toelichting vaststelling bestemmingsplan incl bijlagen
Tekst van het document
EMT is zelf ook geen risicovolle inrichting zodat van dit bedrijf geen risicocontour uitgaat. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bouwplan.
26
Figuur 16: fragment risicokaart (rode cirkel is het plangebied)
4.9 Verkeer Onderdeel van de aan te kopen grond betreft een gedeelte van de Ouderijksweg. Deze weg is doodlopend en heeft op het einde een keerlus. Bij realisatie van de plannen zal de bestaande verharding van de Keerlus gebruikt worden als ingang naar hal vier. Hal vijf krijgt in de toekomst geen aparte ingang. De ingang bij hal vier wordt vrijgehouden zodat zowel vrachtauto’s als personenauto’s (met aanhanger) daar kunnen keren. Er is ruimte genoeg om te kunnen steken en draaien (circa 19 meter). Er wordt geen hek geplaatst zodat de inrit open blijft tot de deur. Op het einde van doodlopende weg wordt door de initiatiefnemer een schrikhek geplaatst, betaald en door de gemeente onderhouden. De nieuwe vierde bedrijfshal zorgt voor een uitbreiding van het personeelsbestand met 8-10 fte (maximaal 20 autobewegingen). Het aantal extra vrachtwagen bewegingen zal door de bouw van de hal met 10 toenemen. Dezelfde aantallen brengt de bouw van hal 5 met zich mee. In totaal zorgt de ontwikkeling voor 40 extra autobewegingen per etmaal en 20 extra vrachtwagen bewegingen per etmaal. De Oude Rijksweg is gelegen binnen een 30 km/u gebied en kan gekarakteriseerd worden als een erftoegangsweg. Voor dit wegtype binnen de bebouwde kom geldt een maximale capaciteit (vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid) van 5.000 tot 6.000 motorvoertuigen per etmaal.
De Oude Rijksweg is bovendien een doodlopende straat met uitsluitend bestemmingsverkeer. De verkeersintensiteit is hierdoor laag en ligt fors onder de maximale capaciteit. De capaciteit van de weg kan het extra verkeer dat de nieuwe bedrijfshallen met zich meebrengen gemakkelijk aan en leidt niet tot verkeersonveilige situaties. De toename van het aantal verkeersbewegingen heeft niet tot gevolg dat ter plaatse geen goed woon- en leefklimaat meer aanwezig is. De toename van het aantal verkeerbewegingen vinden wij daarom ruimtelijke aanvaardbaar. Conform de eisen uit het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ en de daaraan gekoppelde ‘Nota Parkeernormen Schagen 2016’, dient op het eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Voor een bedrijfsgebouw gelden de normen voor de categorie “Werken”. De locatie kan worden aangemerkt als een arbeidsextensief bedrijfsgebouw, gelegen in het gebied “rest bebouwde kom”. De berekening voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen per 100 m2 BVO is als volgt:
27
(1280/100=) 12,8 x 1,1 = 14,08 benodigde parkeerplaatsen wat afgerond neerkomt op 15 te realiseren parkeerplaatsen bij de in gebruik name van hal vier. Zes van de benodigde parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij hal vier. De resterende acht parkeerplaatsen zijn al aanwezig en/of kunnen gemaakt worden op het eigen bedrijfsterrein bij het perceel Molenpad 10 in ’t Zand. Via Molenpad 10 kan het bedrijfsperceel van EMT aan de Oude Rijksweg gemakkelijk te voet bereikt worden (ligging op circa 200 meter). De vormgeving van de vijfde hal is nu nog niet bekend, maar bij de uitwerking zal met de geldende parkeereisen rekening worden gehouden. Er blijft voldoende ruimte over om de benodigde parkeerplaatsen op het eigen terrein te realiseren. De benodigde parkeerplekken worden gemaakt op het moment dat de nieuwe bedrijfshallen worden gebouwd. Dit zal gefaseerd gebeuren omdat de hallen ook gefaseerd worden gebouwd. De parkeerplaatsen worden gemaakt door middel van betonplaten. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.10 Duurzaamheid Bij de ontwikkeling van het nieuwe bedrijfsgebouw is het uitgangspunt om zoveel mogelijk duurzaam te bouwen. Gemeente Schagen heeft zich in het gemeentelijk duurzaamheidsprogramma 2014‐2018 uitgesproken voor een energiezuinige en duurzame bebouwde omgeving.
Doelen zijn: • 16% energiebesparing in 2020; • 24% duurzame energie in 2020; • Energieneutraal en klimaatbestendig in 2040‐2050. Bij de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouwen wordt rekening gehouden met mogelijkheden om zelf energie op te wekken door middel van het plaatsen van zonnepanelen op het dak. De constructie van het dak wordt hierop voorbereid. Op de bestaande bedrijfsgebouwen van EMT zijn al zonnepanelen geplaatst. Naast het plan tot realisatie van een nieuwe bedrijfshallen loopt er ook een plan tot realisatie van een zonnepark aan de Parallelweg. De benodigde vergunningen en subsidie is hiervoor verleend. De realisatie wacht op het gereedkomen van de netaansluiting. Met de realisatie van dit zonnepark kan EMT zijn bedrijfsvoering verder verduurzamen en op termijn energie neutraal maken. De overtollig opgewekte stroom wordt opgeslagen in een battery pack en weer te gebruikt op het moment dat er meer vraag is naar stroom binnen de eigen bedrijfsvoering (dit systeem draait nu al in een proefopstelling). Verder wordt de mogelijkheid onderzocht om de opgewekte stroom van het zonnepark om te zetten in waterstof.
Ook wordt de mogelijkheid onderzocht om een warmte opslag te maken onder de nieuwe bedrijfshallen om de overtollige zonnestroom om te zetten in warm water wat wordt opgeslagen onder de hallen, zodat het in de winter gebruikt kan worden om de vloerverwarming te voeden samen met zonnestroom. Dit project bevindt zich nog in de onderzoeksfase. In de bestaande bedrijfspanden van EMT is vloerverwarming aanwezig. Dit zal ook toegepast worden in de nieuwe bedrijfshallen. Alle verplichting in de bedrijfsgebouwen van EMT is voorzien van LED verlichting. Dit zal ook worden toegepast in de nieuwe bedrijfshallen. Ook is het een mogelijkheid om een aantal parkeerplaatsen op het eigen terrein te voorzien van oplaadpunten voor elektrische auto’s. Of dit laatste wordt toegepast is op dit moment nog niet bekend en zal nader uitgezocht worden.
28
4.11 Vormvrije m.e.r. beoordeling Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), Voor activiteiten in onderdeel C geldt direct een m.e.r.-plicht. Voor activiteiten in onderdeel D is het niet zeker of er belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Of een bepaalde activiteit in een bepaalde omvang belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, is afhankelijk van het soort activiteit, de omvang daarvan en het type procedure. De drempelwaarden waarbij een m.e.r.-plicht aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op voorliggend plan is de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkelingsprojecten van toepassing (D 11). In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer; b. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Het voorliggende plan is niet van dusdanige aard en schaal dat deze drempelwaarden worden overschreden. Er geldt om die reden een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In dit bestemmingsplan zijn de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling onderzocht. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de toekomstige activiteiten in het plangebied geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen hebben.
