TOE Keins 1 Schagen Vastgesteld (23-9-21)
Tekst van het document
Verruiming voor zowel primair agrarische functies als overige activiteiten is alleen wenselijk binnen het “maximale laadvermogen van het buitengebied”: 4.4.1.6 Toetsing van het initiatief aan de structuurvisie Met de ontwikkeling wordt, zoals ook beschreven in hoofdstuk 3, bijgedragen aan het versterken van de cultuurhistorische waarden. Door de ontwikkeling wordt de beleving van het buurtschap Keinse vanaf de Westfriese Omringdijk verbeterd. Ook sluit de ontwikkeling aan bij het streven om ten aanzien van woningen te realiseren voor een concrete vraag. Ten aanzien van de Westfriese Omringdijk sluit het initiatief naadloos aan bij het verbeteren van de panoramazone. Door het slopen van de verstorende bebouwing wordt immers het zicht op het karakteristieke buurtschap Keinse en het omliggende open weidelandschap sterk verbeterd. Tot slot wordt ten aanzien van het buitengebied aangegeven dat deze ontwikkeling bijdraagt aan het vitaal houden van het buitengebied. Samenvattend wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de structuurvisie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld 4.4.2
Woonvisie Schagen
4.4.2.1 Algemeen De woonvisie van Schagen is in 2014 opgesteld en heeft een looptijd tot 2018. De gemeente Schagen heeft ervoor gekozen geen nieuwe woonvisie op te stellen, maar deze te implementeren in de in 2021 vast te stellen omgevingsvisie. Daarom is het kader van dit plan getoetst aan de woonvisie uit 2014. Als vertrekpunt stelt de gemeente vier thema’s centraal, waar naar wordt gestreefd: • • • •
De eigen kracht van inwoners: De gemeente faciliteert de groeiende ondersteuningsbehoefte bij het wonen van oudere inwoners (welzijn en zorg). De kwaliteit van de kernen: De gemeente gaat voor het behoud en versterken van de kwaliteit van de kernen. Hierbij speelt de kracht van de gemeenschap een belangrijke rol. De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad: De gemeente zet in op de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. De beweging van meer naar beter als het gaat om het woningbouwprogramma: De gemeente streeft naar een woningmarkt die aansluit bij de marktvraag.
In de woonvisie is een strategie opgenomen voor het verversen van de woningvoorraad, waar sloop en vervangende nieuwbouw van verouderde woningen gebruikt kan worden om in te spelen op de veranderende samenstelling van huishoudens in de gemeente. Bij een uitbreiding moet er sprake zijn van een gefaseerde en gedoseerde uitbreiding die vraag gestuurd is. 4.4.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Met de ontwikkeling wordt bijgedragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad, doordat aan de bestaande boerderijwoning en plattelandswoning een toekomstbestendige woonfunctie gegeven wordt. Met de drie compensatiewoningen wordt bijgedragen aan de doelstelling om vraaggericht te sturen. Ook wordt de kwaliteit van het buurtschap Keinse fors verbeterd. In het regionaal woonbeleid is reeds gebleken dat de woningen passen binnen het programma. Dit programma is actueler dan het programma in de woonvisie, daarom is het programma uit de woonvisie achterwege gelaten. Samenvattend wordt gesteld dat de ontwikkeling in overeenstemming is het de gemeentelijke woonvisie. 4.4.3
Reisgids voor ruimtelijke ontwikkelingen
4.4.3.1 Algemeen De gemeente Schagen heeft een 'reisgids' opgesteld waarbinnen ingewikkelde afwegingen bij ruimtelijke plannen overzichtelijk worden gemaakt. De gids bevat een overzicht en een korte toelichting op regelgeving/procedures van hogere overheden. De gids kan gebruikt worden als naslagwerk bij het ontwikkelen van plannen en is onderverdeeld in drie hoofdthema's: • • •
Wonen; Werken, en; Recreëren.
