Toelichting Algemene plaatselijke verordening Schagen 2025
Tekst van het document
Vijfde lid Een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 kan vergunningplichtig zijn ingevolge de Wm of onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voor zover de op de Wm gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de reikwijdte van de APV-bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen voor het milieu door het in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De raad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te beschermen. De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere belangen die onder het begrip ‘bescherming van het milieu’ vallen, tegengaan die worden veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de Wm. Zesde lid Enerzijds gaat het hier om een relatief overzichtelijk besluit dat op zich tijdig genomen kan worden. Anderzijds zou een stilzwijgend verleende ontheffing zeer onwenselijk zijn voor omwonenden en andere ondernemers. De lex silencio positivo is hier van toepassing uitgezonderd.
Het staat de raad vrij om daarin een andere keuze te maken. Jurisprudentie Vz. ARRS 21-12-1992, ECLI:NL:RVS:1992:AQ1344. Een in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek toegankelijk is, moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV. Rb. Breda 03-12-1997, ECLI:NL:RBBRE:1997:ZF0555. Beleid op basis waarvan coffeeshops, in tegenstelling tot andere horecabedrijven, vanaf 20:00 uur gesloten moeten zijn is noch in strijd met de Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een coffeeshop is geen winkel. Hij is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf waar gekochte waren ter plaatse worden genuttigd. ARRS 02-09-1983, ECLI:NL:RVS:1983:AM7471. Sluitingstijden in de APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de burgemeester om ontheffing te verlenen. ARRS 19-01-1984, ECLI:NL:RVS:1984:AM7699. De ontheffing van de burgemeester mag geen permanent karakter hebben en niet alle in de gemeente aanwezige inrichtingen betreffen.
ABRvS 29-10-2003, ECLI:NL:RVS:2003:AM5381. Herhaalde overtreding van sluitingstijd leidt tot onmiddellijke sluiting horecabedrijf. ABRvS 02-03-2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6323 (Edam/Volendam). De plaatsing van een artikel heeft een uitstraling naar de wijze waarop het gelezen moet worden. ABRvS 24-10-2018, ECLI:NL:RVS:2018:3487. De systematiek van een APV is van belang voor het antwoord op de vraag op welke gronden de ontheffing of vergunning mag worden geweigerd. De ontheffing van sluitingstijden is geregeld binnen het hoofdstuk ‘Openbare orde’ en geplaatst in de afdeling ‘Toezicht op openbare inrichtingen’. De burgemeester heeft niet in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de door hem genoemde omstandigheden een gevaar opleveren voor de openbare orde in verband met het toezicht op openbare inrichtingen. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting Eerste lid Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen).
Het betreft een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting. Tweede lid Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet ‘Damocles’ (artikel 13b van de Opiumwet) vanuit is gegaan dat gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b van de Opiumwet is bedoeld. Zie voor meer informatie en jurisprudentie ook de website van het CCV (www.hetccv.nl). Ook de Wet Victor is van belang. Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b van de Opiumwet of artikel 174a van de Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot onteigening.
In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet en artikel 174a van de Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers, conform artikel 3:16 van het BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet voor de sluitingen op grond van de APV. Jurisprudentie ARRS 15-06-1984, ECLI:NL:RVS:1984:AH0402. Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling op te nemen. ABRvS 23-05-1995, ECLI:NLRVS:1995:AN4389. Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig zwaar. Vz. ARRvS 26-08-1992, ECLI:NL:RVS:1992:AN2898 en ABRvS 05-07-1996, JG 96.0266. Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221 van de Gemeentewet (oud).
Vz. ABRvS 05-09-1997, Gst. 1998, 7069, 4. Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het nuloptiebeleid overtreedt. ABRvS 04-07-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AN6835. Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens handel in harddrugs. Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel in harddrugs) is niet van belang. Pres. Rb. Rotterdam 05-09-1997, JG 97.0209. Terechte sluiting van twee horeca-inrichtingen en intrekking van de exploitatievergunningen wegens smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare orde. ABRvS 06-02-1997, JG 97.0075. Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRvS 11-06-1998, ECLI:NL:RVS:1998:ZF3389. Sluiting is geen ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Inzage in geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten is dan ook niet strijdig met het ‘fair trial’-beginsel. Pres. Rb. Breda 27-01-1998, JG 98.0096. In bestuursrechtelijk geding moeten wel de juistheid van de feiten en zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden getoetst. Pres. Rb. Haarlem 16-11-2001, ECLI:NL:RBHAA:2001:AD5792.
Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de APV van Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van partydrugs uit een oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen onbeheersbaar is. Rb. Den Haag 10-05-2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT6239. Het (tijdelijk) sluiten van een horecabedrijf enkele weken nadat een overtreding van de sluitingsuren heeft plaatsgehad, is geen reparatoire maatregel maar een punitieve sanctie, waar de waarborgen van artikel 6 van het EVRM op zien. ABRvS 11-05-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT5345. Het intrekken van de horecavergunning (voor een bedrijf dat geen alcohol verkoopt) vanwege het feit dat de aanvrager niet voldoet aan eisen ten aanzien van zedelijk gedrag, is geen punitieve sanctie en daarom niet in strijd met artikel 6 van het EVRM. ABRvS 09-02-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS5485. Bij een beslissing van de burgemeester om een horeca-inrichting te sluiten toetst de rechter terughoudend. ABRvS 15-09-2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR2177. Het niet voorkomen van overlast in de omgeving van een coffeeshop reden voor tijdelijke sluiting. ABRvS 05-01-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AR8730. De aanwezigheid van cocaïne leidt tot onmiddellijke sluiting en het schrappen van de gedooglijst van een coffeeshop. Rb. Breda 05-11-2004, ECLI:NL:RBBRE:2004:AR6323. Eén pistoolschot is nog geen reden tot sluiting. ABRvS 13-04-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT3727.
Aantreffen van harddrugs leidt tot onmiddellijke sluiting van coffeeshop. Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol. ABRvS 18-05-2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT5655. Schietincident bij overval is reden voor tijdelijke sluiting. Is een reparatoire maatregel, gericht op herstel van de openbare orde, waarbij de persoon van de coffeeshophouder geen rol speelt.
