanuit de plasjes (met snavelruppia) wordt ingelaten in het gebied zouden de omstandigheden in theorie brak genoeg kunnen worden voor de associatie van aardbeiklaver en fioringras. De associatie van snavelruppia en associatie van aardbeiklaver en fioringras hebben ongeveer dezelfde Wamelink waarden voor chloride (vanaf 800 mg/l). Er dient wel rekening gehouden te worden met de verdunningsfacor. Als water op 1 punt wordt ingelaten kan het op die plek brak genoeg zijn, maar verder van de inlaat wellicht niet. Hierdoor kan wel een soortenrijke gradient ontstaan van zout naar zoet. De bodem van de associatie van aardbeiklaver en fioringras bestaat uit venig slik op zand. De sliklaag kan alleen ontstaan door natuurlijke ontwikkeling. Er wordt daarom aanbevolen de humeuze toplaag af te graven en de waterhuishouding op orde te brengen. Vanuit die situatie kan een pioniersvegetatie op (brakke?!) zandgrond ontstaan (klasse 27).

Door de hoge waterstand zal deze pioniersvegetatie de venige sliklaag ontwikkelen waarop de associatie van aarbeiklaver en fioringras kan ontstaan. Mogelijk zou zelfs de associatie van kattendoorn en zilte zegge kunnen ontstaan (minder brak). In de hierboven beschreven ontwikkelingsreeks komen doelsoorten van zilt- en overstromingsgrasland voor. Vanaf de uitgangssituatie met kaal zand en brak water met hoog peil worden genoemd: dunstaart, fraai duizendguldenkruid, gerande schijnspurrie, laksteeltje, melkkruid, zilte rus, lidrus, zeegroene rus. In het eindstadium kunnen soorten verwacht worden als: aardbeiklaver, behaarde boterbloem, pijptorkruid, rode waterereprijs, rode ogentroost.

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

36

Literatuur Bakker, Theo en Cor ten Haaf, 2008. Zandpolder – Callantsoog, mogelijkheden voor natuurontwikkeling. Rapport ten Haaf&Bakker 19 pp plus bijlagen. Griffioen J., P. de Louw, H. Boogaard & R. Hendriks, 2002. De achtergrondbelasting van het oppervlaktewater met N, P en Cl en enkele ecohydrologische parameters in westelijk laag-Nederland. TNO-rapport NITG, 178 pp + bijlagen Someren M.H. van, 2001. De kwel- en infiltratiekaart van Noord-Holland Noord. Prov. Noord-Holland, 33 pp + bijlagen Stuyfzand, P.J. & F. Lüers, 1992. Hydrochemie en hydrologie van duinen en aangrenzende polders tussen Callantsoog en Petten. KIWA, Nieuwegein, 56 pp en bijlagen Tromp, Karin, 1999. Landelijk gebied Callantsoog. De beleidsconcepten “watersysteembenadering” en “voorraadbeheer” getoetst aan de praktijk. Afstudeerscriptie universiteit Utrecht, 96 pp en bijlagen.

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

37

Bijlage 1. Meetreeks EGV door HHNK

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

38

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

39

Inrichting Zandpolder 4

0,3

p 0; w

zp -

0 -0,6

e

B' t stor t r e ov nlaa e d r i val re o b o t v me omp regen w Stu opo p at bij V uitla n e

B

A'

A

pe staand y t ak p be b w stu kes o e sne er duik

0; 0,3 p 0 z -0,6 wp

dam

u

td me

nd

ro iker

250

bestaand water uitgraven tot gemiddeld -0,80 NAP uitgraven tot gemiddeld -0,40 NAP uitgraven tot gemiddeld -0,10 NAP grasdijk ca. + 0,22 NAP (huidig maaiveld) gewassen schelpen, met rand van betongranulaat ruigte en struweel plaatselijk verhogen tot +0,40 NAP (kruipwilg, wilde kamperfoelie, dauwbraam verwijderen dam; deze dammen z geen peilscheidingsdammen Stuw met brede overstort, 1m Vopo pomp voor inlaat en uitlaat b extreme regenval, duiker 600 mm stuwbak type Sneekes op bestaande duiker vossenraster

c'