4.4.3.2 Wonen Voor het thema Wonen worden de vragen gesteld: Is de locatie kansrijk? Is het plan passend in de Lokale woonvisie? Is er een regionale behoefte? Is voldoende rekening gehouden met overige omgevingsaspecten? Is het antwoord op deze vragen ja? Dan kan het plan ingepast worden in het nieuwe woonprogramma. Bij nieuwe plannen wordt gekeken naar de verkaveling van het plangebied, het soort woningen (prijsklasse, huur/koop, doelgroep), de plattegronden en de inrichting van het openbaar gebied, maar ook naar een stappenplan hoe met de kopers van de woningen het plan wordt ontwikkeld en gerealiseerd (vraaggestuurd
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld ontwikkelen). Daarnaast moet er onderzocht worden of er eventuele belemmeringen voor het plangebied aanwezig zijn. 4.4.3.3 Toetsing van het initiatief aan de reisgids voor ruimtelijke ontwikkelingen Het beeldkwaliteitsplan geeft in dit geval uitwerking aan de Reisgids. Door de kavels op een juiste wijze te realiseren, wordt het project als kansrijk gezien. Er is sprake van een lokale behoefte aan de beoogde woningen. Er is reeds aangetoond dat het project past binnen het regionale en lokale woonbeleid. Er is voldoende rekening gehouden met de overige omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt nader op de milieukundige omgevingsaspecten ingegaan. In de planbeschrijving in hoofdstuk 3 en het beeldkwaliteitsplan is reeds uitgebreid onderbouwd dat het plan stedenbouwkundig en landschappelijk tot een versterking van het gebied leidt. 4.4.4
Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit
4.4.4.1 Algemeen De gemeente Schagen hanteert voor haar welstandsbeleid de ‘Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit’. Hierin is het welstandsbeleid vastgelegd. Bij welstandsbeleid gaat het om de kwaliteit van de bouwplannen op zich en in relatie tot hun omgeving. De doelen van deze Reisgids zijn: het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit, de spelregels voor welstand duidelijk maken en een objectieve, efficiënte en transparante beoordeling van bouwplannen mogelijk maken. 4.4.4.2 Buitengebied – Westfries landschap Het buitengebied omvat de gebieden met een overwegend agrarische functie. Het buitengebied bestaat landschappelijk gezien uit drie gebieden: Het Westfries landschap, het kustgebied en het polderlandschap. Onderhavig plangebied ligt in het Westfries landschap. Het Westfries landschap heeft een langere geschiedenis als cultuurlandschap vanuit de oude ontginningsstructuren met vaarten en dijkwegen. Een beeldbepalend element in het landschap is de Westfriese Omringdijk. In het Westfriese landschap komt veel traditionele bebouwing voor, tegenwoordig vaak in gebruik voor wonen. Vooral langs de oude structuurlijnen staan veel stolpen, doorgaans gelegen op terpen. Later zijn langs de ruilverkavelingswegen huiskavels gesticht voor agrarische bedrijfsvestigingen. Deze liggen op afstand van elkaar en er is geen sprake van enige vorm van groepering van de kavels.
Meestal staan op een kavel een bedrijfswoning en –gebouwen met een kap. De bedrijfsgebouwen hebben een eenvoudige vorm en massaopbouw, de omvang is zeer wisselend. De bebouwing heeft steeds een eenvoudige vorm en detaillering. Voor het buitengebied gelden de volgende criteria: Ligging • Hoofdbebouwing staat aan de straatzijde en is georiënteerd op de weg; Hoofdvorm • Het hoofdgebouw bestaat uit een helder en eenduidig volume; • Bij aan- of uitbouwen blijft de helderheid van het hoofdgebouw zichtbaar en is de uitbreiding qua uitstraling en volume ondergeschikt aan het hoofdgebouw; • Bijgebouwen en overkappingen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw; • Dakkapellen of andere kleine dakopbouwen mogen niet domineren in het dakvlak;
Vormgeving BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld • • •
Gevelwijzigingen en detaillering mogen niet tot gevolg hebben dat de samenhang en het ritme in straatwanden wordt verstoord; Reclame-uitingen moeten geïntegreerd worden in of bij de architectuur van het gebouw; Bewegende lichtreclame en geluidproducerende reclame-uitingen zijn niet toegestaan;
Materiaal en kleur • Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving en van duurzame materialen worden gemaakt. 4.4.4.3 Toetsing van het initiatief aan de reisgids voor ruimtelijke kwaliteit Voor het geheel is een stedenbouwkundig plan opgesteld, waarin uitvoerig rekening gehouden is met voorgenoemde criteria. Dit beeldkwaliteitsplan is door zowel gemeente als provincie akkoord bevonden. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit. 4.4.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Wettelijk kader
5.1.1.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
In dit geval is sprake van nieuwbouw van geluidsgevoelige objecten, namelijk 3 nieuwe woningen. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Woningen worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is. In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:
De hiervoor geldende zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (artikel 74.2).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld Het plangebied ligt in “buitenstedelijk” gebied binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone (200 m), als bedoeld in art. 74 van de Wet geluidhinder, van de Keins en de Westfriesedijk. Ten aanzien van de bestaande woningen geldt dat in artikel 76 van de Wet geluidhinder is bepaald dat de geluidbelasting van bestaande woningen niet bij planologische wijzigingen niet opnieuw hoeft te worden getoetst. Dit geldt voor de boerderijwoning en de plattelandswoning. Er wordt dan ook uitsluitend ingegaan op de drie nieuwe woningen. De Keins betreft een zeer rustige, doodlopende weg. Deze weg wordt uitsluitend gebruikt door het bestemmingsverkeer. Gezien het feit dat de weg doodloopt, kan worden gesteld dat de verkeersintensiteit laag ligt. De Westfriesedijk is een weg met een hogere intensiteit dan de Keins. Ook de Westfriesedijk wordt echter met name door bestemmingsverkeer en toeristisch verkeer gebruikt. Deze weg ligt bovendien op een afstand van circa 80 meter van het plangebied. Tussen de nieuwe woningen en de Westfriesedijk is afschermende bebouwing gelegen. Gezien vorenstaande kan redelijkerwijs worden verwacht dat de voorkeurswaarde wordt gerespecteerd. Een akoestisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Voor wat betreft de woningen is ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Op een afstand van circa 240 meter ten oosten van het plangebied ligt de spoorlijn Alkmaar-Den Helder. Voor deze spoorlijn geldt een geluidszone van 200 meter. Het plangebied ligt hier buiten. Tevens blijkt uit de geluidskaart uit de PDOK-viewer (zie afbeelding 5.1) dat de belasting lager is dan de voorkeurswaarde 55 dB.
Afbeelding 5.1
Geluidbelasting railverkeer (Bron: Pdok-viewer)
5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor dit plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval heeft Agri-Terra ter plaatse van het plangebied een bodemonderzoek uitgevoerd. Het verkennend bodemonderzoek (november 2020) is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Gehele locatie In het bovengrondmengmonster (BM1) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster (BM2) zijn lichte verhogingen kwik, lood en PAK 10 VROM aangetroffen. In het bovengrondmengmonster (BM3) zijn lichte verhogingen zink, kwik, lood en PAK 10 VROM aangetroffen. In het grondwatermonster (PB1 WM1) zijn lichte verhogingen minerale olie en naftaleen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Dieseltank In het bovengrondmonster (1-1) is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. In het grondwatermonster (PB1 WM1) zijn lichte verhogingen minerale olie en naftaleen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Verkennend bodemonderzoek NEN 5707 “asbest in bodem” Gehele locatie Ter plaatse van het erf zijn meerdere inspectiegaten gegraven en bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de grondmengmonsters MM1 tot en met MM3 is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. In het monster van gat 4A is een concentratie asbest aangetoond boven de interventiewaarde. Tevens zijn in de fractie <0,5mm asbestverdachte vezels aangetroffen. Formeel is nader onderzoek noodzakelijk om de ernst en omvang van de verontreiniging te bepalen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld Druppelzone Ter plaatse van de druppelzone zijn twee inspectiesleuven gegraven en is er een mengmonster samengesteld. Op het maaiveld en in de sleuven is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het mengmonster is analytisch geen asbest aangetoond. Omdat er in het monster geen asbest is aangetoond, is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Nader bodemonderzoek asbest in bodem 5707 Als gevolg van de uitkomsten van het verkennend bodemonderzoek is een nader bodemonderzoek naar asbest uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 3 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Voorafgaand aan het uitvoeren van onderhavig nader onderzoek is er een onderzoeksopzet voorgelegd aan de gemeente Schagen. Deze onderzoeksopzet is op 1 april 2021 goedgekeurd door de gemeente Schagen. In het verkennend bodemonderzoek (2020-182) is ter plaatse van inspectiegat 4 een concentratie asbest aangetoond boven de interventiewaarde. Dit geeft aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. In onderhavig nader bodemonderzoek zijn vijf boringen en twee inspectiegaten gegraven ter horizontale en verticale afperking van de aangetroffen verontreiniging uit het verkennend bodemonderzoek. Voor de verticale afperking is van inspectiegat 105 de laag 0,50-1,00 m-mv geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest.