Vz. Rb Midden-Nederland 03-01-2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:8. Sluiting van een club voor zes maanden in verband met geweldsincidenten. Vuurwerkincident is een ernstig geweldsincident (categorie 1). Het beleid van de gemeente is niet kennelijk onredelijk. Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan gemeente moest afwijken van het beleid. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Onder a Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt. Onder b Ook het bepaalde onder b richt zich tot de (potentiële) bezoeker (niet het personeel) van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het WvSr (lokaalvredebreuk). Onder c Het gestelde onder c richt zich tot de exploitant. Zwarte lijst Het verschijnsel "zwarte lijst" heeft enkele malen de publiciteit gehaald als instrument ter handhaving van de openbare orde in het algemeen en van de orde in inrichtingen in het bijzonder, dat op individuele bezoekers is gericht. Al uit HR 02-06-1924, NJ 1924, p.
901, blijkt dat een verbod om personen in een tapperij te laten verblijven die zich aan alcoholhoudende drank plegen te buiten te gaan, de openbare orde betreft. In ARRS 19-06-1984, AB 1985, 215 komt aan de orde hoe het hanteren van de zwarte lijst zich verhoudt tot de internationale verdragen en tot de huishouding van de gemeente. Kort gezegd oordeelde de Afdeling dat, mede gezien de achtergrond van het bestreden besluit en het feit dat het verbod slechts deels betrekking heeft op het verblijf van appellant in het jongerencentrum waar deze als vrijwilliger werkzaam was, het gehanteerde middel evenredig is te achten tot het daarmee beoogde doel, te weten de bescherming van de openbare orde, en dat het genomen besluit noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van dat belang. Het instrument van de zwarte lijst wordt weinig toegepast. Indien gewenst, zou in de APV de volgende bepaling kunnen worden opgenomen: 1. Het is de houder van een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven. 2.
Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid door de burgemeester aan de houders van openbare inrichtingen, als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, is opgegeven, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld. 3. Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, die niet langer is dan een jaar. Volgens Ktr. Tilburg 22-03-1989, NJ 1989, 585, is een toegangsverbod van onbepaalde duur strijdig met artikel 5 van het EVRM. In verband daarmee verdient het aanbeveling bovenstaande modelbepaling uit te breiden. De bepaling onder c is bedoeld om te voorkomen dat het terras een tappunt wordt voor passanten. Omdat de tekst ten onrechte de suggestie wekte dat staanplaatsen op het terras niet zouden mogen is die in 2014 aangepast. Jurisprudentie
Wnd. Vz. 16-09-1982, AB 1983, 38 en Wnd. Vz. 30-03-1983, KG 1983, 195. Instrument van de zwarte lijst wordt toelaatbaar geacht. Hetgeen in dit artikel onder b staat vermeld wordt meestal in de vergunningsvoorschriften opgenomen. Hier is het als algemene regel geformuleerd. Naar wens kunnen andere algemene regels worden toegevoegd. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed wordt verhandeld. In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Alcoholwet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen. Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 van het WvSr. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 van de Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 van de Gemeentewet. Jurisprudentie ABRvS 15-07-1996, AB 1996, 414. Sluiting café in verband met heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. Pres. Rb. Rotterdam 07-04-1995, JG 95.0202.
Terechte sluiting snackloket in verband met heling. Bekendmaking van de sluiting dient geen enkel doel. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Het begrip ‘openbare inrichting’ als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet. Artikel 2:34 (Vervallen) Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden Algemeen Inleiding Deze modelverordening bevat medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de artikelen 4, 25a, 25b, 25c, 25d en 25e van de Alcoholwet. Hoewel de APV voor het overgrote deel uit autonome bepalingen bestaat, is ervoor gekozen om deze medebewindbepalingen daarin op te nemen omdat dit vanuit praktisch oogpunt een logische stap is. Immers, de APV regelt al aanverwante zaken zoals de horeca-exploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke. Oneerlijke mededinging De op basis van artikel 4 van de Alcoholwet door gemeenten te stellen regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Uit de MvT (Kamerstukken II 2008/09, 32 022, nr. 3, p.
10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.
Concreet komt het er op neer dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden tot regels die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen van oneerlijke mededinging. Of in bepaalde gevallen sprake zal zijn van oneerlijke mededinging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. Bij de aanzienlijke ruimte die dit uitgangspunt biedt zal de gemeentelijke uitwerking verder overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur plaats moeten vinden. Er is dus aanzienlijke ruimte voor een afweging van belangen, die enerzijds niet tot het volledig uitbannen van oneerlijke mededinging hoeft te leiden en anderzijds niet tot het volledig ongemoeid laten van oneerlijke mededinging mag leiden. Verplichte en niet verplichte bepalingen Een regeling op grond van artikel 4 van de Alcoholwet, in deze modelverordening uitgewerkt in artikel 2:34b, is verplicht. Dat geldt niet voor de artikelen 2:34c tot en met 2:34f, die gebaseerd zijn op de artikelen 25a, 25b, 25c, 25d en 25e van de Alcoholwet. Daarnaast hebben deze bepalingen niet als doel het tegengaan van oneerlijke mededinging, maar het tegengaan van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren. Bestuurlijke boete, strafbaarstelling en bestuursdwang Uit de eerder aangehaalde MvT (p.
51) blijkt dat aan de bestaande arrangementen niets verandert als het gaat om de afbakening tussen bestuursrechtelijke handhaving via bestuurlijke boeten en strafrechtelijke handhaving op grond van de WED. “Uitgangspunt is en blijft dat de handhaving van de DHW zal geschieden door het opleggen van bestuurlijke boeten. Alleen indien de overtreding een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft of het door de wetsovertreder genoten economisch voordeel groter is dan de bestuurlijke boetes zal er behoefte kunnen zijn om de zaak voor te leggen aan het OM om via de WED af te doen: de WED voorziet namelijk in een breder arsenaal aan sancties, zoals hogere maxima voor boetes en de mogelijkheid tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zolang dit duale stelsel bestaat heeft deze situatie zich nog geen enkele keer voorgedaan. We mogen constateren dat tot op heden het duale stelsel in het kader van de DHW probleemloos functioneert.” De grondslag voor het opleggen door de burgemeester van een bestuurlijke boete voor overtreding van onder meer de op basis van deze modelverordening vastgestelde bepalingen is artikel 44a van de Alcoholwet. Op grond van datzelfde artikel 44a kan de burgemeester ook voor overtreding van een aantal andere bepalingen uit de Alcoholwet een bestuurlijke boete opleggen.