C

0; 0,3 zp - 0,60 wp 0,1 zp -

5

5; w

,4 p -0

et m dam mm 400 d n o

rustpunt met (picknick)bank, infopaneel en fietsenrek

,45 p -0 w ; ,15 p -0

z

rr

e duik

1:1000

indicatief zomerpeil -0,40 NAP indicatief winterpeil -0,0 NAP boerenlandhek met zijvleugels

mm

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

41

Inrichting Zandpolder 4 - 2017 -

42

bestemmingsplan Zandpolder fase 4 en 5

Bijlage 3 Inrichtingsplan Zandpolder 5

69

Inrichting Zandpolder 5

Augustus 2020

Inrichting Zandpolder 5

2020

Projectleider Afdeling

Onderzoek en Advies

Opdrachtgever

Gebieden

Financiering Foto’s en afbeeldingen Wijze en citeren Rapportnummer Projectnummer

M-19-50314

© Natuurlijke Zaken De zakelijke dienstverlening van Landschap Noord-Holland Postbus 222 1850 AE Heiloo 088-0064400 www.natuurlijkezaken.nl

Inhoudsopgave Inhoudsopgave .................................................................................................... 4 1

Inleiding...................................................................................................... 7

2

Inventarisatie en analyse ............................................................................ 9

3

2.1

Hydrologie ............................................................................................................................................. 9

2.2

Grondwaterstanden en bodemopbouw ................................................................................................ 9

Ontwerpcriteria ........................................................................................ 11

Inrichting - 2020 –

................................................................................................................. 12 4

Inrichting .................................................................................................. 13

Bijlagen ............................................................................................................. 17

Inrichting - 2020 –

1

Inleiding

De Zandpolder tussen Callantsoog en Groote Keeten is een scharnierpunt tussen een aantal natuurgebieden. De polder maakt de verbinding van de NNN/Natura 2000 duingebieden tussen het Zwanenwater en de duinen in de Noordkop robuust. Daarnaast vormt zij een belangrijke ecologische verbinding in de Noordkop, o.a. als schakel tussen het Kooibos en de Uitlandsche polder naar het Zwanenwater. In het rapport “Groene Quickwins voor de Zandpolder” (Landschap Noord-Holland, Gemeente Schagen, Ten Haaf en Bakker, juni 2015) is de toekomstvisie voor het gehele gebied terug te vinden. Er is de afgelopen jaren al een aardige slag gemaakt voor wat betreft nieuwe natuur. De natuurontwikkelingsprojecten Zandpolder 1, 2 en 3 zijn gerealiseerd. Zandpolder 4 is in ontwikkeling. Onlangs zijn de gronden rond hoeve Africa (Zandpolder 5) in bezit gekomen van LNH. In eerdere inrichtingsfasen heeft een uitgebreide gebiedsanalyse plaatsgevonden. Hiervan is ook In dit inrichtingsplan gebruik gemaakt. Voor de beschrijving hiervan verwijzen we naar het rapport “Inrichitng Zandpolder 4” gevoegd bij de subsidie-aanvraag buiten uitvoeringsregeling (beschikking 1275231/1313639).

Figuur 1. Ligging Zandpolder 5, gele cijfers verwijzen naar ligging Zandpolders 1 t/m 4)

Deze projecten maken deel uit van de gebiedsontwikkeling Polder Callantsoog zoals hieronder geschetst.