In dit monster is een concentratie asbest aangetoond beneden de interventiewaarde. Van de boringen 100 tot en met 104 is de laag 0,50-1,00 m-mv zintuiglijk schoon bevonden. Hiermee kan formeel worden vastgesteld dat de verticale afperking in voldoende mate is vastgesteld. In de analyses voor de horizontale afperking zijn concentraties asbest aangetoond boven de interventiewaarde. Op basis van de resultaten van het verkennend en nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat de verontreiniging niet in voldoende mate is afgeperkt en hiermee de aard en de omvang van de verontreiniging nog niet kan worden bepaald. Aanbevolen wordt om de verontreiniging verder af te perken na verwijdering van de betonverharding zodat er inspectiesleuven gegraven kunnen worden. Hoewel het verrichte veld- en laboratoriumonderzoek volgens de geldende normen zijn uitgevoerd, dienen de onderzoeksresultaten met enige voorzichtigheid te worden gehanteerd. Door de bodem steekproefsgewijs te onderzoeken is ernaar gestreefd om een representatief beeld te krijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater. Het is echter nooit uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voorkomen. Het uitgevoerde onderzoek betreft een momentopname. Conclusie Aanbevolen wordt om na het verwijderen van de betonverharding de verontreiniging verder af te perken.
Het verwijderen van de betonverharding gebeurt tijdens/na de sloop van de bebouwing. In dit geval is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen die borgt dat na de sloop de verontreiniging verder zal worden afgeperkt, teneinde een aanvaarbare kwaliteit van de bodem te waarborgen. 5.2.3
Conclusie
Het aspect ‘bodem’ vormt, met inachtneming van een goede afronding van het bodemonderzoek en het ontbreken van hieruit volgende milieuhygiënische bezwaren, geen belemmering voor het planvoornemen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2
Beoordeling
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van het plangebied waarbij 3 woningen worden gerealiseerd en een agrarisch bedrijf buiten werking gesteld wordt. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Beleid ten aanzien van externe veiligheid
5.4.1.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; het Activiteitenbesluit
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden).
Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.1.2 (Beperkt) kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare en dienst- en bedrijfswoningen van derden, hotels, restaurants, kantoren en winkels voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren en bedrijfsgebouwen en vergelijkbare objecten. Kwetsbare objecten zijn onder andere woningen (met uitzondering van de beperkt kwetsbare objecten) en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of een deel van de dag kwetsbare groepen mensen bevinden. 5.4.1.3 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk getroffen wordt door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag en gedurende het hele jaar) en onbeschermd op
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting. De grenswaarde voor het PR is voor nieuwe kwetsbare objecten (op enkele uitzonderingssituaties na) gesteld op een niveau van 10-6 per jaar op het object. Voor beperkt kwetsbare objecten is deze waarde een richtwaarde, wat wil zeggen dat hiervan alleen om gewichtige redenen van afgeweken kan worden. De norm 10-6 per jaar betekent dat de kans op een dodelijke situatie door een ongeval met gevaarlijke stoffen op een te bebouwen plek maximaal één op de miljoen per jaar mag zijn. 5.4.1.4 Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de cumulatieve kans per jaar uit dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Dit wordt vertaald in een dichtheid van personen binnen het invloedsgebied van de inrichting. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (zwarte cirkel) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.2
Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld •
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Nabij het plangebied liggen een buisleiding, een intercitylijn een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Hierna wordt op deze onderdelen ingegaan. Intercitylijn Alkmaar-Den Helder Op circa 240 meter ten oosten van het plangebied ligt de spoorlijn Alkmaar-Den Helder. Over dit traject worden echter geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Er is dan ook geen risicocontour om de spoorlijn aanwezig. Ook wordt het tracé in de bijlage van de regeling Basisnet niet genoemd als potentiële locatie voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het grootste risico zit in potentiële ongevallen, maar dit geldt vooral rondom de overgangen en voor de gebruikers van de spoorlijn zelf. De spoorlijn vormt geen risico voor onderhavige ontwikkeling. Buisleiding Nederlandse Gasunie B.V. Ten noordwesten van het plangebied ligt een buisleiding van de Nederlandse Gasunie. Het betreft buisleiding A-637. De buisleiding heeft een uitwendige diameter van 914 mm en een maximale werkdruk van 66,20 bar. Voor deze buisleiding ligt de 1% letaliteitsgrens op 430 meter. De 100% letaliteitsgrens ligt op 180 meter. De buisleiding ligt op circa 550 meter afstand van het plangebied en vormt van ook geen belemmering. Transportroute voor gevaarlijke stoffen (N248) Ten zuiden van het plangebied loopt de N248. Dit betreft een transportroute voor gevaarlijke stoffen.
