CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

ruimtelijke onderbouwing noorderlicht tuitjenhorn 19 december 2022

Oordeelsvormende vergadering 21 februari 2023, gemeente SchagenBij agendapunt: Huisvesting Oekraïners Tuitjenhorn / Warmenhuizen mer-beoordelingsbesluit en Verklaring van geen Bedenking.25.032 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vergunningsplicht Voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan oppervlaktewater, waterkeringen en wegen in het beheer van het hoogheemraadschap en het aanleggen van ≥800 m² verharding is een watervergunning of ontheffing van het hoogheemraadschap nodig. Daarnaast geldt voor het aanleggen, wijzigen of dempen van oppervlaktewaterlichamen een vergunningplicht. Voor de vergunning is het van belang dat de compensatie van gedempt water en toename verharding meegenomen. Vuilwater De realisatie van de woonwijk leidt tot een toename van de afvoer van afvalwater, als gevolg van een toename van bewonersaantal. Het is in de toekomstige situatie niet toegestaan om de gebouwen te voorzien van een IBA-tank (Individuele Zuivering van Afvalwater) of om ongezuiverd afvalwater te lozen op de bestaande watergangen. Bij de realisatie van het rioleringsplan en of/ waterhuishouding dient te worden aangetoond dat het toekomstige vuilwateraanbod geen negatieve effecten veroorzaakt in het bestaande DWA-riool of in het watersysteem. Klimaatambities

Blad 28 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke huisvesting Noorderlicht projectnummer 479189.100 19 december 2022 revisie 02 Gemeente Schagen

Een belangrijke ambitie van het hoogheemraadschap en de gemeente is het tijdig anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. In het kader van de klimaatscan is geconstateerd dat het plangebied kwetsbaar is tegen de effecten van wateroverlast en droogte. Het plangebied biedt kansen voor ruimtelijke adaptatie die het watersysteem niet aantasten. Integendeel, er zijn grote kansen om een robuust watersysteem te ontwikkelen dat bestand is tegen de effecten van klimaatverandering. De ontwikkeling biedt mogelijkheden om maatregelen tegen hitte en droogte te nemen, door verbetering van het groengebied. Maatregelen om hitte- en droogtestress te beperken zijn:  Om schade te voorkomen tijdens lange periode van droogte wordt doorgaans het principe van het gebruik van de bodem als spons gehanteerd;  Planten van bomen: bomen zijn van fundamenteel belang voor de opname en retentie van water en voor het verminderen van verdamping;  Maak zoveel mogelijk schaduwen. Een (kleine) boom met een half transparante kroon kan helpen om waterverlies te verminderen;  Zorg ervoor dat de grond helemaal bedekt is. Een bloemrijk grasveld droogt bijvoorbeeld minder snel uit dan een gemaaid gazon;  Verbetering van het groen door variaties in het maaiveld aan te brengen. In een tuin/groengebied met reliëf kan zonder hinder tijdelijk water worden geborgen in de lager gelegen delen.

Conclusie Ten aanzien van het milieuaspect water dient er rekening gehouden te worden met bovengenoemde mitigerende maatregelen. Als deze in acht worden genomen zijn er vanuit het aspect water geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Binnen het plangebied is voldoende ruimte gereserveerd om maatregelen te kunnen treffen.

4.7

Externe veiligheid Kader Externe veiligheid gaat als milieuthema in op de kans en de bijbehorende effecten van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Hierbij kan het gaan om opgeslagen stoffen bij onder andere bedrijven en LPG-tankstations, maar ook stoffen die worden getransporteerd over de weg, het water, per spoor of door buisleidingen en luchthavens. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor transport het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Daarnaast staan binnen het beleidskader voor externe veiligheid twee kernbegrippen centraal: plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen tonen onderlinge samenhang maar hebben ook wezenlijke verschillen. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Dit wordt weergeven met een contour, die aangeeft tot waar het risico groter is dan 1 op een miljoen (10-6) per jaar om te komen te overlijden als een fictief persoon het hele jaar zich binnen deze contour bevindt. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.

Blad 29 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke huisvesting Noorderlicht projectnummer 479189.100 19 december 2022 revisie 02 Gemeente Schagen

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep of slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Voor het bereken van de hoogte wordt gekeken hoeveel mensen op welke afstand tot de risicobron er aanwezig zijn binnen het invloedgebied van de risicobron. Het invloedsgebied is een contour vanaf de risicobron, die aangeeft tot waar 1% van de mensen komt te overlijden bij een calamiteit. Voor het GR geldt geen harde normering. Het bevoegd gezag bepaalt of de kans op een ongeval en het potentieel aan slachtoffers voor haar acceptabel is. In het Bevi, Bevb en Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht, bijvoorbeeld door maatregelen die de zelfredzaamheid bij ongevallen met gevaarlijke stoffen kunnen bevorderen. Toetsing Plaatsgebonden risico Het plangebied valt niet binnen een contour van een plaatsgebonden risico. Daarom hoeft het plaatsgebonden risico niet nader beschouwd te worden.

Figuur 4-9 ligging plangebied ten opzichte van contouren plaatsgebonden risico

Groepsrisico Er zijn geen aandachtspunten ten aanzien van het groepsrisico:  in het vigerende bestemmingsplan heeft geen beschouwing van de externe veiligheid plaatsgevonden. Het bestemmingsplan is destijds opgesteld om de ontwikkeling van de Harenkarspelweg mogelijk te maken. Omdat een weg geen kwetsbare functie is heeft er geen beschouwing van externe veiligheid plaatsgevonden. In het bestemmingsplan is wel aangegeven dat de Harenkarspelweg niet is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen;

Blad 30 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke huisvesting Noorderlicht projectnummer 479189.100 19 december 2022 revisie 02 Gemeente Schagen

  

het plangebied bevindt zich niet binnen de risicoplafonds van het basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Wat betreft water en spoor zijn er geen routes die een aandachtspunt vormen voor het groepsrisico; In en rondom het plangebied liggen geen kabels en leidingen van planologisch belang, er zijn dus geen risicovolle leidingen in en om het plangebied.

Conclusie Er zijn vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de ontwikkeling.

4.8

Bedrijven en milieuzonering Kader Bij bestemmingsplannen moet een afweging gemaakt worden tussen de belangen van bedrijven en bewoners. Die belangen kunnen tegenstrijdig zijn. Bedrijven hebben (milieu)ruimte nodig om te kunnen functioneren. Bewoners hebben belang bij het voorkomen van hinder. Voor de afweging tussen deze belangen is milieuzonering een hulpmiddel. Milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen). Het doel hiervan is om milieuhinder bij woningen (en andere gevoelige functies) zoveel mogelijk te voorkomen. Tegelijkertijd geeft milieuzonering aan bedrijven zekerheid over de (milieu)ruimte die het bedrijf heeft. Voor milieuzonering wordt landelijk gebruik gemaakt van de VNG-handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. In de VNG-handreiking worden indicatieve richtafstanden aangegeven ten opzichte van rustige woongebieden en gemengde gebieden. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere activiteiten (zoals bedrijven) voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Toetsing De ontwikkeling voorziet in de toevoeging van een rustig woongebied.

