CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Quickscan natuur Sint Maartensweg 66

Oordeelsvormende vergadering 16 april 2024, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Sint Maartensweg 66-68, Sint Maartensbrug9.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

G&G-advies QS2022-279

Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

J.R. Fokkens

2022

Opdrachtgever DNS Planvorming B.V.

G&G-advies QS2022-279

Datum Versie

8 december 2022 V1

Gecontroleerd door: T.S. van der Meer De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

3

Inhoudsopgave 1

2

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 6

1.3

Het plangebied......................................................................................................... 6

1.4

Werkzaamheden...................................................................................................... 6

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 6

Methode

8

2.1

Soorten .................................................................................................................... 8

2.2

Gebieden.................................................................................................................. 9

Beschermde soorten Wnb

10

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen .......................................................................... 10

3.2

Beschermde soorten.............................................................................................. 12 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 12 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 12 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 12 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 13 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 15 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 16 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 17

3.3

4

5

Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 18

Effectbeoordeling en maatregelen

19

4.1

Vogels..................................................................................................................... 19

4.2

Vleermuizen ........................................................................................................... 20

4.3

Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 21

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving

22

5.1

Natura 2000 ........................................................................................................... 22

5.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ......................................................................... 23

5.3

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) .................................................................. 23

5.4

Houtopstanden ...................................................................................................... 23

5.5

Overige relevante wetgeving................................................................................. 23

5.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ........................... 23

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

4

6

Conclusies

24

6.1

Beschermde soorten Wnb .....................................................................................24

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................25

6.3

Zorgplicht ...............................................................................................................25

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van natuur ...........................................................26

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

27

8

Bijlagen

29

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

1

5

Inleiding 1.1

Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een locatie aan de Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug her in te richten. Sint Maartensbrug ligt in de gemeente Schagen in de provincie Noord Holland. De bebouwing in het plangebied wordt gesloopt en er komt nieuwbouw voor in de plaats. Op de locatie is eerder een quickscan en volgend een onderzoek uitgevoerd door Ecologisch onderzoeksbureau van der Goes en Groot. (VAN DER MEER & PETERS, 2021, DE BEER & BROUWER, 2022). Dit betreft de school op Sint Maartensweg 68 welke aan de betreffende woning vast zit. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabijgelegen beschermde gebieden. In opdracht van DNS Planvorming B.V. heeft Ecologisch Onderzoeksen Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Een quickscan is een momentopname die soms slechts in beperkte mate uitsluitsel geeft over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege tijdstip van

De ligging van het plangebied (rood omlijnd).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

6

het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het plangebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.

1.3

Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied betreft een woning welke aan een voormalig schoolgebouw vast zit. Het plangebied ligt aan de zuidkant van het dorp Sint Maartensbrug. Ten zuiden van het plangebied liggen agrarische percelen. Ten noorden van het plangebied ligt een vaart met ten noorden daarvan dorpse bebouwing.

1.4

Werkzaamheden De woning wordt samen met het schoolgebouw gesloopt. Op de locatie van de bestaande bebouwing staat komen 21 grondgebonden woningen en een huisartsenpraktijk. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van gebouwen met benodigd hak- breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem en het opbrengen van grond en mogelijk het kappen en rooien van struiken en bomen. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen en licht of de verstoring optreden van (beschermde) soorten.

1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen die aanwezig zijn in het plangebied beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

7

In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag.

Schets van de beoogde plannen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

8

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.

2.1

Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2012-2022). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning en de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met nietjaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Met vogels die geen jaarrond beschermd nest hebben moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook §4.1).

Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Voor deze soorten geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de zorgplicht welke wordt besproken in de conclusies en de bijlage m.b.t. de wetgeving. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

9

Potentiebeoordeling Het plangebied is op 1 december 2022 bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd.

→https://www.nvwa.nl/

onderwerpen/invasieveexoten/unielijstinvasieve-exoten

Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (←NVWA). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (§3.2) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten, wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.

