CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Pallas-plot Toelichting

Gemeenteraad 2 november 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststelling gecoördineerde bestemmingsplannen 'Pallas-Plot' en 'Partiële Herziening PALLAS-reactor, 2021'20.973 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conform het bouwbesluit dient de aanleg te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en specifiek NEN3650-1:2020 en NEN3651. Wanneer de HDD conform de vigerende regelgeving wordt uitgevoerd zou er aan maaiveld géén maaiveldvervorming mogen optreden, omdat het principe van deze boring geen omgevingsinvloed heeft. Daarbij is als randvoorwaarde onder andere een minimale gronddekking opgenomen, op basis van boorspoeldruk en praktische afwegingen, waaraan de HDD moet voldoen. Dit is voor waterstaatswerken minimaal 3 meter en voor autowegen minimaal 2 meter. Aangezien deze leiding op circa 35 meter diepte het agrarisch gebied kruist is het risico op maaiveldvervorming nihil. Conclusie Het aspect bodem staat de voorgenomen ontwikkelingen niet in de weg.

31

bestemmingsplan PALLAS-plot

4.4

Conventionele explosieven

Voorafgaand aan de geplande werkzaamheden moet, zoals gesteld in de Arbeidsomstandighedenregeling, gezorgd worden voor een veilige werkplek. Uit dien hoofde is voorafgaand aan de geplande werkzaamheden een onderzoek naar de aanwezigheid van NGCE uitgevoerd. Dit onderzoek wordt in de regelgeving een vooronderzoek genoemd. Het vooronderzoek NGCE is uitgevoerd conform de huidige wettelijke norm, als vastgelegd in het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) en opgenomen in bijlage XII van de Arbeidsomstandighedenregeling. Het studiegebied van dit onderzoek betreft het gehele plangebied van de LDA en tijdelijke toegangsweg, de uitbreiding van de bestemming bedrijventerrein en het koelwatersysteem. Daarom worden de voorgenomen ontwikkelingen voor dit aspect gezamenlijk in beschouwing genomen. De conclusies van de onderzoeken zijn inzichtelijk gemaakt op de bodembelastingkaart NGCE (afbeelding 19). Op deze kaart zijn verschillende verdachte gebieden NGCE weergegeven. Uit de kaart blijkt dat het hierbij concreet gaat om het Noordzeestrand, de zeereep en het noordelijke deel van het NRG en Curium-complex. Het plangebied van de voorgenomen ontwikkelingen vallen niet binnen dit gebied. De koelwaterleidingen komen wel onder het verdachte gebied te liggen, maar op dusdanige diepte dat dit geen belemmering oplevert.

Grondroerende werkzaamheden buiten de in onderstaande figuur weergegeven verdachte gebieden NGCE kunnen zonder NGCE-begeleiding en/of NGCE-detectieonderzoek worden uitgevoerd.

Afbeelding 19: Bodembelastingkaart NGCE Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen worden gesitueerd buiten de verdachte gebieden NGCE, waardoor het aspect NGCE geen belemmering oplevert. De koelwaterleidingen komen wel onder het verdachte gebied te liggen, maar op dusdanige diepte dat dit geen

32

bestemmingsplan PALLAS-plot

belemmering oplevert.

4.5

Geluid

4.5.1

LDA en uitbreiding bestemming bedrijventerrein

Tijdens de bouwfase van de Pallas-reactor worden verschillende bouwwerkzaamheden uitgevoerd. De LDA en tijdelijke toegangsweg zijn onderdeel van deze werkzaamheden. In het achtergrondrapport Geluid (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER) is onder andere onderzoek gedaan naar de geluidbelasting op woningen, andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen tijdens de bouw- en exploitatiefase. Het akoestisch onderzoek voor de beschrijving van de effecten op de woonomgeving wordt ook gebruikt voor de beschrijving van de effecten op natuur. Laatstgenoemde effecten zijn beschreven in het achtergrondrapport Natuur. Veel van de werkzaamheden zullen niet gelijktijdig plaatsvinden, maar worden achtereenvolgens uitgevoerd. Voor de bouwfase is daarom onderscheid gemaakt in meerdere fases, welke weer zijn onderverdeeld in sub-fases met bijbehorende bouwwerkzaamheden. Per sub-fase is het materiaal met bijbehorende geluidproductie en representatieve bedrijfstijd vergeleken voor een representatieve dag. De LDA is alleen benodigd ten behoeve van de bouw van de Pallas-reactor. Het terrein wordt na afloop van de werkzaamheden zoveel mogelijk teruggebracht naar de oorspronkelijke staat. Het aspect geluid is voor de LDA daarom alleen van belang in de bouwfase en niet in de exploitatiefase van de Pallas-reactor.

Indirecte geluidhinder verkeer Uit het achtergrondrapport Verkeer blijkt dat de N503, het noordelijke deel van de N502 (ten noorden van de Sint Maartenszee) en de zeeweg minder geschikt zijn om bouwverkeer (vrachtwagens) over af te wikkelen. In voorgenoemd rapport wordt voorgesteld om deze wegen voor het bouwverkeer te verbieden. Voor de beoordeling van de indirecte geluidhinder vanwege het vrachtverkeer, is er daarom van uitgegaan dat al het bouwverkeer vanuit zuidelijke richting, de N9 en N502 (Pettemerweg/Westerduinweg) langs Petten zal worden afgewikkeld. Voor de personenauto's is ervan uitgegaan dat 25% in noordelijke richting en 75% in zuidelijke richting wordt afgewikkeld. Maatregelen geluidbronnen exploitatiefase Om de geluidbelasting op de omgeving zoveel mogelijk te beperken, wordt een aantal bronnen, zoals ventilatoren, koelinstallaties en luchtbehandelingskasten in een verdiept gelegen installatiehof op het dak van het 'logistics building' geplaatst. Hierdoor wordt het geluid in alle richtingen in belangrijke mate afgeschermd. Aanvullend wordt op diverse gebouwen een groot aantal ventilatoren, ventilatieopeningen en luchtbehandelingskasten voorzien van een geluiddemper.

