Toelichting en planregels
Tekst van het document
Den Gouden Hoeck, Burgerbrug
Bestemmingsplan
status datum IMRO-code
Ontwerp 5 juli 2022 NL.IMRO.0441.BPCPOGOUDENHOECK-ON01
DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl
Inhoudsopgave
1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ......................................................................................................................... 4 Aanleiding en doel ........................................................................................................ 4 Ligging plangebied ........................................................................................................ 4 Geldende bestemmingsplannen ................................................................................... 4 Leeswijzer ..................................................................................................................... 5
2 2.1 2.2
Planbeschrijving ............................................................................................................ 6 Historische en huidige situatie ...................................................................................... 6 Planbeschrijving ............................................................................................................ 6
3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.3 3.3.1 3.3.2 3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4 3.5
Beleid .......................................................................................................................... 10 Inleiding ....................................................................................................................... 10 Rijksbeleid ................................................................................................................... 10 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) .............................................................................. 10 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) ................................................................................ 10 Nationaal waterbeleid ................................................................................................. 11 Conclusie Rijksbeleid .................................................................................................. 12 Provinciaal en regionaal beleid ................................................................................... 12 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 en Omgevingsverordening NH2020 ............... 12 Woonakkoord .............................................................................................................. 13 Gemeentelijk beleid ....................................................................................................
13 Omgevingsvisie Schagen ........................................................................................... 13 Reisgids voor Ruimtelijke Ontwikkelingen .................................................................. 13 Woonvisie Schagen .................................................................................................... 13 Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit ............................................................................... 14 Conclusie beleidskader ............................................................................................... 14
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Milieu- en omgevingsaspecten ................................................................................... 15 Archeologie ................................................................................................................. 15 Cultuurhistorie ............................................................................................................. 15 Bodemkwaliteit ............................................................................................................ 15 Water ........................................................................................................................... 16 Natuur ......................................................................................................................... 17 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................ 18 Verkeer en parkeren ................................................................................................... 20 Geluid .......................................................................................................................... 21 Luchtkwaliteit............................................................................................................... 21 Externe veiligheid ........................................................................................................
22 Duurzaamheid ............................................................................................................. 22 M.e.r.-beoordeling ....................................................................................................... 23 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten .................................................................. 24
5 5.1 5.2 5.3
Juridische planbeschrijving ......................................................................................... 25 Algemeen .................................................................................................................... 25 Verbeelding ................................................................................................................. 25 Planregels ................................................................................................................... 25 DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl
DNS Planvorming BV
2/48
5.4
Handhaafbaarheid ...................................................................................................... 27
6
Financiële uitvoerbaarheid .......................................................................................... 28
7 7.1 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 29 Participatie en vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro .......................................................... 29 Procedure.................................................................................................................... 29
BIJLAGE BIJ DE TOELICHTING 1. Beeldkwaliteitsplan 2. Archeologische quickscan 3. Verkennend bodemonderzoek 4. Watertoets 5. Quickscan natuur 6. Stikstofberekening 7. Akoestisch onderzoek industrielawaai REGELS .................................................................................................................................... 30 Hoofdstuk 1
Inleidende regels ............................................................................................. 31
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels ......................................................................................... 36
Hoofdstuk 3
Algemene regels.............................................................................................. 43
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels ................................................................................ 47
BIJLAGE BIJ DE REGELS 1. Lijst van aan huis verbonden bedrijven
DNS Planvorming BV
3/48
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
In Burgerbrug bestaat het voornemen om door middel van collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO) 10 woningen te realiseren. De woningbouw is voorzien nabij de volkstuinen aan Den Gouden Hoeck, nabij de Grote Sloot. Dit initiatief is genomen door inwoners van Burgerbrug met als doel om duurzame woningen te realiseren en zo in het eigen dorp te kunnen blijven wonen. De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een nieuw ruimtelijk regime voor het plangebied van kracht, waarmee de woningbouw binnen het plangebied planologisch mogelijk wordt gemaakt.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied aan Den Gouden Hoeck ligt centraal in het dorp, naast de volkstuinen en achter de Sint Josephschool. De locatie is bereikbaar via de weg die ook de volkstuinen en school ontsluit op de Grote Sloot.
Afbeelding 1.1: luchtfoto met ligging plangebied
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Voor het plangebied geldt voor het grootste deel het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zijpe’ (vastgesteld op 18 mei 2016) en voor een klein deel het bestemmingsplan ‘Brede school te Bur-
DNS Planvorming BV
4/48
gerbrug’ (vastgesteld op 27 augustus 2013). Tevens geldt het parapluplan Parkeren (vastgesteld op 7 november 2017) en het paraplu-omgevingsplan 1e tranche (vastgesteld op 30 juni 2020). De gronden van het plangebied hebben grotendeels de bestemming Agrarisch en zijn primair bestemd voor de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Er geldt geen bouwvlak op de betreffende gronden. De bouwregels staan geen gebouwen toe. Een klein deel van het plangebied heeft de bestemming Recreatie Volkstuin. Deze bestemming biedt beperkte bouwmogelijkheden ten behoeve van de volkstuinen. Tot slot geldt voor de gronden aan de zuidoostzijde van het plangebied de bestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied’. De voorgenomen woningbouw is in strijd met het bestemmingsplan.