Dit kan zorgen voor belemmeringen van de bedrijfsactiviteit als de richtafstand van een bedrijf tot gevoelige voorzieningen tot het plangebied zou reiken. Dit is niet het geval, de dichtstbijzijnde bedrijvigheid is op circa 600 meter van het plangebied. Dit betreft een zaadveredelingsbedrijf, deze zijn niet gecategoriseerd in de VNG-handreiking bedrijven- en milieuzonering. Het is qua bedrijfsvoering vergelijkbaar met een glastuinbouwbedrijf, deze zijn volgens de VNG-handreiking gecategoriseerd als milieucategorie 2. Voor milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter tot gevoelige bestemmingen. De ontwikkeling valt ruim buiten deze richtafstand en zorgt hiermee niet voor belemmering voor de bedrijfsvoering van het desbetreffende zaadveredelingsbedrijf. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn geen belemmeringen voor de ontwikkeling.

Blad 31 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke huisvesting Noorderlicht projectnummer 479189.100 19 december 2022 revisie 02 Gemeente Schagen

4.9

Luchtkwaliteit Kader In het kader van de Wet milieubeheer moet beoordeeld worden of, rekening houdend met de voorgenomen ontwikkeling, wordt voldaan aan de wet- en regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. De concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) zijn maatgevend voor de beoordeling van de luchtkwaliteit. In het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen’ is bepaald dat een project ‘niet in betekende mate’ kan bijdragen aan de luchtkwaliteit. Indien dit het geval is, dan hoeft er geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. Daarbij is de grens gesteld op een toename van de concentratie stikstofdioxide en fijn stof van maximaal 3% als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. Bij een bouwprogramma van maximaal 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoren (bij één ontsluitingsweg) of een combinatie van beiden. Toetsing De toename van verkeer op de omliggende wegen is relatief gering en leidt niet tot wezenlijke toename van uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Er is volgens de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' in de Wet Milieubeheer geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’.

De woningbouwontwikkeling in het plangebied voorziet in maximaal 120 tijdelijke woningen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Ter aanvulling hierop is het plangebied doorgerekend met de NIBM-tool. De NIBM-tool (versie 23 april 2022) berekent de maximale toename van de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 berekend als gevolg van het extra verkeer door het toevoegen van woningen. De NIBM-tool gaat uit van de voor luchtkwaliteit meest ongunstige situatie en berekent daardoor het maximale effect. In onderstaande figuur is de berekening met de NIBMtool opgenomen. De verkeersgeneratie is berekend op 624 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal voor een weekdag. Op basis van de uitkomst van de NIBM-tool wordt geconcludeerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit de voorgenomen ontwikkeling in niet betekenende mate bedraagt aan de toename van luchtverontreinigende stoffen.

Blad 32 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke huisvesting Noorderlicht projectnummer 479189.100 19 december 2022 revisie 02 Gemeente Schagen

Figuur 4-10 NIBM-berekening

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling draagt in niet betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarbij de toekomstige situatie zich ruim binnen bestaande normen voor luchtkwaliteit begeeft. Vanuit het aspect Lucht zijn geen belemmeringen voor de ontwikkeling te verwachten.

4.10

Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten die m.e.r.beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten). De voorgenomen ontwikkeling, de realisatie van 120 tijdelijke woningen inclusief parkeervoorziening is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r. onder categorie D11.2. De voorgenomen ontwikkeling betreft de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject (met inbegrip van de bouw van parkeerterrein), waarbij de geldende drempelwaarden uit de C- of Dlijst van het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Daarom is er in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld (bijlage 12). Op basis van deze notitie kan geconcludeerd worden dat voor het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en er derhalve geen m.er.-procedure dient te worden doorlopen.

Blad 33 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke huisvesting Noorderlicht projectnummer 479189.100 19 december 2022 revisie 02 Gemeente Schagen

5

Uitvoerbaarheid

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid De gemeente Schagen is voornemens een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van 120 woningen. In het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning vindt vooroverleg plaats met de betrokken instanties. Door eenieder kunnen zienswijzen omtrent de aanvraag van de omgevingsvergunning naar voren worden gebracht. Na de termijn van terinzagelegging wordt beslist omtrent verlening van de omgevingsvergunning. Na verlening van de omgevingsvergunning wordt het besluit op internet gepubliceerd.

5.2

Economische uitvoerbaarheid Het project wordt subsidieert door het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het project is daarmee economisch uitvoerbaar.

Blad 34 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke huisvesting Noorderlicht projectnummer 479189.100 19 december 2022 revisie 02 Gemeente Schagen

Bijlage 1: Historisch bodemonderzoek

Blad 35 van 46

Monitorweg 29 1322 BK Almere Postbus 10044 1301 AA ALMERE T (036) 530 80 00 F (036) 533 81 89 info@anteagroup.nl www.anteagroup.nl

Gemeente Schagen t.a.v. de heer M. Eversdijk Laan 19 1741 EA SCHAGEN

datum uw brief van uw kenmerk projectnummer onderwerp

26-08-2022 0479189.100 Historisch bodemonderzoek voor tijdelijke huisvesting Tuitjenhorn-Warmenhuizen

Geachte heer Eversdijk, In opdracht van de gemeente Schagen heeft Antea Group in augustus 2022 een vooronderzoek uitgevoerd voor de locatie Tuitjenhorn-Warmenhuizen nabij de Herenkarspelweg. Aanleiding tot onderzoek vormt de voorgenomen bouw van (tijdelijke) huisvesting voor vluchtelingen in de gemeente Schagen. Het vooronderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de NEN 5725: 2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). In onderstaande tabel zijn de geraadpleegde bronnen weergegeven voor het opstellen van het vooronderzoek. In deze bronnen zijn gegevens bijgehouden met betrekking tot o.a. bekende onderzoeken en uitgevoerde saneringen, de bodemkwaliteitskaart, tanklocaties etc. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen Geraadpleegde bron Historische kaarten Topotijdreis Bodemloket Kadaster Bodeminformatiesysteem Omgevingsdienst Noord-Holland Noord Bodemkwaliteitskaart Schagen (Lucht)foto’s Cyclomedia

Referentie www.topotijdreis.nl https://www.bodemloket.nl https://www.kadaster.nl/zakelijk https://www.odnhn.nl/Ondernemers/Bodem/Bodeminf ormatie https://repository.officieleoverheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-201822092/1/bijlage/exb-2018-22092.pdf https://streetsmart.cyclomedia.com

Datum Augustus 2022 Augustus 2022 Augustus 2022 Augustus 2022 Augustus 2022 Augustus 2022

1. Situatie en algemene gegevens Het onderzoeksgebied ligt ten noorden van Harenkarspelweg en ten westen van de straat Noorderlicht in Warmenhuizen. Ten noorden wordt het onderzoeksgebied begrensd door een sloot. De oppervlakte van het onderzoeksgebied bedraagt ca. 16,3 ha. Het terrein bestaat uit een landbouwgebied dat in 2 delen is gesplitst door een sloot. Het gebied is weergegeven op de tekening in bijlage 1. Uit topotijdreis blijkt dat het terrein sinds 1945 in gebruik is genomen als landbouwgebied, maar dat het slotenpatroon door de jaren heen ingrijpend is veranderd. Sinds 1945 liepen meerdere smalle sloten en twee brede kanalen door het onderzoeksgebied. Deze sloten en kanalen zijn vervolgens gefaseerd gedempt waarbij contactpersoon: e-mail: bijlage(n):

drs. P. Dirksen nellie.kuit@anteagroup.nl

Antea Nederland B.V. - statutaire zetel Heerenveen - handelsregister 29021830 - BTW nr. NL003662317B01 vestigingen in Heerenveen, Schoonebeek, Deventer, Almere, Capelle aan den IJssel, Goes, Oosterhout en Maastricht