29
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving In de voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten en het beleid. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld en om de uitleg daarvan. 5.2 Opzet van de planregels De planregels van het bestemmingsplan kennen de volgende hoofdstuk indeling: Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk begint met de begripsbepalingen, waarin - om misverstanden bij de toepassing van het bestemmingsplan te voorkomen - een aantal in het bestemmingsplan gehanteerde begrippen wordt toegelicht. In het daarop volgende artikel, de wijze van meten, wordt aangegeven op welke wijze de in het bestemmingsplan opgenomen maatvoering moet worden berekend. Ook dit artikel dient om interpretatieproblemen te vermijden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de voorschriften opgenomen die behoren bij de verschillende op de plankaart opgenomen bestemmingen die aan de gronden zijn toegekend. Ieder artikel begint met een bestemmingsomschrijving, waarin duidelijk de bestemmingen zijn weergegeven, waarvoor de gronden met de betreffende bestemming gebruikt mogen worden. Vervolgens wordt door middel van de bouwregels aangegeven wat en in welke mate op de gronden met deze bestemming mag worden bebouwd.
In de ontheffing van de bouwregels staat onder welke voorwaarde van welk bouwvoorschrift mag worden afgeweken. De gebruiksregels geven aan wat verboden gebruik is en tenslotte wordt in de strafbepaling beschreven wat strafbaar is in dit kader. Onder voorwaarden mag soms ook van de gebruiksregels worden afgeweken.
30
Hoofdstuk 3: Algemene regels In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels, de algemene afwijkingsbevoegdheid, de overige regels, de overgangsbepalingen en de slotbepaling opgenomen. Dit zijn regels die in hun algemeenheid voor het gehele bestemmingsplan gelden en min of meer losstaan van de bestemmingsbepalingen. In de Algemene Afwijkingsregels zijn mogelijkheden opgenomen om af te wijken van de verschillende maatvoeringen in het plan. Deze afwijkingen zijn uitdrukkelijk bedoeld om op onvoorziene ontwikkelingen te kunnen inspelen. Het bestemmingsplan wordt afgesloten met de Overgangs- en slotregels, hoofdstuk 4. 5.3 Verbeelding Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) veranderd. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen.
Bestemmingsvlak en bouwvlak De in het plan voorkomende bestemmingen bestaan uit twee vlakken: een bestemmingsvlak én een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangeduid waarvoor de mogelijkheden om hoofdgebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Op de overige gronden kunnen onder voorwaarden bijbehorende bouwwerken worden opgericht, tenzij expliciet aangegeven is dat dit niet mogelijk is. 5.4 Verantwoording keuze bestemmingen In het plangebied is sprake van de enkel bestemming “Bedrijf”. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 4” en “Waterstaat – Waterkering” opgenomen. Een nadere toelichting op de regeling staat in deze paragraaf. 5.4.1 Bedrijf De bestemming Bedrijf is bedoeld voor de uitoefening een bedrijf. Deze bestemming is toegekend aan de gronden waarop de nieuwe bedrijfshallen worden gebouwd en op de bestaande bedrijfshal 3 Dit laatste omdat in het bestemmingsplan “Petten, `t Zand, Callantsoog, Groote Keeten” de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – constructie- en opslagbedrijf’ op dit gedeelte van het bedrijf niet is opgenomen.
Voor de bestemmingsregeling is gebruik gemaakt van de regels van het bestemmingsplan “Petten, `t Zand, Callantsoog, Groote Keeten”, met uitzondering van de wijzigingsbevoegdheden en de specifieke bestemmingsregelingen die niet op dit plangebied van toepassing zijn. 5.4.2 Waarde archeologie - 4 Om de archeologische waarden in een gebied te beschermen is er een dubbelbestemming toegekend aan de gronden. Aan deze bestemming zijn regels verbonden als het gaat om grondbewerking. Daarbij wordt gekeken naar de oppervlakte van het te bouwen bouwwerk en de diepte van de grondbewerking. Voor grond met de bestemming Waarde - Archeologie 4: geldt een planomvang tot 10.000 m2 en een diepte van meer dan 2 meter onder maaiveld.
31
Deze bestemmingsregeling is gebaseerd op het advies van archeologie Westfriesland d.d. 10 mei 2021 (zie bijlage 2 toelichting). 5.4.3 Waterstaat - waterkering De in het plangebied aanwezige zonering van de regionale waterkering heeft de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ gekregen. Dit is noodzakelijk gezien de het profiel van vrije ruimte van de regionale waterkering. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Het bouwen en het gebruik van de bestemming kan uitsluitend plaatshebben indien de bestemming dit toelaat en advies bij de betreffende waterbeheerder is ingewonnen. Een aanlegvergunningstelsel beschermt de waterkering tegen het aanbrengen van beplanting en tegen het afgraven dan wel ophogen van gronden.
32
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan doorloopt de wettelijk vastgelegde procedure, waarmee de maatschappelijke uitvoerbaarheid aangetoond kan worden. Overleg met instanties Gelet op de bestuurlijke zorgvuldigheid moet bij een herziening van het bestemmingsplan het bestuursorgaan overleg voeren met elke instantie die enig belang behartigt dat naar redelijke en geobjectiveerde maatstaven in het geding zijn bij de betreffende bestemmingsplanherziening. Betrokken partijen dienen er voor te zorgen dat dit overleg in verhouding staat tot de aard en de omvang van de herziening van het bestemmingsplan. Als het gaat om een bestemmingsplan- herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, waarbij niet of in geringe mate herschikking van de betrokken belangen aan de orde is, kan het bestuursorgaan dat belast is met de bestemmingsplanherziening, afzien van het overleg. Over het plan is overleg gevoerd met de provincie Noord-Holland en het HHNK. De provincie NoordHolland heeft geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt. Het HHNK heeft twee opmerkingen gemaakt. Deze zijn: 1.
In de toelichting van het bestemmingsplan wordt in de waterparagraaf, 4.3, het volgende aangegeven: Het waterschap gaat er vanuit dat het hemelwater van de nieuwe bebouwing ook aangesloten wordt op het bestaande gemengde gemeentelijke rioleringsstelsel. In dat geval zal de extra belasting door het water op het watersysteem elders plaatsvinden. In de huidige situatie is er al sprake van een gescheiden stelsel en wordt het hemelwater direct op de sloot geloosd. De informatie die wij beschikbaar hebben geeft aan dat zich hier nog een gemengd rioleringsstelsel bevindt. Ook is er volgens de Legger Wateren geen sloot aanwezig in dat ingesloten gedeelte van 't Zand waarop hemelwater geloosd zou kunnen worden. Mogelijk dat dit een foutje is, maar het verzoek om dit te checken. 2. Op de plankaart ontbreekt de zonering van de regionale waterkering. De bebouwing bevindt zich namelijk gedeeltelijk in het profiel van vrije ruimte van de regionale waterkering. Tekstueel is dit wel beschreven alleen is de zonering niet op de plankaart opgenomen. Zie figuur 12 in de toelichting voor een uitsnede vanuit de Legger waterveiligheid. De stook tussen de lijn en stippellijn is het profiel van vrije ruimte. Zie ook: Legger waterveiligheid (hhnk.nl). Waarschijnlijk omdat aangesloten is aan de moeder bestemmingsplan.