Figuur 2. Gebiedsontwikkeling Zandpolder

In deze gebiedsontwikkeling werkt Landschap noord Holland samen met provincie Noord-Holland, de gemeente Schagen en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Er is inmiddels veel kennis verzameld over de natuurontwikkeling die heeft plaats gevonden. De grote natuurwaarden die hier in korte tijd zijn ontstaan hangen samen met de geleidelijke gradiënten in kwel. Op de 10 tot 30 meter brede strook langs de weg in Zandpolder 1 heeft zich een vegetatie ontwikkeld met een grote variatie aan schaallandsoorten zoals Parnassia, Geelhartje, Moeraswespenorchis, Vleeskleurige orchis, Hondskruid, Welriekende nachtorchis, Moeraskartelblad, Bevertjes, Vlozegge en Zeegroene zegge. In de lagere delen vinden we brakke soorten als Aardbeiklaver, Zilte rus, Fraai duizendguldenkruid en Zulte. In de aangrenzende zilte plasjes komt een zeer zeldzame brakwatergemeenschap voor met Snavelruppia, Zittende zannichelia, Brakwaterkransblad en Stekelharig kransblad. Verderop in gebied komen goed ontwikkelde zilte graslandvegetaties voor. Op grond van het oorspronkelijke totaalplan en de ervaringen uit fase 1, is een hoofdrichting voor de natuurontwikkeling rond hoeve Afrika bedacht: Uitgangspunt voor de inrichting is de ontwikkeling van het natuurdoeltype N12.04 Zilt overstromingsgrasland. 1. De zone grenzend aan het duin is geïnspireerd op het beeld uit fase 1. 2.

Meer landinwaarts zoeken we ook aansluiting bij het totaalplan.

Inrichting - 2020 –

2

Inventarisatie en analyse

2.1

Hydrologie

Chloridegehaltes in grond- en oppervlaktewater Op woensdag 23 oktober 2019 is veldwerk verricht. Op 8 plekken is het EGV (Electrisch GeleidingsVermogen) gemeten en op grond daarvan zijn chloridegehaltes bepaald. In de sloten rondom hoeve Afrika, worden gehaltes gemeten van ruim 500 mg/l tot 900 mg/l. Slechts op een plek, daar waar polderwater wordt aangevoerd om bollenpercelen te inunderen, wordt een lager gehalte van ca. 400 mg/l gemeten. In de plasjes aan de duinkant van Zandpolder fase 1 loopt dit gehalte op tot ruim 1000 mg/l. In het grondwater van de gronden rond hoeve Afrika is een gehalte gemeten van ruim 750 mg/l. Al deze waarden duiden erop dat ter plekke brak grondwater aanwezig is en dat een ontwikkeling van brakke natuur zeer goed mogelijk is. Polderpeilen ter plaatse De meest recente polderpeilenkaart vinden we in het peilbesluit van september 2003. In figuur 3 is een deel van deze kaart opgenomen. De hoogste peilen vinden we in de sloot langs de Rechtendijk: zomerpeil 0,10 m + NAP en een winterpeil van 0,40 m + NAP De laagste peilen komen voor in een sloot direct ten zuiden van het gebied hoeve Afrika: zp 0,5 m - NAP en een wp van 0,4 m - NAP. De sloten grenzend aan het perceel rond hoeve Afrika kennen alle peilen van: zp 0,25 m - NAP en een wp van 0,05 m - NAP. Van belang is dat deze laatste standen ook gelden voor ons referentiegebied uit Zandpolder fase 1.

Figuur 3 Polderpeilen peilbesluit september 2003

2.2

Grondwaterstanden en bodemopbouw

Op 23 oktober 2019 zijn in twee raaien over het gebied zes grondboringen tot een meter diepte gezet. (Zie figuur 4.) De daarbij gevonden grondwaterstanden en bodemopbouw waren vrij uniform: Er is een humushoudende toplaag van ongeveer 60 cm aanwezig, met daaronder schoon zand. Plaatselijk komen nog wat veenlagen voor. (Zie figuur 5.) De grondwaterstand lag zo’n 30 tot 50 cm onder maaiveld. De datum van waarneming, 23 oktober 2019, lag aan het einde van een zeer natte periode, waarbij de gemeten grondwaterstand in de buurt van de GHG ligt. Uit eerder onderzoek (Ten Haaf & Bakker, 2008) weten we dat de GLG in dit gebied op ca. 80 cm beneden maaiveld ligt

Figuur 4. Locaties van grondboringen

Inrichting - 2020 –

Figuur 5. Bodemopbouw en grondwaterstanden in zes boringen

Op 18 december 2019 is het terrein ingemeten. Hieruit blijkt dat de maaiveldhoogte rond de 55 cm +NAP ligt. (zie bijlagen).

