Toelichting Koorndijk 14
Tekst van het document
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoeksresultaten AERIUS-berekening GRAS advies heeft op 14 juni 2022 een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd. Uit de berekening blijkt dat de kritieke overschrijding van stikstofdepositie van 0.00 mol/ha/j op de dichtbijzijnde Natura2000-gebieden niet wordt overschreden. Het aspect ‘stikstof’ vormt daarom geen belemmering voor het betreffende project en er is geen ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Quickscan flora/fauna GRAS advies heeft op 20 december 2021 een quickscan flora/ fauna uitgevoerd. Het gehele onderzoeksrapport is als bijlage 6 toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan. Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Schoorlse duinen op ca. 5.5 km afstand van het projectgebied en wordt hiervan gescheiden door agrarisch gebied en de bebouwde kom van Tuitjenhorn. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 5.6 km) van het projectgebied.
24
Er is geen sprake van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden, het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebieden) Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland betreft het Natura 2000-gebied Schoorlse duinen en enkele aangrenzende percelen op 4.6 km afstand van het projectgebied. Het projectgebied wordt van dit Natuurnetwerk Nederland gebied gescheiden door agrarisch gebied en de bebouwde kom van Tuitjenhorn. Aangezien het projectgebied buiten de begrenzing van het NNN ligt en de Interim Omgevingsverordening Noord-Holland geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing ten aanzien van NNN-gebieden niet noodzakelijk. Houtopstanden Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Daarmee is het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing op het projectgebied. Landzoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren of sporen van zoogdieren aangetroffen. Gezien de aangetroffen vegetatie en omgeving kunnen soorten als egel, haas, konijn en algemene muizensoorten worden verwacht. Het projectgebied is onderdeel van de leefomgeving van deze soorten.
De bovengenoemde soorten zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming ‘andere soorten’, maar staan ook in de categorie ‘vrijgestelde soorten’. Dit houdt in dat bij uitvoering van de werkzaamheden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling geldt voor deze soort. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht voor de uitvoerende partij. Een nader onderzoek naar beschermde zoogdieren en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Vleermuizen In de 2 bijgebouwen zijn holtes of scheuren aangetroffen die groot genoeg en geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het projectgebied kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten. Gebouw A (zie bijlage 4 van het onderzoeksrapport) zal inpandig verbouwd worden. Indien gebruik gemaakt wordt van machines en materieel welke trillingen en of geluid veroorzaken, is het verstoren van vleermuizen niet op voorhand uit te sluiten. Gebouw B (zie bijlage 4 van het onderzoeksrapport) zal gesloopt worden. Het verstoren van vleermuizen en het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen kan niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezige bomen vormen geen duidelijke, robuuste lijnvormige structuur die voor vleermuizen belangrijke landschapselementen verbindt. Een eventuele functie als vliegroute voor vleermuizen is derhalve niet aannemelijk.
Een nader onderzoek naar beschermde vleermuizen en/of een ontheffingsaanvraag is uitgevoerd (bijlage 7). De conclusie van dit onderzoek is dat er geen beschermde vleermuissoorten en/of verblijfplaatsen van beschermende vleermuissoorten aanwezig zijn. Vogels Jaarrond beschermde vogels Tijdens het veldbezoek zijn de bomen en bosschages gecontroleerd, maar er zijn in de bomen geen nesten aangetroffen van jaarrond beschermde soorten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde vogels is niet aannemelijk. Huismus In de panden zijn geen gaten aangetroffen die groot genoeg en geschikt zijn om te dienen als verblijfplaats voor huismussen. De aanwezigheid van huismussen in het projectgebied is redelijkerwijs uit te sluiten. Gierzwaluw In de panden zijn geen gaten aangetroffen die groot genoeg en geschikt zijn om te dienen als verblijfplaats voor gierzwaluwen. De aanwezigheid van huismussen in het projectgebied is redelijkerwijs uit te sluiten. Broedvogels De bomen en bosschages zijn gecontroleerd en beoordeeld op aanwezige vogelnesten. Er zijn geen onbewoonde nesten aangetroffen. Het projectgebied is wel onderdeel van het leefgebied van o.a. zangvogels.
25
Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen en bosschages gebruiken als broedlocatie. Dit houdt in dat gedurende het broedseizoen geen werkzaamheden mogen worden uitgevoerd die leiden tot een verstoring of vernietiging van de exemplaren en/of nesten van deze soortgroep. Het broedseizoen ligt globaal tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere, maar ook latere broedgevallen zijn mogelijk. Deze ‘broedgevallen buiten het broedseizoen om’ zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. Een nader onderzoek naar beschermde vogels en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd.