Hier staat ook enkel de kernzone van de waterkering opgenomen, zonder het benodigde profiel van vrije ruimte. Binnen dit profiel moet altijd een afweging gemaakt worden of de ontwikkeling geen nadelige invloed heeft op de waterkerende veiligheid en toekomstige versterkingsopgave. Tevens is de ontwikkeling binnen deze zonering altijd watervergunningplichtig. Voor dit initiatief is al beoordeeld dat de aan te vragen
33
watervergunning op dit onderdeel vergunbaar is. Het verzoek om deze zonering alsnog op te nemen. Mocht hiervoor een digitaal bestand nodig zijn dan hoor ik dat uiteraard graag. Tevens het verzoek om de regels op te nemen voor deze zonering onder de noemer 'waterstaat-waterkering' (of soortgelijk) met bijbehorende voorwaarden zoals consultering van de waterkeringbeheerder. Ten aanzien van de gemaakte opmerkingen hebben we het volgende overwogen: Ad 1 Volgens informatie van de initiatiefnemer wordt hemelwater direct op de sloot geloosd en is ter plaatse al een gescheiden systeem aanwezig. Wij zullen de komende periode uitzoeken hoe eea daadwerkelijk zit. Vooralsnog handhaven we de oorspronkelijke tekst. Ad 2 De verbeelding en regels zijn overeenkomstig het verzoek van het HHNK aangepast. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Een ieder wordt daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Eventueel ingediende zienswijzen worden voorzien van een passend antwoord en opgenomen in de toelichting.
Vervolg Als de binnengekomen zienswijzen geen aanleiding geven om de bestemmingsplanprocedure te beëindigen, wordt het bestemmingsplan vastgesteld. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn (6 weken) is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorlopige voorziening is aangevraagd. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid moet aangetoond worden. Bepalend daarbij zijn de grondexploitatieregeling en de financiële haalbaarheid van de ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt. Grondexploitatieregeling en financiële haalbaarheid Op 1 juli 2008 is de Wro inwerking getreden. In deze wet is de Grondexploitatiewet opgenomen. Doelstelling van de wet is een goede regeling voor het kostenverhaal, binnenplanse verevening en eventuele locatie-eisen. Een van de belangrijkste items in de wet is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Een gemeente moet in principe de kosten verhalen. Het onderhavige bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een bestaand bedrijf met meer dan 1.000 m2 mogelijk.
Daarmee voorziet het, volgens het daarover bepaalde in artikel 6.2.1 Bro, in een aangewezen bouwplan. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is.
34
Quick scan ecologie EMT te ’t Zand
8 september 2020
Pagina 1
Samenvatting
Voor bedrijf EMT te ‘t Zand worden plannen voorbereid voor uitbreiding van het bedrijf. Onderzocht is of er effecten op beschermde natuurwaarden kunnen ontstaan. Uit de resultaten van de quick scan ecologie van 27 augustus 2020 is gebleken dat de aanwezigheid van strikt beschermde soorten worden uitgesloten.
Inhoud
Inleiding
2 – Inleiding 3 – Beschrijving gebied 4 – Waarnemingen 7 – Analyse 9 – Advies & Bronnen
Het kanaal kan een vliegroute en een jachtgebied voor vleermuizen zijn. Deze ligt buiten de invloedssfeer van het werk. Wel moet worden voorkomen dat het kanaal wordt verlicht. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. De kans dat er een significante wijziging in de emissie is gering. Een berekening van de stikstofdepositie wordt geadviseerd.
Voor bedrijf EMT te 't Zand worden plannen voorbereid voor uitbreiding van het bedrijf. Onderdeel van de procedure is een onderzoek naar de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en het maken van een analyse van de mogelijke effecten op die soorten, als gevolg van de werkzaamheden. Hiervoor is door bureau Els & Linde een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Het voorliggende rapport geeft een beschrijving van het oriënterend onderzoek naar de effecten op natuurwaarden. Om een goed oordeel te geven over de potentieel aanwezige beschermde planten en dieren, is op 27 augustus 2020 door een ecoloog van bureau Els & Linde, een bezoek gebracht aan de planlocatie. Ter plekke is beoordeeld of er beschermde soorten aanwezig kunnen zijn, die schade kunnen ondervinden van de geplande ontwikkelingen. Daarbij is gezocht naar sporen van dieren en is op basis van de begroeiing en de opbouw van het landschap, geschat of er beschermde soorten aanwezig kunnen zijn. De effecten worden beoordeeld als gevolg van de veranderde omgeving en het veranderde gebruik. Verder wordt geanalyseerd of de werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de veranderingen te bereiken, een effect veroorzaken.
Ligging van het perceel
Colofon Opdrachtgever Projectnummer Datum Auteur Gecontroleerd Status
N.J. Zeeman b.v. 20.317 8 augustus 2020 Michel Nieuwhof P.J.H. van der linden concept
Els & Linde B.V. Spechtstraat 59 1223 NX Hilversum mob 06 - 27564247 e-mail vanderlinden@elsenlinde.nl
Pagina 2
H02
Planomgeving: locatie, omgeving en beschermde natuurgebieden De planlocatie betreft een groenstrook ten noorden van het bedrijf. De locatie bevind zich aan de noordrand van het dorp. De onderzoeklocatie gelegen aan de oude rijksweg en is ingeklemd tussen de Rijksweg N9 en het kanaal. De Natura 2000-gebieden liggen op vrij grote afstand. Op 2,5 kilometer ligt het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder-Callantsoog. Dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op 430 meter afstand. Natura 2000 Via de Natura 2000 zijn gebieden beschermd van internationaal belang. Voor deze gebieden zijn doelstellingen geformuleerd voor het behoud van habitats en planten en dieren. Deze Natura 2000 gebieden zijn ook beschermd tegen invloeden van buiten, zoals stikstofdepositie en grondwaterstromen. Voor functie waardoor de depositie van stikstofverbindingen toeneemt is een berekening noodzakelijk van de effecten.
Ligging van de Natura 2000-gebieden (rood) en Weidevogelleefgebieden (raster).
Natuurnetwerk Nederland Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het Natuurnetwerk van Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland wordt via de ruimtelijke verordening beschermd. Weidevogelleefgebied De belangrijke gebieden voor weidevogels zijn in Noord-Holland beschermd. Binnen de gebieden gelden strikte regels, de weidevogels mogen niet verstoord worden. Het weidevogelleefgebied kent geen externe werking. De weidevogelleefgebieden liggen op grote afstand van de planlocatie.