3

Ontwerpcriteria

Op grond van deze gegevens komen we tot de volgende ontwerpcriteria voor brakke natuur in het gebied rond hoeve Afrika: 1. 2. 3. 4.

5.

De GLG ligt op ca. 0,8 m – maaiveld. De GHG op zo’n 0,4 m – maaiveld. Om permanent watervoerende plasjes te krijgen dient het maaiveld met minimaal 90 cm en liefst nog wat meer te worden verlaagd. In de winter zijn deze plasjes dan een halve meter diep. Om de gewenste vegetatie tot ontwikkeling te laten komen is verwijderen van de humeuze toplaag noodzakelijk. Om te zorgen dat geen restanten van bestrijdingsmiddelen en/of andere bodemverontreinigende stoffen in de grond achterblijven is afvoeren en verwijderen van de toplaag van het perceel noodzakelijk. Een en ander betekent dat over de gehele oppervlakte van het in te richten perceel de humeuze toplaag van ruim 0,5 meter afgevoerd dient te worden en dat plaatselijk vervolgens nog een halve meter moet worden afgegraven om de gewenste brakke plasjes te verkrijgen.

Figuur 6 Inrichtingstekening Hoeve Africa

Inrichting - 2020 –

4

Inrichting

Ontwerp en inrichting Het ontwerp van het gebied rond Zandpolder 5 sluit aan bij de inrichting van Zandpolder fase 1. (Zie figuur 6.) Vanaf ongeveer 2,50 m vanaf de rand asfalt van de weg wordt het terrein eerst afgegraven tot +0,15 NAP. Een beheerdijk aan de oostkant blijft op maaiveldhoogte staan. De humusrijke grond wordt afgevoerd. Vervolgens worden de plasjes uitgegraven. Met humusloze grond uit onder andere deze plasjes wordt een brede gradiëntrijke strook langs de weg gemaakt van 10 tot 25 meter breed. De strook wordt uiteindelijk tot 1 meter + NAP aangelegd. Doordat de Duinweg hoger ligt ((ca 1,64 +NAP) blijft afleesbaar dat de Zandpolder ooit een polder was, omringd door dijken. Terwijl er toch sprake is van een geleidelijke overgang van natuurgebied naar de weg. De gradiëntrijke strook gaat over in twee plasjes die ook in de zomer nog een diepste punt van circa een halve meter water hebben. (Uitgaande van een maaiveldhoogte van nu 0,55 m + NAP, betekent dit een bodemhoogte van 0,8 m – NAP.) De vlakte erachter is nat en wordt gevoed door zilt kwelwater waardoor er zilt grasland tot ontwikkeling komt. Er komen twee hogere kopjes in te liggen. Deze worden bij voorkeur gemaakt met humusloos zand dat vrijkomt uit de diepe delen van de plasjes. In de oostpunt komt nog een brak plasje.

Het oostelijke plasje staat door middel van een wadi in verbinding met het meest noordelijke plasje. Dat noordelijke plasje wordt door middel van een wade verbonden met het water in Zandpolder 1. Aan de oost- en noordkant van het perceel blijft een dijkje voor het beheer staan dat de hoogte van het huidige maaiveld houdt. Dit dijkje dient ook als peilscheiding met de percelen van de buren en voorkomt afstroom van water het gebied uit.