2.2

Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van (Europees) beschermde gebieden (Natura 2000), zie: https://www.natura2000.nl/ Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: https://geoapps.noord-holland.nl/GeoWebP/index.html?viewer=nbp Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

10

3

Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van de NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veldbezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.

3.1

Beschrijving aanwezige biotopen Bebouwing De bebouwing bestaat uit opgemetselde muren. Op het dak liggen dakpannen welke niet allemaal goed sluiten waardoor er openingen onder aanwezig zijn. Ook onder de dakpannen vanaf de dakgoot zijn openingen aanwezig. Naast de dakkapel op het dak zijn ook openingen aanwezig. Op de woning is diverse houten betimmering aanwezig. Deze sluit strak aan op de stenen muren. Naast de woning staan een garage en een houten schuur welke in verbinding staan met elkaar en met de woning. De schuur heeft geen opvallende gaten of kieren. De garage heeft aan de zuidzijde een boeideel waar een kier aanwezig zit. De garage en het naastgelegen hok hebben een plat dak. Tuin De tuin is een goed onderhouden tuin met een grasveld en diverse tuinplanten. De tuin grenst aan het schoolgebouw, op de muren van het schoolgebouw groeit Klimop. Bij het schoolgebouw zijn diverse openingen en kieren onder de dakpannen aanwezig.

De woning rechts en de voormalige school links.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

11

De zuidzijde van de woning en garage.

De tuin ten zuiden van de woning met de bebouwing van de voormalige school op de foto.

De achtertuin (zuidwestelijk) van de buren met rechts op de foto het voormalige schoolgebouw met Klimop op de muur.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

12

3.2

Beschermde soorten

3.2.1

Planten Aangetroffen soorten In en rond het plangebied is in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde flora waargenomen (NDFF 2012-2022). Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. Het plangebied wordt te intensief beheerd en is te voedselrijk om geschikt te zijn voor beschermde plantensoorten. Tevens is de bodem te veel gestoord en gewoeld.

3.2.2

Vissen Omdat in het plangebied zelf geen water aanwezig is, kunnen hier geen (beschermde) vissoorten voorkomen. Aangetroffen soorten Rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 2012-2022). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissoorten aanwezig.

3.2.3

Amfibieën Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen (NDFF 2012-2022). Potentie plangebied In het plangebied is geen voortplantingswater aanwezig voor amfibieën. In het plangebied is wél geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine watersalamander en Bruine kikker. De dieren kunnen wegkruipen onder opgeslagen materialen, stronken en takken of in verlaten muizenholen en dergelijke. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

13

-Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad. In het plangebied ligt geen onbeschaduwd, geïsoleerd, ondiep water met lage omliggende vegetatie dat door de dieren kan worden gebruikt voor voortplanting. Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van geschikt voortplantingswater, ligt geïsoleerd door bebouwing, wegen en brede wateren en er is geen geschikte vorstvrije, droge en vergraafbare zanderige bodem aanwezig die buiten de voortplantingsperiode als landbiotoop kan worden benut door deze soort. Tevens is de soort is nooit in nabijheid van het plangebied waargenomen.

3.2.4

Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden enkele vogelsoorten waargenomen: Ekster (cat. 5), Merel, Turkse tortel en Pimpelmees (cat. 5). Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Merel, Houtduif, Winterkoning en Heggenmus. In het water langs het plangebied broeden mogelijk water- en moerasvogels zoals Meerkoet en Wilde eend. Het is mogelijk dat in de bebouwing categorie 5-soorten broeden als Spreeuw, Kool- of Pimpelmees of Boomkruiper. In de aanwezige nestkasten in de tuin kunnen ook categorie 5-soorten Kool- en Pimpelmees broeden. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werd een groep van minimaal 15 Huismussen (cat. 2) waargenomen in de begroeiing ten zuiden van het plangebied. Ook werden de Huismussen waargenomen op en om de bebouwing ten westen van het plangebied. Tijdens het onderzoek in 2022 zijn geen verblijvende Huismussen waargenomen bij nummer 68 (DE BEER & BROUWER, 2022).