Informatie over de toepassing van de bestuurlijke boete vindt u op de website van de NVWA, https://www.nvwa.nl/over-de-nvwa/hoe-de-nvwa-werkt/toezicht-maatregelen-en-boetes/ bestuurlijke-boete. Overtredingen van de op basis van deze modelverordening aan de APV toegevoegde bepalingen zijn strafbaar als overtredingen op grond van artikel 2, vierde lid, juncto 1, onder 4˚, van de WED. De desbetreffende artikelen zijn daarom niet in de opsomming van overtredingen in hoofdstuk 6 ‘Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen’ opgenomen. In artikel 44 van de Alcoholwet is voorts bepaald dat de Minister en de burgemeester bestuursdwang kunnen toepassen ter handhaving van een krachtens dit artikel opgelegde ontzegging. Dit betreft de ontzegging dat een supermarkt, een warenhuis dat ook levensmiddelen verkoopt of een snackbar, e.d. nog langer (zwak)-alcoholhoudende drank mag verkopen als het bedrijf in een periode van 12 maanden driemaal alcoholhoudende drank aan iemand jonger dan 18 jaar heeft verstrekt. Ditzelfde geldt voor een slijter die in een periode van 12 maanden driemaal de regels omtrent de verkoop op afstand heeft overtreden. Toezichthouders De toezichthouders worden benoemd door de burgemeester. Zij kunnen worden vermeld in artikel 6:2.
Op grond van artikel 42 van de Alcoholwet hebben zij de bevoegdheid om woningen binnen te treden zonder toestemming van de bewoners, als de toezichthouder vermoedt dat daar
bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank aan particulieren wordt verstrekt of als dat daadwerkelijk gebeurt. In deze toelichting worden begrippen gehanteerd die omwille van de leesbaarheid van het stuk nadere uitleg vooraf verdienen. Het betreft de volgende begrippen: - paracommerciële horeca - bijeenkomsten van persoonlijke aard - bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn - sluitingstijden en openingstijden - schenktijden - 18-minners a) paracommerciële horeca Met paracommerciële horeca wordt gedoeld op de verkoop van alcoholhoudende drank door paracommerciële rechtspersonen. In de praktijk gaat het hier meestal om stichtingen en verenigingen. Bekende voorbeelden van “paracommerciële horeca” zijn de door stichtingen geëxploiteerde horecavoorzieningen in culturele accommodaties, dorps- en buurthuizen en de kantines van (sport)verenigingen. De wettelijke definitie van een paracommerciële rechtspersoon is: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.
Als een horeca-inrichting niet valt onder de definitie van paracommerciële horeca dan is sprake van een “reguliere”(commerciële) horeca-inrichting. b) bijeenkomsten van persoonlijke aard en c) bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Bij “bijeenkomsten van persoonlijke aard” gaat het om bijeenkomsten die in het teken staan van de privésituatie van één of meerdere specifieke personen. De meest bekende voorbeelden zijn bijeenkomsten (feesten/partijen-recepties) in het kader van een huwelijk of een verjaardag. Bijeenkomsten van persoonlijke aard die een direct verband hebben met de activiteiten van de rechtspersoon vallen niet onder het verbod. De volgende voorbeelden dienen ter verduidelijking: Voorbeeld 1: de heer Jansen is 10 jaar voorzitter van de voetbalvereniging en wil dat jubileum vieren in de kantine van die vereniging. Voorbeeld 2: de heer Jansen is 25 jaar getrouwd en wil dat jubileum vieren in de kantine van de voetbalvereniging. Voorbeeld 3: een lid van de voetbalvereniging wordt 50 jaar en wil dat vieren in de kantine van de voetbalvereniging. In het geval van voorbeeld 1 mag wel alcoholhoudende drank worden geschonken maar in de gevallen van de voorbeelden 2 en 3 mag dat niet.
Hoewel het bij voorbeeld 1 op zich gaat om een bijeenkomst die betrekking heeft op een specifiek persoon en daarmee misschien de indruk kan wekken om “van persoonlijke aard” te zijn, is die bijeenkomst gekoppeld aan de functie van de heer Jansen binnen de vereniging. Tijdens zo’n jubileum mag dus wel alcoholhoudende drank worden geschonken. In de voorbeelden 2 en 3 gaat het wel om een lid van de voetbalvereniging maar dat die persoon 25 jaar getrouwd is of 50 jaar oud wordt heeft op zich niets met die vereniging te maken. In die gevallen mag dus geen alcoholhoudende drank worden geschonken. “Bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn” zijn bijeenkomsten die op zich eigenlijk niets te maken hebben met het doel van de vereniging of stichting waar die bijeenkomst wordt gehouden. Ook hier enkele voorbeelden ter verduidelijking: Voorbeeld 1: Een bekende zeezeiler wil een lezing houden over een door hem met zijn schip gemaakte wereldreis. Hij houdt die lezing in de kantine van een voetbalvereniging. Voorbeeld 2: het
gaat om dezelfde zeezeiler en dezelfde lezing maar nu in de kantine van een watersportvereniging. In voorbeeld 1 kan niet worden gesproken van een verband tussen het onderwerp van de bijeenkomst (wereldreis met een zeilschip) en de voetbalvereniging. Tijdens zo’n bijeenkomst mag dus geen alcoholhoudende drank worden geschonken. In voorbeeld 2 kan wèl worden gesproken van een verband (zeiltocht – watersport) en mag dus wel alcoholhoudende drank worden geschonken. Een verband kan er ook zijn als de wereldreiziger zijn lezing houdt in bijvoorbeeld een bibliotheek (wereldreis – andere culturen). d) sluitingstijden en openingstijden Sluitingstijden zijn de tijden waarbinnen een horeca-inrichting gesloten moet zijn voor publiek. De sluitingstijden worden vastgesteld in het belang van het voorkomen van overlast voor de woon- en leefomgeving. Daarvoor is een apart artikel (artikel 2:29) opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening. Als de sluitingstijden zijn vastgesteld vloeien daar automatisch ook de openingstijden uit voort. Als de sluitingstijd is bepaald op “tussen 02:00 en 06:00 uur” dan zijn de openingstijden logischerwijze “van 06:00 tot 02:00 uur”. Een horeca-inrichting moet gesloten zijn tijdens de sluitingstijden en mag geopend zijn tijdens de openingstijden.