Gevolgen voor de waterhuishouding Er heeft overleg plaatsgevonden tussen Landschap Noord-Holland, Provincie Noord-Holland en HHNK over zoet/zoutwatermaatregelen om zoetwatertoevoer voor de agrariërs in het gebied te garanderen. Deze maatregelen hebben geen consequenties voor de afwatering en inrichting van Zandpolder 5. Bovenstaande ontwerpcriteria en de daarop gebaseerde inrichting vragen geen enkele aanpassing van de waterhuishouding. Peilen worden niet gewijzigd. Er vindt slechts een verandering van maaiveld plaats. De gevolgen voor de waterhuishouding zullen dan ook verwaarloosbaar zijn.

Figuur 7 Doorsnedes huidige en toekomstige maaiveldhoogten

Inrichting - 2020 –

Figuur 8 Tekening grondwerk

Literatuur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, 2003, Peilbesluit Landschap Noord-Holland, Gemeente Schagen, Ten Haaf&Bakker, 2015, Groene Quickwins voor de Zandpolder, Ten Haaf & Bakker, 2008. Zandpolder-Callantsoog, mogelijkheden voor natuurontwikkeling. Rapport 20 pp plus bijlagen. Ten Haaf & Bakker, 2010. Zandpolder fase 2, inrichtingsplan voor natuur en landschap. Rapport 20 pp plus bijlagen. Ten Haaf & Bakker, 2014, Zandpolder fase 3 natuurontwikkelingsplan Ten Haaf & Bakker, 2018, Maatregelen om de zoetwateraanvoer voor agrariërs te garanderen bij de realisatie van brakke natuur in de Polder Callantsoog. Natuurlijke Zaken, Stichting Landschap Noord-Holland, Inrichtingsplan Zandpolder 4

Inrichting - 2020 –

Bijlagen 1. Inmeting 18-12-2019

Inrichting - 2020 –

bestemmingsplan Zandpolder fase 4 en 5

Bijlage 4 Uitlandse Polder en Zandpolder (K5)

89

Uitlandse Polder en Zandpolder (K5) 1 Algemene gegevens Nummer

K5

Naam gebied Regio Natuurbeheerplan 2020 Gemeente

Uitlandse Polder en Zandpolder Kop van Noord-Holland Schagen

Overige wettelijke en beleidsmatige gebiedsbeschermingsregimes relevant voor natuur

Gebruik / functie Oppervlakte NNN Eigendom / beheer

Natuur 226 hectare Natuurmonumenten, Landschap Noord-

Natura 2000-gebied #84 Duinen Den Helder-Callantsoog (Habitatrichtlijngebied)

Holland, gemeente Schagen, Hoogheemraadschap HHNK en particulieren

2 Oppervlakte en samenhang NNN Het NNN gebied bestaat uit verspreid gelegen vochtige graslanden en nollen (oude duinen) met een totale oppervlakte van 226 hectare. De samenhang binnen het NNN-gebied komt tot uitdrukking in het open polderlandschap waartussen een golvend oud duinlandschap ligt (de Nollen van Abbestede). De samenhang met andere NNN gebieden ligt in de overgang van het oude duinlandschap van de Nollen van Abbestede naar de nieuwe duinen van de aangrenzende Noordduinen (K4). Daarnaast is er een sterke historische en landschappelijk samenhang met het Kooibosch (K6). Het Kooibosch, een vochtige vallei, is namelijk een overblijfsel van hetzelfde oud duinlandschap waar ook de nollen deel van uit maakten. Ook met Zwanenwater en Pettemerduinen (K7) bestaat samenhang vanwege de natte natuur en duinen. Samen met de Noordduinen (K4) zijn de nollen onderdeel van het Natura 20000-gebied Duinen Den HelderCallantsoog. Daarnaast bestaat een duidelijk samenhang met de open vochtige graslanden binnen en buiten het NNN. Deze is van belang voor weidevogels. Tenslotte ligt het NNN gebied langs of nabij een natte natuurverbinding (KNV1). Het gebied heeft hierdoor een functie als stapsteen in een groot netwerk van natte natuurverbindingen.