Onderzoeksresultaten bouwfase Uit het onderzoek blijkt dat in de dagperiode in alle bouwfasen wordt voldaan aan de dagwaarde van 60 dB(A) van het Bouwbesluit 2012, waarbij een onbeperkte blootstellingsduur is toegestaan. In de avond- en nachtperiode vinden in principe geen bouwwerkzaamheden plaats, behoudens de continue stort van beton. Op de dagen dat er continu beton wordt gestort, wordt de in de Circulaire Bouwlawaai 2010 aanbevolen richtwaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode met 1 dB(A) overschreden. Deze geringe overschrijding van de richtwaarde treedt slecht bij één woning op, te weten de Westerduinweg 20 te Sint Maartensvlotbrug. Gezien de geringe overschrijding, het feit dat deze slechts bij één woning optreedt en het aantal dagen dat deze overschrijding optreedt beperkt zal zijn, wordt dit aanvaardbaar geacht. De overschrijding lijkt oplosbaar door een iets strengere eis aan de geluidemissie van de betonpompen te stellen. PALLAS is

33

bestemmingsplan PALLAS-plot

voornemens om deze maatregelen te treffen en zal dit als eis aan de aannemer opleggen. Onderzoeksresultaten exploitatiefase Tijdens de exploitatiefase wordt bij alle woningen voldaan aan de aanbevolen richtwaarde voor een landelijke omgeving. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting wijkt slechts beperkt af van de huidige situatie. Dit heeft echter geen effect op de dichtstbijzijnde woningen. 4.5.2

Koelwatersysteem

Met het plan-MER is onderzoek gedaan naar het aspect geluid tijdens de gebruiksfase van het koelwatersysteem. In de exploitatiefase zijn de koelwaterleidingen in gebruik. De relevante geluidbronnen tijdens de gebruiksfase betreffen een afzuigventilator van de machinekamer, luchtinlaat verbrandingsmotor brandbestrijding pomp, uitlaat verbrandingsmotor brandbestrijding pomp en SCS pompen. Voor de beoordeling van de exploitatiefase is in eerste instantie getoetst aan de richtwaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde voor een landelijke omgeving. De eventuele geluidhinder is dan minimaal. Bij overschrijding van de richtwaarde wordt getoetst aan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde voor een nieuwe inrichting. Als net aan de grenswaarde wordt voldaan, mag verwacht worden dat er hinder optreedt, maar wordt het hinderniveau nog acceptabel geacht. In de exploitatiefase wordt bij alle woningen voldaan aan de richtwaarde voor een landelijke omgeving. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting wijkt slechts beperkt af van de huidige situatie. Dit heeft geen relevant effect op de dichtstbijzijnde woningen. Conclusie Het aspect geluid staat niet in de weg aan de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Grondwater

4.6.1

LDA en uitbreiding bestemming bedrijventerrein

In relatie tot grondwater is onderzocht wat de voorgenomen ontwikkelingen voor effecten hebben op de grondwaterstand, stijghoogte, grondwaterstroming en het zoutgehalte van het grondwater. Voor meer informatie wordt verwezen naar het achtergrondrapport Grondwater (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER). De modelstudie strekt zich uit over het gebied zoals weergegeven in afbeelding 13.

34

bestemmingsplan PALLAS-plot

Afbeelding 13: Studiegebied grondwatermodellering met het regionale model (zwarte lijn) en de gedetailleerde uitsnede rond de reactorlocaties (gele lijn) Bij de bouw van de PALLAS-reactor wordt in principe geen grondwater onttrokken. Wel worden diepe damwanden toegepast als grondkerende constructie langs de LDA en toegangsweg. Deze ondergrondse constructies en damwanden hebben invloed op grondwaterstanden en -stroming, stijghoogtes en de verdeling van zoet en zout grondwater. De effecten zijn uitgedrukt in: verandering in grondwaterstanden en/of stijghoogtes; veranderingen in het chloridegehalte van het grondwater. Wat voor één beoordelingscriterium nadelig is, kan voor een ander criterium juist positief zijn. Bijvoorbeeld een grondwaterstandsverlaging kan een negatief effect op de vegetatie hebben, maar dit kan ook betekenen dat de bestaande permanente grondwaterbeheersing minder nodig is. Grondwaterstanden en stijghoogten De damwanden, die als grondkerende constructies langs de LDA en de toegangsweg worden aangebracht, worden na de bouwfase verwijderd. Het effect op de stijghoogte in de watervoerende pakketten vanaf circa NAP -8 m door de bouw van het reactorgebouw en de diepwanden is zeer gering, in de orde van grootte van enkele millimeters. Dit effect strekt zich tot enkele tientallen meters rond het reactorgebouw uit en beperkt zich dus tot de EHC.