e) schenktijden Schenktijden zijn de tijden waarbinnen het toegestaan is om alcoholhoudende drank te verstrekken. De schenktijden hebben te maken met het verstrekken van alcoholhoudende drank en zijn niet per definitie gelijk aan de openingstijden. Uiteraard kunnen de schenktijden nooit ruimer zijn dan de openingstijden. f) 18-minners Ter uitvoering van het jeugd-alcoholmatigingsbeleid zijn in de verordening bepalingen opgenomen die specifiek betrekking hebben op “personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt”. Gemakshalve wordt deze doelgroep ook aangeduid met de term “18-minners”. Kern van de verplicht op te nemen bepalingen Op grond van artikel 4, derde lid van de Aw is de gemeente verplicht om, ter voorkoming van oneerlijke mededinging door de paracommerciële horeca, in een gemeentelijke verordening in ieder geval regels te stellen voor de volgende onderwerpen (met bij elk onderwerp een voorbeeld ter verduidelijking): · de schenktijden (bijvoorbeeld “tussen 12:00 en 24:00 uur”) · de bijeenkomsten van persoonlijke aard (bijvoorbeeld “helemaal niet” of “maximaal 4 x per kalenderjaar”) en · de bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn (bijvoorbeeld “helemaal niet” of “maximaal 1 x per kalenderjaar”).
Kern van de facultatief op te nemen bepalingen Op grond van de artikelen 25a, 25b, 25c en 25d van de Aw is de gemeente bevoegd om een aantal aspecten nader te regelen. Het betreft de volgende onderwerpen (met ook hier bij elk onderwerp een voorbeeld): · de schenktijden in de reguliere (commerciële) horeca (bijvoorbeeld “tussen 12:00 en 24:00 uur”) · een verbod op het verstrekken van sterke drank in de paracommerciële en/of reguliere (commerciële) horeca (bijvoorbeeld “indien de locatie deel uitmaakt van een gebouw voor het geven van onderwijs”) · beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven (bijvoorbeeld: “geen alcoholverkoop in door de burgemeester te bepalen delen van de gemeente op door de burgemeester te bepalen tijden”) · prijsacties in de horeca (bijvoorbeeld “happy hours”) · prijsacties in de detailhandel (bijvoorbeeld “deze week 3 kratten halen, 2 betalen”)
Bij de facultatieve bepalingen kan dus worden gekozen voor de mogelijkheid om ze (nog) niet over te nemen. Uitgebreide artikelsgewijze toelichting Artikel 2:34a Definities 1. De definities van artikel 1 van de Alcoholwet zijn op deze afdeling van toepassing. 2. Onder wijk- en buurtcentra wordt verstaan: een openbaar gebouw dat als centrum dient voor het sociaal maatschappelijke en culturele leven van een buurt met plaats voor vergaderingen en voorzieningen voor activiteiten van recreatieve en educatieve aard. Toelichting: De begripsbepalingen zijn opgenomen om eventuele onduidelijkheden en mogelijke interpretatieverschillen van de in de verordening gehanteerde begrippen te voorkomen. Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen (regionaal model art. 2:34a) 1. Het verstrekken van alcoholhoudende drank door paracommerciële rechtspersonen is uitsluitend toegestaan binnen de periode die ligt tussen één uur voor aanvang en twee uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon, met dien verstande dat het tijdstip waarop alcoholhoudende drank mag worden verstrekt niet vroeger mag zijn dan 12:00 uur en niet later mag zijn dan 24:00 uur. 2. De burgemeester kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.
Toelichting: Volgens artikel 4, derde lid, van de Aw moeten er, ter voorkoming van oneerlijke concurrentie, in elk geval regels worden gesteld voor o.m. schenktijden. Die schenktijden worden bepaald door het aanvangstijdstip en de eindtijd. In het regionale model is er voor gekozen om geen concrete eindtijd te vermelden maar in plaats daarvan te verwijzen naar “sluitingstijd”. De sluitingstijd voor openbare inrichtingen is geregeld in artikel 2:29 van de APV. Artikel 2:34c Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen mogen geen alcoholhoudende drank verstrekken: a. tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en b. tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 2. Het bepaalde in het eerste lid blijft voor bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid onder a buiten toepassing als de inrichting van de paracommerciële rechtspersoon is gelegen binnen een bebouwde kom waar het horecabedrijf uitsluitend door paracommerciële rechtspersonen wordt uitgeoefend en minimaal één van de personen waar de bijeenkomst betrekking op heeft woonachtig is binnen die bebouwde kom. 3. Het bepaalde in het eerste lid blijft voor bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid onder b buiten toepassing: a.
als de inrichting van de paracommerciële rechtspersoon is gelegen binnen een bebouwde kom waar het horecabedrijf uitsluitend door paracommerciële rechtspersonen wordt uitgeoefend; b. als de bijeenkomst is gericht op personen die rechtstreeks betrokken zijn bij stichtingen of verenigingen die zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. 4. Het bepaalde in het eerste lid blijft voorts buiten toepassing als aannemelijk wordt gemaakt dat het verstrekken van alcoholhoudende drank tijdens de bijeenkomst niet leidt tot oneerlijke mededinging met horeca-ondernemers, niet zijnde paracommerciële rechtspersonen, die gevestigd zijn binnen de bebouwde kom waar de bijeenkomst wordt gehouden.