In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast in het verleden Gierzwaluw en verschillende in bomen en bebouwing broedende roofvogels en uilen vastgesteld (NDFF 2012-2022).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

14

Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Het is mogelijk dat in de bebouwing Huismus broedt. Deze soort kan toegang verkrijgen tot geschikte holtes vanwege de waargenomen gaten en spleten. De potentiele nestplaatsen voor de Huismus bevinden zich met name onder de dakpannen bij de woning en de westzijde van het voormalige schoolgebouw. De tuin en naastliggende tuinen hebben dekking biedende struiken, zandplekken en voederplaatsen die onderdeel zouden kunnen vormen van het essentieel leefgebied van de Huismus. De Gierzwaluw wordt vaak aangetroffen op dakranden met overhangende dakpannen op kopse kanten boven open metselwerk. Ze vliegen in door de gaten tussen de pannen. Een gladde daklijst onder de randpannen, het zogenaamde “vogelweer”, maakt dergelijke invliegmogelijkheid ongeschikt. Daarnaast zijn er in de nok van het dak geen openingen aanwezig omdat deze dicht gemaakt is. Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoort

De openingen onder de dakpannen (rode pijl) van de school (boven) en de woning (onder) geven mogelijk toegang tot voor Huismussen geschikte achterliggende ruimtes.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

15

met jaarrond beschermde nesten zoals Sperwer. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soort.

3.2.5

Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren waargenomen (NDFF 2012-2022). Ook tijdens het onderzoek in 2022 zijn geen beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren waargenomen (DE BEER & BROUWER, 2022). Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het plangebied biedt slechts beperkt schuilmogelijkheden zoals dichte begroeiing en dekking waar kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel) gebruik van kunnen maken. Ook ontbreekt gunstig jachtgebied met veel prooidieren (muizen). Tevens zijn rond de bebouwing vaak mensen (en huisdieren) aanwezig zodat noodzakelijke rust voor de dieren ontbreekt. Het is ook niet mogelijk dat incidenteel kleine marterachtigen die elders verblijven, in het plangebied voorkomen. Er is minimaal schuilgelegenheid en de tuin is omringd door bebouwing en schuttingen.

De tuin bij de woning biedt minimaal schuilgelegenheid voor kleine marterachtigen en is omringd door schutting en bebouwing.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

16

3.2.6

Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Aangetroffen vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn vijf soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2012-2022). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis en Watervleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Tijdens het onderzoek in 2022 zijn geen verblijvende vleermuizen waargenomen bij nummer 68 (DE BEER & BROUWER, 2022). Van de Watervleermuis is op 1,8 kilometer afstand van het plangebied een winterverblijf met minimaal 16 individuen gevonden (NDFF 2012-2022). Potentie verblijfplaatsen Als potentie voor verblijfplaatsen niet is uit te sluiten dan dient gericht nachtelijk onderzoek plaats te vinden om eventuele precieze verblijflocaties vast te stellen.

De bekende waarnemingen (bijvoorbeeld uit de NDFF) zijn niet volledig en geven daarom geen uitsluitsel en tijdens de quickscan zijn achterliggende holtes die kunnen dienen als verblijfplaats, niet verder te inspecteren of te onderzoeken. Tevens is gebruik door vleermuizen in het verleden hiermee niet uit te sluiten. De bebouwing heeft marginale potentie voor vleermuizen. De woning en schuur hebben geen opvallende kieren of spleten waar vleermuizen zouden kunnen verblijven. Echter is er op de zuidzijde van de garage één kleine kier aanwezig. Bij deze kier zijn poepsporen van vleermuizen op de muur waargenomen tijdens het veldbezoek. Dit zou betekenen dat hier mogelijk een verblijf aanwezig is of dat een vleermuis vlak langs de muur heeft gevlogen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

17

Gezien de aard van de bebouwing is tijdelijk verblijf in de zomer en in de paarperiode het meest waarschijnlijk. Er worden gezien de beperkte buffering van de aanwezige holtes geen (massa)winterverblijven verwacht. De kier in de bebouwing bevind zich op ongeveer 2 meter hoogte aan de zuidzijde van de garage.