Grondwaterkwaliteit De berekende effecten op de chlorideconcentraties ten gevolge de opstuwing en verlaging van de grondwaterstanden en stijghoogtes rond het reactorgebouw en het pomphuis zijn niet significant (kleiner dan 1 mg/l). Hierdoor wordt verwacht dat ook de blokkade van de grondwaterstroming door de damwanden onder het NHC geen significant effect op de

35

bestemmingsplan PALLAS-plot

chlorideconcentraties zal hebben. Voor de damwanden langs de LDA dalen de berekende freatische grondwaterstanden niet tot NAP +0 m of lager. Hierdoor wordt voorkomen dat brak of zout water uit de diepere watervoerende pakketten door de slecht doorlatende laag onder het duinzand en het Laagpakket van Walcheren omhoog kan kwellen. De damwanden zullen daarom geen effect op de freatische grondwaterkwaliteit hebben. Afgeleide effecten: • Vegetatie (verdroging, verzilting): de freatische grondwaterstand in de duinen ten oosten van het reactorgebouw daalt met 1 tot 5cm. Waar damwanden worden toegepast als grondkerende constructies langs de LDA en de toegangsweg is de kans op een groter, tijdelijk, effect op de grondwaterstanden in de duinlichamen aanwezig. Wanneer de damwanden na de bouwfase worden verwijderd is dit effect afwezig in de exploitatiefase. De grondwaterstand in de natte duinvalleien wordt niet door beïnvloed. De effecten reiken niet tot in het Natura 2000-gebied. • Gebouwen (risico op zettingsschade): de effecten op de grondwaterstand en stijghoogte zijn zo gering dat er geen risico op zetting wordt verwacht. De grootste effecten van de damwanden langs de LDA en toegangsweg treden op in de duinlichamen die niet zettingsgevoelig zijn (bestaan uit zand) en waar geen bebouwing op aanwezig is.

• Duinen als onderdeel van de zeewering (risico op zetting): er treden effecten op de grondwaterstand in de duinlichamen op als gevolg van de damwanden langs de LDA en de toegangsweg. Omdat de duinen zelf uit zand bestaan, wordt geen zetting verwacht. • Landbouw (droogteschade, schade als gevolg van verzilting): er treedt geen verandering van de grondwaterstanden in het landbouwgebied ten oosten van de reactor op. Wel neemt de flux van (zoet) grondwater vanuit de duinen af als gevolg van de damwanden langs de LDA en de toegangsweg. Deze grondwaterflux wordt onderschept door de sloot ten oosten van de Westerduinweg. De vermindering van de flux naar deze sloot is verwaarloosbaar klein ten opzichte van de inhoud van dit watersysteem en de hoeveelheden water die via de sloot worden aangevoerd. • Grondwateronttrekkings- of infiltratiesystemen: de grondwaterstand ter hoogte van de bestaande gebouwen direct ten westen van het reactorgebouw kan hoger worden. Dit effect wordt gemitigeerd door de aanleg van een drainage en infiltratiesysteem rondom het reactorgebouw. Er zal daarom geen effect optreden op de beheersonttrekking ter plaatse. • Mobiele verontreinigingen (invloed op beheersing): op de NRG-locatie vindt een grondwateronttrekking plaats als sanering van een tritiumverontreiniging in het grondwater. NRG is verplicht de verspreiding van het tritium te blijven monitoren.

De tritiumverontreiniging ligt buiten het invloedsgebied (het gebied waar de grondwaterstand met 5 cm of meer verandert) van de verhoging en verlaging van de grondwaterstanden rond het reactorgebouw. Aanleg verharde oppervlakken De aanleg van (half-verharde) oppervlakken vermindert plaatselijk de inzijging van neerslag en zal meer oppervlakkige afvoer tot gevolg hebben. Veel van het terrein is nu echter ook verhard of bebouwd. Hierdoor neemt de grondwateraanvulling in de westelijke helft van de meest oostelijke duinenrij (de Zijperzeedijk) af. De freatische grondwaterstand zal daar dalen. Intensivering van verkeer veroorzaakt verontreiniging van het afstromend wegwater. Tevens is er een kans op calamiteiten (bijvoorbeeld lekkages van brandstoftanks). Ook dienen voorzieningen te worden getroffen voor opvang, zuivering en afvoer van het afstromend water. Bij de daadwerkelijke de uitbreiding zal hier rekening mee worden gehouden. De aanleg van verhard oppervlak kan negatieve effecten hebben op de grondwater kwantiteit en kwaliteit. Deze effecten dienen te worden gemitigeerd door zorgvuldig gebruik van kritische stoffen, opvang, zuivering en infiltratie van het afstromend wegwater.

36

bestemmingsplan PALLAS-plot

Voor het infiltreren van regenwater op de nieuwe verhardingen en halfverhardingen zijn greppels/zaksloten in het ontwerp van de LDA opgenomen. Conclusie Het aspect grondwater staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. 4.6.2

Koelwatersysteem

Tussen het filterstation en het Noordhollandsch Kanaal worden twee leidingen geboord door middel van GFT (Gesloten Front Techniek) boringen. Vanaf het filterstation worden twee leidingen gelegd naar het PALLAS-plot. Deze boring vindt plaats door middel van een HDD (Horizontal Directional Drilling) techniek. Het intredepunt van de boor is op het PALLAS-plot. Het uittredepunt van de boor is op circa 300 meter vanaf de filterput, vanwege de benodigde uitleg-lengte en de bocht in dit tracé. Het laatste deel vanaf het uittredepunt naar de filterput wordt in open ontgraving gelegd. Bij deze boringen zal geen bemaling nodig zijn, afgezien van een kleine open bemaling binnen de damwanden om intredend regenwater af te voeren. Er treden dan ook geen effecten naar het grondwater op. Tussen het filterstation en het uittredepunt van de boor (300m afstand van het filterstation) wordt de leiding in een open sleuf gelegd. Aangenomen wordt dat deze sleuf binnen damwanden wordt ontgraven, niet tot in de klei- en veenlaag vanaf circa NAP -3 m reikt en dat geen spanningsbemaling nodig is. In dit geval zal geen bemaling, afgezien van een kleine open bemaling binnen de damwanden om intreden regenwater af te voeren, nodig zijn en treden geen effecten naar het grondwater op.