5. Van een bijeenkomst als bedoeld in het vierde lid moet minimaal 4 weken vooraf melding worden gemaakt aan de burgemeester. Bij de melding moet gemotiveerd worden aangegeven waarom het verstrekken van alcoholhoudende drank niet leidt tot oneerlijke mededinging als bedoeld in het vierde lid. Als de burgemeester tot het oordeel komt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het verstrekken van alcoholhoudende drank niet zal leiden tot oneerlijke mededinging als bedoeld in het vierde lid, kan hij het verstrekken van alcoholhoudende drank tijdens die bijeenkomst verbieden. Toelichting: De strekking van het artikel is kort weergegeven als volgt: Uitgangspunt is dat in de paracommerciële horeca geen alcoholhoudende drank mag worden geschonken tijdens “bijeenkomsten van persoonlijke aard” en tijdens bijeenkomsten van derden. De in de wet gebruikte term voor die laatste categorie bijeenkomsten is “bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn”. Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op bijeenkomsten, waarbij meestal alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die specifiek primair verband houden met een of meer personen. Voorbeelden zijn bruiloften, recepties, jubilea, verjaardagen, condoleancebijeenkomsten e.d.
Bijeenkomsten van persoonlijke aard die een direct verband hebben met de activiteiten van de rechtspersoon vallen niet onder het verbod. De volgende voorbeelden dienen ter verduidelijking: Voorbeeld 1: de heer Jansen is 10 jaar voorzitter van de voetbalvereniging en wil dat jubileum vieren in de kantine van die vereniging. Voorbeeld 2: de heer Jansen is 25 jaar getrouwd en wil dat jubileum vieren in de kantine van de voetbalvereniging. Voorbeeld 3: een lid van de voetbalvereniging wordt 50 jaar en wil dat vieren in de kantine van de voetbalvereniging. In het geval van voorbeeld 1 mag wel alcoholhoudende drank worden geschonken maar in de gevallen van de voorbeelden 2 en 3 mag dat niet. Hoewel het bij voorbeeld 1 op zich gaat om een bijeenkomst die betrekking heeft op een specifiek persoon en daarmee misschien de indruk kan wekken om “van persoonlijke aard” te zijn, is die bijeenkomst primair gekoppeld aan de functie van de heer Jansen binnen de vereniging. Tijdens zo’n jubileum mag dus wel alcoholhoudende drank worden geschonken. In de voorbeelden 2 en 3 gaat het wel om een lid van de voetbalvereniging maar dat die persoon 25 jaar getrouwd is of 50 jaar oud wordt heeft op zich niets met die vereniging te maken. In die gevallen mag dus geen alcoholhoudende drank worden geschonken.
Voor het gemak en de leesbaarheid wordt in deze toelichting op een aantal plaatsen het woord “vereniging” gebruikt maar er wordt mee gedoeld op alle soorten “paracommerciële rechtspersonen”. Bij bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, kan worden gedacht aan activiteiten die niet specifiek aan de paracommerciële rechtspersoon zijn gebonden. Dit doet zich voor als een paracommerciële
rechtspersoon zijn kantine of een andere ruimte verhuurt aan derden om bijvoorbeeld een feest te geven (voor niet-leden van de vereniging of voor niet-betrokkenen bij de stichting). Schouwburgen en dergelijke instellingen kennen vaak een brede programmering aan culturele activiteiten. Die activiteiten vallen nagenoeg altijd onder de statutaire doelstelling van de schouwburg en zijn daarom zonder meer toegestaan. Er zijn situaties denkbaar waarin een strikte toepassing van het verbod als onnodig belemmerend kan worden ervaren. Daarom zijn uitzonderingen opgenomen voor de volgende gevallen: 1. als in dezelfde bebouwde kom geen commerciële horeca aanwezig is. Voor bijeenkomsten van persoonlijke aard (bruiloften e.d.) geldt wel als vereiste dat tenminste één van de personen waar het feest om draait woonachtig moet zijn in die bebouwde kom. 2. als de bijeenkomst is gericht op personen die rechtstreeks betrokken zijn bij stichtingen of verenigingen die zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. 3. als binnen dezelfde bebouwde kom wel commerciële horeca aanwezig is maar aannemelijk kan worden gemaakt dat het schenken van alcoholhoudende drank tijdens de bijeenkomst niet leidt tot oneerlijke mededinging met die horeca. Van zo’n bijeenkomst moet vooraf melding worden gemaakt aan de burgemeester.
Indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat geen oneerlijke mededinging optreedt dan kan de burgemeester alsnog verbieden dat alcoholhoudende drank wordt verstrekt. De eerste uitzondering is opgenomen om tegemoet te komen aan de wens dat onze inwoners voor dit soort bijeenkomsten in beginsel “in het eigen dorp” terecht moeten kunnen. Voor inwoners is het belangrijk dat zij bruiloften en verjaardagen kunnen houden in hun eigen woonomgeving. Het lijkt niet redelijk om die inwoners te verplichten om, indien in de eigen woonomgeving geen commerciële horeca aanwezig is, voor dergelijke belangrijke gebeurtenissen uit te wijken naar elders. De tweede uitzondering is opgenomen om het mogelijk te maken dat sportverenigingen hun accommodaties efficiënter kunnen exploiteren in de vorm van medegebruik door andere sportverenigingen en om het mogelijk te maken dat stichtingen en verenigingen die zelf geen accommodatie hebben gebruik kunnen maken van de faciliteiten van wijk- en buurthuizen. Te denken valt aan bijvoorbeeld een vereniging die haar accommodatie slechts op enkele dagen in de week zelf gebruikt en op andere dagen in gebruik wil geven bij een andere vereniging. Het gaat hier dus om een uitzondering ten behoeve van het gedeelde gebruik van accommodatie tussen stichtingen en verenigingen onderling.