Voor deze weg geldt een risicoafstand van 6 meter voor het plaatsgebonden risico. De weg ligt op meer dan 600 meter afstand en vormt dan ook geen belemmering. 5.4.3
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: • • • •
stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.
De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied van Schagen. Er is geen sprake van een verscheidenheid aan functies. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In dit geval liggen er in de nabijheid van het plangebied een maatschappelijke functie en een agrarisch bedrijf (kleinschalige veehouderij). Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan.
Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid. In onderstaande tabel zijn de functies met bijbehorende milieucategorieën aangegeven.
Functie Milieucategorie Richtafstand Daadwerkelijke afstand Grondgebonden 3.2 30 m (geluid) 25 m agrarisch bedrijf (paarden en runderen) (Keins 4) Maatschappelijk: 2 30 m (geluid) 25 m religieuze voorziening in de vorm van een kapel (Keins 2a) Voor beide functies geldt dat de richtafstand niet gehaald wordt. Er kan in beide gevallen echter een nuancering aangebracht worden. Kapel De kapel is in dit geval vergeleken met de functie ‘kerk e.d.’, waarvoor een afstand van 30 meter geldt. Het gaat in dit geval echter om een zeer kleine kapel. Reguliere diensten worden hier niet gehouden. De kapel dient uitsluitend als kleinschalig bedevaartsoort. De VNG-publicatie gaat daarnaast uit van middelgrote bedrijven/functies. Daar is hier geen sprake van. Bovendien is de afwijking van de richtafstand beperkt. Gezien vorenstaande wordt ten aanzien van de kapel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. De kapel wordt daarnaast niet in haar functie aangetast, temeer aangezien er al woningen op een kortere afstand liggen (direct ten westen van de kapel). Agrarisch bedrijf Het agrarisch bedrijf ligt op een afstand van 25 meter. Voor een grondgebonden veehouderij geldt een grootste afstand van 30 meter voor het aspect ‘geluid’. In dit geval kan echter een nuancering aangebracht worden.
Op een afstand van 25 meter liggen de tuin van de bedrijfswoning en de bedrijfswoning van het betreffende agrarische bedrijven. De daadwerkelijke belasting ontstaat ter plaatse van de schuren. Deze bevinden zich op minimaal 47 meter afstand van het plangebied. Gezien de indeling van het erf (woning aan de voorzijde en schuren achter het erf) is het niet logisch te verwachten dat dit in de toekomst zal veranderen. In de regels is namelijk ook bepaald dat bedrijfsgebouwen minimaal 5 meter achter de voorgevel van de bedrijfswoning dienen te worden gebouwd. De richtafstand van 30 meter wordt dan ook te alle tijde gerespecteerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld Fruitboomgaarden/akkerbouw aangrenzende gronden Algemeen Aan de zuid- en westzijde van de locatie bevinden zich agrarische gronden die gebruikt kunnen worden en behoeve van een (fruit)boomgaard of akkerbouwbedrijf. Gelet op het feit dat ter plaatse bestrijdingsmiddelen worden gebruikt is het van belang om te onderzoeken of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke van de nieuwe woningen mogelijk is. Afstandseisen voor spuitzones ten aanzien van woningen of andere gevoelige (verblijfs)bestemmingen zoals tuinen, scholen of sportverenigingen zijn nergens wettelijk vastgelegd. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) op het perceel met een agrarische bestemming, die direct aan het plangebied grenst, moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening als spuitzone een afstand van 50 meter tot aan noordelijk gelegen agrarische perceel moet worden aangehouden. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel.