Amfibieen In het projectgebied liggen geen geschikte voortplantingsbiotopen voor amfibieën. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen. Een nader onderzoek naar beschermde amfibieën en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Reptielen In het projectgebied zijn geen reptielen aangetroffen. Er zijn ook geen biotopen aangetroffen die geschikt zijn voor reptielen. Een nader onderzoek naar beschermde reptielen en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Vissen In het projectgebied bevinden zich geen biotopen die geschikt zijn voor vissen. Een nader onderzoek naar beschermde vissen en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Ongewervelden Tijdens het veldbezoek zijn geen ongewervelden waargenomen. Vanwege het ontbreken van de voor beschermde ongewervelden benodigde specifieke habitats, is het niet aannemelijk dat beschermde soorten ongewervelden in het projectgebied aanwezig zijn. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Conclusie Ecologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 4.9
Archeologische en cultuurhistorie
4.9.1 Archeologie Toetsingskader In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Daarnaast dient aangetoond te worden dat het voorziene plan geen afbreuk doet aan bestaande cultuurhistorische waarden. Toets op voorgenomen ontwikkeling In het geldende bestemmingsplan Tuitjenhorn 2014 is ter plaatse van het plangebied een dubbelbestemming opgenomen voor de bescherming van archeologische waarden. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. De voor de als 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. Hier geldt dat voor het realiseren van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2500 m² en dieper dan 0,5 meter onder het maaiveld een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden.
Onderhavig plan voorziet in de bouw van 2 woningen en de functiewijziging van een voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning, allen met een oppervlakte van circa 120 m². De nieuwe woningen worden
26
gerealiseerd op de locatie van het kantoorgebouw en de schuur. Een groot deel van de gronden ter plaatse van de woningen zijn al geroerd bij de bouw van de bestaande bebouwing en worden dus gerealiseerd op de bestaande fundering. Tevens wordt de ontwikkeling van circa 240 m² aan bouwwerken mogelijk gemaakt. Hiermee wordt de grenswaarde die opgenomen is in het geldende bestemmingsplan niet overschreden. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. 4.9.2 Cultuurhistorie In de toelichting van ruimtelijke plannen moet naast een toets aan archeologie ook een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en/of monumenten rekening is gehouden. Toets op voorgenomen ontwikkeling Het plangebied kent momenteel een bedrijfsbestemming. De bedrijfsgebouwen zijn uit oogpunt van cultuurhistorie niet waardevol. In het plangebied zijn dan ook geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen of andere elementen aanwezig waarmee rekening gehouden moet worden. Wel wordt aandacht besteed aan de agrarische geschiedenis door de nieuw te bouwen woning in dezelfde stijl te bouwen als de bestaande voormalige agrarische schuur. Conclusie Het aspect ‘Archeologie en cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico’s – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10−6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
27
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’(art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit).
Toets op voorgenomen ontwikkeling Woningen zijn aan te merken als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat beoordeeld behoeft te worden of er in de nabijheid van het plangebied Bevi-inrichtingen (of andere onderdelen van externe veiligheid) zijn die van invloed zijn/kunnen zijn op de plannen. Hiertoe is een check uitgevoerd aan de hand van de landelijke risicokaart. Zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 4.2 Uitsnede risicokaart (plangebied rood omlijnd) Hieruit blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen bevinden die enige invloed op de uitvoerbaarheid van het plan hebben. Conclusie Het aspect ‘Externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor het plan. 4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van
28
bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. Toets op voorgenomen ontwikkeling In en in de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van kabels en leidingen die gevolgen hebben voor de gewenste ontwikkeling. Wel moeten voor de nieuwe woningen huisaansluitingen worden aangelegd. Hiervoor hoeft in dit bestemmingsplan geen beschermende regeling opgenomen te worden. Conclusie Het aspect ‘Kabels en leidingen’ vormt geen belemmering voor het plan. 4.12 Duurzaamheid De gemeente Schagen hecht grote waarde aan duurzaamheid. Het plan draagt hieraan bij, doordat het gaat om een herinvulling van een plangebied waar bedrijfsbebouwing stond. Het uitgangspunt daarbij is duurzaam bouwen. Duurzaam bouwen draait om energie-efficiency, waterbesparing en duurzaam materiaal- gebruik. Het zorgt voor een comfortabel en gezond binnenklimaat, en voor een forse energiebesparing. Duurzaam bouwen verdient zich daarom in veel gevallen ruimschoots terug. Om duurzaam te bouwen kunnen diverse maatregelen worden gekozen. Voor de keuze van deze maatregelen kan gebruik worden gemaakt van het Stappenplan Duurzame Nieuwbouw van het Duurzaam Bouwloket. De kaart is te raadplegen via https://www.duurzaambouwloket.nl/stappenplan.