De uitzondering is niet bedoeld om particulieren de gelegenheid te bieden een verenigingskantine te huren of te laten gebruiken. De derde uitzondering is opgenomen om in te kunnen spelen op de situaties waarin de commerciële horeca binnen dezelfde bebouwde kom de betreffende bijeenkomst niet kan of niet wil faciliteren of om andere redenen geen bezwaar heeft tegen het schenken van alcoholhoudende drank tijdens de bijeenkomst. Van zo’n bijeenkomst moet vooraf melding worden gemaakt aan de burgemeester. Hieronder wordt meer uitgebreid ingegaan op het artikel. Artikel 2:34c, lid 1 Het eerste lid van het artikel geeft een verbod voor de paracommerciële horeca om alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens feesten van persoonlijke aard en tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Dat verbod is het uitgangspunt. Artikel 2:34c, lid 2
Het tweede lid is opgenomen voor feesten van persoonlijke aard (“bruiloften, verjaardagen e.d.”) die gehouden worden bij een paracommerciële rechtspersoon in een bebouwde kom waar verder geen commerciële horeca is gevestigd. Als aanvullende voorwaarde geldt dat tenminste één van de personen waar het feest om draait woonachtig moet zijn binnen de betreffende bebouwde kom. Met “woonachtig” wordt in dit geval bedoeld dat die persoon als zodanig moet zijn geregistreerd in de gemeentelijke bevolkingsadministratie. De achterliggende gedachte is dat onze inwoners hun bruiloften en verjaardagen en dergelijke moeten kunnen houden in hun eigen woonomgeving, ook als daar geen commerciële horeca is gevestigd. Artikel2: 34c, lid 3 onder a Het derde lid onder a is opgenomen voor bijeenkomsten van derden (bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn)waarbij in de betreffende bebouwde kom geen commerciële horeca aanwezig is. Ook hier is de achterliggende gedachte dat men in beginsel “in het eigen dorp” terecht moet kunnen.
Artikel 2:34c, lid 3 onder b Het derde lid onder b is opgenomen voor bijeenkomsten van derden maar waarbij die “derden” wel rechtstreeks betrokken zijn bij andere stichtingen of verenigingen die zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijk of godsdienstige aard. Deze uitzondering is opgenomen om het mogelijk te maken dat (sport)verenigingen hun accommodaties efficiënter kunnen exploiteren in de vorm van medegebruik door andere (sport)verenigingen en om het mogelijk te maken dat stichtingen en verenigingen die zelf geen accommodatie hebben gebruik kunnen maken van de faciliteiten van wijk- en buurthuizen. Wijk- en buurthuizen zijn daar immers vaak juist voor in het leven geroepen. Artikel 2: 34c, lid 4 Het vierde lid is opgenomen voor situaties waarin binnen de betreffende bebouwde kom wel commerciële horeca is gevestigd waar de bijeenkomst kan worden gehouden maar waarbij aannemelijk kan worden gemaakt dat geen oneerlijke mededinging optreedt met die commerciële horeca. Van zo’n situatie kan sprake zijn als die commerciële horeca: - de betreffende bijeenkomst door omstandigheden niet kan of wil faciliteren of - geen bezwaar heeft tegen het schenken van alcoholhoudende drank bij de betreffende bijeenkomst in de paracommerciële inrichting.
Artikel 2: 34c, lid 5 Het vijfde lid geeft de paracommerciële horeca de verplichting om een bijeenkomst als bedoeld in het vierde lid vooraf te melden aan de burgemeester. Daarbij moet gemotiveerd worden aangegeven waarom geen oneerlijke mededinging optreedt. De burgemeester kan alsnog besluiten om het verstrekken van alcoholhoudende drank tijdens die bijeenkomst te verbieden. Bij het opstellen van het artikel is getracht om zoveel mogelijk te komen tot “lokaal maatwerk”. In dat licht is ook van belang dat de regering er van uitgaat dat de gemeente de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht zal nemen en geen onnodige beperkingen zal opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is. Dat uitgangspunt van de regering is opgenomen in de In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Alcoholwet. Met de nieuwe redactie van artikel 34c is ook getracht om tegemoet te komen aan de door Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Schagen, geuite wens voor meer duidelijkheid. Ontheffing door de burgemeester.
Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Aw heeft de burgemeester de bevoegdheid om, met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen, ontheffing te verlenen van de bij of krachtens deze verordening gestelde regels. Deze ontheffingsmogelijkheid is in het leven geroepen om te kunnen inspelen op “bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard”. Die in de wet opgenomen ontheffingsmogelijkheid kan dus alleen worden toegepast voor bijzondere gelegenheden “van zeer tijdelijke aard”. Er zijn echter ook situaties denkbaar waarin het wenselijk is om ontheffing te verlenen van de regels om redenen van meer structurele aard. Daarom zijn in deze verordening ook specifieke ontheffingsmogelijkheden opgenomen. Verplichte en niet-verplichte bepalingen De regeling op grond van artikel 4 van de Aw, hier uitgewerkt in de artikelen 2 en 3, is -zoals al eerder vermeld- verplicht. Dat geldt niet voor de hierna volgende artikelen, die in cursief in de tekst van de verordening zijn verwerkt. De artikelen 25a, 25b, 25c en 25d van de Aw, waar zij op gebaseerd zijn, bepalen dat de raad bij verordening deze onderwerpen kan regelen. Voor deze artikelen geldt uiteraard ook dat ze alleen opgenomen dienen te worden als een regeling noodzakelijk is.
De nu volgende artikelen hebben niet als doel het tegengaan van oneerlijke mededinging, maar het tegengaan van onverantwoord alcoholgebruik, met name door jongeren. Artikel 2:34d Schenktijden alcoholhoudende drank en verbod verstrekken van sterke drank 1. Het is verboden buiten de tijden zoals opgenomen in artikel 2 alcoholhoudende drank te verstrekken in een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, niet zijnde een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend door een paracommerciële rechtspersoon, welke: a. deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt om onderwijs te geven aan leerlingen die merendeels de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, of b. deel uitmaakt van een gebouw dat of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een of meer jeugd- of jongerenorganisaties. 2. In de in het eerste lid bedoelde inrichtingen is het verboden sterke drank te verstrekken. 3. Het is paracommerciële rechtspersonen verboden sterke drank te verstrekken. 4. Het is paracommerciële rechtspersonen verboden alcoholhoudende drank te verstrekken in een lokaliteit gedurende de tijd dat die lokaliteit wordt gebruikt voor activiteiten die geheel of in belangrijke mate zijn gericht op personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. 5.