Om effecten van uitspoeling van zout uit het uitgegraven zand te voorkomen, wordt dit zand in een depot gelegd met een dichte vloer (bijvoorbeeld een folie) en wordt het uitkomende water opgevangen en afgevoerd. Conclusie Het aspect grondwater staat de voorgenomen ontwikkelingen niet in de weg.

4.7

Kabels en leidingen

Binnen het plangebied zijn relevante kabels en leidingen aanwezig. Tussen de EHC en de Westerduinweg is een leidingstrook gelegen. Deze heeft in het vigerende bestemmingsplan 'PALLAS-reactor' de dubbelbestemming "Leiding - Leidingstrook" gekregen en wordt gebruikt ten behoeve van leidingen voor de EHC. Daar waar de koelwaterleidingen de leidingstrook doorkruisen, worden de minimale vereisten van de van toepassing zijnde NEN-normering aangehouden. De koelwaterleidingen zijn voorzien op circa -35 m NAP landwaarts en -50 m NAP zeewaarts en vormen daarmee geen belemmering voor de huidige leidingstrook. De leidingenstrook heeft geen effecten op de planontwikkeling en evenmin heeft de planontwikkeling effecten op de leidingenstrook. Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de voorgenomen ontwikkelingen niet in de weg.

4.8

Landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit

37

bestemmingsplan PALLAS-plot

Het plangebied ligt in een kustlandschap. Deze combinatie van zee, strand, duinen en achterliggende (bloembollen)polders wordt in Nederland zeer waardevol gevonden. Dit is niet alleen uit oogpunt van landschappelijke kwaliteit, maar zeker ook vanuit recreatief- en agrarisch oogpunt. Voor meer informatie wordt verwezen naar het achtergrondrapport Landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER). 4.8.1

LDA en uitbreiding bestemming bedrijventerrein

Fysieke aantasting landschappelijke karakteristiek en waarden Op het terrein van de EHC wordt de LDA aangelegd. Om verkeersbewegingen tussen het PALLAS-terrein en het werkterrein te realiseren, wordt een tijdelijke toegangsweg aangelegd van de Westerduinweg N502 naar het PALLAS-terrein. Hiervoor moet een deel van de Zijperzeedijk worden afgegraven. De duinstreek bestaat uit jonge duinen die voor een groot deel liggen op oudere duinen en strandwallen. Het gebied is over het algemeen nog zeer gaaf en representatief. Een deel van de duinen is pas aangestoven sinds de bedijking van de Zijpe (Zijperzeedijk, 1596) en behoren tot de (zeer) jonge duinen. De LDA betreft echter een tijdelijke situatie. Na afloop van de werkzaamheden wordt het terrein ter plaatse van de natuurbestemming weer teruggebracht naar de oorspronkelijke staat. De geplaatste voorzieningen worden weggehaald en ook het grootste deel van het zand wordt weer teruggeplaatst. Voor de bouw van de PALLAS-reactor wordt een bouwkuip uitgegraven. Hierdoor zullen de omliggende duinen beperkt worden aangetast. Het terrein rondom het reactorgebouw wordt opgebouwd door zand aan te brengen (van 3,5 m +NAP) tot een hoogte van 6 m +NAP met zand uit de bouwkuip. De nieuwe reactor ligt binnen het reeds aangetaste deel van de duinen.

Omdat het duingebied een dynamisch systeem is en verstuiving en duinvorming plaatsvinden, zijn de negatieve effecten beperkt en is er niet tot nauwelijks sprake van invloed op de kwaliteit van de landschappelijke karakteristiek als geheel. Fysieke aantasting historische geografie en (steden)bouwkunde Op het terrein van de EHC en in de directe omgeving zijn geen bijzondere historisch geografische- en/of historisch (steden)bouwkundige waarden aanwezig. Ten gevolge van de inrichting van het bouwterrein en de tijdelijke toegangsweg zijn dan ook geen effecten te verwachten. Toekomstwaarde De dynamische processen in de duinen zullen niet significant in positieve of negatieve zin worden beïnvloed tijdens de bouwfase van de tijdelijke ontsluitingsweg en het werkterrein, of na realisatie van de voorgenomen activiteiten. Conclusie Het aspect landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit staat de voorgenomen ontwikkelingen niet in de weg. 4.8.2

Koelwatersysteem

Fysieke aantasting landschappelijke karakteristiek en waarden Vanaf het Noordhollandsch Kanaal worden twee leidingen onder de rijksweg N9 doorgeboord naar de filterput. Ten behoeve van de filterput wordt in de polder op korte afstand van de Parallelweg een filterstation gerealiseerd. De leidingen worden tussen de filterput en het uittredepunt (over een lengte van circa 300 m) aangelegd middels open ontgraving. De te graven leidingen volgen de verkavelingsstructuur van de polder en worden vervolgens richting het PALLAS-terrein aangelegd middels gestuurde boring. Het intredepunt bevindt zich op het PALLAS-plot. Het uitlegtracé is naar verwachting de parallelweg langs de N9 naar het zuiden. De uitvoeringsmethode en sleufbreedte is gericht