T 06 83 16 86 47 gecontroleerd: RK

0475995.125 blad 2 van 3

het gros van de sloten in de jaren ‘80 van de vorige eeuw is gedempt. Zoals eerder aangegeven is nog één sloot overgebleven. In het noordwesten van het onderzoeksgebied was ook een puindammetje aanwezig dat in 2006 is verwijderd. Het terrein staat kadastraal bekend onder de gemeente Schagen, sectie I, nummers 15, 17, 18, 555, 633, 640 en 643. De percelen zijn deels eigendom van de gemeente Schagen en deels van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. 2. Verdachte activiteiten Uit het Bodemloket blijkt dat het onderzoeksgebied gedeeltelijk een locatiecode overlapt waarbij een bovengrondse brandstoftank is geregistreerd. Op basis van het historisch landgebruik wordt aangenomen dat de bovengrondse tank buiten het onderzoeksgebied heeft gestaan en derhalve niet relevant is. Binnen het onderzoeksgebied zijn (begin) jaren ‘80 meerdere sloten/kanalen gedempt. Uit ervaring is bekend dat deze vaak zijn dichtgeschoven met gebiedseigen grond. Vanwege de grootte van twee van deze sloten is het echter de vraag of dat hierbij ook gebeurd is. Niet uitgesloten kan worden dat hierbij materiaal is aangevoerd, waarbij de kwaliteit onbekend is. Deze dempingen zijn derhalve verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging. 3. Bekende onderzoeksgegevens Met betrekking tot het onderzoeksgebied is één bodemonderzoek bekend dat in het verleden is uitgevoerd.

De resultaten van dit (gedateerde) onderzoek wordt hieronder nader beschreven. Milieutechniek de Vries en van de Wiel, rapport met kenmerk: 98-8100-1247, d.d. 17-12-1998 Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de bodem achtereenvolgens uit klei (tot ca. 0,5 m -mv.), zand (tot ca. 1,5 m -mv.) en weer klei bestaat. In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met zware metalen en/of vluchtige aromaten en is aangetroffen op ca. 1,0 m -mv. Er is geen asbestonderzoek bekend. In dit onderzoek is geen rekening gehouden met de hiervoor genoemde slootdempingen. Op de tekening in de bijlage is de locatie van het uitgevoerde onderzoek weergegeven. Voor het overige deel van het onderzoeksgebied zijn geen relevante onderzoeksgegevens bekend. 4. Overige gegevens Uit de digitale terreininspectie blijkt dat het onderzoeksgebied onbebouwd is en in gebruik is als landbouwgebied. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen blijkt dat de kwaliteit van de boven- en ondergrond gemiddeld voldoet aan klasse Landbouw/Natuur. Op basis hiervan worden geen noemenswaardige verontreinigingen verwacht. Er is verder geen informatie naar voren gekomen over de verbranding of stort van afval, verkaveling, ontgrondingen en/of afzetting van bodemvreemd materiaal.

Voor zover bekend hebben er op de locatie geen calamiteiten of overtredingen van voorschriften in het kader van de Wet milieubeheer en/of Wet bodembescherming en/of andere milieuregelgeving plaatsgevonden. 5. conclusies en aanbevelingen Op basis van de bekende gegevens wordt geconcludeerd dat de kans op het voorkomen van bodemverontreiniging klein is. Gezien met name de twee grotere gedempte sloten kan echter niet worden uitgesloten dat hier sprake is van een verontreiniging.

0475995.125 blad 3 van 3

Aanbevolen wordt een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Afhankelijk van de eisen rondom de ingebruikname van het terrein, bijvoorbeeld vanuit een omgevingsvergunning, kan hierbij gekozen worden voor een volledig onderzoek conform de onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie waarbij extra aandacht wordt besteed aan de slootdempingen. Mogelijk kan ook worden volstaan met alleen gericht onderzoek naar de dempingen, waarbij met name de kleinschalige dempingen steekproefsgewijs onderzocht kunnen worden. Met vriendelijke groet, Antea Group

Drs. P. Dirksen

Bijlagen 1. Tekening 2. Topografische kaarten Topotijdreis

Verkennend bodem- en asbestonderzoek VO Vijzelgemalen te Zaandam projectnummer 0437916.123 mei 2019, revisie 00 Gemeente Zaanstad

Bijlage 1 Tekening

Blad 110 van 12

Legenda Onderzoeksgebied Voorgaand onderzoek Milieutechniek de Vries en van de Wiel (1998)

OPDRACHTGEVER

GIS SPECIALIST

SCHAAL

PROJECTLEIDER

FORMAAT

A3 PROJECTOMSCHRIJVING

DATUM

25-08-2022

1 van 1 WIJZ.NR

STATUS KAARTTITEL

defini ef

Overzichtskaart

www.anteagroup.nl

KAARTNUMMER

BLAD IN BLADEN

D0

www.anteagrou R:\00475000\00479189\Milieuonderzoek\GIS\QGIS TerraIndex\Schagen.qgz

Verkennend bodem- en asbestonderzoek VO Vijzelgemalen te Zaandam projectnummer 0437916.123 mei 2019, revisie 00 Gemeente Zaanstad

Bijlage 2 Topografische kaarten Topotijdreis

Blad 110 van 12

1943

1970

1980

1995

2005

2021

Contactgegevens Monitorweg 29 1322 BK ALMERE Postbus 10044 1301 AA ALMERE T. (06) 575 842 98 E. patrick.dirksen@anteagroup.nl www.anteagroup.nl

Copyright © 2022 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Ruimtelijke onderbouwing Tijdelijke huisvesting Noorderlicht projectnummer 479189.100 19 december 2022 revisie 02 Gemeente Schagen

Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek

Blad 36 van 46

project#

Titel van het rapport invullen Ondertitel van het rapport invullen

Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

P220768

Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen P220768

opdrachtgever document

K_Dekker bouw & infra P220768.rapport(totaal).01

versie

1.0

datum

31 augustus 2022

auteur

Ing. D.O. Ruiter

controle

Ing. D. Kramer

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

Projectinformatie Onderdeel

Omschrijving

Projectnaam

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting

Soort onderzoek

Verkennend bodemonderzoek conform NEN5740

Projectnummer Prommenz Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever

P220768 K_Dekker bouw & infra Dhr. H. Haenen

Adres onderzoekslocatie

Ten noorden van de Harenkarspelweg te Warmenhuizen. Circa 150 meter ten noorden van de kruising Harenkarspelweg-Dergmeerweg

Kenmerk rapportage

P220768.rapport(totaal).01

Status

Definitief

Rapportagedatum

31 augustus 2022

Uitvoeringsdatum veldwerkzaamheden

1 & 2 augustus 2022 (boorwerkzaamheden, bemonsteren bodem en plaatsen peilbuizen) en 17 augustus 2022 (bemonsteren grondwater)

Auteur

Ing. D.O. Ruiter

Projectleider Prommenz

Ing. D.O. Ruiter

Figuur 1: Luchtfoto ligging onderzoekslocatie binnen rode cirkel

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

1 Inleiding

1

2 Vooronderzoek

2

3 Uitgevoerd onderzoek

7

4 Resultaten

11

5 Conclusies en aanbevelingen

14

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.4 2.5 2.6 2.7 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

4.1 4.2 4.3 4.4 5.1 5.2

Aanleiding ...................................................................................................................................................................................1 Doel..................................................................................................................................................................................................1 Kwaliteitsborging ...................................................................................................................................................................1 Aansprakelijkheid ..................................................................................................................................................................1 Leeswijzer ....................................................................................................................................................................................1

Onderzoekslocatie................................................................................................................................................................2 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................................................ 3 Historische informatie ....................................................................................................................................................... 3 Historie ......................................................................................................................................................................................... 3 Voorgaand bodemonderzoek ......................................................................................................................................5 Bodemkwaliteitskaart ....................................................................................................................................................... 5 Perfluoralkylstoffen (PFAS) in grond en bagger .............................................................................................. 5 Conclusie vooronderzoek ...............................................................................................................................................