Op de linker foto is de locatie van de kier weergegeven. Op de rechter foto is een aangetroffen vleermuiskeutel aangegeven met een cirkel en de kier met een pijl.

Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De schaars aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied en het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen, doorlopende watergangen of brede rietkragen kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.

3.2.7

Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van andere beschermde soorten in of rond het plangebied (NDFF 2012-2022). Tijdens het veldbezoek werden dergelijke soorten ook niet waargenomen. Potentie plangebied Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor overige beschermde diersoorten dan de soorten die hierboven worden genoemd, in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

18

3.3

Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen mogelijk (incidentele) aanwezigheid en gebruik als essentieel leefgebied (zoals bijvoorbeeld vaste verblijfplaatsen). In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.

Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2), mogelijk (incidenteel) voorkomende beschermde, niet vrijgestelde soorten in het plangebied (kolom 3) en verwachte voorkomen van essentieel leefgebied van beschermde, niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied met verwachte beschermde functie (kolom 4). Indien de potentieel aanwezige beschermde functie wordt genoemd in kolom 4 valt deze automatisch onder essentieel leefgebied voor de mogelijk aanwezige soort(en).

Beschermde, niet vrijgestelde soorten

Aangetroffen nabij het plangebied (literatuur en veldbezoek)

Mogelijk aanwezig in Mogelijk beschermde functie plangebied aanwezig binnen het plangebied

Planten

nee

nee

nee

Vissen

nee

nee

nee

Amfibieën

nee

nee

nee

Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten

veldbezoek

ja

niet-jaarrond beschermde nesten

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten

veldbezoek

ja

nesten en essentieel leefgebied (Huismus)

Grondgebonden zoogdieren

nee

nee

nee

Vleermuizen

NDFF

ja

verblijfplaats(en)

Overige beschermde fauna

nee

nee

nee

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

4

19

Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

4.1

Vogels Vogelnesten en essentieel leefgebied kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen, het slopen van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Spreeuw, Koolmees, Pimpelmees en Boomkruiper), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied.

Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

20

activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Soorten met jaarrond beschermde nesten Bij de sloop van de gebouwen en het verwijderen van de begroeiing zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van de Huismus beschadigd of vernield kunnen worden. De nesten van deze soort zijn jaarrond beschermd. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn dient alternatieve nestgelegenheid of vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

4.2

Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de sloop van de gebouwen zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

4.3

21

Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soorten (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om Huismus, Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld.

Optimale periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.

Soort/Soortgroep

Aantal bezoeken

Optimale periode

Vogels Huismus Vleermuizen

half maart – half juni Gebiedsfunctie

Periode

Kraamkolonies en zomerverblijven (3 bezoeken)

Paarverblijven en zwermgedrag (2 bezoeken)

Gewone dwergvleermuis

half mei - half juli

augustus-oktober

Ruige dwergvleermuis

half mei - half juli

augustus - oktober

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2-3 Aantal bezoeken 5

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

22

5

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.

5.1

Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 2,5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Pettemerduinen & Zwanenwater (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand, afscherming en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.

Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebied, BPL, natuurverbindingen en het NNN.

Gezien de toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’-berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland.

Natura 2000-gebied Pettemerduinen & Zwanenwater

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

5.2

23

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.

5.3

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Het gebied is niet begrensd als een Bijzonder Provinciaal Landschap en ligt ook niet in de directe omgeving hiervan (zie Figuur 2). Er is geen negatief effect mogelijk op het BPL, een nadere toetsing is niet nodig.

5.4

Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, Er worden derhalve geen onder de Wnb genoemde beplantingen gekapt.

5.5

Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.

5.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Gezien de toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’-berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

24

6

Conclusies 6.1

Beschermde soorten Wnb  Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels en vleermuizen.  Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.  In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.  In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.

 Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.  In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.  Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

25

omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.

6.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving  Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen.  Gezien de toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland.