4.13 Milieueffectrapportage Wettelijk kader Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. In de bijlage bij het Besluit m.e.r is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Toets op voorgenomen ontwikkeling Er heeft een vormvrije m.e.r beoordeling plaatsgevonden. Onderhavig plan voorziet in de bouw van in totaal 3 nieuwbouwwoningen. De activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd wordt, zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit dan ook niet m.e.r. beoordelings plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2).
Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt tevens uit de milieuparagraaf (hoofdstuk 4) van deze toelichting. Conclusie Het plan is niet m.e.r.(-beoordelingsplichtig). 4.14 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘Milieu- en omgevingsaspecten’ geen belemmering vormt voor het plan.
29
5 5.1
Juridische vormgeving Algemeen
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke bestemmingen. Het bestemmingsplan “Koorndijik 14l' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het realiseren van drie woonfuncties en het dienovereenkomstig gebruik van panden en gronden. De toekomstige bouwplannen dienen te passen binnen de mogelijkheden van dit bestemmingsplan. Onder paragraaf 5.2 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan. 5.2
Opzet van de regels
5.3
Inleidende bepalingen
De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meeten rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. 5.4
Bestemmingsbepalingen
Wonen Het plangebied krijgt de bestemming “Wonen” voor drie woningen met de daarbij behorende erven en tuinen. Op de verbeelding worden de bouwvlakken voor de drie woningen aangegeven. Ook bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen in het bouwvlak dan wel achter de gevellijn worden opgericht. De bouwmogelijkheden sluiten aan bij de planologische regeling opgenomen in het geldende bestemmingsplan van het aansluitende gebied (bestemmingsplan Tuitjenhorn). Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en afmetingen van bouwwerken. Voor wat betreft gebruiksmogelijkheden is van belang dat aan huis verbonden beroepen onder voorwaarden rechtstreeks zijn toegestaan. De uitoefening van aan huis verbonden bedrijven is alleen na afwijking, onder voorwaarden, mogelijk. Archeologie De bestemming archeologie is opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Agrarisch met waarden Deze bestemming geeft de bouw- en gebruiksmogelijkheden aan van dit gedeelte van het agrarische land. 5.5
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelbepaling opgenomen. Deze regels worden opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels
30
Voor het gehele plangebied is een regeling opgenomen dat de gemeentelijke parkeernormen ten alle tijde toegepast dienen te worden. Algemene gebruiksregels Voor het gehele plangebied is een regeling opgenomen waarbij het verboden is om de gronden of bouwwerken te gebruiken voor een seksinrichting dan wel een prostitutiebedrijf en als stort- en/of opslagplaats van grond en of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud. Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen het bevoegd gezag, in deze meestal burgemeester en wethouders, gerechtigd is om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de in het bestemmingsplan geregelde maatvoeringen en gebruiksregels. 5.6
Overgangs- en slotbepalingen
In deze paragraaf zijn tot slot de overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.
31
6 6.1
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Algemeen
Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is besproken met de aangrenzende buren. Hier zijn geen belemmerende opmerkingen uit voortgekomen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen, zowel digitaal via www.ruimtelijkeplannen.nl als fysiek bij de gemeente Schagen. Er zijn ten tijde van de terinzagelegging geen zienswijzen ingediend. Na de termijn is nader overleg gevoerd met de eigenaar van de agrarische percelen ten zuiden van de Koorndijk. Uit dit overleg is een tekstuele aanpassing in paragraaf 4.2.1 van deze toelichting en een aanpassing van de spuitzone op de verbeelding voortgekomen. 6.3
Economische uitvoerbaarheid
Financiële haalbaarheid De ontwikkeling is een particulier initiatief. De kosten voor de uitvoering van het plan worden gedragen door de aanvrager. Deze beschikt over voldoende financiële middelen om het voornemen te bekostigen. Hiermee is aan de financiële haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Grondexploitatie Doel van de grondexploitatieregeling is het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal door de gemeente. De gemeente heeft hierdoor meer sturingsmogelijkheden. Daarnaast kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden. Tussen de gemeente en de initiatiefnemers wordt een (anterieure) overeenkomst gesloten. Hier zijn onder andere het verhalen van eventuele planschade- en het verhalen van de kosten met betrekking tot het opstellen van het bestemmingsplan in geregeld. Hiermee is het voor het plan relevante kostenverhaal anderszins verzekerd. De gemeenteraad besluit daarom bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen grondexploitatieplan vast te stellen.
32