1/7

Figuur 1: Ligging NNN-gebied Uitlandse Polder en Zandpolder en omliggende NNN-gebieden inclusief nummer. Voor een overzicht van de natuurbeheertypen wordt verwezen naar het Natuurbeheerplan.

3 Landschapsecologische karakteristiek Ontstaansgeschiedenis Het gebied maakt oorspronkelijk onderdeel uit van het aandijkingenlandschap (fysisch geografische regio: Duinen). Aandijkingen zijn aangeslibde zand- en slibplaten langs de oorspronkelijke kustlijn, die vanaf de aangrenzende hogere gronden zijn ingedijkt en zo zijn toegevoegd aan het land. Deze gebieden zijn als geheel ingericht, vaak grootschalig, geometrisch en open. In het NNN-gebied resteren enkele oude duinrestanten (nollen) tussen de bollenvelden. De nollen zijn door verstuiving en duinvorming ontstaan in het kwelderlandschap rondom het voormalig eiland Callantsoog. De duinruggen/nollen zijn ontstaan in een dynamisch landschap waar stroomgeulen steeds hun weg verlegden. In 1610 kwamen de Nollen definitief binnendijks te liggen. Delen van de duintjes zijn afgegraven voor waterwinning. De overgang van de Nollen naar het aangrenzend agrarisch gebied is overal zeer abrupt, terwijl er vroeger sprake geweest is van een grillige overgang, met lage duintjes die geleidelijk overgingen in de aangrenzende strandvlakte. In het gebied is getracht om het oude nollenlandschap te herstellen. Hierdoor is een binnenduinlandschap ontstaan in de polder. De Zandpolder en Uitlandse Polder zijn recent opnieuw ingericht als natuurgebied. De bollenvelden zijn hiervoor afgegraven. In de Uitlandse

2/7

polder is 50 hectare opnieuw ingericht. De waterhuishouding is verbeterd door vervuild oppervlaktewater buiten te houden en door het instellen van een natuurlijk, hoger waterpeil in de sloten. Langs de binnenduinrand zijn lage nolletjes aangelegd. Abiotische en ruimtelijke karakteristiek In de lagere delen van de Nollen van Abbestede zijn zeeklei-afzettingen aanwezig. De nollen zelf zijn opgebouwd uit kalkarm zand en hebben een zwak humusdek. De omgeving van het Nollenland bij Abbestede heeft geen vast waterpeil. Afhankelijk van de hoogteligging en het gebruik wordt het zomerpeil bepaald. In het Nollenland van Abbestede wordt een vrij constant peil aangehouden dat op ongeveer 0,20 m min NAP ligt. In het voorjaar en de zomer wordt het peil in de Zandpolder via drie gemaaltjes opgezet met water, dat afkomstig is uit het Noord-Hollands Kanaal. In de Uitlandse Polder wordt de waterstand gereguleerd, waarmee wordt voorkomen dat het naastgelegen Zwanenwater uitdroogt. Door kwel en een afwateringssloot stroomt het schone water de polder in. In de gebieden treedt lokale kwel op vanuit de nollen. Huidig gebruik Het NNN-gebied wordt grotendeels als natuurgebied beheerd. Het gebied is (gedeeltelijk) opengesteld via half verharde wegen die door de gebieden lopen.

Kernkwaliteiten Op basis van het voorgaande worden in Uitlandse Polder en Zandpolder de volgende ecologische kernkwaliteiten onderscheiden, die de basis vormen voor het behoud van biodiversiteit die (inter)nationaal en/of regionaal van belang is:  Binnenduinlandschap met nollen  Open landschap met extensieve graslanden voor weidevogels

4 Natuurwaarden De natuurwaarden, zowel actueel als potentieel, zijn hierna beschreven aan de hand van de kernkwaliteiten van het gebied.