6.3

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten.  Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houd bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden, of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk worden gebruikt om insporing en potentiele verstoring te beperken.  Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

26

6.4

Aanbevelingen ter bevordering van natuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan:  Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen;  Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen;  Het plaatsen van zogenaamde ‘insectenhotels’ aan de muren van de bebouwing, in tuinen of in bestaande of aan te planten groenstructuren;  Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals meidoorn, Wilde liguster, Klimop en Sleedoorn die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, muizen en vleermuizen;  Indien bij de inrichting van het plangebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

7

27

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BEER DE, R & BROUWER, R, W. Sint Maartensweg 68 te Sint Maartensbrug - G&G-rapport QS2022-153. Van der Goes en Groot, Alkmaar. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap.

Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. MEER VAN DER, T & PETERS, W. Sint Maartensweg 68 te Sint Maartensbrug - G&G-advies QS2021-194. Van der Goes en Groot, Alkmaar. NETWERK GROENE BUREAUS, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Netwerk Groene Bureaus, Odijk. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland, Heiloo.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

28

SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist. UCHELEN, E. VAN, 2021. Bunzing, Hermelijn en Wezel – Kleine Roofdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2021, januari 2021.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

8

Bijlagen

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

29

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZH

ZL

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ + + +

+ + + +

+ + + +

+

+

+

+

+

+

+ +

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + +3 + +4 + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker

Van der Goes en Groot

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

+ +

+

+ +

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de

¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig:  in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid.  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.  ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.  in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.  in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.  in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.

 ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie. *Geldt alleen in provincie Limburg en Overijssel Categorieën waarbinnen de soorten in deze provincies vallen zijn aangegeven voor Limburg, Overijssel.

**Geldt alleen in provincie Limburg.

***Geldt alleen in provincie Overijssel

Soort Bijeneter** Blauwe reiger** Boerenzwaluw* Boomvalk Bosuil* Buizerd Draaihals** Gierzwaluw Grauwe klauwier** Grote gele kwikstaart Grutto** Havik Huismus Huiszwaluw* IJsvogel** Kerkuil Kramsvogel** Kwartelkoning** Oehoe Ooievaar Paapje** Raaf* Ransuil Ringmus** Roek Roerdomp** Rode Wouw** Slechtvalk Sperwer Spotvogel** Steenuil Torenvalk* Visdief** Wespendief Wulp** Zeearend*** Zomertortel** Zwarte specht* Zwarte wouw

Categorie 4 4 2,3 4 2, 3 4 4 2 4 3 4 4 2 2 4 3 4 4 3 3 4 3, 4 4 4 2 4 3 3 4 4 1 3, 4 4 4 4 4 4 4, 3 4

Toelichting codes Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust- of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.

De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). In de provincie Overijssel is de lijst in 2019 opnieuw aangepast (zie kader). In de provincie Limburg is de lijst in 2020 opnieuw aangepast (zie kader). In de provincie Limburg gelden nog enkele wijzigingen op de standaard, de volgende soorten vallen in deze provincie andere categorieën: Kerkuil (cat. 1), Oehoe (cat. 1), Roek (cat. 1), Grote gele kwikstaart (cat. 2), Ooievaar (cat. 2), Slechtvalk (cat. 2), Wespendief (cat. 3), Zwarte wouw (cat. 3), Zomertortel (cat. 4). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in categorie 5. *Andere beschermingsstatus in provincies Limburg en/of Overijssel. **Geldt alleen in provincies Limburg en/of Overijssel De Grutto en Ringmus behoren bij categorie 5 in Overijssel, maar horen bij categorie 4 in Limburg. zie ook kader op voorgaande pagina.

Blauwe reiger* Boerenzwaluw* Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil* Brilduiker Draaihals* Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grutto*/** Hop Huiszwaluw* IJsvogel* Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger

Koolmees Kortsnavelboomkruiper Middelste bonte specht** Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf* Ringmus*/** Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk* Tureluur** Veldleeuwerik** Wulp** Zeearend* Zomertortel** Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht*

Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.

Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2022-279

Sint Maartensweg 66 te Sint Maartensbrug

natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14695970/1