Het is verboden sterke drank te voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een snackbar of cafetaria. 6. De burgemeester kan van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid ontheffing verlenen. Toelichting: Dit artikel heeft tot doel om de verstrekking van alcoholhoudende dranken door commerciële kantines bij jongerenorganisaties en onderwijsinstellingen en dergelijke te beperken. Het artikel legt deze horecabedrijven dezelfde schenktijden op als de ‘echte’ paracommerciële horeca en bovendien wordt bepaald dat er in deze commerciële kantines, net als in de paracommerciële horeca, alleen zwak- alcoholhoudende dranken mogen worden geschonken. De grondslag van deze beperkingen is artikel 25a van de Drank- en Horecawet. Lid 3 is overgeheveld van regionaal model art. 2:34a naar dit artikel omdat de kop van dit artikel de lading beter dekt. Lid 4 en lid 5 zijn ontleend aan art. 3, lid 2 respectievelijk art. 2 van de Drank- en horecaverordening Schagen 2009. In die verordening is aangehaakt aan de in de Drank- en Horecawet vermelde grens van 16 jaar. Omdat die wettelijke grens per 1 januari 2014 is verhoogd naar 18 jaar is in de nieuwe verordening ook 18 jaar opgenomen. Lid 6 is toegevoegd en kan nader worden uitgewerkt in een beleidsuitspraak met, voor wat betreft ontheffing van het verbod op sterke
drank, iets van de volgende strekking: “ontheffing wordt in ieder geval niet verleend als de doelgroep van die inrichting of de bezoekers van die inrichting in belangrijke mate bestaat uit personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt” en “als er geen functionele relatie is tussen het horecabedrijf en de onder a t/m d genoemde organisaties en instellingen”. Achtergrond In veel gemeenten zijn multifunctionele accommodaties (mfa’s). In deze gebouwen zijn vaak voorzieningen voor sport, jeugd, onderwijs, buurtorganisaties en andere maatschappelijke voorzieningen gevestigd. In deze gebouwen is echter ook vaak een horecavoorziening, bijvoorbeeld een voor alle bezoekers van het gebouw bedoelde kantine. Het kan zijn dat die horecavoorziening wordt geëxploiteerd op commerciële basis (bijvoorbeeld door een ondernemer die de horecavoorziening heeft gepacht). Een gemeente kan het wenselijk vinden om dergelijke commerciële horecainrichtingen, gelet op hun doelgroep en situering, beperkingen op te leggen die gelijk zijn aan de beperkingen die gelden voor paracommerciële horecainrichtingen. Het zal dan specifiek gaan om schenktijden en een verbod op het schenken van sterke drank. Artikel 4 van deze verordening biedt daartoe dan de mogelijkheid.
Een nadeel van het opnemen van deze beperkingen is dat zij forse gevolgen kunnen hebben voor de exploitatiemogelijkheden en dat het horecabedrijf in deze inrichtingen wellicht niet meer op een rendabele manier kan worden uitgevoerd. Dat kan er toe leiden dat bestaande commerciële pachters besluiten om de bedrijfsvoering te staken en het moeilijk of onmogelijk wordt om voor dergelijke horecavoorzieningen gegadigden voor overname te vinden. Het kan zijn dat een commerciële horecainrichting op zich wel gevestigd is in een gebouw als bedoeld in artikel 4, lid 1 onder a t/m d maar er niet (of slechts in beperkte mate) een directe relatie is met de bezoekers van de overige voorzieningen in dat gebouw. Kortom: wanneer de horecavoorziening in belangrijke mate een “eigen” doelgroep heeft die los staat van de overige voorzieningen in het gebouw. In zo’n geval zal het opleggen van de in dit artikel bedoelde beperkingen een buitenproportionele maatregel kunnen zijn. De in het 6e lid opgenomen ontheffingsmogelijkheid maakt het mogelijk om voor dergelijke gevallen maatwerk te leveren. In het regionale model is ook commerciële horeca genoemd die in een gebouw is gevestigd dat tevens wordt gebruikt voor “sport” of als “gemeentelijk wijkgebouw of buurthuis”.
Die twee categorieën zijn in deze verordening niet overgenomen omdat zij in dit stadium worden beschouwd als een onnodig complicerende beperking voor de commerciële horeca. Artikel 2:34e Tijdelijk verbod tot het verstrekken van alcoholhoudende drank 1. Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen tijdsruimte in de hele gemeente, in een door de burgemeester aangewezen deel van de gemeente of in een door de burgemeester aangewezen pand of lokaliteit alcoholhoudende drank te verstrekken. 2. Een aanwijzing als bedoeld in lid 1 kan worden gegeven in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid. 3. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. Toelichting: De leden 1 en 2 zijn ontleend aan de Drank- en horecaverordening Schagen 2009, art. 4. Artikel 2:34f Verbod prijsacties horeca Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de desbetreffende horecalokaliteit of op het desbetreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.
Toelichting: Het artikel is gebaseerd op artikel 25d van de Alcoholwet. Dat artikel biedt gemeenten de mogelijkheid om prijsacties in de horeca en in de detailhandel te beperken. Prijsacties in de horeca worden over het algemeen aangeduid als “happy hours”. Happy hours zijn doorgaans afgebakende tijden (enkele uren, één dag in de week) waarop alcoholhoudende drank tegen een gereduceerd tarief wordt aangeboden. In de Drank- en Horecawet is bepaald dat de maatregel alleen betrekking kan hebben op “het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd”. Ook vormen van prijsacties zoals “2 halen 1 betalen” en “Ladies Nights” (avonden waarop vrouwen gratis mogen drinken) vallen onder de in artikel 2:34g bedoelde prijsacties. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is alsnog besloten aan artikel 8 invulling te geven. Door een verbod op “happy hours” op te nemen wordt tegemoetgekomen aan de zienswijze van Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Schagen. Ook loopt de verordening nu op dit punt in de pas met het beleid in de buurgemeente Den Helder. Artikel 2:34g Bijzondere bepalingen ten aanzien van ontheffingen 1.
De burgemeester kan aan een door hem op grond van deze verordening verleende ontheffing voorschriften verbinden in het belang van het reguleren van het gebruik van alcoholhoudende drank. 2. De burgemeester kan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid intrekken indien: a) Niet langer wordt voldaan aan de in het eerste lid bedoelde voorschriften; b) Zich feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde. Toelichting: Dit artikel is ontleend aan de Drank- en horecaverordening Schagen 2009, art. 5 . Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie Inrichting Het begrip ’inrichting’ als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 van het WvSr, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen en dergelijke (tweede lid). Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.