Afbeelding 1.2: Uitsnede geldende bestemmingsplannen
Tevens geldt de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5 ter bescherming van mogelijk in de ondergrond aanwezige archeologische waarden. De gebiedsaanduiding ‘overige zone – bollenconcentratiegebied’ bevat regels voor nieuwvestiging van agrarische bedrijven en is vanwege het ontbreken van een bouwvlak niet relevant voor de onderhavige gronden. De gebiedsaanduiding ‘overige zone – weidevogelleefgebied’ heeft eveneens geen gevolgen voor de ontwikkelmogelijkheden omdat de locatie in de nu geldende provinciale Omgevingsverordening geen onderdeel uitmaakt van het weidevogelleefgebied (opgenomen in Bijzonder provinciaal landschap).
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan wordt een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het vigerende beleid, waarbij het beleid op verschillende bestuursniveaus aan bod komt. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische aspecten worden toegelicht. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de uitvoerbaarheid en ten slotte worden in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de procedure uitgewerkt.
DNS Planvorming BV
5/48
2
Planbeschrijving
2.1
Historische en huidige situatie
Burgerbrug is direct na de droogmaking van de Zijpe ontstaan op het kruispunt van de Grote Sloot met de Burgerweg. Burgerbrug kreeg in de jaren ’60 van de vorige eeuw een eerste geplande uitbreiding in de vorm van het Zwanenplein. Het plangebied maakt onderdeel uit van de Polder G-Noord. Deze polder wordt gekenmerkt door de duidelijke lineaire structuur van gestrekte open ruimten en bebouwde linten langs de assen. De ruimtelijke structuur van het dorp is gekoppeld aan het kruispunt met de Grote Sloot. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de open Zijpe Polder, polder A en B en de volkstuinen. Aan de oostzijde zijn aan de Grote Sloot enkele jaren geleden een school en twee vrijstaande woningen gerealiseerd. Aan de westzijde ligt het bedrijfsterrein van W.N. Kramer BV en aan de zuidzijde is een ijsbaan/sportveld aanwezig. Het plangebied heeft grotendeels een agrarische bestemming maar is niet agrarisch in gebruik. De gronden liggen braak. Het beperkte oppervlak en het feit dat het perceel door waterlopen is geïsoleerd van het aangrenzende agrarische gebied, maakt dat een bedrijfsmatig agrarisch gebruik in de toekomst ook niet reëel is. Door de omliggende functies en bebouwing maakt het plangebied onderdeel uit van de gebruiksruimte van het dorp. Voor een klein deel van het plangebied geldt dat deze in gebruik is ten behoeve van volkstuinen.
Het verlies hiervan wordt gecompenseerd door aan de oostzijde van de volkstuinen hier, passend binnen het bestemmingsplan, gronden voor in te richten. Tot slot is een klein deel van het plangebied in gebruik als keermogelijkheid voor autoverkeer achter de school.
2.2
Planbeschrijving
Het initiatief voor de voorgenomen woningbouw komt voort uit bewoners van Burgerbrug die door middel van collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO) woningen willen realiseren in hun eigen dorp. CPO is een vorm van sociale projectontwikkeling waarbij toekomstige bewoners gezamenlijk opdrachtgever zijn voor hun eigen nieuwbouwproject. De toekomstige bewoners hebben een rechtspersoon opgericht die hen in staat stelt om in het projectontwikkelingsproces gezamenlijk als opdrachtgever op te treden en hebben daarbij een adviseur en architect in de arm genomen. Er is collectief een bouwplan gemaakt waarbij alle deelnemers voortdurend inzicht en inspraak hebben in de keuze van het bouwsysteem, de bouwmaterialen, het afwerkingsniveau en het kostenniveau. In de fasen daarna hebben individuele kopers de gelegenheid zelf te beslissen over de indeling en afwerking van hun eigen woning. De toekomstige bewoners zijn zelf risicodragend projectontwikkelaar De bouwgroep heeft verschillende locaties in Burgerbrug op het oog gehad en in overleg met de gemeente Schagen gekozen voor de locatie achter de school, gelegen aan Den Gouden Hoeck. De locatie ligt centraal in het dorp. De woningbouw kan hier goed ingepast worden binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur. In het stedenbouwkundig plan zijn 10 woningen opgenomen.
Het betreft 7 rijwoningen, bestaande uit twee bouwblokken, 2 twee-onder-één-kapwoningen en 1 vrijstaande woning. De DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl
DNS Planvorming BV
6/48
bouwhoogte van de woningen bedraagt maximaal 10 meter. De rijwoningen krijgen een maximale goothoogte van respectievelijk 6 meter. Voor de twee-onder-één-kapwoningen en de vrijstaande woning geldt een maximale goothoogte van 3 meter. De stedenbouwkundige opzet van het plangebied voorziet in een voortzetting van Den Gouden Hoeck waardoor alle woningen ontsloten kunnen worden. Vanaf de Grote Sloot zal een calamiteitenroute (fiets- voetpad) naar het plan lopen. In situering en oriëntatie richten de bouwvolumes van de rijwoningen zich op de verlenging van Den Gouden Hoeck, waardoor de achtertuinen grenzen aan het sportveldje. Door deze oriëntatie blijft het doorzicht vanaf de lintbebouwing langs de Grote Sloot behouden. Het plan wordt beëindigd door de twee onder één kapwoningen en de vrijstaande woning. Door deze met de kaprichting 90 graden te draaien ten opzichte van de rijwoningen vormen deze een duidelijke beëindiging van het plan en ontstaat variatie. Aan de achterzijde van de rijwoningen blijft de groene opstand behouden als afscheiding tussen het sportveldje en de bebouwing. Aan de voorzijde blijven de volkstuinen intact, zodat het plan als geheel in het groen ligt. Langs de school wordt een calamiteitenroute aangelegd. Ten oosten van de vrijstaande woning is ruimte aanwezig voor om een maaiboot te water te laten ten behoeve van onderhoud van de watergang.