Ligging van de Natuurnetwerk Nederland.
Pagina 3
H03
Waarnemingen: veldgegevens en gegevens uit de literatuur Werkwijze Het onderzoek is uitgevoerd als een quick scan ecologie. Voor zo’n onderzoek wordt door een ecoloog beoordeeld of er een kans is op aanwezigheid van beschermde soorten. Daarbij wordt gelet op de structuur van de omgeving, aanwezige habitats en landschapselementen. Tevens wordt gezocht naar sporen van beschermde soorten. Een quick scan is tevens bedoeld als afbakening van een eventueel afdoend onderzoek. De quick scan bestaat uit de volgende activiteiten: • Een literatuur/bronnenonderzoek met betrekking tot de potentieel aanwezige beschermde soorten binnen de planlocatie. • Een veldbezoek waarbij de locaties worden beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Hierbij worden bijvoorbeeld de te kappen bomen beoordeeld op geschiktheid voor vleermuizen en jaarrond beschermde nesten. • Voor de aangetroffen strikt beschermde soorten wordt, door een beschrijving van de ecologische functionaliteit van het gebied (foerageergebied, migratieroute, voortplantingsgebied of winterverblijf, enz.), aangegeven hoe het gebied door iedere soort wordt gebruikt. • Een schatting van de impact van de werkzaamheden op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten. • Een effectbeoordeling gericht op (eventueel) nabij gelegen beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk en Weidevogelleefgebied).
Om een goed oordeel te kunnen geven is op 27 augustus 2020 door een ecoloog een bezoek gebracht aan de planlocatie. Tijdens het veldbezoek is onderzocht of er in potentie beschermde planten en dieren aanwezig zijn binnen de planlocatie. Daarvoor is gezocht naar sporen en andere aanwijzingen van planten en dieren. Op basis van de aanwezige herkenbare begroeiing en habitats, is beoordeeld of er leefgebieden aanwezig zijn voor beschermde soorten. Aanvullend is een bureaustudie uitgevoerd naar de potentieel voorkomende planten en dieren in de directe omgeving van de planlocatie. Hierbij is een bronnenonderzoek uitgevoerd, waarbij de verschillende relevante en actuele informatiebronnen zijn geraadpleegd. Bij de analyse van de effecten is gelet op de effecten veroorzaakt door de veranderde omgeving en het veranderde gebruik. Daarnaast zijn de effecten bepaald die veroorzaakt worden door de ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij is naast de planlocatie sec. gelet op de directe omgeving en de effecten op soorten in de omgeving. In de voorliggende notitie worden de resultaten van de quick scan ecologie besproken. Waarnemingen In onderstaande paragrafen worden de soortengroepen beschreven die binnen de planlocaties en de directe omgeving zijn aangetroffen of te verwachten.
Tijdens het veldbezoek van 27 augustus 2020 is onderzocht of er in potentie beschermde planten en dieren aanwezig zijn binnen de planlocatie. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek betrof bewolkt, droog weer met een temperatuur van 17 °C en windkracht 1 Bfr uit het oosten.
Pagina 4
Bronnenonderzoek Voor het onderzoek naar potentieel aanwezige beschermde soorten zijn de beschikbare regionale en landelijke verspreidingsatlassen en enkele digitale bronnen geraadpleegd. Er zijn waarnemingen van vleermuizen bekend in het dorp 't Zand. Het betreft enkel waarnemingen ten zuiden op grote afstand van de planlocatie. Er zijn geen waarnemingen van huismussen, gierzwaluwen, marters of roofvogels bekend in de omgeving. Vegetatie en planten Op de planlocatie zijn bomen aangetroffen zoals Iepen, Essen, Esdoorn en Zomereik. Tussen de bomen is op de bodem op een aantal plekken klimop aangetroffen. Aan de zuidzijde langs de groenstrook zijn struiken aangetroffen zoals braam, meidoorn en rozen. In de groenstrook is gras, grote brandnetel, Canadese fijnstraal, distel, paardenbloem en zuring aan te treffen. Tijdens het oriënterend onderzoek zijn binnen de planlocatie geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Beschermde plantensoorten zijn binnen de planlocatie ook niet te verwachten. Zoogdieren Juridisch zwaarder beschermde soorten Vleermuizen zijn de belangrijkste groep strikt beschermde dieren die verwacht kunnen worden. Vleermuizen kunnen schade ondervinden van de ruimtelijke ontwikkelingen en kunnen hierdoor een belemmering zijn.
De planlocaties en de directe omgeving zijn daarom nauwkeurig onderzocht op de aanwezigheid van potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen, evenals vliegroutes en foerageergebieden. Verblijfplaatsen Vleermuizen zijn in twee groepen te verdelen; enerzijds de soorten die in gebouwen een verblijfplaats hebben en anderzijds de soorten die in bomen een verblijfplaats hebben. De kraamkolonie van de laatvlieger (Eptesicus serotinus) en de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) komen – voor zover bekend - alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter betimmering, onder daklijsten en dakpannen. De vaste verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en de watervleermuis (Myotis daubentonii) kunnen zowel in spleten en gaten in bomen, als in gebouwen voorkomen. Ze kiezen in de regel gebieden met een groot aanbod aan geschikte holten op een klein oppervlak. De planlocatie betreft de groenstrook en bosschage aan de noordzijde van het bedrijf EMT. In de bomen zijn geen zichtbare holtes aanwezig die geschikt zijn voor vleermuizen om zich te vestigen. Het ontbreken van geschikte holtes voor vleermuizen maakt de aanwezigheid van vleermuizen in de bomen niet mogelijk. Het bedrijfspand nabij de groenstrook is een bedrijfshal opgebouwd met metalen platen voor de daken en gevels.
De bouwwijze van de hal maakt het ongeschikt voor vleermuizen om zich hier in te vesten.
Pagina 5
Potentiële vliegroutes en foerageergebieden De locatie valt binnen de bebouwde kom van 't Zand. De kans op een jachtgebied langs de bosschage of boven het kanaal is aanwezig. Er zijn verschillende gelijke locaties aanwezig, waardoor het geen essentieel jachtgebied is. Er zij lijnvormige landschapselementen (het kanaal) waardoor een vliegroutes mogelijk is langs het perceel. Laag beschermde zoogdieren Binnen de planlocatie is een kleine kans op algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren, zoals egel, spitsmuizen en muizen. De kans op aanwezigheid van marters is niet aanwezig. Er is geen geschikt habitat aanwezig op het perceel, dat bovendien geïsoleerd ligt. Vogels Jaarrond beschermd nest Tijdens het ecologisch onderzoek is gezocht naar aanwijzingen voor het voorkomen van vogels met een vaste verblijfplaats binnen het plangebied. Gekeken is naar potentieel geschikte nestplekken voor vogels met een jaarrond beschermd nest. De locatie is ongeschikt voor huismussen om zich hier op te houden. De bedrijfshallen zijn ongeschikt voor huismussen om te nestelen. De locatie is eveneens ongeschikt voor de gierzwaluw. De bedrijfshallen hebben geen mogelijkheid voor een nestplek. Er zijn geen jaarrond beschermde nesten (van roofvogels) aanwezig in de bomen. Algemene broedvogels Gezien de omgeving is de kans op algemeen voorkomende broedvogels aanwezig.