38

bestemmingsplan PALLAS-plot

op het minimaliseren van de grondwateronttrekking. De grond zal op dezelfde wijze worden aangevuld als deze is uitgegraven. Het bouwwerk van het filterstation is landschappelijk van ondergeschikt belang. Er zijn ten gevolge van het secundaire koelsysteem geen effecten te verwachten op landschappelijke waarden. Fysieke aantasting historische geografie en (steden)bouwkunde Bij de aansluiting van het koelwatersysteem moet rekening worden gehouden met de cultuurhistorische betekenis van het Noordhollandsch Kanaal en het intacte polderlandschap van de Zijpe- en Hazepolder. Uitgangspunt is het behouden van het kanaal als lijnstructuur met bijbehorende – als provinciaal monument beschermde – pontonbruggen en het verharde Jaagpad langs het Noordhollandsch Kanaal in de vorm van de Rijksweg N9. Het pomphuis voor de secundaire koeling wordt op het PALLAS-terrein gerealiseerd. De leidingen vanaf de kanaaloever worden onder de Rijksweg N9 geboord naar de filterput. Vanwege deze aanlegwijze is fysieke aantasting van historisch geografische of historisch (steden)bouwkundige waarden uitgesloten. Belevingswaarde De leidingen van het koelwatersysteem worden grotendeels door de polder gelegd middels gestuurde boring. Het intredepunt bevindt zich op het PALLAS-terrein. Het pompstation wordt ook op het PALLAS-terrein gepositioneerd.

In de polder zijn de opgaande elementen die ten behoeve van de voorgenomen activiteit worden gerealiseerd het filterstation met bijbehorende toegang voor onderhoud en leverantie van zout. Hoewel dit lokaal een negatief effect heeft op de belevingswaarde van het polderlandschap, is dit effect niet significant en leidt niet tot een negatieve beoordeling voor de belevingswaarde. Gebruikswaarde Ten aanzien van de het secundaire koelsysteem is het grondgebruik boven het leidingtracé door de polder relevant. De leiding wordt echter middels gestuurde boring aangelegd en geboord tot een diepte van -35 NAP van het Noordhollandsch Kanaal naar het PALLAS-terrein. Er is meer dan 1,50 meter aan vrije bodemruimte boven de leiding(en) beschikbaar, waardoor geen sprake zal zijn van beperkingen in het grondgebruik. Alleen tussen de filterput en het uittredepunt in de polder (circa 300 meter) worden de leidingen middels open sleufontgraving aangelegd. Eventuele andere landbouwkundige activiteiten die problemen zouden kunnen veroorzaken (glastuinbouw etc.) zijn conform het bestemmingsplan niet mogelijk. Het filterstation heeft lokaal een beperkte invloed op de gebruikswaarde van de polder maar is niet significant. Er zijn geen effecten te verwachten op het gebruik c.q. de geschiktheid voor activiteiten in het landschap.

Toekomstwaarde Door de gestuurde boring van de leidingen van het koelwatersysteem onder de grond door de polder zijn er geen landschappelijke processen die worden beïnvloed. Er zijn geen effecten te verwachten op de toekomstbestendigheid van het landschap (adaptief vermogen). Conclusie Het aspect landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.9

Licht

4.9.1

LDA en uitbreiding bestemming bedrijventerrein

39

bestemmingsplan PALLAS-plot

De bouwwerkzaamheden zullen voornamelijk in de dagperiode tussen 7.00 en 19.00 uur plaatsvinden. Alleen in de winterperiode is in de ochtend (7.00 – 8.30 uur) en in de namiddag en vroege avond (16.00 – 19.00 uur) bouwverlichting nodig. Afhankelijk van de gemeten daglichtsterkte zal bouwverlichting nodig zijn indien minder daglichtsterkte wordt gemeten dan de minimale verlichtingssterkte voor bouwterreinen. Buiten werktijden staat gedurende de schemering en de nacht veiligheidsverlichting met een beperkte lichtsterkte aan. Er zal enkel ledverlichting worden toegepast. Incidenteel kunnen de bouwwerkzaamheden voor een beperkte periode buiten de reguliere werktijden plaatsvinden. In dat geval is het gebruik van kunstmatige verlichting noodzakelijk, maar zal deze beperkt worden. Vanwege veiligheidsredenen zal er altijd een minimaal verlichtingsniveau zijn van 4 lux. Om de effecten in de nachtperiode ten gevolge van kunstmatige verlichting op het bouwterrein en langs de tijdelijke toegangsweg te voorkomen, dient bij de realisatie van het bouwterrein een afstand van circa 30 meter (ten opzichte van woningen) in acht te worden genomen. Het betreft de minimale afstand van de lichtbron tot de woning. Tijdens de bouwfase wordt verlichting gericht op de bouwplaats op een dusdanige manier dat uitstraling naar de omgeving zoveel mogelijk beperkt blijft.