In het algemeen wordt in de jurisprudentie aangenomen dat een afstand van 50 meter tussen de gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk is. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woning. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en hoge spuitfrequentie intensiever dan bijv. bij bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt. Onderzoek Er is door Plant Research International van de Wageningen Universiteit (WUR) een uitgebreid onderzoek gedaan naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen. Onderzocht zijn diverse afstanden binnen 50 meter van de perceelsgrens bij bespuitingen van een boomgaardperceel. De onderbouwing in dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op dit de uitkomsten van dit onderzoek. Hierna wordt op het onderzoek ingegaan.
De bevindingen zijn opgenomen in het rapport ‘Onderzoek naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’ (2015) 1en het rapport ‘Onderzoek naar driftblootstellingen van omstanders en omwonenden bij de bespuiting van veldgewassen met de veldspuit’ (2015) 2. De belangrijkste conclusies met betrekking tot bespuitingen in de fruitteelt en akkerbouw worden hierna uiteengezet. Fruitboomgaard bespuitingen Voor de fruitteelt komt het onderzoek op basis van haar worstcase benadering en kale boom situatie bij de toepassing van de meest gevaarlijke stof in de fruitteelt (Captan) op de volgende veiligheidsafstanden: Spuitmethode
Geen maatregelen
Windhaag
Standaard Driftbeperking
35 25
25 15
Volblad windhaag of dubbele windhaag 15 5
Akkerbouw bespuitingen Wanneer gebruik gemaakt wordt van een spuittechniek die minimaal vereist is voor bespuitingen (vanaf 2014 een minimaal 75% driftreductie; DRT75) blijkt dat de benodigde afstanden van de perceelgrens tot omstanders 1
Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen, Wageningen UR, maart 2015, (https://edepot.wur.nl/378315) 2 Driftblootstelling van omstanders en omwonenden bij de bespuiting van veldgewassen met een veldspuit, Wageningen UR, november 2015 (https://edepot.wur.nl/469110)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld of omwonenden/bebouwing tussen de 5 m en meer dan 50 meter moet liggen. De veiligheidsafstanden bij de minimale driftreductie zijn op basis van het onderzoek als volgt: Spuitmethode DRT75
Geen maatregelen ➢
50
Windhaag 30
Volblad windhaag of dubbele windhaag 5
Conclusie Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een motiveringsplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. Aanvaarding van een kortere afstand kan, blijkens de uitspraken van De Afdeling, bijvoorbeeld gelegen zijn in het feit dat er tussen de percelen afscherming in de vorm van een houtwal of groenhaag aanwezig is. In dit bestemmingsplan worden er binnen het voormalig agrarische bouwvlak woningen gerealiseerd. De agrarische bestemming grenst direct aan deze woonkavels. Deze afstand is gezien de in het onderzoek van WUR genoemde veiligheidsafstanden onvoldoende in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het hierna volgende wordt onderbouwd onder welke omstandigheden daarvan wel sprake kan zijn. Zoals eerder is vermeld dient bij de besluitvorming inzake een ruimtelijk besluit te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat de bedrijfsvoering van de teler niet mag worden belemmerd door een woning en dat ter plaatse van de tuinen en de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig dient te zijn.
Bij een afstand van 5 meter vanaf het agrarische bestemmingsvlak tot aan de grens van het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ blijkt dat bij de toepassing van het meest toxische middel er met een haag van 5 meter breed en 3 meter hoog, op de grens van het agrarische perceel, sprake is van een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet Ruimtelijke Ordening. Bij voornoemde afstand is er sprake van een goed woonen leefklimaat voor de bewoners en kan de (toekomstige) teler zijn bedrijfsactiviteiten uitvoeren zonder dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. In dit geval wordt voldaan aan dit advies en wordt een houtsingel van 5 meter breed tussen de woonbestemming en de agrarische gronden gelegd. Gezien de breedte van de singel kan er vanuit worden gegaan dat dit te vergelijken is met een dubbele windhaag. Er zal namelijk meer dan één rij bomen worden gerealiseerd. Ook zal de hoogte van 3 meter worden gehaald. Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels en een verbodsbepaling om nieuwe woningen te bewonen zonder dat deze zone (een windhaag) is gerealiseerd, is middels dit bestemmingsplan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in verband met spuitzones geborgd. Gezien vorenstaande is ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten.