6 Onderzoeksstrategie ..........................................................................................................................................................7 Veldwerkzaamheden ........................................................................................................................................................ 8 Maaiveldinspectie ................................................................................................................................................................ 8 Bodemopbouw en zintuiglijke waarneming .................................................................................................... 8 Uitgevoerde analyses grond......................................................................................................................................... 9 Uitgevoerde analyses grondwater ......................................................................................................................... 10 Toetsingskaders .................................................................................................................................................................... 11 Resultaten grond ................................................................................................................................................................

12 Resultaten grondwateronderzoek .......................................................................................................................... 13 Interpretatie onderzoeksresultaten ....................................................................................................................... 13 Algemeen ................................................................................................................................................................................ 14 Samenvatting, conclusie en aanbevelingen ................................................................................................... 14

Bijlagen

Bijlage I – Overzichtstekening met boorlocaties en kadastrale gegevens Bijlage II – Boorprofielen Bijlage III – Analysecertificaten Bijlage IV – Toetsingsresultaten Bijlage V – Toetsingkaders

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

Prommenz Milieu B.V. heeft in opdracht van K_Dekker infra en bouw bv een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een perceel grasland ten noorden van de Harenkarspelweg te Warmenhuizen.

1.1

Aanleiding

1.2

Doel

De aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is het voornemen om op de locatie tijdelijke huisvesting te realiseren.

Het doel van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bovenen ondergrond en het grondwater ter plaatse. Daarnaast is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit nagegaan, of en zo ja, welke maatregelen nodig zijn voor het werken in verontreinigde grond en zijn mogelijkheden voor hergebruik van eventueel vrijkomende grond indicatief bepaald.

1.3

Kwaliteitsborging

Er bestaat geen andere relatie met de opdrachtgever of eigenaar van de locatie dan de relatie als opdrachtgever en opdrachtnemer. Onder opdrachtnemer worden naast Prommenz Milieu B.V. ook de zusterbedrijven en het moederbedrijf bedoeld. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de systematiek uit de BRL SIKB 2000 ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek’, protocollen 2001 en 2002. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door ing. M.M. Dobber (met assistentie van S.E.A. Rutte) van Prommenz Milieu B.V. Prommenz Milieu B.V. is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en staat als erkend veldwerkbureau geregistreerd onder het certificaatnummer: NC-SIK-20324 (http://www.rwsleefomgeving.nl/ onderwerpen/bodemondergrond/erkenningen). De uitvoering van de analyses is verricht door het door de Raad van Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium van Eurofins Omegam B.V. te Amsterdam.

1.4

Aansprakelijkheid

Bodemonderzoek wordt uitgevoerd door verschillende bodemlagen te bemonsteren. Hiermee wordt getracht een waarheidsgetrouw beeld van de aanwezige bodemkwaliteit te geven. Het is echter niet uit te sluiten dat er plaatselijk (ernstige) verontreinigingen in de bodem voorkomen. De op grond van de in de NEN5740 voorgeschreven werkwijze betreft een steekproef, waardoor het mogelijk is dat plaatselijke verontreinigingen niet worden waargenomen. Prommenz Milieu B.V. staat in voor een uitvoering conform protocol en normen, maar aanvaardt hiervoor geen aansprakelijkheid.

1.5

Leeswijzer

Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 het uitgevoerde vooronderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 is het uitgevoerde onderzoek beschreven en in hoofdstuk 4 de resultaten. De conclusie van het onderzoek wordt omschreven in hoofdstuk 5.

Pagina 1 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

Ter bepaling van de onderzoeksstrategie van het bodemonderzoek is door Prommenz Milieu B.V. een vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd. In dit vooronderzoek is de onderzoekslocatie en de directe omgeving ervan onderzocht. De gegevens van het vooronderzoek zijn verkregen door middel van: • een inspectie van de locatie tijdens de veldwerkzaamheden op 1 en 2 augustus 2022 door ing. M.M. Dobber van Prommenz Milieu B.V.; • door opdrachtgever beschikbaar gestelde informatie; • historische gegevens Kadaster (www.topotijdreis.nl); • gegevens Kadaster (www.kadaster.nl en https://bagviewer.kadaster.nl); • algemene hoogtekaart Nederland (www.ahn.nl); • digitaal archief Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (ODNHN) (Omgevingsrapportage); • TNO (www.dinoloket.nl).

2.1 Onderzoekslocatie

De onderzoekslocatie betreft een perceel grasland aan de noordzijde van Warmenhuizen. Aan de zuidwestzijde van het perceel ligt Harenkarspelweg en ten noorden is de atletiekbaan (AV NOVA, Oostwal 33) en ijsbaan gelegen. Aan de oostzijde wordt de locatie begrenst door een perceel akkerland. Rondom de onderzoekslocatie is een kleine watergang (sloot) aanwezig. De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de overzichtstekening zoals opgenomen in bijlage 1. Het perceel is binnen gemeente Warmenhuizen kadastraal bekend onder sectie I, (deel van) nummers 643, 640, 633, 555 en heeft een totale oppervlakte van 23.250 m2. In figuur 2 is de huidige situatie van de onderzoekslocatie weergegeven. Figuur 2: Luchtfoto huidige situatie onderzoekslocatie binnen het rode kader

De onderzoekslocatie is weergegeven op de situatietekening in bijlage 1. Tevens zijn de kadastrale gegevens (kaart en eigendomsgegevens) opgenomen in bijlage 1.

Pagina 2 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

2.2

Bodemopbouw en geohydrologie

De regionale bodemopbouw is weergegeven in tabel 1. De gegevens uit de tabel zijn ontleend aan de gegevens van TNO (www.dinoloket.nl). Tabel 1; Regionale bodemopbouw onderzoekslocatie

Globale diepte beneden maaiveld (m)

Geologische eenheid

Lithologie

0 tot 21

Holocene afzettingen

Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand

21 tot 30

Formatie van Kreftenheye

Zand, matig fijn tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, zandig; klei, siltig tot zandig, lokaal humeus

30 tot 49

Eem Formatie

Zand, zeer fijn tot matig grof, lokaal schelphoudend, kalkrijk; klei, siltig tot zandig, lokaal schelphoudend

Het maaiveld van de locatie ligt op een hoogte van circa 0,9 m beneden NAP. Uit gegevens van TNO en voorgaande onderzoeken kan de grondwaterstand ingeschat worden op ca. 1,5 m-mv. Op basis van de gegevens van TNO kan geen eenduidige grondwaterstroming worden herleid, de verwachting is dat het ondiepe grondwater afstroomt in de richting van de omringende watergangen.