Dit kan worden gedaan door het aanbrengen van kappen en verlichting op palen niet te hoog te plaatsen. Het is de bedoeling om alleen de bouwplaats en niet de omgeving te verlichten. De vereiste verlichtingssterkte kan per activiteit sterk variëren. De vereiste verlichtingssterkte voor bouwterreinen varieert van 20 tot 200 lux. In het achtergrondrapport Licht (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER) is uitgegaan van een verlichtingssterkte op de beoogde locatie van de PALLAS-reactor, de LDA en langs het tracé van de koelleiding ter plaatse van de tijdelijke ontgraving van circa 200 lux. Langs de tijdelijke toegangsweg wordt uitgegaan van 50 lux. Om veiligheidsredenen wordt ook in de exploitatiefase voor de locatie van de PALLAS-reactor uitgegaan van 200 lux. Dit betreft een conservatieve benadering en levert een worst case-aanname op voor verlichting. Om het effect van de verlichtingsinstallatie tijdens de bouwfase te beoordelen, dient de ontwerpende partij per fase een lichtberekening te leveren. In het achtergrondrapport Licht zijn daar randvoorwaarden aan gesteld. Het gebruik van kunstlicht na zonsondergang en voor zonsopkomst moet worden beperkt en uitstraling zoveel mogelijk worden voorkomen. De verlichtingssterkte in de omgeving kan worden gereduceerd door: De lichtmasten niet te hoog maken.

De uitstraalrichting van de armaturen zoveel mogelijk van de woningen en natuurgebieden af positioneren. Het achterwege laten van verlichting daar waar het kan. Gebruik maken van intelligente lichtschakelingen en bewegingssensoren. Het gebruik van het absolute minimum aan vereiste verlichting nabij het pomphuis. Het afschermen van de verlichting en het richten van de lampen naar de grond om uitstraling naar de omgeving te beperken tot een minimum (alleen het werkgebied wordt verlicht). Dit geldt zeker voor uitstraling naar het pomphuis en poortgebouw, uitstraling naar deze locaties moet voorkomen worden. Om te beoordelen of het lichtontwerp voldoet aan de in het rapport genoemde voorwaarden, dient in de bouwfase een lichtontwerp inclusief bijbehorende lichtberekeningen opgesteld te worden door de aannemer. Uit de berekeningen in het lichtonderzoek blijkt dat de verlichtingssterkte ter plaatse van Natura 2000-gebied ten gevolge van de werkzaamheden op de site en het bouwterrein onder de norm van 0,1 lux ligt. Effecten op het Natura 2000-gebied in de gebruiksfase zijn uitgesloten. Eventuele effecten op aanwezige soorten zijn onderzocht in de Soortenbeschermingstoets PALLAS-reactor, behorend bij het plan-MER. De uitbreiding van de bestemming bedrijventerrein leidt niet tot een grote toename van de verlichtingssterkte.

De verlichting reikt verder vanwege het vergroten van het terrein, maar

40

bestemmingsplan PALLAS-plot

met de uitbreiding worden geen andere activiteiten mogelijk gemaakt dan de activiteiten zoals beschreven in het vigerende bestemmingsplan 'PALLAS-reactor'. Het gaat slechts om een beperkte uitbreiding van het terrein. De uitbreiding zal dan ook niet leiden tot een overschrijding van de norm. Conclusie Het aspect licht staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.9.2

Koelwatersysteem

In het achtergrondrapport Licht, behorend bij het plan-MER, is ten behoeve van de aanleg van het koelwatersysteem onderbouwd hoe door middel van mitigerende maatregelen aan de norm voor verlichttingssterkte kan worden voldaan. In de gebruiksfase van het koelwatersysteem is veel minder verlichting nodig dan in de aanlegfase. Als in de aanlegfase aan de norm voor verlichtingssterkte wordt voldaan, zal in de exploitatiefase ruimschoots aan de norm worden voldaan. Conclusie Het aspect licht staat niet in de weg aan de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Luchtkwaliteit

Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan heeft onderzoek plaatsgevonden voor het aspect luchtkwaliteit, zie hiervoor het achtergrondrapport Luchtkwaliteit behorend bij het plan-MER. Zie voor meer informatie het achtergrondrapport Luchtkwaliteit (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER). 4.10.1 LDA en uitbreiding bestemming bedrijventerrein De LDA dient onder meer ter opslag van materiaal, materieel en grond (in de open lucht). Eventuele overlast door de verspreiding van stuifgevoelige materialen wordt voorkomen door het spuiten van water en/of korstvormer. De uitbreiding van het bedrijventerrein maakt niet meer (potentiële) emissiebronnen mogelijk dan waar het bestemmingsplan 'PALLAS-reactor' in voorziet. De enige luchtemissiebron in de exploitatiefase is wegverkeer van en naar de LDA, via de tijdelijke toegangsweg. Het betreft verkeersbewegingen van personenauto's van personeel en transportbewegingen van vrachtverkeer. Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie fijnstof (PM10 en PM2,5) of stikstofdioxide (NO2). Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de voorgenomen ontwikkelingen niet in de weg.