Met de infrastructuur is rekening gehouden met een eventuele toekomstige woningbouwontwikkeling aan de westzijde van het plangebied.
Afbeelding 2.1: Situatieschets toekomstige situatie
DNS Planvorming BV
7/48
Afbeelding 2.2: Visualisatie toekomstige situatie
Voor de ontwikkeling is een specifiek beeldkwaliteitsplan1 opgesteld waarin onderstaande beeldkwaliteitscriteria voor de inrichting van de erven en de woningen zijn geformuleerd. Erf • • •
•
•
Het voorerf heeft een overwegend open en groen karakter en wordt bij voorkeur ingericht met gras en struiken. De perceelranden van de nieuwe kavels worden deels voorzien van groene erfafscheidingen in de vorm van hagen van inheemse soorten zoals haagbeuk of veldesdoorn. De parkeerplaatsen voor de rijwoningen liggen aan voorzijde van deze woningen en waar mogelijk op eigen erf. Bij de twee onder één kapwoningen en de vrijstaande woning liggen de parkeerplaatsen op eigen terrein. De parkeerplaatsen worden voorzien van halfopen verharding met een groene uitstraling. Het sortiment beplanting dient in alle gevallen inheems te zijn en dient afgestemd te zijn op de ondergrond. Passende bomen van de zijn bijvoorbeeld essen en iepen of fruitbomen. De vereiste watercompensatie wordt opgelost binnen of grenzend aan het plangebied.
Woningen Ligging
• •
De rijwoningen komen in de zuidelijke zijde van het plangebied te staan. De twee onder één kapwoningen en de vrijstaande woning in het westelijke deel. De woningen zijn gepositioneerd op een beperkte afstand ten opzichte van de voorste perceelsgrens met een voorgevel richting de straat.
Massa rijwoningen De hoofdvorm van de woningen bestaat per blok uit een enkel bouwvolume met twee bouwlagen en een kap. Het bouwvolume heeft een eenvoudige vormkarakteristiek met een zadeldak. Bergingen staan in de achtertuin en zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Er komen geen erkers, balkons of dakkapellen aan het bouwvolume. Massa twee onder één kapwoningen De hoofdvorm van de woningen bestaat uit één bouwlaag met een kap. De garages zijn ondergeschikt maar in samenhang met de woning ontworpen. 1
Beeldkwaliteitsplan project CPO Den Gouden Hoeck, 19 mei 2022
DNS Planvorming BV
8/48
Aan-, en uitbouwen zoals erkers en dakkapellen vormen een zelfstanding herkenbaar onder- deel, maar zijn ondergeschikt en in samenhang met de hoofdmassa.
Massa vrijstaande woning De hoofdvorm van de woning bestaat uit één bouwlaag met een kap. De garage is ondergeschikt maar in samenhang met de woning ontworpen. Aan-, en uitbouwen zoals erkers en dakkapellen vormen een zelfstanding herkenbaar onderdeel, maar zijn ondergeschikt en in samenhang met de hoofdmassa. Detaillering De detaillering van de verschillende bouwvolumes mogen een eigen architectuur krijgen. Daarbij is de architectuur passend bij de vormkarakteristiek. Aan-, en bijgebouwen zijn qua architectuur in samenhang met het hoofdgebouw. Materiaal en kleur Representatief gebouw met heldere uitstraling. De gevels van het hoofdvolume bestaan uit baksteen, stucwerk en/of hout. De daken zijn voorzien van pannen. Gedekte kleuren toepassen in overeenstemming met het kleur- en materiaalgebruik van de woongebouwen in de omgeving
DNS Planvorming BV
9/48
3
Beleid
3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid op provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleid vormt het kader waarbinnen de nieuwe ontwikkeling plaats dient te vinden.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Vanaf 1 januari 2023 treedt naar verwachting de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie duurzaam economisch groeipotentieel sterke en gezonde steden en regio’s toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Met betrekking tot ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ is in de NOVI aangegeven dat vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig zijn voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Tegelijk streeft men naar een verbetering naar de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Betekenis voor het project Voorliggend project sluit aan op het thema 'sterke en gezonde steden en regio's' uit de NOVI. Met het kleinschalige woningbouwplan wordt invulling gegeven aan de woningbehoefte van verschillende doelgroepen binnen bestaand stedelijk gebied.
De woningen zullen voldoen aan de huidige duurzaamheids-eisen. Betekenis voor het project De nationale belangen die in het Barro zijn vertaald, zijn niet van betekenis voor dit plangebied. Het relevante beleidskader wordt gevormd door het beleid van de provincie, regio en gemeente. 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. In het Bro is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden. Per 1 juli 2017 is het Bro op enkele onderdelen gewijzigd. Artikel 3.1.6, lid 2 Bro luidt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
DNS Planvorming BV
10/48
Betekenis voor het project De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft enkel doorlopen te worden als sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Met onderhavig bestemmingsplan worden 10 woningen op de locatie mogelijk gemaakt. Uit jurisprudentie volgt dat bij woningbouw pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij de bouw van meer dan 11 woningen (Uitspraak van de ABRS d.d. 18-122013 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:2921). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, lid 2 Bro is daarom niet van toepassing. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet te worden doorlopen. Ondanks het feit dat de ladder niet hoeft te worden doorlopen, kan worden opgemerkt dat de ontwikkeling in lijn is met het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking, namelijk een zorgvuldig ruimtegebruik. Met de woningen wordt voorzien in de aanwezige woningbehoefte binnen bestaand stedelijk gebied. 3.2.3 Nationaal waterbeleid Europese Kaderrichtlijn Water Sinds december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. De belangrijkste doelstelling is het geven van een kader voor het beheer van oppervlaktewater en grondwater op basis van stroomgebieden en stroomgebieddistricten.