Kernkwaliteit: Binnenduinlandschap met nollen Actuele natuurwaarden De Nollen van Abbestede zijn rijk aan gradiënten zoals in voedselrijkdom, vochtigheid en zoutgehalte. De gradiënten hangen samen met de ontstaansgeschiedenis van dit gebied en zorgen voor een rijke variatie aan soorten in een relatief klein oppervlak. Het gebied bestaat uit een droog gedeelte en een nat gedeelte. In het natte deel zijn brakke plassen (N04.03) aanwezig. Het droge gedeelte betreft de oude nollen die worden gerekend tot N08.02 Open duin. De nollen bestaan uit schrale, oude kalkarme tot kalkloze zandgronden met zeldzame graslandvegetaties (ook als H2130C Grijze duinen (heischraal) en H2130B Grijze duinen duin (kalkarm) aangewezen in het kader van Natura 2000 . De duingraslanden bevatten soorten als zandblauwtje,

3/7

hondsviooltje, buntgras, muizenoortje en veel korstmossen. Helm en zandzegge komen plaatselijk veelvuldig voor. Het natte deel van de Nollen van Abbestede heeft een kleiige bodem. Dit terreindeel is in het najaar van 1997 ingericht. In het voormalige akkerland werd een grote ondiepe waterpartij (N04.02 Zoete plas) en een aantal kleinere poelen aangelegd. Hier liggen enkele delen die zijn aangewezen als N08.03 Vochtige duinvallei. (ook als ZGH2190Aom zoekgebied Vochtige duinvalleien (open water) aangewezen in het kader van Natura 2000). In de graslanden komt inmiddels meer variatie in vegetatie, wat blijkt uit het voorkomen van o.a. rietorchis. Het aantal soorten van bloemrijke graslanden is na de inrichting toegenomen. In de wateren komen soorten voor als schedefonteinkruid en zilte waterranonkel en plaatselijk ook holpijp en drijvend fonteinkruid. Op de oevers groeit aardbeiklaver en ruwe bies. In de Nollen van Abbestede broeden en foerageren vele verschillende weidevogels en watervogels (waaronder grutto, kluut, lepelaar, zomertaling, slobeend en smient). Daarnaast wordt het gebied gebruikt als pleisterplaats voor trekvogels. Soorten als smient, grauwe gans, knobbelzwaan, bonte strandloper, maar ook meer bijzondere soorten als groenpootruiter, zwarte ruiter en grauwe franjepoot benutten het gebied als pleisterplaats.

Potentiële natuurwaarden De kwaliteit van het gebied zal bij consequent beheer duidelijk toenemen. Verwacht mag worden dat het gebied ook van belang gaat worden (of wellicht al is) voor de rugstreeppad en zandhagedis.

Kernkwaliteit: Open landschap met extensieve graslanden voor weidevogels Actuele natuurwaarden Kenmerkend voor de Uitlandse polder is Kruidenrijk grasland (N12.02) en Vochtig hooiland (N10.02), waar onder andere de weidevogels grutto en tureluur broeden. Ernaast liggen de ‘nollen’ oftewel jonge duinen. Het poldergebied wordt gekenmerkt door kruidenrijke en/of structuurrijk grasland. Op vroegere bollenakkers is een bloemrijk grasland ontstaan. Hier groeien ratelaar, koekoeksbloem, stijve ogentroost en rietorchis. Schoon water uit het duingebied stroomt via duinrellen de Uitlandse Polder in, of komt uit de diepere ondergrond omhoog. In de sloten staat vaak de holpijp, die op basenrijke kwel wijst. De waterplanten haarfonteinkruid en puntig fonteinkruid wijzen op zoet, carbonaatrijk water. Net als het drijvend fonteinkruid komen ze langs de binnenduinrand vooral voor op plekken waar kwel optreedt. Ook de rugstreeppad komt in grote aantallen voor in de Uitlandse Polder. Het beheertype Zilt- en overstromingsgrasland (N12.04) is te vinden in de Zandpolder. De polder bestaat uit zand, randjes met slik, ondiepe plassen en schelpenstrandjes. Het doet dienst als voedselgebied en rustplaats voor trekvogels.