Er is mogelijkheid voor algemeen voorkomende broedvogels om te nestelen in de begroeiing en de bomen. Tijdens onderzoek zijn er in de bomen nesten van algemene broedvogels aangetroffen. Dit betrof nesten van merel en houtduif. De nesten waren niet meer in gebruik tijdens het onderzoek. Er moet rekening gehouden worden met het broedseizoen voor en tijdens de werkzaamheden. Herpetofauna en vissen Er is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig voor watergebonden organismen in de directe omgeving van locatie. Deze worden dan ook niet verwacht binnen de planlocatie. Overige soorten Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde bijzondere insecten of overige soorten te verwachten binnen het perceel. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; de planlocaties voldoet hier niet aan. De aanwezigheid van beschermde overige soorten worden daarom uitgesloten binnen de planlocaties.
Pagina 6
Bij de analyse wordt gelet op de effecten als gevolg van het veranderde gebruik en de veranderde inrichting. Daarnaast wordt gelet op de effecten als gevolg van de werkzaamheden om de veranderingen te bereiken. Voor zover planlocaties binnen het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 of andere beschermde natuurgebieden liggen, worden de effecten op deze beschermde natuurgebieden getoetst. Voor de Natura 2000 gebieden is de externe werking eveneens van belang; de belangrijkste externe effecten worden veroorzaakt door toename van depositie, geluid en licht. Daarnaast kunnen veranderde grondwaterstromen een effect veroorzaken. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming kent een afdeling voor soortbescherming en een afdeling voor gebiedsbescherming. Binnen de gebiedsbescherming zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. De bescherming geldt ook voor externe factoren; zoals grondwaterstromen en stikstofdepositie. De soortbescherming binnen de Wet natuurbescherming richt zich op de internationale afspraken, en geeft een uitbreiding van de beschermde soorten door aan de rode lijst (bedreigd en ernstig bedreigd) een beschermd status te koppelen. Binnen de bebouwde kom is de belangrijkste wijziging in de beschermde soorten het vervallen van de bescherming op muurplanten en orchideeën.
Beschermde soorten Uit de resultaten van de quick scan ecologie van 27 augustus 2020 is gebleken dat de aanwezigheid van strikt beschermde soorten worden uitgesloten. Boven het kanaal is mogelijk een vliegroute en een jachtgebied aanwezig. Deze liggen buiten de invloedssfeer van het werk. Wel moet worden voorkomen dat het kanaal wordt verlicht. Op de locatie is er mogelijkheid voor algemeen voorkomende broedvogels om te nestelen in de begroeiing en de bomen op en direct rond de locatie. Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren . Zorgbeginsel Binnen de gebieden is kans op algemeen voorkomende soorten waarmee rekening moet worden gehouden. Aangetroffen dieren die niet uit zich zelf de werkgebieden kunnen verlaten, dienen – onder begeleiding van een ecoloog - in veiligheid te worden gebracht en buiten de werkgebieden te worden uitgezet. Schuilplekken zoals bladhopen, hout- en steenstapels e.d. dienen eerst te worden gecontroleerd op schuilende dieren. In zijn algemeenheid dienen geschikte schuil- en overwinteringsplekken voor dieren buiten de werkterreinen intact te worden gelaten.
Eventueel noodzakelijk kap moet buiten de kwetsbare periode (winter) worden uitgevoerd en voorafgaand aan de kap (of het anderszins vrijstellen van een werkplek) is het verstandig een ecoloog te laten beoordelen of effecten zijn te verwachten en eventueel maatregelen te (laten) nemen om die effecten te verminderen.
Pagina 7
H05
Analyse: beoordeling van de effecten op de natuurwaarden Natura 2000 Het beschermde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ongeveer 2,5 kilometer van de locatie. De werkzaamheden betreft uitbreiding van het bedrijf. De kans dat er een significante wijziging in de emissie is gering. Een berekening van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden wordt geadviseerd. Andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in het Natura 2000-gebied door de werkzaamheden, kunnen worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland De gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland liggen op grote afstand van de planlocatie. Gelet op de afstand, aard en de omvang van het voornemen, wordt geen effect verwacht.
Pagina 8
H06
Conclusie, advies en gebruikte bronnen
Beschermde soorten Uit de resultaten van de quick scan ecologie van 27 augustus 2020 is gebleken dat de aanwezigheid van strikt beschermde soorten worden uitgesloten.
Anonymus (2017). Kennisdocument huismus, BIJ12 Anonymus (2017). Kennisdocument gierzwaluw, BIJ12 Anonymus (2017). Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12 Hoogeboom, D.M., F. Visbeen, J. Wondergem, W. Ruitenbeek (2014) Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. NOZOS, Landschap Noord-Holland. – Riet, B. van, H. van der Goes, Th. Baas, C. van den Tempel, W. Menkveld & F. Visbeen (2014) Atlas van de Noord-Hollandse flora. Landschap Noord-Holland. – Scharringa, C.J.G., W. Ruiterbeek & P.J. Zomerdijk (2010) Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. SVN, Landschap Noord-Holland.
Het kanaal kan een vliegroute en een jachtgebied voor vleermuizen zijn. Deze ligt buiten de invloedssfeer van het werk. Wel moet worden voorkomen dat het kanaal wordt verlicht.
– provincienoordholland.nl – waarneming.nl
Voor bedrijf EMT te ‘t Zand worden plannen voorbereid voor uitbreiding van het bedrijf. Voorliggend rapport betreft een onderzoek naar effecten op natuurwaarden. Door een ecoloog van bureau Els & Linde B.V. is op 27 augustus 2020 beoordeeld of er beschermde planten- en diersoorten aanwezig zijn binnen de planlocatie en of deze soorten schade ondervinden van de gewenste ontwikkelingen.
– – – –
Op de locatie is er mogelijkheid voor algemeen voorkomende broedvogels om te nestelen in de begroeiing en de bomen op en direct rond de locatie. Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland De kans dat er een significante wijziging in de emissie is gering. Een berekening van de stikstofdepositie wordt geadviseerd. Andere effecten op de Natura 2000-gebieden en/of het Natuurnetwerk Nederland zijn uit te sluiten.