2.3

Historische informatie

2.3.1 Historie De onderzoekslocatie ligt binnen de polder Geestmerambacht en heeft voor zover bekend altijd een agrarische functie gehad. Vanaf 1968 is men begonnen met het verkavelen van de percelen waarbij vele sloten en greppels zijn gedempt. Op kaartmateriaal uit 1971 is te zien dat een grote watergang en diverse kleine watergangen/greppels op de locatie aanwezig zijn geweest. Verder wordt opgemerkt dat tijdens de aanleg van de Harmenkarspelweg (2017) ook de laatste watergang/greppel die op het perceel aanwezig was is gedempt. In figuren 3 t/m 6 is de situatie te zien in respectievelijk 1971, 1983, 2017 en 2018. Figuur 3: Historische kaart onderzoeksgebied omstreeks 1971 binnen rode kader (Bron: Topotijdreis)

Pagina 3 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

Figuur 4: Historische kaart onderzoeksgebied omstreeks 1983 binnen rode kader (Bron: Topotijdreis)

Figuur 5: Historische kaart onderzoeksgebied omstreeks 2017 binnen rode kader (Bron: Topotijdreis)

Figuur 3: Historische kaart onderzoeksgebied omstreeks 2018 binnen rode kader (Bron: Topotijdreis)

2.3.1 Overige aandachtspunten Opslagtanks of overige bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten Over eventuele boven- en/of ondergrondse opslagtanks of overige bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten binnen de onderzoekslocatie zijn bij zowel de opdrachtgever als de OD NHN geen gegevens bekend.

Pagina 4 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

Enkel wordt opgemerkt dat ter plaatse van de meest zuidelijke hoek van de onderzoekslocatie een toegangsdam aanwezig is. De dam ligt voor het overgrote gedeelte aan de oostzijde van de watergang en daarmee buiten onderhavige onderzoekslocatie. Gedempte sloten Op basis van de beschikbare informatie is in het verdere verleden op de onderzoekslocatie diverse kleine watergangen/greppels en één grote watergang aanwezig geweest. Hiervan is niet bekend waarmee deze gedempt zijn. Vooralsnog wordt verwacht dat deze gedempt zijn met gebiedseigen materiaal maar op basis van de beschikbare informatie is dit niet met zekerheid te zeggen..

2.4

Voorgaand bodemonderzoek

Op of nabij de onderzoekslocatie zijn de volgende bodemonderzoeken bekend: 1. Verkennend bodemonderzoek Plangebied Dergmeerweg e.o. te Warmenhuizen, Grondslag, kenmerk 35973, d.d. 13-6-2022; 2. Verkennend bodemonderzoek Ontsluitingsweg tussen Veilingweg en Dergmeerweg, Prommenz Milieu, kenmerk 16069.rapport.02, d.d. 6-9-2016. Uit onderzoek 1 wordt opgemaakt dat: • het onderzoek is uitgevoerd op het perceel aan de overzijde (zuidzijde) van de Harenkarspelweg. Het onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling van de locatie (woningbouw); • in de bovengrond plaatselijk een zwakke bijmenging aan baksteen, kooldeeltjes en beton is aangetroffen; • de bovengrond ten hoogste licht verontreinigd was met OCB, PAK, PCB en kwik; • de ondergrond niet verontreinigd was met de geanalyseerd parameters; • het grondwater ten hoogste licht verontreinigd was met nikkel en molybdeen. Uit onderzoek 2 wordt opgemaakt dat: • het onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van de huidige van de Harmenkarspelweg; • zintuigelijk plaatselijk bijmengingen aan baksteen zijn aangetroffen; • de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd was met molybdeen; • de onderzond plaatselijk licht verontreinigd was met hexachloorbenzeen; • het grondwater plaatselijk licht verontreinigd was met barium, kobalt, koper, molybdeen, nikkel en zink.

In de eerste aanleg wat een sterk verhoogd gehalte aan nikkel aangetroffen hetgeen na heranalyse niet meer is aangetroffen.

2.5

Bodemkwaliteitskaart

De gegevens uit de Bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer documentcode: 16M1158.RAP001 d.d. november 2020 zijn weergegeven in tabel 2: Tabel 2; Gegevens bodemkwaliteitskaart onderzoeksgebied

Bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer Bodemfunctieklasse Bodemkwaliteitszone bovengrond Bodemkwaliteitszone ondergrond Verwachte ontgravingsklasse bovengrond Verwachte ontgravingsklasse ondergrond Toepassingseis bovengrond Toepassingseis ondergrond Bijstelling klassen op basis van PFAS

2.6

Wonen B5. Overige woongebieden/ recentere bebouwing en bedrijven + buitengebied O2. Overige woongebieden en bedrijven + buitengebied Landbouw/ natuur Wonen (LMW3, zie paragraaf 4.3.4) Nee

Perfluoralkylstoffen (PFAS) in grond en bagger

Uit een inventarisatie van recente onderzoeken blijkt dat PFAS als gevolg van atmosferische depositie van met name rookgassen van vuilverbranding, in veel gebieden in Nederland in lage concentraties in de bovengrond kan worden aangetroffen. Bekende puntbronnen van PFAS zoals de fabricage of het gebruik van blusschuim (zoals AFFF), verf, vetvrij karton en papier en waterafstotende materialen zoals kleding, tapijten e.d. zijn onwaarschijnlijk op en rond de onderzoekslocatie. Bedrijfsactiviteiten met Pagina 5 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

brandbare vloeistoffen in een periode waarbij het voorhanden hebben van (voorheen) PFAShoudend blusschuim verplicht was, kunnen niet geheel worden uitgesloten. Er is echter geen sprake van secundaire bronnen zoals een afvalstort en dergelijke.

2.7

Conclusie vooronderzoek

Op basis van de voorgaande onderzoeken en de bodemkwaliteitskaart worden hooguit lichte verontreinigingen verwacht in met name de bovengrond. Met betrekking tot PFAS wordt verwacht dat op de locatie hooguit sprake is van een licht verhoogd gehalte. Opgemerkt wordt dat extra aandacht wordt besteed aan het opsporen van de gedempte watergangen die aanwezig zijn binnen de onderzoekslocatie. Met betrekking tot het voorkomen van asbest wordt de locatie als niet verdacht beschouwd.

Pagina 6 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

3.1

Onderzoeksstrategie

De opzet van het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Norm 5740+A1 “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” (april 2016). Uit het vooronderzoek volgt dat diverse kleine watergangen/greppels en één grote watergang op de locatie aanwezig zijn geweest waarvan niet bekend is waarmee deze gedempt zijn. In het kader van onderhavig onderzoek wordt vooralsnog enkel de ‘grote watergang’ specifiek onderzocht zodat binnen het onderzoek sprake is van een tweetal deellocaties (gedempte watergang en overig deel). De overige kleine watergangen/ greppels worden geverifieerd binnen de onderzoekstrategie voor het ‘overig deel’. In tabel 3 zijn de beide deellocaties en onderzoeksstrategie(ën) weergegeven. Tabel 3: Onderzoeksstrategie

Locatie

Deellocatie

Oppervlakte/ Lengte

Onderzoeksstrategie

Tijdelijke huisvesting

Voormalige watergang

180 m.