Artikel 2:37 Nachtregister Het onderwerp “inschrijving van arbeidsmigranten” is een problematiek die de afgelopen jaren steeds meer in de belangstelling is gaan staan en de gemeenten steeds vaker noodzaakt om maatregelen te nemen. Binnen onze regio wordt nu in het kader van het project Regionale inschrijving en registratie van arbeidsmigranten een digitaal nachtregister aangeschaft. Schagen doet dit samen met de buurgemeenten, Hollands Kroon en Den Helder.
De bedoeling van dit project is dat de gemeenten efficiënter en effectiever kunnen controleren of de betreffende arbeidsmigranten moeten worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Om die doelstelling te kunnen bereiken is het noodzakelijk dat de houders van inrichtingen waarin seizoenarbeiders gehuisvest worden, verplicht worden om gebruik te maken van het digitale register (een door de burgemeester vastgesteld model) dat door de gemeenten wordt gehanteerd. Allereerst is het gezien calamiteiten (denk bijv. aan brand) van groot belang te weten (vandaar ook verplichte inschrijving waar je woont) hoeveel mensen waar feitelijk woonachtig zijn. Daarnaast wordt het over het algemeen als onwenselijk beschouwd dat arbeidsmigranten die in de praktijk wèl daadwerkelijk woonachtig zijn in de regio, niet op de juiste wijze zijn ingeschreven en daardoor "onder de radar" kunnen blijven. In die zin is er een maatschappelijk draagvlak om te komen tot systeem waarbij de gemeenten efficiënter en effectiever kunnen controleren of arbeidsmigranten moeten worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Op grond van artikel 438 van het WvSr is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht om een nachtregister bij te houden.
Dit artikel in de APV komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Zo’n aanvulling van het WvSr bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht (HR 10-04-1979, NJ 1979, 442). Daarbij wordt vaak opgemerkt dat een goed bijgehouden nachtregister ook in het belang van de gemeente is, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension. De sinds 25 mei 2018 geldende AVG heeft, net als de daarvoor geldende Wbp, als uitgangspunt dat er niet meer wordt uitgevraagd dan nodig. Er worden alleen de gegevens uitgevraagd die artikel 438 van het WvSr noemt. Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities Eerste lid Het begrip ‘speelgelegenheid’ betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wok is een uitputtende regeling neergelegd voor de kansspelen bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen wordt hier bedoeld.
Het gaat dus om speelgelegenheden, waarop de Wok geen betrekking heeft. Tweede lid In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wok zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 30 en artikel 30c, vierde lid, van de wet bevatten definities van: - speelautomaat (onderdeel a); - behendigheidsautomaat (onderdeel b); - kansspelautomaat (onderdeel c); - hoogdrempelige inrichting (onderdeel d); - laagdrempelige inrichting (onderdeel e). Deze definities gelden ook bij de toepassing van afdeling 10. Artikel 2:39 Speelgelegenheden Eerste, tweede en derde lid
De vergunningplicht geldt voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid, waarop de Wok [of de speelautomatenhallenverordening] niet van toepassing is. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat als doel. Zoals bij artikel 2:38a geschetst is de reikwijdte van deze vergunningplicht beperkt. Sommige gemeenten, bijvoorbeeld Amsterdam en Almere, hebben mede daarom in hun APV een bepaling opgenomen die de burgemeester de bevoegdheid geeft om in het belang van de openbare orde gebouwen te sluiten, en daarbij opgenomen dat dit ook mogelijk is bij overtreding van de Wok. Jurisprudentie Rb. Maastricht 07-01-2003, ECLI:NL:RBMAA:2003:AF2782. Vergunning ingetrokken, illegaal casino. Speelautomatenhallen Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. Het is mogelijk in een speelautomatenhallenverordening te bepalen dat bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal rekening wordt gehouden met de woon- en leefsituatie. Vierde lid Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid.
Hoewel kansspelen niet onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen en de lex silencio positivo dus niet uit dien hoofde van toepassing is, geldt dat behendigheidsspelen wel onder de reikwijdte van de richtlijn vallen. Voor zover van toepassing bepaalt het vierde lid daarom ten aanzien daarvan dat paragraaf 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is uitgezonderd. Een lex silencio positivo is niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Jurisprudentie ABRvS 29-01-2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF3507 en Rb. Almelo 11-03-2002, ECLI:NL:RBALM:2002:AE4559. Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van speelgelegenheid, burgemeester kan handhavend optreden. Rb. Maastricht 07-01-2003, ECLI:NL:RBMAA:2003:AF2782. Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning. Rb. Arnhem 17-07-2002, . Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een gering bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter. Burgemeester kan optreden indien er geen vergunning is. Rb. Arnhem 17-07-2002, ECLI:NL:RBARN:2002:AE5840. Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt en is daarom vergunningplichtig. De vergunning is gevraagd noch verleend, dus kan bestuursdwang worden toegepast.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten Dit artikel is een uitwerking van artikel 30c, tweede lid, van de Wok. Hierin staat dat bij gemeentelijke verordening het aantal kansspelautomaten wordt vastgesteld waarvoor per hoog- en laagdrempelige inrichting een aanwezigheidsvergunning wordt verleend. Voor hoogdrempelige inrichtingen kan dat voor maximaal twee kansspelautomaten. Kansspelautomaten zijn speelautomaten, die geen behendigheidsautomaat (zoals een flipperkast) zijn, maar gokkasten waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te pas komt.
Jurisprudentie CBb 11-04-2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF7697. Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal op een reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart is, vormt een laagdrempelige activiteit. CBb 17-07-2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE7540. Sportkantine niet per definitie laagdrempelig. CBb 15-02-2002, ECLI:NL:CBB:2002:AD9977. Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en zaalgedeelte is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke horecalokaliteiten. In café geen kansspelautomaten toegestaan. Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Eerste lid De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij de woning of het lokaal behorend erf van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken een verbodsbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, zodat een sanctie kan worden gesteld op overtreding daarvan.
Tweede lid Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in woningen of lokalen, dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen j behorende erven, drugs als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder de toelichting op het eerste lid. Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid te absoluut zijn. Artikel 2:42 Plakken en kladden Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de termen ‘bekrassen en bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR. Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.