Pagina 9
Memo Betreft: Locatie: Datum: Ecoloog: Steller:
stikstofdepositie Oude Rijksweg te ‘t Zand 23 september 2020 06-27564247 Peter van der Linden, ecoloog
Aan de Oude Rijksweg wordt een vierde bedrijfshal gebouwd voor EMT. Het perceel is momenteel niet bebouwd en begroeid met een bosschage. Voor de bouw en de gebruiksfase is een berekening van de toename van stikstofdepositie op de beschermde Natura 2000-gebieden noodzakelijk. In onderstaand memo wordt de berekening toegelicht en geanalyseerd. Stikstof In brandstofmotoren ontstaan door verbranding verschillende stikstofoxiden, meestal samengevat in NOx. Deze verbindingen reageren in de lucht met waterdeeltjes tot salpeterzuur. In de bodem vindt onder invloed van bacteriën denitrificatie plaats. Het proces verloopt echter langzaam waardoor er cumulatie ontstaat van zuurionen en opneembaar stikstof; er is sprake van verzuring en vermesting van de bodem. Doordat ammoniak een vrij radicaal heeft reageert het snel tot ammonium en dat geeft een droge en natte depositie op relatief korte afstand van de bron. Ammoniak werkt in de atmosfeer eerst als base door de vorming van NH4+, waarbij een vrije zuurion wordt gebonden. Dat leidt tot neutralisatie van salpeterzuur en zwavelzuur in de atmosfeer. In de bodem wordt door bacteriën de NH4+ genitrificeerd tot NO3-, waarbij zuurionen vrijkomen. Naast de verzuring zorgt de emissie van ammoniak voor verhoging van het stikstofgehalte in de bodem.
Door die verhoogde opneembaar stikstof in de bodem worden soorten die snel groeien bevoordeeld ten opzichte van langzaam groeiende soorten. De snel groeiende soorten verdringen de langzame groeiers waardoor deze verdwijnen en de biodiversiteit verminderd. Veel van de via de Habitatrichtlijn beschermde soorten of habitat zijn langzaam groeiende soorten of soorten die in een voedselrijk of zuur milieu niet kunnen groeien. De habitatrichtlijn stelt de verschillende nationale overheden verantwoordelijk voor het beschermen van de natuurwaarden in de aangewezen natuurgebieden. Deze bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Om het probleem van te hoge concentraties NH 4+ of NOX in het milieu te beteugelen is door de toenmalige regering de programmatische aanpak stikstof (PAS) opgesteld. In de PAS is ontwikkelingsruimte opgenomen voor ontwikkelingen die stikstofoxiden of ammoniak produceren. Daarnaast zijn maatregelen opgesomd die zouden leiden tot verminderde effecten. Voor de PAS is Aerius ontwikkeld waarmee op eenvoudige wijze de depositie kon worden berekend. In de PAS was de ontwikkelingsruimte opgenomen en twee drempelwaarden ingevoerd; een lage van 0,05 mol N/ha en een hogere van 1 mol N/ ha. Projecten die onder de lage drempelwaarde bleven hadden geen meldingsplicht.
De projecten met een stikstofdepositie tussen de beide waarden in waren meldingsplichtig en konSpechtstraat 59 - 1223 NX Hilversum - 06 – 27564247 - vanderlinden@elsenlinde.nl Els & Linde B.V.: KvK 11068807 - Fiscaalnummer 8187.47.637 - NL71 RABO 0108344673. Els & Linde techniek vof: KvK 63899825 - Fiscaalnummer NL855445920B01 - NL93 RABO 0306041626
den worden uitgevoerd als er voldoende ontwikkelingsruimte was. Boven de 1 mol N/ha was er vergunningsplicht. De Raad van State heeft naar aanleiding van enkele beroepsprocedures vragen gesteld aan de het Europees Hof over de noodzakelijke interpretatie van de PAS. Het Hof en in navolging daarvan de Raad van State hebben geoordeeld dat de ontwikkelingsruimte niet binnen de reikwijdte van de Habitatrichtlijn past, en dat een drempel van 0,05 mol N/ha niet zonder meer acceptabel is. Ook hebben ze alle vergunningen die op de PAS zijn gebaseerd nietig verklaard. De consequentie is dat nu voor alle projecten berekend moet worden of deze strijdig zijn met de Habitatrichtlijn en er sprake is van verhoogde depositie op de natuurgebieden. In de nieuwe Aerius is de drempelwaarde en de ontwikkelingsruimte niet langer opgenomen. De conclusie is dat alle projecten waarbij stikstofoxiden of ammoniak vrijkomt berekend moet worden wat de toename is op de Natura 2000-gebieden. Als er geen verhoging is dan kan de ontwikkeling zonder vergunning worden uitgevoerd. Is er een verhoogde depositie dan moet het project zo worden uitgevoerd dat er geen of minder emissie is. Als dat onvoldoende mogelijkheden geeft, dan moet met maatregelen elders de emissie (op het zelfde Natura 2000-gebied) worden teruggebracht (salderen). Bij salderen moet worden aangetoond dat er voldoende effect is.
Hiervoor is een uitgebreidere onderbouwing nodig. Als er ondanks saldering een verhoogde depositie is, dan moet er via de ADC-toets in een passende beoordeling aangetoond worden dat een depositie acceptabel is. De ADC-toets staat voor Alternatief, Dwingende redenen en Compensatie. In de meeste gevallen zal dan een MER nodig zijn. Ontwikkeling Aan de Oude Rijksweg te ‘t Zand wordt naast de bestaande bedrijfshallen een vierde bedrijfshal gebouwd. De hal heeft een oppervlakte van 1200 m 2 bvo. De hal wordt verwarmd. Onderzocht wordt nog of dat met restwarmte kan worden uitgevoerd. De toename van de verkeersbewegingen zijn beperkt. Volgens opgave van het bedrijf zijn dat 20 mvt lichtverkeer en 10 mvt middelzwaar verkeer. Voor een verwarmde bedrijfshal geeft Aerius een norm van 0,16 Kg N/jaar. Stikstofdepositie gebruiksfase Met behulp van Aerius (2020) is berekent wat de depositie is in de nieuwe situatie. De depositie is berekent op het Natura 2000-gebieden: Duinen Den Helder – Callantsoog op 2.200 m en Zwanenwater & pettemerduinen op 3.200 m van het bedrijf. De overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand, of zijn niet gevoelig voor de stikstofdepositie. Voor de gebruiksfase zijn twee berekeningen uitgevoerd: 1. een verwarmde bedrijfshal – er is een verhoogde depositie geconstateerd; 2. een gasloze verwarming van de bedrijfshal – er is geen verhoging.
Stikstofdepositie bouwfase De werkzaamheden bestaan uit bouwen van een bedrijfshal. Voor de bouwfase is berekent wat de depositie op de natuurgebieden is. Op basis van EMMA is het brandstofverbruik van de verschillende machines bepaald. Voor de bouw wordt gebruik gemaakt van stage IV machines. De begroeiing wordt met handgereedschap (motorzaag) verwijderd. Uitgangspunt voor de berekening is de bouw van de bedrijfshal binnen een jaar. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Machine
Vermogen in Kw
Draaiuren
Brandstof in l/h
verbruik
Hijskraan
80
1080
17
18360
Betonpomp
60
120
14
1680
Graafmachine
125
300
27
8100
Bulldozer
125
300
27
8100
Heistelling
250
300
53
15900
Het bouwverkeer betreft 960 middelzware vrachtwagen (tot 20 ton) en 600 zware vrachtwagens mvt/jaar. Voor de bouwvakkers is dat 1440 mvt licht verkeer. Uit de berekening volgt dat er tijdens de bouwfase geen verhoogde depositie is op de Natura 2000-gebieden. Conclusie Er is sprake van verhoging van de depositie bij verwarming van de bedrijfshal op basis van brandstof. Bij gasloos verwarmen en bij de bouwfase is geen verhoging van de depositie berekend. P.J.H. van der Linden Els & Linde b.v.