Maatwerk 1

Overig deel

23.250 m2

NEN5740: ONV 2, 3

1

2 3

Geen specifieke onderzoeksstrategie opgenomen in de NEN5740. Watergangen worden onderzocht door de uitvoering van één of meerdere raaien van enkele boringen (afhankelijk van de lengte) haaks op de vermoedelijke ligging van de voormalige watergang. Voor verdere invulling zie tabel 4. Strategie voor een onverdachte, niet lijnvormige locatie Ter verificatie van de bodemopbouw ter plaatse van de diverse kleine watergangen/ greppels zullen enkele boringen zodanig worden gesitueerd dat deze naar verwachting geplaatst worden ter plaatse van deze kleine watergangen/ greppels

In tabel 4, zoals weergeven op de volgende pagina, is het volledige onderzoeksprogramma weergegeven.

Pagina 7 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

Tabel 4: Onderzoeksprogramma

Deellocatie

Boringen

Uit te voeren analyses

Gedempte wategang

6 x tot 0,5 m-gws *

2 x STAP-grond + OCB 1

24 x tot 1,0 m-mv 7 x tot 0,5 m-gws

5 x STAP-grond + OCB 1 (boven- en ondergrond) + 3 x PFAS 2 (bovengrond)

3 x peilbuis

3 x STAP-grondwater 3

Overig deel m-mv

Meter minus maaiveld

m-gws

Meter minus grondwaterstand (met een maximum van 2,0 m-mv) • Sedimentkarakteristieken: organische stof en lutum; • Metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; • Organische parameters: OCB (organochloorbestrijdingsmiddelen), som PCB, som PAK en minerale olie. PFAS (28 stuks cnf. Tijdelijk Handelingskader). De locatie is niet specifiek verdacht voor deze stofgroep maar wordt vaak in het buitengebied in lage concentraties aangetroffen die sporadisch de hergebruikswaarden overschrijden. Mede vanwege het toekomstige grondverzet is vooralsnog enkel de meest verdachte bodemlaag (bovengrond) onderzocht op deze stofgroep. • Zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; • Vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXXN en styreen); • Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (o.a. chlooralifaten); • Minerale olie (GC). Ter plaatse van de voormalige watergang worden een zestal boringen verricht in een tweetal raaien van elk 3 boringen haaks op de ligging van de betreffende (gedempte) watergang.

1

2

3

*

Opgemerkt wordt dat bodemlagen met zintuiglijk waarneembare afwijkingen, zoals puin of passief waargenomen geuren, afzonderlijk worden onderzocht als die niet samen in één mengmonster kunnen worden opgenomen. De grond(meng)monsters worden A(ccreditatie)S(chema)3000.

3.2

in

het

laboratorium

geanalyseerd

onder

het

Veldwerkzaamheden

De boorwerkzaamheden, het nemen van de grondmonsters en het plaatsen van de peilbuizen, zijn uitgevoerd op 1 en 2 augustus 2022 door ing. M.M. Dobber (met assistentie van S.E.A. Rutte) van Prommenz Milieu B.V. De grondwaterbemonstering is uitgevoerd op 17 augustus 2022 door ing. M.M. Dobber. Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL-SIKB 2000 - veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek en de bijbehorende SIKB-protocollen 2001 en 2002 (versie 6 d.d. 01-022018).

3.3

Maaiveldinspectie

Voorafgaand aan de monstername is het maaiveld visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van activiteiten die mogelijk tot een (oppervlakkige) bodemverontreiniging hebben geleid en op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Tijdens deze visuele inspectie van het maaiveld op 1 en 2 augustus 2022 zijn geen bijzonderheden op het maaiveld aangetroffen. Overigens dient te worden opgemerkt dat de locatie volledig begroeid was met gras waardoor de inspectie-efficiëntie beperkt werd.

3.4

Bodemopbouw en zintuiglijke waarneming

Tijdens de veldwerkzaamheden is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van bodemvreemde materialen en andere afwijkingen die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreiniging in de bodem. De locaties van de uitgevoerde boringen zijn weergegeven op de detailtekening in bijlage 1. In bijlage 2 is de bodemopbouw per boring weergegeven inclusief boorbeschrijving en zintuiglijke waarnemingen. In tabel 5 is de algemene bodemopbouw samengevat en in tabel 6 zijn de relevante zintuiglijke waarnemingen weergegeven.

Pagina 8 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

Tabel 5: Algemene bodemopbouw

*

Diepte (m-mv)

Grondsoort

0,0 – 0,8

Overwegend zandige humeuze klei, plaatselijk zandige klei

0,8 – 2,6 *

Zandige klei

Maximale boordiepte

Tabel 6: Zintuiglijke waarnemingen

Boring en diepte (cm-mv)

Grondsoort

Zintuiglijke waarneming

Gedempte watergang 01a (100-150) 01b (0-140)

Matig slibhoudend

Matig zandige humeuze klei

01b (140-190)

Sporen baksteen Sterk slibhoudend

Matig zandige klei

02a (120-160)

Matig slibhoudend

Overig deel 25 (50-100)

Sporen baksteen

Matig zandige klei

25 (100-150)

Zwak slibhoduend

Uit tabel 6 wordt opgemaakt dat ter plaatse van boring 1a, 1b, 2a en 25 in de kleiige ondergrond een bijmenging aan slib is aangetroffen op een diepte varierend tussen 1,0 tot 1,9 m-mv. De slibhoudende bijmenging duidt op de voormalige aanwezigheid van een watergang. Bij alle overige boringen zijn geen aanwijzingen gevonden van de voormailge watergangen/greppels of dempingsmateriaal. Tevens zijn op een tweetal locaties (boring 01b en 25) in de bovenliggende bodemlagen sporen van baksteen (een enkel stukje) aangetroffen.

3.5

Uitgevoerde analyses grond

Van de opgeboorde grond zijn, op basis van grondsoort en zintuiglijke waarnemingen zeven grond(meng)monsters samengesteld en geselecteerd voor chemische analyse. In tabel 7 zijn de eigenschappen van de grond(meng)monsters weergegeven. Tabel 7: Eigenschappen grond(meng)monsters

Monstercode

Boringen en diepte (m-mv) Gedempte watergang 01a (100-150) 01b (140MMW01.01 190) 02a (120-160)

Grondsoort

Zintuiglijke waarneming

Analyse

MMW02.01

Klei, matig tot sterk zandig

Matig tot sterk slibhoudend Sterk slibhoudend

STAP grond + OCB

Klei, matig zandig, zwak humeus

Geen

STAP grond + OCB + PFAS

Klei, matig tot sterk zandig

Geen

STAP grond + OCB

01b (140-190)

Overig deel MM01.01 MM02.01 MM03.01 MM04.01 MM05.01

(0-50) 07 (0-50) 08 (0-30) 09 (0-40) 13(0-50) 19 (0-50) 21 (0-50) 27 (0-20) 28 (0-50) 29(0-40) 18 (0-50) 23 (0-50) 26 (0-20) 30 (0-40) 33 (0-30) 06 (70-120) 08 (60-110) 09 (80-130) 12(80-130) 15 (70-120) 16 (60-110) 20 (80-130) 31 (40-90) 34 (40-90)

Pagina 9 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

3.6

Uitgevoerde analyses grondwater

In tabel 8 op de volgende pagina zijn de in het veld gemeten grondwatergegevens en de uitgevoerde analyse op het grondwater weergegeven. Tabel 8: Eigenschappen grondwatermonsters

Diepte filter (m-mv) Overig deel Peilbuis

pH1

EC 2 (mS/cm)

Troebelheid3 (NCU)