Het bedrijf wordt omgekeerd niet beperkt, temeer er al een woning op kortere afstand (direct ten westen) aanwezig is. 5.5.4
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht.
De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2
Situatie plangebied
In dit geval ligt er, zoals al aangegeven, op een afstand van 25 meter een agrarisch bouwvlak. Hier is een grondgebonden veehouderij gevestigd. De stallen (daar waar de daadwerkelijke belasting ontstaat) liggen op circa 47 meter afstand van het plangebied. Voor de betreffende veehouderij is in 2019 een vergunning verleend. Er is een vergunning verleend om in de achterste stal vijf paarden en in de middelste stal in totaal 20 vleesrunderen te houden. In de voorste stal (op 47 m afstand) worden geen dieren gehouden. Allereerst wordt gesteld dat op basis van het bestemmingsplan het uitbreiden van het aantal dieren niet toegestaan is. In artikel 3.1 a onder 3 van de regels is namelijk het volgende vermeld: uitbreiding of nieuwbouw van dierverblijven, danwel het realiseren van nieuwe dierplaatsen in bestaande dierverblijven is
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld niet toegestaan’. Er hoeft dan ook uitsluitend aan de feitelijke (vergunde) situatie getoetst te worden. Hierna wordt achtereenvolgens op de paarden en vleesrunderen ingegaan. Paarden Voor de paarden geldt een vaste afstand van 50 meter. Deze dieren hebben geen geuremissiefactor. De stal waar paarden gehouden worden ligt op 93 meter afstand van het plangebied. Aan de vaste afstand van 50 meter wordt voldaan. Vleesrunderen Vleesrunderen hebben een geuremissiefactor. In het kader van de omgevingsvergunning voor het agrarisch bedrijf is ten aanzien van de vleesrunderen een geuronderzoek uitgevoerd. Het doel was om de geurbelasting van naastgelegen woning aan de Keins 6 in beeld te brengen. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies ingegaan. Het volledige rapport is als bijlage 4 opgenomen. Voor de berekening van de voorgrondbelasting is gebruikgemaakt van het rekenmodel V-Stacks Vergunning (Versie 2010.1.). Het model is ontwikkeld door KEMA in opdracht van het (voormalig) Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). Met dit model kan de geurbelasting van dieren met een geuremissiefactor inzichtelijk worden gemaakt. In de berekening is uitgegaan van een worst-case scenario van 25 vleesrunderen. Tevens zijn de paarden (in het kader van worst-case) meegenomen in de berekening.
Uit de berekening volgt dat de geurbelasting op Keins 6 maximaal 2,1 ouE/m3 als 98- percentiel bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 8 ouE/m3. Ook de runderen kunnen dus zonder meer worden gehouden in de open kapschuur (middelste stal). De geuremissie afkomstig van het houden van vijf paarden en 20 vleesrunderen in de kapschuur vormt hiermee geen knelpunt voor de oprichting van het agrarische bedrijf van deze omvang. Gezien de resultaten voor de woning aan de Keins 6 (die op circa 50 meter van de runderstal staat) waarbij ruimschoots aan de geurnorm wordt voldaan,, kan worden gesteld dat ook ten aanzien van de woningen in het plangebied (op een afstand van 70 meter in min of meer dezelfde richting) geen negatieve effecten te verwachten zijn. Omgekeerd zal het agrarisch bedrijf niet worden beperkt, aangezien de woning aan de Keins 6 reeds maatgevend is voor de geurbelasting. Aanvullend wordt gesteld dat in de melding in het kader van het Activiteitenbesluit het aantal dieren (vijf paarden en twintig vleesrunderen) is vastgelegd, in verband met natuur- en milieubelangen. Zoals hiervoor gebleken zorgt dit aantal dieren niet voor een onaanvaardbare situatie ter plaatse van het plangebied. Ook in het kader van het Activiteitenbesluit wordt het bedrijf dus niet beperkt. 5.6.3
Conclusie geur
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.7
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld 5.7.1
Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’. Deze ligt op een afstand van circa 6,4 kilometer van het plangebied. In dit geval is door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd met behulp van de Aerius-calculator 2020. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als bijlage 5 opgenomen. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt.