4/7

Potentiële natuurwaarden Op grote schaal geldt de ambitie om het beheertype N10.02 Vochtig hooiland rond de Uitlandse Polder uit te breiden. Rond Nollenland bij Abbestede is de ambitie om N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en N12.04 Zilt- en overstromingsgraslanden verder uit te breiden. De ligging langs natte natuurverbindingen biedt kansen voor soorten als de waterspitsmuis. Deze soort komt voor in het aangrenzende Zwanenwater. Moerassige oevers langs wateren zouden het belang voor waterspitsmuis duidelijk kunnen doen toenemen, waarbij in algemene zin het open karakter niet moet worden aangetast. Hoge opgaande beplanting is in beginsel dus niet gewenst.

5 Abiotische en ruimtelijke condities In tabel 1 zijn de kernkwaliteiten en bijbehorende actuele en potentiële natuurwaarden weergegeven in relatie tot de voor deze waarden relevante abiotische en ruimtelijke condities. De condities zijn gelijk voor actuele en potentiële natuurwaarden en daarom niet afzonderlijk weergegeven. Deze tabel geeft daarmee inzicht in de aspecten waarmee rekening dient te worden gehouden in het ecologisch onderzoek naar de mogelijke (significante) gevolgen van een plan of project in het NNN.

5/7

Tabel 1: Actuele en potentiële natuurwaarden in relatie tot de vereiste abiotische en ruimtelijke condities (‘X’)

Vereiste ruimtelijke condities

Rust (beperkte menselijke Stilte aanwezigheid)

Donkerte

-

-

-

X

-

-

X

-

X

X

X

-

-

-

X

X

X

N04.03 Brakke Plas N08.02 Open duin

-

X

-

X X

X

X

X -

-

X -

X -

X -

-

X

-

X X

X X

X X

N08.03 Vochtige duinvallei Weidevogels

-

X X

X X

X -

X X

-

X X

X

X -

X X

X

-

X X

-

X X

X X

X X

Watervogels Rugstreeppad

-

-

-

-

X

-

X X

X -

-

X X

X

-

X X

-

X X

X -

X -

Zandhagedis Open landschap met extensieve graslanden voor weidevogels

-

-

-

X

-

-

-

-

-

-

-

X

-

X

-

-

N10.02 Vochtig hooiland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland

-

X X X

X X X

X -

X X X

-

X X -

X

X X -

X X X

X X X

-

X X

-

X X X

X X X

X X X

Weidevogels Waterspitsmuis

-

X -

X -

-

X -

-

X X

X X

-

X X

X -

-

X X

-

X X

X X

X X

Rugstreeppad

-

-

-

-

X

-

X

-

-

X

X

-

X

-

X

-

-

Windwerking

Binnenduinlandschap met nollen N04.02 Zoete Plas

Veenbodem

Beslotenheid

Stabiel hoog (grond)waterp eil Peil- en/of overstromings dynamiek Basenrijke en/of brakke kwel Goede (gronden oppervlakte)w Bestaand aterkwaliteit water- en / of verkavelingsp Cultuurhistori atroon sch element Openheid

Relatief voedselarme onbemeste Oude bodembodem (ongestoord) Buffercapacite it bodem / water (Micro) reliëf

Vereiste abiotische condities

6/7

6 Vervangbaarheid Oud nollenlandschap is zeer zeldzaam in Nederland. Deze binnenduinen zijn rijk aan gradiënten en kennen daardoor een rijke variatie aan vegetatietypen op een relatief klein oppervlak. Gelet hierop en op de unieke ontstaansgeschiedenis zijn de nollen onvervangbaar. Doordat de open graslanden in het NNN-gebied relatief recent als natuur zijn ontwikkeld zijn deze relatief eenvoudig en snel vervangbaar (<20 jaar). De strategische ligging in het open polderlandschap en naast een natte natuurverbinding is echter lastig te vervangen.

7/7

bestemmingsplan Zandpolder fase 4 en 5

98

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14641557/1