12

1,6 – 2,6

1,45

6.68

1.17

55.8

20

1,6 – 2,6

1,45

6.8

1.34

3.98

31

1,4 – 2,4

1,30

7,32

1.62

9,5

1

2

3

1

Grondwaterpeil (m-mv)

/2/3

Zintuiglijke waarneming

Analyse

Licht grijs, troebel Neutraal, helder Neutraal, helder

STAPgrondwater

de zuurgraad (pH) hangt sterk samen met de biologische en chemische processen welke van nature in de bodem voorkomen maar kan ook worden beïnvloed door menselijk handelen. Over het algemeen varieert de pH van grondwater tussen de 6,0 en 8,5. de geleidbaarheid (Ec) is primair afhankelijk van de hoeveelheid geladen deeltjes in het grondwater en wordt gemeten in millisiemens per cm. De geleidbaarheid in grondwater is locatie-afhankelijk en kan sterk variëren als gevolg van zowel natuurlijke chemische bodemprocessen maar ook door menselijk handelen. De geleidbaarheid van grondwater is over het algemeen gelegen tussen de 0,2 en 1,5 mS/cm maar kan door verzilting of de aanwezigheid van brak dan wel zout water oplopen tot wel 54 mS/cm (zeewater). de troebelheid wordt gemeten in de zogenaamde Nephelometric Turbidity Unit. Over het algemeen kan worden aangenomen dat grondwater van nature in de bodem een troebelheid heeft van 0-10 NTU. Opgemerkt dient te worden dat een afwijkende zuurgraad, geleidbaarheid of troebelheid op zich niet bezwaarlijk is maar eventueel gebruikt kunnen worden bij de interpretatie van analyseresultaten.

De bovengenoemde grondwaterstand, zuurgraad (pH), troebelheid geleidbaarheid (EC) van het ondiepe grondwater zijn in het veld gemeten.

(NTU)

en

De gemeten pH- en Ec-waarde kunnen als normaal worden beschouwd en geven geen aanleiding voor opmerkingen dan wel vervolgstappen. De troebelheid van het gronwater ter plaatse van peilbuis 12 is weliswaar verhoogd maar komt overeen met de zintuiglijke waarnemingen ten tijde van de veldwerkzaamheden (licht grijs troebel grondwater) en wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door het siltige/ kleiige karakter van de ondergrond. Ter plaatse van de beide overige peilbuizen vormt de gemeten troebelheid in het grondwater geen aanleiding voor opmerkingen. De plaatselijk verhoogde troebelheid geeft overigens, mede gezien de analyseresultaten, geen aanleiding voor aanvullende vervolgstappen.

Pagina 10 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

4.1

Toetsingskaders

De analyseresultaten van de grond, het grondwater zijn getoetst aan de onderstaande toetsingskaders en opgenomen in bijlage 4. Toetsingskaders grond en grondwater De analyseresultaten zijn getoetst aan de achtergrondwaarden voor grond, de streefwaarden voor grondwater en de interventiewaarden voor grond en grondwater conform de Circulaire Bodemsanering 2013. Een nadere toelichting op het toetsingskader van de Circulaire bodemsanering en de daarbij behorende normstellingen is opgenomen in bijlage 5. Hierbij wordt opgemerkt dat de achtergrondwaarde is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en dat bij toetsing aan de achtergrondwaarde rekening gehouden dient te worden met artikel 4.2.2 uit deze regeling. Artikel 4.2.2 geeft een lichte verruiming van deze achtergrondwaarde voor een beperkt aantal parameters om zodoende een zeer licht verhoogd gehalte van een beperkt aantal parameters niet direct te moeten classificeren als ‘licht verontreinigd’. Ten behoeve van eventuele hergebruiksmogelijkheden van de grond zijn de analyseresultaten eveneens ter indicatie getoetst aan de (generieke) normen zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit (normen voor toepassen op landbodem). In het Besluit bodemkwaliteit worden bij deze toets de volgende classificaties gehanteerd: ‘Altijd toepasbaar’, klasse ‘Wonen’, klasse ‘Industrie’ en ‘Niet toepasbaar’.

Deze toetsingen zijn uitgevoerd met behulp van het toetsingsinstrument Bodem, Toets- en Validatieservice (BoToVa), een toetsingsprogramma gefaciliteerd door de Rijksoverheid. Barium Per 1 april 2009 zijn de normen voor barium (voor wat betreft grond en baggerspecie) buiten werking gesteld tenzij verhoogde bariumgehalten in de grond of baggerspecie het gevolg zijn van een antropogene bron. In dat geval wordt getoetst aan de voormalige Interventiewaarden (920 mg/kg ds voor toepassingen op landbodem en 625 mg/kg ds voor toepassingen in oppervlaktewater). Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem kan voorkomen. PFAS In dit onderzoek zijn de resultaten voor wat betreft de grond getoetst aan de ‘Beleidsregels PFAS Noord-Holland 2019’. Binnen deze beleidsregels is gesteld dat een locatie niet verontreinigd is als de ‘achtergrondwaarde’ niet wordt overschreden welke voor PFOS, PFOA en overige PFAS is vastgesteld op respectievelijk 1,5 µg/kg ds, 1,7 µg/kg ds en 1,5 µg/kg ds. Bij historische verontreinigingen (ontstaan voor 1987) wordt onderscheid gemaakt in ‘niet verontreinigd’ (< bovengenoemde achtergrondwaarden), ‘verontreinigd’ en de concentratie waarbij een sanering spoedeisend is (PFOS: 110 µg/kg ds en PFOA: 1.100 µg/kg ds).

Ten behoeve van eventueel hergebruik zijn voor wat betreft de stofgroep PFAS geen normen opgenomen in eerder genoemde Regeling bodemkwaliteit. Voor de stofgroep PFAS is getoetst aan de normen zoals opgenomen in het Handelingskader PFAS van Pagina 11 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

december 2021. Vooralsnog is enkel getoetst aan de normen voor hergebruik op landbodem (categorie 4.1) welke zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 9: Toetsingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem (in µg/kg ds)

Bodemkwaliteitsklasse Wonen of industrie Landbouw/ natuur Landbouw/ natuur, wonen of industrie

(overige) PFAS 3,0

Bodemfunctieklasse Wonen of industrie

1,4

Landbouw/natuur

PFOA 7,0 1,9

Opgemerkt dat de toetsing van PFAS nog niet is opgenomen in het toetsingsinstrument BoToVa en dat deze parameters handmatig getoetst dienen te worden aan de normen zoals opgenomen in genoemde beleidsregels en handelingskader. De handmatige toetsing van de resultaten is verwerkt in tabel 11.