De richtlijn wil het duurzaam gebruik van water bevorderen en de gevolgen van overstroming en droogte beperken. Daarnaast wil de richtlijn de aan water gebonden natuur beschermen en verbeteren met als uitgangspunt een goede ecologische toestand van het water. De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft onderzocht welke maatregelen genomen kunnen worden om Nederland ook in de toekomst veilig en leefbaar te houden. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Waterbeleid voor de 21e eeuw’. De belangrijkste aanbevelingen waren: anticiperen in plaats van reageren, meer ruimte naast techniek en ‘vasthouden-bergenafvoeren’. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw, heeft het kabinet zijn standpunt bepaald in de nota ‘Anders omgaan met water’ (2000). Deze Nota benadrukt dat het antwoord op de problemen niet alleen ligt in technische oplossingen, maar vooral ook in het ruimte geven aan water (flexibel peilbeheer en ruimtelijke maatregelen in de vorm van calamiteitenberging, piekberging en voorraad-beheer, etc.). Daarnaast moet meer gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om water vast te houden. Als meer water vasthouden niet zomaar gaat, moeten er voorzieningen worden aangelegd om tijdelijk water te bergen. Pas als deze twee mogelijkheden, vasthouden en bergen, zijn gebruikt mag het overtollige water worden afgevoerd.
Nota “Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw” Met de nota Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw wil het Rijk een ander waterbeleid realiseren. Er moet geanticipeerd worden op een stijgende zeespiegel, een stijgende rivierafvoer, bodemdaling en een toename van de neerslag. Nieuwe ruimtelijke besluiten mogen de problematiek van veiligheid en wateroverlast niet ongemerkt vergroten. Bij nieuwe ruimtelijke besluiten moeten de gevolgen voor veiligheid en wateroverlast expliciet in beeld worden gebracht. De nota geeft twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten. Voor waterkwantiteit bestaat die uit vasthouden, bergen en afvoeren. Voor waterkwaliteit is het schoonhouden, scheiden en zuiveren. Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water, relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied, vergroting van het waterbergend vermogen met name in de stadsranden, verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de belevingswaarde van water, en kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat
DNS Planvorming BV
11/48
in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast voor de periode 2022 – 2027. Uitgangspunt is schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Betekenis voor het project Onderdeel van het bestemmingsplan is de watertoets. In de watertoets is aangegeven wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding en op welke wijze water (regen-, afval- en oppervlaktewater) wordt ingepast in het plan. De watertoets is afgestemd met de betreffende waterbeheerder. In paragraaf 4.4 wordt hier nader op ingegaan. 3.2.4 Conclusie Rijksbeleid Met het voorliggende bestemmingsplan wordt voldaan aan de doelen en uitgangspunten zoals omschreven in het rijksbeleid.
3.3
Provinciaal en regionaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 en Omgevingsverordening NH2020 Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De provincie wil dat de kwalitatieve en kwantitatieve vraag en aanbod van werk- en woonlocaties met elkaar in overeenstemming zijn en streeft naar behoud en versterking van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie. Het beleid van de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 is, voor zover het een bindende werking moet hebben, neergelegd in de Omgevingsverordening NH2020 zoals vastgesteld op 22 oktober 2020. Betekenis voor het project Hieronder is toegelicht welke regels uit de Omgevingsverordening NH2020 voor de ontwikkeling relevant zijn.
Artikel 6.4 Kleinschalige woningbouwontwikkeling In artikel 6.4 zijn regels opgenomen voor woningbouwontwikkelingen die niet onder de reikwijdte van de Ladder uit het Besluit ruimtelijke ordening vallen. Het gaat dan om woninglocaties van 11 woningen of minder. Het uitgangspunt van de provincie is dat voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen altijd een plek is te vinden binnen bestaand stedelijk gebied. De regels gelden uitsluitend voor locaties in het werkingsgebied ‘landelijk gebied’. De locatie ligt niet binnen dit werkingsgebied, maar ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Het onderhavige plan is passend binnen de regels van de Omgevingsverordening. Artikel 6.62: Klimaatadaptatie Op grond van artikel 6.62 dient de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. Deze beschrijving dient in te gaan op het risico op wateroverlast, overstroming, hitte en droogte en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Ten behoeve van de beschrijving is overleg met in ieder geval het waterschap in
DNS Planvorming BV
12/48
wiens beheergebied de ontwikkeling plaatsvindt noodzakelijk. In de duurzaamheidsparagraaf (paragraaf 4.11) zijn de uitgangspunten op het gebied van klimaatadaptatie beschreven. Er heeft overleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier (HHNK). Het onderhavige bestemmingsplan is passend binnen de regels zoals deze zijn opgenomen in de Omgevingsverordening NH2020. 3.3.2 Woonakkoord Het Regionaal woonakkoord Kop van Noord-Holland (hierna: Woonakkoord) is het vervolg op het Regionaal Actieprogramma Wonen 2017-2020. Het Woonakkoord gaat over onderwerpen waar de regio en de provincie elkaar nodig hebben en om niet effectieve (bestuurlijke) regeldruk te voorkomen. Daarnaast probeert het Woonakkoord woningen in het landelijk gebied mogelijk te maken. Zonder Woonakkoord is dat niet mogelijk. Ook biedt het een actuele en krachtige impuls en inspiratie voor lokale woonvisies en prestatieafspraken. Het Woonakkoord is in maart 2022 ondertekend door de colleges van de Kop gemeenten en Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland. Betekenis voor het project Het onderhavige bestemmingsplan heeft betrekking op een kleinschalig, vraaggestuurd woningbouwplan op een locatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Het plan is passend binnen het regionaal Woonakkoord.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Schagen Op 14 december 2021 heeft de gemeenteraad van Schagen de Omgevingsvisie vastgesteld. In de Omgevingsvisie zijn een aantal doelstellingen op het gebied van wonen uitgewerkt, zoals de ambitie om per jaar te starten met de bouw van 300 woningen, per project een minimaal percentage (afhankelijk van de projectgrootte) goedkope koop of sociale huur toe te voegen aan de woningvoorraad, te zorgen voor voldoende starterswoningen en een minimale bruto vloeroppervlakte van 35 vierkante meter per woning te hanteren. Betekenis voor het project De ontwikkeling in het plangebied past binnen de doelstellingen van de omgevingsvisie. Met het plan wordt invulling gegeven aan de grote behoefte aan woningen door middel van collectief particulier opdrachtgeverschap. 3.4.2 Reisgids voor Ruimtelijke Ontwikkelingen In de gemeentelijke Reisgids onder het thema Wonen geeft de gemeente aan dat zij gaat voor geschikte woningen en een gezonde woningmarkt, in combinatie met een goede vitaliteit van de kernen. De gemeente wil inspelen op de ontwikkelingen en werken aan een dynamisch in plaats van statisch woningbouwprogramma. Verder vindt de gemeente het belangrijk dat er daadwerkelijk woningen worden gebouwd. Hierbij moet rekening worden gehouden met de regio en is vraaggestuurd bouwen het uitgangspunt.