Bronnen • Anonymus (2018) Toekomstbestendig parkeren. CROW • Hulskotte, J.H.J. & R.P. Verbeek (2009) Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA). TNO
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
Document
Archeologische Quickscan
Plangebied
Oude Rijksweg 123-126, ‘t Zand, gemeente Schagen
Adviesnummer
21121
Opstellers
S. Veenstra (archeoloog) & C.M. Soonius (senior archeoloog)
Datum
10-05-2021
Advies
Vrijgeven.
Vervolgtraject
Dubbelbestemming Waarde Archeologie opnemen (het aspect meewegen bij plannen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 2 m).
archeologie
Archeologische Quickscan 1. Inleiding Op verzoek van de gemeente Schagen (contactpersoon: Karin Mak) is gekeken naar het aspect archeologie en cultuurhistorie met betrekking tot het Ontwerp Bestemmingsplan voor de uitbreiding van EMT aan de Oude Rijksweg 123-126 in ‘t Zand, gemeente Schagen.1 Het Ontwerp Bestemmingsplan is uit 2020. Het plangebied is circa 6.159 m2 groot (afb. 1 en 2). De geplande ingreep binnen het nieuwe bestemmingsplan bedraagt het verwijderen van de huidige beplanting op het aan te kopen perceel en daarop aansluitend de bouw van een vierde bedrijfshal. Er is met het oog op de toekomst ook ruimte voor een vijfde bedrijfshal bestemd. Deze zal echter, indien het bestemmingsplan wordt goedgekeurd, over een aantal jaar pas worden aangelegd. In paragraaf 4.2 zijn enkele zaken met betrekking tot archeologie en cultuurhistorie opgenomen. In onderhavige quickscan wordt een en ander nader uiteengezet. Cultuurhistorisch van belang is het Noord-Hollandsch Kanaal. Hier zijn ingrepen voorzien. 2. Bestemmingsplan en Beleidskaart archeologie Het plangebied ligt in het bestemmingsplan “Petten, ’t Zand, Callantsoog en Groote Keeten’ (vastgesteld op 28-09-2010).2 Voor het gehele plangebied is de dubbelbestemming “WaardeArcheologie 4” opgenomen (vrijstellingsgrens 2.500 m2: afb. 3). Cultuurhistorie is in het vigerend bestemmingsplan nog niet meegewogen.
In het vigerend bestemmingsplan is de beleidskaart archeologie van de voormalige gemeente Zijpe deels opgenomen.3 1
NL.IMRO.0441.BPUitbreidingEMT.ON01. NL.IMRO.0476.BP001H0001-0501 (www.ruimtelijkeplannen.nl) 3 Alders & Husken 2007. 2
Pagina 1 van 6 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
Het plangebied ligt in de polders gelegen ten westen van het Noordhollandsch Kanaal. Hier zijn bewoningssporen uit diverse periode te verwachten maar ook hier kan erosie de archeologische resten hebben aangetast of verwoest. Onder een dikke laag laatmiddeleeuwse sedimentatie zijn in de diepe ondergrond sporen van bewoning en ontginning uit vroegere perioden te verwachten, voor zover ze niet zijn geërodeerd door het Zijper zeegat. In deze zone geldt op de beleidskaart een vrijstellingsgrens van 10.000 m2 (afb. 4). Het is onduidelijk waarom deze vrijstellingsgrens in het vigerende bestemmingsplan niet is overgenomen op de verbeelding. Figuur 11 van het vigerend bestemmingsplan heeft wel de juiste vrijstellingsgrenzen weergegeven.
Afbeelding 1. Ligging plangebied (zwarte stippellijn) op een recente luchtfoto (bron: PDOK).
Afbeelding 2. Situatietekening toekomstige situatie (bron: ontwerp bestemmingsplan) Pagina 2 van 6 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
Afbeelding 3. Ligging plangebied (rode lijn) op het vigerend bestemmingsplan.
Afbeelding 4. Ligging plangebied (zwarte stippellijn) op de beleidskaart archeologie (Alders & Husken 2007).
Pagina 3 van 6 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
3. Historische achtergrond Het plangebied ligt in de Polder Zijpe. Bij de eerste bedijking van de Zijpe in 1552-1553 zijn op verschillende plaatsen sporen van vroegere bewoning aangetroffen. De meeste van deze sporen lagen onder het zand in goede zwarte aarde. De exacte locatie van deze vondsten is niet bekend. Na de bedijking begaven de dijken van de polder het tweemaal (in 1555 en 1570) en in 1573 werd de polder met opzet geïnundeerd om de opmars van de Spanjaarden een halt toe te roepen. In 1597 werd de Zijpe voor de laatste keer ingepolderd. Het plangebied ligt ten westen van het Noordhollandsch Kanaal. Voor het bepalen van de aanwezigheid van bewoningsresten uit de Nieuwe Tijd kan gebruik worden gemaakt van historisch kaartmateriaal. Op geen van de geraadpleegde kaarten is bebouwing zichtbaar ter hoogte van het plangebied. Dit geldt ook voor het kadastrale minuutplan uit 1826 (afb. 4).
Afbeelding 4. Ligging plangebied (zwarte stippellijn) op de kadastrale minuut uit 1826.
4. Archeologische en geologische bronnen In de directe omgeving van het plangebied is nog geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. De middeleeuwse zeeafzettingen hebben op basis van het geraadpleegde historische kaartmateriaal een lage archeologische verwachting. Aan de hand van een nabijgelegen boring uit het Dinoloket kan een verwachting van de aanwezige bodemopbouw worden geformuleerd (afb. 5). De bovenste 2,5 meter van het bodemprofiel bestaat uit zanden en kleien die allemaal afgezet zijn na 1000 na Chr. Hieronder is een ca. 1 m dikke veenlaag aanwezig. Op deze veenlaag kunnen bewoningsresten uit de IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn. Onder de veenlaag bevindt zich het Laagpakket van Wormer. Op de goed ontwaterde delen van deze afzettingen kon in het Laat Neolithicum worden gewoond. Het basisveen en de top van de pleistocene afzettingen zijn niet aangeboord. Door de aanwezigheid van Basisveen op deze afzettingen is deze top nog intact.
Pagina 4 van 6 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
Bewoning van dit pleistocene oppervlak is in principe mogelijk in de periode Laat-PaleolithicumMesolithicum.
Afbeelding 5. Locatie boring en boorbeschrijving ter hoogte van het plangebied (bron: DINOloket).