4.10.2 Koelwatersysteem Alle pompinstallaties voor koelwater en andere voorzieningen worden onder normale operationele omstandigheden elektrisch aangedreven en zijn daarom niet meegenomen als emissiebron. Tijdens de gebruiksfase leiden de koelwaterleidingen niet tot luchtemissies. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.11

Natuur

41

bestemmingsplan PALLAS-plot

4.11.1 LDA en uitbreiding bestemming bedrijventerrein PALLAS wil in aanvulling op het bestemmingsplan 'PALLAS-reactor' de bestemming 'natuur-duin' op een aantal locaties op de EHC wijzigen in een bedrijfsbestemming. Daarnaast is voorzien om locaties met een natuurbestemming tijdelijk te bestemmen als bouwterrein. Afbeelding 11 laat zien om welke locaties het gaat. Op deze locaties zijn de volgende ontwikkelingen voorzien: 1. Tijdelijke aansluiting Westerduinweg (N502): de tijdelijke toegangsweg maakt voor een groot deel onderdeel uit van het LDA-terrein. Uitgezonderd is de daadwerkelijke aansluiting op de provinciale weg. 2. LDA: in het aangegeven deel wordt een tijdelijk bouwterrein ingericht en wordt het vrijgekomen zand van de werkzaamheden aangebracht. 3. Omlegging rijbaan en voetpad: het voornemen is om de bestaande “kronkel” in de weg recht te trekken. Het is hiervoor noodzakelijk om een deel van het aangrenzende duin af te graven. 4. Efficiënter ruimtegebruik van te realiseren bebouwing en aanliggend bedrijventerrein; de natuurbestemming dient daarvoor te worden aangepast in ‘bedrijventerrein-bijzonder bedrijventerrein’ met op sommige delen de functieaanduiding ‘concentratiegebied nucleaire activiteiten’. De huidige natuurbestemming is bedoeld voor behoud en herstel van de daar voorkomende of daaraan eigen natuurlijke en landschappelijke waarden.

Deze bestemming gaat niet altijd samen met de ontwikkeling en gebruik van het bedrijventerrein.

42

bestemmingsplan PALLAS-plot

Afbeelding 11: Locaties waar wijzigingen zijn voorzien Aanwezigheid van natuurwaarden Op 23 april 2019 is door Arcadis Nederland B.V. een bezoek gebracht aan de EHC. Aan de hand van dat veldbezoek zijn de bestaande natuurwaarden in beeld gebracht ter plaatse van de gewenste uitbreidingen, en de mogelijkheden om het verlies van deze natuurwaarden te compenseren. Voor een toelichting van de relevante natuurwaarden per

43

bestemmingsplan PALLAS-plot

locatie wordt verwezen naar de memo 'Uitbreiding bedrijventerrein Pallas - compensatie natuurwaarden', die als Bijlage 3 bij deze toelichting is opgenomen. Het gaat hierbij om specifieke vegetaties en functies binnen de gebieden waar aanpassing van het planologisch regime is voorzien, zoals zeldzame planten en dieren die leven in het plangebied van PALLAS. De beschreven natuurwaarden zijn vanuit ecologisch oogpunt waardevol, maar ze zijn niet beschermd. Een bescherming ontbreekt omdat de locaties van de voorziene functiewijzigingen niet zijn gelegen binnen Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gevolgen van de ontwikkelingen en te nemen maatregelen De voorgenomen ontwikkelingen gaan ten koste van de aanwezige, beperkte natuurwaarden. Dit zijn echter geen onderscheidende waarden binnen de EHC: vergelijkbare waarden zijn op andere delen van de EHC ook aanwezig. Het aanbrengen van zand dat vrijkomt tijdens de bouw van de PALLAS-reactor in de huidige waterkering is voor een deel als positief te betitelen: de huidige vegetatie wordt weer teruggezet naar een eerder stadium, hetgeen nu ontbreekt op de EHC door gebrek aan beheer en dynamiek. Dit heeft positieve effecten op de zandhagedis. Omdat verstuiving niet wenselijk is, wordt de Zijperzeedijk vol geplant met helm.

Vegetatie van helm is weinig aanwezig op de EHC en dergelijke vegetatie zorgt voor enige afwisseling in het duin. Vanuit de aangrenzende delen van de Zijperzeedijk kunnen aanwezige natuurwaarden zich weer uitbreiden. Voor de locaties waar de natuurbestemming permanent verloren gaat, wil PALLAS komen tot een vorm van compensatie voor Staatsbosbeheer. Uitbreiding van de bestemming natuur is niet mogelijk op, of in de nabijheid van de EHC: buiten de EHC ligt Natura 2000-gebied en binnen de EHC zijn de delen die niet bestemd zijn als bedrijventerrein al bestemd als natuur. Daarom is gekeken naar de mogelijkheden voor een kwalitatieve verbetering. De kwalitatieve verbetering als gevolg van de maatregelen is evenredig aan de permanent te verliezen natuurwaarden. De maatregelen bestaan uit het verwijderen van rimpelroos, het eenmalig chopperen of plaggen van delen van het oude duin en het uitvoeren van beheer in de delen van de EHC. Deze maatregelen worden genomen in overleg met Staatbosbeheer. Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot het verlies van unieke natuurwaarden. Vanwege bestaande verstoring en gebrek aan beheer zijn de natuurwaarden in de aangegeven delen beperkt.