Betekenis voor het project De voorgenomen ontwikkeling geeft invulling aan de Reisgids voor Ruimtelijke Ontwikkelingen. Met het plan wordt invulling gegeven aan de aanwezige woningbehoefte binnen bestaand stedelijk gebied en wordt bijgedragen aan de vitaliteit van de kernen. 3.4.3 Woonvisie Schagen De gemeente Schagen heeft op 28 oktober 2014 de lokale woonvisie 2014 t/m 2018 vastgesteld. Deze Woonvisie is opgesteld naar aanleiding van de fusie van de gemeenten Harenkarspel, Schagen en Zijpe. In de woonvisie wordt de ambitie uitgesproken voor een gefaseerde en gedoseerde uitbreiding van de woningvoorraad (vraaggestuurd). Er wordt gestreefd naar een gezonde woningmarkt en een woningbouwprogramma die aansluit op de marktvraag. De gemeente benut hierbij ook de kansen voor de afronding van dorpen wanneer sprake is van een
DNS Planvorming BV
13/48
aantoonbare marktvraag. Momenteel wordt gewerkt aan de voorbereidingen van een nieuwe woonvisie. Betekenis voor het project De ontwikkeling in het plangebied past binnen de beleidsuitgangspunten van de Woonvisie. Er is sprake van vraaggestuurde woningbouw. De woonvisie is vertaald in het regionaal Woonakkoord (zie paragraaf 3.3.2). 3.4.4 Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit Om te bepalen hoe de beoordeling van plannen aan ruimtelijke kwaliteit plaats vindt, zijn beleidsregels opgesteld welke zijn opgenomen in de ‘Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit’. De beleidsregels zijn abstract van karakter en geven ruimte voor verschillende ontwerpoplossingen. Betekenis voor het project Het plangebied maakt onderdeel uit van het ‘komgebied’. Voor het komgebied geldt een soepel welstandsniveau. Belangrijk is dat typen gebouwen worden gebouwd zoals dat gebruikelijk is voor het gebied. Er is geen sprake van een ingrijpende ontwikkeling Om nadere duiding te geven aan de wijze waarop de ontwikkeling binnen de bestaande karakteristiek en structuur wordt ingepast is een specifiek beeldkwaliteitsplan opgesteld. In paragraaf 2.2 zijn de voor het project specifiek geformuleerde beeldkwaliteitscriteria benoemd. In het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning voor bouwen zal het bouwplan door Welstand worden beoordeeld.
3.5
Conclusie beleidskader
Op basis van voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de beleidskaders op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau.
DNS Planvorming BV
14/48
4
Milieu- en omgevingsaspecten
In het kader van de ruimtelijke procedure wordt het project, in het kader van wet- en regelgeving en het kader van een goede ruimtelijke ordening, getoetst op een groot aantal milieu- en omgevingsaspecten. Hieronder is per aspect de betekenis voor het plan aangegeven.
4.1
Archeologie
Op grond van de Erfgoedwet is iedere gemeente verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke instrumenten. In de voormalige gemeentelijke Beleidsnota Cultuurhistorie (2012) is beschreven hoe wordt omgegaan met (mogelijke) waardevolle archeologische en cultuurhistorische waarden binnen de gemeentegrenzen. De archeologische verwachtingswaarden in de gemeente zijn vertaald in de bestemmingsplannen. Betekenis voor het plan Door Archeologie West-Friesland is een archeologisch advies2 uitgebracht voor het plangebied. Het overgrote deel van het plangebied is in 2008 reeds onderzocht. Hierbij zijn geen belangwekkende archeologische resten aangetoond. Alleen het uiterste noordwesten van het plangebied is nog niet archeologisch onderzocht. Hier zullen de geplande bodemingrepen de vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek niet overschrijden. Nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg is niet noodzakelijk. Archeologie WestFriesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Dit advies is overgenomen door het bevoegd gezag (de gemeente).