5. Conclusie & Advies Op basis van de bovenstaande quickscan geldt een lage archeologische verwachting voor bewoningsresten uit de Nieuwe tijd. Voor het aanwezige veen in de ondergrond geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen. Deze worden niet bedreigd door de voorgenomen grondwerkzaamheden. Om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen is een dubbelbestemming Waarde –Archeologie opgenomen. De vrijstellingsgrens kan van 2.500 m2 naar boven worden bijgesteld naar 10.000 m2 conform de beleidsnota archeologie. Hierbij kan gesteld worden dat binnen de eerste twee meter van het bodemprofiel binnen het plangebied in ieder geval geen archeologische waarden worden verwacht. Dit zou betekenen dat de dieptegrens naar beneden kan worden bijgesteld van 0,5 m naar 2 m –Mv. 6. Tekstvoorstel paragraaf (optioneel toe te voegen aan Archeologie) Ten behoeve van het bestemminsplan is een archeologische quickscan uitgevoerd. Deze is als bijlage opgenomen. Op basis van de in de quickscan geraadpleegde bronnen geldt een lage archeologische verwachting voor bewoningsresten uit de Nieuwe tijd. Voor het aanwezige veen in de ondergrond geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen. Deze worden niet bedreigd door de voorgenomen grondwerkzaamheden.
De op de planlocatie aanwezige vrijstellingsgrens van 2.500 m2 en 50 cm kan gewijzigd worden in een vrijstellingsgrens van 10.000 m2(afb. 6). Voor bouwwerken en of grondwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan resp. 10.000 m² en een diepte van meer dan 200 centimeter moet door middel van een rapport/quickscan worden aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. De beoogde ontwikkeling overschrijdt de vrijstellingsgrens niet.
Pagina 5 van 6 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
Archeologie West-Friesland is het archeologisch samenwerkingsverband van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec en Texel
Afbeelding 6. Ligging plangebied (zwarte stippellijn) op de herziene beleidskaart archeologie.
7. Bronnen Archis 3.0 Alders, G.P. & S. Husken, 2007. Beleidsnota Archeologie 2007 gemeente Zijpe. SCENH-rapport cultuurhistorie 28. Stichting Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland, Wormer. Bügel Hajema, 2010. Bestemmingsplan Petten, ’t Zand, Callantsoog en Groote Keeten, gemeente Zijpe (vastgesteld 28-09-2010). NL.IMRO.0476.BP001H0001-0501 (www.ruimtelijkeplannen.nl) Kadastrale Minuutplan 1826, Gemeente Zijpe c.a.: Sectie A genaamd Het Zand, tweede Blad (beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Provincie Noord-Holland, 2018. Prachtlandschap Noord-Holland! Leidraad Landschap Cultuurhistorie (https://leidraadlc.noord-holland.nl/ensembles/zijpe-en-hazepolder/).
en
Noord-Hollands Archief Westfries Archief
Pagina 6 van 6 Archeologie West-Friesland
|
Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn
|
Postbus 603, 1620 AR Hoorn
archeologie@hoorn.nl | www.archeologiewestfriesland.nl
datum 2-9-2020 dossiercode 20200902-12-24138 Project: Uitbreiding EMT Gemeente: Schagen Aanvrager: Dirk Treffers Organisatie: themis ruimtelijk advies
Geachte heer/mevrouw Dirk Treffers, Voor het plan Uitbreiding EMTheeft u advies aangevraagd in het kader van de watertoets op www.dewatertoets.nl. Met de gegevens die u heeft opgegeven is bepaald dat bepaalde aspecten van het plan een zodanige invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap dat de normale proceduremoet worden gevolgd. Dit betekent dat wij in overleg met u willen bespreken hoe in uw plan rekening kan worden gehouden deze waterhuishoudkundige belangen. Om het watertoetsproces zo vlot mogelijk te laten verlopen, sturen wij u als bijlage een automatisch gegenereerd conceptwateradvies. Dit conceptadvies is in twee delen opgesplitst. In het eerste deel van het conceptadvies geven wij aan over welke onderwerpen nader overleg met het hoogheemraadschap noodzakelijk is. Het tweede deel van het conceptadvies bevat de onderwerpen die slechts een beperkte invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap en die ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen. Dit tweede deel van het advies kunt u gebruiken om alvast een eerste aanzet te geven tot de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing. Wij nemen binnen drie weken contact met u op om nadere afspraken te maken en advies te geven over de nog openstaande waterbelangen.
Als u eerder een afspraak wilt maken, dan kunt u contact met ons opnemen via ons algemene nummer 072 582 8282 en vragen naar de contactpersoon voor de gemeente waarin uw plan zich bevindt. Naast het bijgevoegde conceptadvies kunt u op onze website meer informatie vinden over de watertoets in het algemeen: https://www.hhnk.nl/watertoets/. LET OP:Het (concept)wateradvies is geen aanvraag voor een Watervergunning. Onze conclusie en wateradvies mogen alleen gebruikt worden tijdens de (ruimtelijke) planvormingfase. U dient zelf na te gaan welke vergunningen nodig zijn om het plan te realiseren. Bij het hoogheemraadschap dient u wellicht een Watervergunning aan te vragen of een melding te doen. Meer informatie over de Watervergunning vindt u op https://www.hhnk.nl/vergunningen. Met vriendelijke groet, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Postbus 250 1700 AG HEERHUGOWAARD T 072 582 8282 F 072 582 7010 E info@hhnk.nl W www.hhnk.nl
CONCEPT Wateradvies Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) heeft u Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevraagd een reactie te geven op het plan Uitbreiding EMT. Uit de ingediende gegevens is gebleken dat er voor één of meerdere wateraspecten nader overleg noodzakelijk is met het hoogheemraadschap. Deze aspecten benoemen wij in het eerste deel van dit concept wateradvies. In het tweede deel komen de onderwerpen aan bod die slechts een beperkte invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap en die hierdoor ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen. Dit deel van het advies kunt u gebruiken om alvast een eerste aanzet te geven tot de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. DEEL I Hieronder vindt u de aspecten waarover nader contact met het hoogheemraadschap noodzakelijk is: 20.0844503
Het ingetekende plangebied heeft de volgende zoneringen (kaartlagen) geraakt: - Zonering regionale waterkering Wij nemen binnen drie weken contact met u op om nadere afspraken te maken en te komen tot advies over bovenstaande waterbelangen. DEEL II Dit tweede deel van het advies kunt u direct gebruiken om een aanzet te maken voor de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing. De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO), het Besluit Ruimtelijke Ordening (BRO) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer.
Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die u op onze website kunt vinden (https://www.hhnk.nl/keur/). Verharding en compenserende maatregelen Binnen het werkgebied van het hoogheemraadschap is de afgelopen decennia door verstedelijking de hoeveelheid verharding toegenomen, terwijl tegelijkertijd het areaal aan open water is afgenomen. Om onder andere dit verschijnsel tegen te gaan is in 2003 de watertoets geïntroduceerd die ervoor moet zorgen dat de waterbelangen beter in ruimtelijke plannen worden meegenomen en dat ontwikkelingen 'waterneutraal' worden gerealiseerd.