4.2

Resultaten grond

In tabel 10 zijn voor de reguliere parameters uit het standaardpakket grond de overschrijdingen van de toetsingswaarden van de grond per mengmonster van het verkennend bodemonderzoek weergegeven. In tabel 11 zijn voor PFAS in de grond de overschrijdingen van de toetsingswaarden per mengmonster van het verkennend bodemonderzoek weergegeven. Het analysecertificaat (certificaatnummer: 1392849) is opgenomen in bijlage 3 en de toetsingstabellen, met uitzondering van PFAS, zijn opgenomen in bijlage 4. Tabel 10: Toetsingsresultaten verkennend grondonderzoek

Monstercode

Monster en laagdiepte (cm-mv)

Toetsingsresultaat Wbb

Toetsing BBK/CROWveiligheidsklasse

>AW

>T

>I

01a (100-150) 01b (140-190) 02a (120-160)

-

-

-

Altijd toepasbaar/ Basishygiëne

01b (140-190)

kwik, minerale olie, PAK, Som DDD, som Chloordaan

-

-

Industrie/ Basishygiëne

(0-50) 07 (0-50) 08 (0-30) 09 (0-40) 13(0-50) 19 (0-50) 21 (0-50) 27 (0-20) 28 (0-50) 29(0-40) 18 (0-50) 23 (0-50) 26 (0-20) 30 (0-40) 33 (0-30) 06 (70-120) 08 (60-110) 09 (80-130) 12(80-130) 15 (70-120) 16 (60-110) 20 (80-130) 31 (40-90) 34 (40-90)

-

-

-

Altijd toepasbaar/ Basishygiëne

Gedempte watergang MMW01.01 MMW02.01 Overig deel MM01.01 MM02.01 MM03.01 MM04.01 MM05.01 >AW >T

gehalte groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (licht verontreinigd); gehalte groter dan de tussenwaarde ((AW + I)/2) en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (matig verontreinigd);

>I

gehalte groter dan de interventiewaarde (sterk verontreinigd);

-

geen gehalten boven de betreffende toetsingswaarde (niet verontreinigd);

Pagina 12 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

Tabel 11: Toetsingsresultaten PFAS grond

Monster -code

Deelmonsters/ mengmonster en laagdiepte

Toetsingsresultaat (gehalte in µg/kg)1 Niet verontreinigd

Verontreinigd

Saneringsnoodzaak

PFOA (1,1) PFOS (0,6) Overige PFAS (0,2) PFOA (0,8) PFOS (0,4) PFAS (0,2) PFOA (1,0) PFOS (0,4) PFAS (0,2)

-

-

Toetsing hergebruiksmogelijkheden2/ CROW400

Overig deel MM01.01

MM02.01 MM03.01

(0-50) 07 (0-50) 08 (0-30) 09 (0-40) 13(0-50) 19 (0-50) 21 (0-50) 27 (0-20) 28 (0-50) 29(0-40) 18 (0-50) 23 (0-50) 26 (0-20) 30 (0-40) 33 (0-30)

Altijd toepasbaar/ Basishygiëne

getoetst aan ‘Beleidsregel PFOS en PFOA Noord-Holland’ versie november 2019; getoetst aan ‘Geactualiseerd handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ versie december 2021;

1 2

4.3

Resultaten grondwateronderzoek

In tabel 12 worden de analyseresultaten van de grondwateranalyses weergegeven. Het analysecertificaat (nummer: 1398985) is opgenomen in bijlage 3. Tabel 12: Toetsingsresultaten grondwater

Peilbuis

Diepte filter (m-mv)

12

1,6 – 2,6

20

1,6 – 2,6

31 >S >T >I

Toetsingsresultaat Wbb >S

>T

>I

-

-

-

1,4 – 2,4 geen gehalten boven de betreffende toetsingswaarde (niet verontreinigd); gehalte groter dan de streefwaarde en kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (licht verontreinigd); gehalte groter dan de tussenwaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (matig verontreinigd); gehalte groter dan de interventiewaarde (sterk verontreinigd);

4.4 Interpretatie onderzoeksresultaten

Uit het onderzoek volgt dat de plaatselijk aangetroffen sterk sliboudende bodemlaag ter plaatse van boring 1b licht is verontreinigd met kwik, minerale olie, PAK, som DDD en chloordaan. In het kader van het Besluit bodemkwaliteit wordt de betreffende bodemlaag gekwalificeerd als ‘Industrie’. De overige slibhoudende bodemlagen ter plaatse van de gedempte watergang zijn niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters en worden in het kader van het Besluit bodemkwaliteit gekwalificeerd als ‘Altijd toepasbaar’. Ter plaatse van het ‘overig deel’ is zowel de boven- als ondergrond niet verontreinigd is met de onderzochte parameters en wordt deze in het kader van Besluit Bodemkwaliteit gekwalificeerd worden als ‘Altijd toepasbaar’. Tevens wordt opgemerkt dat de bovengrond niet verontreinigd is met PFAS en in het kader van het Handelingskader PFAS gekwalificeerd wordt als ‘Landbouw/natuur’. Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Bij uitvoering van grondwerkzaamheden onder de CROW400 is geen veiligheidsklasse van toepassing. Echter voor alle werkzaamheden waarbij grond wordt geroerd moet in ieder geval een minimaal niveau van risicobeheersing in acht worden genomen. Dit niveau staat bekend als de basishygiëne.

Pagina 13 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

5.1

Algemeen

Prommenz Milieu B.V. heeft in opdracht van K_Dekker infra en bouw een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een perceel grasland ten noorden van de Harenkarspelweg te Warmenhuizen. Aanleiding De aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is het voornemen om op de locatie tijdelijke huisvesting te realiseren. Doel Het doel van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bovenen ondergrond en het grondwater ter plaatse. Daarnaast is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit nagegaan, of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn voor het werken in verontreinigde grond en zijn mogelijkheden voor hergebruik van eventueel vrijkomende grond indicatief bepaald.

5.2

Samenvatting, conclusie en aanbevelingen

Gedempte watergang Gezien het aantreffen van een lichte verontreiniging in de plaatselijk aangetroffen sterk slibhoudende bodemlaag binnen de ‘gedempte watergang’ wordt de hypothese ‘verdacht’ formeel bevestigd. Het onderzoek geeft een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse en vormt, mede gezien ten hoogste sprake is van een lichte verontreiniging, geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Tevens wordt op basis van onderhavig onderzoek, aangezien er geen afwijkende bodemlagen en geen bodemvreemd materiaal is aangetroffen, de veronderstelling dat de watergangen gedempt zijn met gebiedseigen grond bevestigd. Overig deel Aangezien zowel de grond als het grondwater niet is verontreinigd met de geanalyseerde parameters wordt de opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’, bevestigd. Het bodemonderzoek geeft een goed beeld van de bodemkwaliteit en vormt geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Algemeen Geconcludeerd wordt dat de resultaten van onderhavig onderzoek geen belemmeringen opleveren voor de herontwikkeling tot ‘tijdelijke huisvestingslocatie’. Aanbevolen wordt om eventueel bij de herontwikkeling vrijkomende grond her te gebruiken binnen de perceelsgrenzen.

Echter, indien dit niet mogelijk is kan worden geconcludeerd dat vrijkomende overtollige grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit/ Handelingskader PFAS grotendeels valt in de kwaliteitsklasse ‘Altijd toepasbaar’ (Landbouw/ natuur) en daarmee geen potentiële hergebruiksbeperkingen heeft bij hergebruik op een andere locatie. Enkel de slibhoudende bodemlaag ter plaatse van de voormalige watergang wordt geclassificeerd als ‘Industrie’ en heeft daarmee potentiële hergebruiksbeperkingen bij hergebruik op een andere locatie.

Pagina 14 van 12

P220768

Verkennend bodemonderzoek Tijdelijke huisvesting te Warmenhuizen

Bij uitvoering van grondwerkzaamheden onder de CROW400 is geen veiligheidsklasse van toepassing. Echter, voor alle werkzaamheden waarbij grond wordt geroerd moet in ieder geval een minimaal niveau van risicobeheersing in acht worden genomen. Dit niveau staat bekend als de basishygiëne.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14685880/1