4.2
Cultuurhistorie
Op grond van de Modernisering Monumentenwet (MoMo) dient in een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Betekenis voor het plan Het plangebied en de directe omgeving hebben geen specifieke cultuurhistorische waarden. Er is ook geen sprake van een aardkundig waardevol gebied. De historische waterlopen blijven behouden. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaat er geen bezwaar tegen de beoogde ontwikkeling.
4.3
Bodemkwaliteit
In een bestemmingsplan dat nieuwe functies mogelijk maakt dient de bodemgesteldheid in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is
2
Archeologische Quickscan Den Gouden Hoeck Burgerbrug, Archeologie West-Friesland, 6 juli 2021 DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl
DNS Planvorming BV
15/48
(of geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Betekenis voor het plan Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd3. Met dit onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Ter plaatse van de slootdemping is zowel zintuiglijk als analytisch aangetoond dat geen sprake is van verontreinigd dempingsmateriaal. Vermoedelijk is de sloot destijds met gebiedseigen materiaal gedempt. De overige boven- en ondergrond is niet verontreinigd. In het grondwater zijn slechts licht verhoogde gehalten aangetoond. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. Tijdens het onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen bestemmingswijziging.
4.4
Water
Een watertoets is een essentieel onderdeel van ieder ruimtelijk plan. Hierbij wordt ingegaan op onder andere de beleidsuitgangspunten van het waterschap, de huidige en de toekomstige waterhuishouding in het plangebied. De planontwikkeling kan effecten hebben op de hoeveelheid verharding en het waterschap zal het plan beoordelen op haar effecten. Het is verplicht in beeld te brengen wat de effecten van de voorgenomen activiteit op de waterhuishouding zijn. Het gaat hier zowel om de waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het streven is er zoveel mogelijk op gericht om water (regen-, afval- en oppervlaktewater) op een goede manier in te passen in het ontwerp. Betekenis voor het project Voor het plan is advies aangevraagd bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) in het kader van de watertoets via www.dewatertoets.nl4. Er geldt de normale procedure in verband met de toename aan verharding (groter dan 800 m²). Waterkwantiteit De benodigde demping voor de dam voor de calamiteitenroute wordt één op één gecompenseerd. Daarnaast wordt een waterbergende functie in het cunet van de weg opgenomen. Hiermee wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd. Deze berging bedraagt circa 40 m³. De resterende verhardingstoename dat voor compensatie in aanmerking komt bedraagt 1.768 m². Door HHNK is het compensatiepercentage vastgesteld op 13%.
Het oppervlak te compenseren oppervlaktewater als gevolg van de toename aan verharding bedraagt circa 230 m². De exacte locatie voor de watercompensatie staat nog niet vast. Dit zal in overleg met de grondeigenaren en HHNK worden bepaald ten behoeve van de aanvraag voor watervergunning. Het onderhavige bestemmingsplan in combinatie met het aangrenzende geldende bestemmingsplan Buitengebied Zijpe, maakt de gewenste en benodigde waterberging en de gewenste beheersituatie mogelijk. De omliggende bestemmingen Agrarisch, Groen en Recreatie – Volkstuinen staan water toe. Eventueel benodigde extra of alternatieve waterberging is mogelijk door middel van een verlaging ter plaatse van de maaiboot tewaterlaatplaats en de ruimtereservering voor het naastgelegen perceel van W.N. Kramer B.V., in combinatie met een verbreding van bestaande sloten in hetzelfde peilgebied. Ook het verwijderen van verharding op het terrein van W.N. Kramer B.V. is nog een mogelijk alternatief. Door HHNK is bevestigd dat het voldoende aannemelijk is dat het bestemmingsplan op het aspect water uitvoerbaar is en de belangen in dit stadium voldoende zijn geborgd.
3 4
Verkennend bodemonderzoek Den Gouden Hoeck te Burgerbrug, Vlam Bodem Advies BV, 18 november 2021 Digitale watertoets, 29 maart 2022
DNS Planvorming BV
16/48
Conform de nota ‘Anders omgaan met water’, het gemeentelijk rioleringsplan 2017-2022 en de regionale klimaatadaptatiestrategie is het uitgangspunt voor waterkwantiteit ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Hier wordt invulling aan gegeven door middel van de waterbergende functie in de weg en de realisatie van parkeerplaatsen en de calamiteitenroute met grasbetontegels (waterdoorlatende verharding). Waterkwaliteit en riolering In het plangebied wordt hemelwater op verschillende manieren verwerkt. Er wordt een waterbergende wegfundering toegepast. Het hemelwater ter plaatse van de vrijstaande woning en twee-onder-één-kapwoningen wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij de rijwoningen wordt het hemelwater aangesloten op het hemelwaterriool. Het plan komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap en het gemeentelijk rioleringsplan om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Dit is hier het geval. Waterkering De locaties liggen niet in de invloedssfeer van een door het Hoogheemraadschap aangewezen waterkering. Op dit aspect is de Keur derhalve niet van toepassing. Klimaatadaptatie In paragraaf 4.11 is ingegaan op de klimaatadaptieve maatregelen. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het oogpunt van water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
4.5
Natuur
In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied. Betekenis voor het plan Op basis van verkennend natuuronderzoek5 zijn de effecten van het plan op beschermde natuurwaarden inzichtelijk gemaakt. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op circa 2 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Abtskolk & De Putten. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Er is een stikstofberekening met het programma Aerius uitgevoerd6. Uit deze berekeningen volgt dat de maximale projectbijdrage in de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen.
Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of bijzonder provinciaal landschap. Soortenbescherming 5 6
Quickscan natuur Den Gouden Hoeck te Burgerbrug, Van der Goes en Groot BV, 28 februari 2022 Stikstofberekening Den Gouden Hoeck Burgerbrug, DNS Planvorming BV, 29 maart 2022
DNS Planvorming BV
17/48
Uit het onderzoek naar soortenbescherming volgen de onderstaande conclusies: Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Teneinde de vestiging van overwinterende rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’; In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer, Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.
Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken; In het onderzoeksgebied kunnen beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn of als ‘andere soort’. Het gaat om de kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel). Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven; In de bebouwing rondom het plangebied kunnen mogelijk vleermuizen verblijven. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord; Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.
De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken; Het water langs het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van de mogelijke vliegroute zal echter niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. De potentieel aanwezige vliegroute voor vleermuizen naast het plangebied betreft vanwege de ligging en aanwezige lijnstructuren (brede watergang) mogelijk een essentieel deel van het leefgebied van vleermuizen. Met name lijnvormige elementen zoals de watergang zijn belangrijk voor de functionaliteit als vliegroute. Omdat de watergang blijft bestaan en alleen iets wordt versmald, is geen significant negatief effect aan de orde. In het voorjaar van 2022 is het aanvullend onderzoek gestart naar het voorkomen van marterachtigen. Dit onderzoek loopt tot medio juli 2022. Indien deze soort wordt aangetroffen zal een ontheffing worden aangevraagd en kunnen in de nabijheid van het plangebied compenserende maatregelen worden getroffen in de vorm van het creëren van een takkenhoop. Een ontheffing is hiermee verleenbaar. Ook de overige resultaten van het natuuronderzoek staan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. De hiervoor genoemde mitigerende maatregelen zullen bij de uitvoering in acht worden genomen.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering.
DNS Planvorming BV
18/48
Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De doelen van milieuzonering zijn: Het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Betekenis voor het project De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geeft indicatieve afstanden tussen bedrijven en woningen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. De richtafstanden uit de VNG-brochure gelden standaard ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Naast het omgevingstype rustige woonwijk kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden ten opzichte van een rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied ligt ingeklemd tussen een bedrijfsterrein, volkstuinen, een ijsbaan/sportveld en een school. Gelet op de diversiteit aan functies is sprake van een gemengd gebied. Hieronder wordt toegelicht hoe de woningbouw zich verhoudt tot de omliggende functies. Landbouwmechanisatiebedrijf W.N. Kramer BV (Burgerweg 53) Conform de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor een landbouwmechanisatiebedrijf met een bedrijfsoppervlak > 500 m2, de milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 50 meter. Het aspect geluid is hier maatgevend. Aan de richtafstand van 50 meter wordt niet voldaan.
Door middel van akoestisch onderzoek7 zijn de activiteiten van het bedrijf en de hierbij behorende verkeersbewegingen getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Getoetst is of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en dat naastgelegen bedrijven niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt door het plan. Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van alle gewenste woningen aan de richtwaarde(n) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximaal geluidniveau en de indirecte hinder uit stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. De gewenste woningen vormen geen belemmering voor inrichtingen in de omgeving én ter plaatse van de gewenste woningen binnen het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook ter plaatse van de (achter)tuinen wordt voldaan aan de richtwaarde(n) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de indirecte hinder. Voor het maximaal geluidniveau worden ter plaatse van de (achter)tuinen van woonblok 3 een geluidniveau tot 72 dB(A) berekend. Deze geluidniveaus worden veroorzaakt door het piekgeluid behorende bij handling van ijzer en/of een container. In de tuinen zal geen ‘harde’ toetsing aan grenswaarden plaatsvinden, aangezien deze grenswaarden niet aanwezig zijn.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn deze geluidniveaus wel in beeld gebracht. Gezien het beperkt voorkomen van deze piekniveaus (circa 3x per jaar gedurende maximaal 1,5 uur in de dagperiode) wordt deze waarde niet als onaanvaardbaar aangemerkt. Gelet op het bovenstaande zijn er wat betreft geluid van het bedrijf geen knelpunten voor de gewenste woningbouwontwikkeling.
7 Akoestisch onderzoek industrielawaai CPO Den Gouden Hoeck Burgerbrug woningbouw, De Roever Omgevingsadvies, 11 oktober 2021
DNS Planvorming BV
19/48
IJsbaan/sportveld De woningen grenzen aan een grasveld dat als ijsbaan wordt gebruikt en als sportveld (trapveld) door de jeugd van Burgerbrug wordt gebruikt. Het gebruik van de ijsbaan is zeer incidenteel. Geluid afkomstig van het sportveld is niet anders dan gebruikelijk is bij een speeltuin of trapveld in een woonomgeving. Er wordt geen onaanvaardbare hinder van deze functies verwacht. School In de VNG-brochure is voor scholen en kinderdagverblijven een richtafstand van 30 meter tot woningen aangehouden in verband met het aspect geluid. Binnen gemengd gebied bedraagt de richtafstand 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Ook uit akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd voor de realisatie van de brede school volgt dat in de directe nabijheid van de school sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Spuitzones Ten noorden van het plangebied zijn gronden met een agrarische bestemming aanwezig waarop een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering is toegestaan. Op deze gronden kunnen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de drift van bestrijdingsmiddelen van belang. Het neerkomen van een deel van de bestrijdingsmiddelen door wind heeft namelijk mogelijk effect op de gezondheid van omwonenden. De agrarische gronden zijn in eigendom bij een veehouder.