In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Zoals waar te nemen in afbeelding 5.3 is het plangebied (rode ster) niet gelegen binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN (groene arcering) liggen op circa 260 meter afstand van het plangebied. Het gebied is aangeduid als het ‘Schagerwad en reservaten rond Kolhorn’.
Afbeelding 5.3
Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland (Bron: Provincie Noord-Holland)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld 5.7.2
Soortenbescherming
Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In het kader van soortenbescherming is door Natuurbank Overijssel een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor voorliggend plan. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige quickscan is als bijlage 6 opgenomen. Onderzoeksresultaten natuurwaardenonderzoek Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000, maar behoort gedeeltelijk wel tot Weidevogelleefgebied. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt het areaal functioneel leefgebied van weidevogels, binnen de begrenzing van het weidevogelleefgebied, niet aangetast. Door een deel van de zuidzijde van het plangebied in te richten als weidevogelleefgebied, is sprake van een toename van (potentieel) functioneel leefgebied voor weidevogels. Voorgenomen activiteiten zijn niet strijdig met beleidsdoelen t.a.v. Weidevogelleefgebied.
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten worden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van gebiedsbescherming vast te kunnen stellen. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied als hoofdzakelijk foerageergebied, maar mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in de beplanting en bezetten beschermde grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rusten voortplantingsplaats. Potentiële vaste rust- of voortplantingsplaatsen van vleermuizen ontbreken in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het doden van vogels of het beschadigen/vernielen van bezette vogelnesten.
Het rooien van beplanting dient daarom afgestemd te worden op de voortplantingsperiode van vogels. 5.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan Keins 1 Schagen Vastgesteld aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.8.1.2 Gemeentelijk archeologiebeleid De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om ‘rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden’. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m 2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Schagen wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben.
In het vigerende bestemmingsplan Landelijk gebied Schagen is het volgende opgenomen in de toelichting: ”Wat betreft de archeologische waarden wordt uitgegaan van het vastgestelde beleid van de gemeente. Dit betekent dat de gebieden met een hoge archeologische verwachting een dubbelbestemming krijgen, waarbij afhankelijk van het type gebied en de aard van de werkzaamheden (oppervlakte en diepte) een onderzoeksplicht kan gelden. Ook de gebieden met archeologische waarde worden evenals in het geldende bestemmingsplan bestemd door middel van een dubbelbestemming archeologische waarde. Het gaat hierbij om de volgende dubbelbestemmingen”. • • • • •
Archeologische waarde - 1: eerste categorie meer dan 0 m2 en 35 cm diepte; Archeologische waarde - 2: tweede categorie meer dan 50 m2 en 35 cm diepte; Archeologische waarde - 3: derde categorie meer dan 500 m2 en 40 cm diepte; Archeologische waarde - 4: vierde categorie meer dan 2500 m2 en 40 cm diepte; Archeologische waarde - 5: vijfde categorie meer dan 10000 m2 en 40 cm diepte.”
Het belangrijkste doel van het opnemen van een dubbelbestemming Waarde-Archeologie is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. De in het bestemmingsplan gehanteerde regels Waarde-Archeologie zijn niet conform de geldende landelijke (VNG-voorbeeld)regels. Behoud van de archeologische waarden in de bodem is door de uitzonderingen met betrekking tot het vervangen van bouwwerken niet afdoende geborgd. 5.8.1.3 Situatie plangebied De gemeente Schagen heeft de archeologische waarden en verwachtingen verwerkt in dubbelbestemmingen. Ter plaatse van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie - 1’ en ‘Waarde – Archeologie - 3’. De beoogde woningen liggen grotendeels op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 3’. De uitzondering voor vervanging van gebouwen is in strijd met het doel van de regel Waarde-Archeologie. Op basis van de geplande nieuwbouw en de hoge archeologische waarde en verwachting heeft een archeoloog van Archeologie West Friesland ter plaatse waarnemingen gedaan en heeft de verwachtingen in kaart gebracht. Het is niet mogelijk om voorafgaande aan de sloop een uitspraak te doen over de gaafheid van de aanwezige archeologische waarden.