Het feitelijke gebruik bestaat hoofdzakelijk uit grasland voor vee waarbij geen gebruik wordt gemaakt van bestrijdingsmiddelen. Er is sprake van wisselteelt waarbij teelt van bollen (tulpen) of maïs plaatsvindt. Bij de bollenteelt wordt slechts enkele keren per jaar gespoten voor onkruid en schimmels. Bij de teelt van maïs is dit slechts één keer per jaar. Tussen de te realiseren woningen en de agrarische gronden ligt een brede sloot. Volgens het Activiteitenbesluit mag er geen bestrijdingsmiddel in het oppervlaktewater terecht komen. Op grond hiervan kan er vanuit gegaan worden dat de drift van de middelen niet bij woonpercelen kan komen en de agrarische bedrijfsvoering als gevolg van het bouwplan niet wordt beperkt. Aanvullend geldt dat de overheersende windrichting in dit gebied zuidwest is. Gelet op de ligging van de woningen ten opzichte van de agrarische gronden en de meest voorkomende windrichting, hoeft bij een verantwoord gebruik van geoorloofde bestrijdingsmiddelen niet te worden gevreesd voor het ontstaan van onaanvaardbare gezondheidsschade. Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de agrarische gronden een goed woon- en leefklimaat in het plangebied niet in de weg staat en agrarische bedrijven niet in hun mogelijkheden worden beperkt.
4.7
Verkeer en parkeren
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. Betekenis voor het project Verkeer Als gevolg van de ontwikkeling treedt er een wijziging op in de verkeersgeneratie van en naar het plangebied. De verkeersgeneratie als gevolg van het plan, is bepaald op basis van de CROW-publicatie 381 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. De extra verkeersgeneratie bestaat uit circa 70 verkeersbewegingen. De wegen waarop wordt aangesloten hebben voldoende capaciteit om de extra ritten op te vangen. De locaties zelf wordt ingericht als 30 km/hgebied. Parkeren
DNS Planvorming BV
20/48
Op grond van de gemeentelijke parkeernota gelden de volgende parkeernormen voor de woningen in het plan: Koop, vrijstaand: 1 x 2,3 = 2,3 Koop, twee-onder-één-kap: 2 x 2,2 = 4,4 Koop, tussen/hoek: 7 x 2,0 = 14,0 De totale parkeerbehoefte voor de woningen bedraagt 21 (20,7 naar boven afgerond) parkeerplaatsen. Er worden 21 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het parkeren bij de volkstuinen vindt plaats door middel van dubbelgebruik.
4.8
Geluid
In het kader van geluid is de Wet geluidhinder van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit geval is wegverkeerslawaai van belang. In de Wet geluidhinder is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wet geluidhinder geluidsgevoelige gebouwen enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Het uitgangspunt is dat op de gevels van geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Deze hogere waarde is te verlenen tot 63 dB binnen de bebouwde kom. Betekenis voor het project Voor de hele bebouwde kom van Burgerbrug geldt een snelheidsregime van 30 km/uur. Dit geldt ook voor de weg Grote Sloot ter hoogte van het plangebied, zowel de oost- als de westzijde. Wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur hebben op grond van de Wet geluidhinder geen onderzoekszone. Het plangebied ligt echter wel binnen de geluidzone van de delen van de Grote Sloot waar een maximum snelheid van 60 km/uur geldt.
Uit de geluidkaart op de website van de Atlas van de leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl), zie afbeelding 4.2, kan worden afgeleid dat ruimschoots wordt voldaan aan voorkeursgrenswaarde van 48 dB in het plangebied. Er is met betrekking tot geluid als gevolg van wegverkeer sprake van een goed woon- en verblijfsklimaat.
Afbeelding 4.2: Uitsnede geluidbelastingskaart wegverkeerslawaai (met plangebied rood omlijnd)
4.9
Luchtkwaliteit
Op basis van wetgeving die bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit' kunnen ruimtelijkeconomische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden;
DNS Planvorming BV
21/48
de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
Betekenis voor het project Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat sprake is van een ‘klein project’ welke niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In combinatie met de lage achtergrondwaarden in het gebied is luchtkwaliteit geen belemmering voor het voorgenomen plan.
4.10
Externe veiligheid
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang te kijken naar gevaarleverende functies in of in de nabijheid van het plangebied. De Normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Betekenis voor het project Met behulp van de Risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de in de omgeving van het plangebied aanwezige risicobronnen ten aanzien van externe veiligheid. Uit het raadplegen van de Risicokaart volgt dat de dichtstbijzijnde risicobronnen het Noordhollandsch Kanaal en de N9 zijn (vervoer gevaarlijke stoffen) en de hogedruk gasleiding ten oosten van Burgerbrug. Deze liggen op een zodanige afstand dat hiervan geen risico’s voor het plangebied uitgaan.
4.11
Duurzaamheid
Lokale overheden hebben een belangrijke rol bij energiebesparing, duurzame energieopwekking en terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Bijna alle gemeenten in Nederland hebben een klimaatbeleidsplan en voeren klimaatprojecten uit. De doelen uit het Uitvoeringsprogramma Klimaat 2012 - 2020 van de gemeente Schagen zijn energiebesparing, vermindering uitstoot broeikasgassen met 20% en de opwekking van 22,5 % duurzame energie. De gemeente Schagen geeft uitvoering aan de Energieagenda 2017. Schagen ondersteunt, faciliteert en initieert projecten, zodat het energieverbruik vermindert en er meer duurzame energie wordt opgewekt. Eén van de speerpunten is meer energie neutrale nieuwbouw. Schagen wil de energietransitie ondersteunen en versnellen om uiteindelijk in 2040 energie-neutraal te zijn. Daarom is besloten om alle nieuwbouw aardgasvrij te realiseren. De gemeente begeleid particuliere bouwers in een vroeg stadium van de planontwikkeling, waardoor hogere ambities worden gehaald.