Het grootste effect is dat het areaal van aanwezige natuur afneemt als gevolg van de ontwikkelingen, waarbij het grootste deel geen permanente afname betreft, omdat de natuur op de Zijperzeedijk weer kan herstellen. Het terugzetten van de vegetatie heeft echter ook (tijdelijke) positieve effecten, omdat bijvoorbeeld open zandige plekken (die bijvoorbeeld gunstig zijn voor zandhagedis) vrijwel niet aanwezig zijn in de huidige situatie. DE aanwezige natuurwaarden staan de voorgenomen ontwikkeling dus niet in de weg. Soortenbeschermingstoets De effecten op beschermde soorten zijn beschreven in de soortenbeschermingstoets. Deze toets is opgenomen als bijlage bij het achtergrondrapport Natuur (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER). Voor verschillende beschermde soorten zou zonder maatregelen sprake zijn van effecten en overtreding van verbodsbepalingen. In de soortenbeschermingstoets is daarom een aantal maatregelen opgenomen, die PALLAS gaat uitvoeren. Door deze maatregelen is op twee soorten na geen sprake meer van mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Na het doorvoeren van de maatregelen blijft voor de rugstreeppad en zandhagedis mogelijk nog overtreding van verbodsbepalingen over. PALLAS heeft hiervoor een

44

bestemmingsplan PALLAS-plot

ontheffing aangevraagd op grond van de Wnb. Omdat de effecten zeer gering zijn en effecten met overnemen van voorschriften grotendeels te voorkomen zijn, staan beschermde soorten de bouw van de PALLAS-reactor niet in de weg. Naast alle beschermde soorten, komen in het projectgebied ook verschillende soorten voor die niet beschermd zijn, of waarvoor geen vrijstelling geldt. Hierbij gaat het om soorten als de veldmuis en konijnen. Als gevolg van de werkzaamheden worden mogelijk verblijfplaatsen en leefgebied van deze algemeen voorkomende vrijgestelde of niet-beschermde soorten aangetast. Daarnaast worden mogelijk individuen onopzettelijk gedood of verwond. In het kader van de zorgplicht van artikel 1.11 van de Wnb worden maatregelen genomen om dit zoveel mogelijk te voorkomen. 4.11.2 Koelwatersysteem Ten behoeve van het bestemmingsplan 'PALLAS-reactor' heeft met betrekking tot het koelwatersysteem onderzoek plaatsgevonden voor het aspect natuur (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER). Daaruit blijkt het volgende: De koelwaterleidingen van de reactor naar de Noordzeekustzone worden onder het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen doorgeboord, zonder dit Natura 2000-gebied te beïnvloeden. Het effect van ruimtebeslag op het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone is zeer beperkt en leidt niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken.

Effecten van het gebruik van de koelwateruitlaat in de Noordzeekustzone zijn verwaarloosbaar klein. Het opgewarmde koelwater heeft geen nadelige ecologische gevolgen voor zee- en bodemleven. De effecten van bestrijding van biofouling met chloor blijven onder de daarvoor geldende grenswaarden. De leidingen zullen zich na aanleg in de bodem bevinden, waardoor er geen oppervlakteverlies van Natura 2000-gebied of NNN-gebied plaatsvindt. Zijn de leidingen eenmaal gelegd, dan zal er geen verstoring plaatsvinden. Aanvullende mitigerende en compenserende maatregelen zijn niet nodig. Voor de aanlegactiviteiten wordt een aanvraag en ontheffing aangevraagd als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Soortenbeschermingstoets Het inlaten van koelwater in het Noordhollandsch Kanaal kan leiden tot het inzuigen van vissen. Het inzuigen kan leiden tot het verwonden of doden van vissen. Om dit effect tot een minimum te beperken wordt voor het inlaatpunt langs het kanaal een rooster geplaatst. Aanvullende voorschriften om effecten op vissoorten in het Noordhollandsch Kanaal te beperken zijn onderdeel van het Ontwerpkader. Een maatregel die alle sterfte of verwonding van vis voorkomt, is niet beschikbaar. Voor de opening in het kanaal wordt een grof inlaatscherm geplaatst. Dit scherm zorgt ervoor dat de inzuiging van vissen beperkt blijft. Ook komt er een leiding voor een visretoursysteem.

Deze leiding wordt echter aan beide zijden afgedicht en pas gebruikt indien dit nodig blijkt te zijn. De aantasting van het leefgebied van de rivierdonderpad is beperkt door het werkgebied in het natte profiel van het kanaal zo klein mogelijk te houden. Conclusie Het aspect natuur staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

45

bestemmingsplan PALLAS-plot

4.11.3 Passende beoordeling Wet natuurbescherming De reactor wordt gebouwd in de directe omgeving van Natura 2000-gebieden. Eén van de benodigde besluiten is daarom een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming. De passende beoordeling, behorend bij het plan-MER, heeft als basis gediend bij het Achtergrondrapport Natuur (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER). Uit de passende beoordeling volgt dat stikstof geen probleem vormt in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen. De passende beoordeling is ook gebruikt voor de Wnb-vergunning. De Wnb-ontheffing is vergunbaar en staat daarmee niet in de weg aan de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Uit de passende beoordeling blijkt dat de PALLAS-reactor met bijbehorende faciliteiten kan worden aangelegd en gebruikt zonder aantasting van de natuurlijke kenmerken van de in de buurt gelegen Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen, Noordzeekustzone, Duinen Den Helder & Callantsoog, Schoorlse Duinen en Noordhollands Duinreservaat. Cumulatief significant negatieve gevolgen voor de genoemde gebieden zijn eveneens uitgesloten. Zowel in de realisatiefase als in de exploitatiefase treedt emissie van stikstof op. Het voornemen (de bouw en exploitatie van de PALLAS-reactor) heeft effect op (een deel van) de natuur door een toename van de stikstofdepositie in de aangewezen Natura 2000-gebieden.

Het effect van de toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden is met een passende beoordeling onderzocht per habitattype, op basis van literatuurgegevens en verschillende veldbezoeken aan het gebied. De toename die zich voordoet in zowel de bouw- als gebruiksfase leiden niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken in de betreffende Natura 2000-gebieden. In de planregels zijn bepalingen toegevoegd aan de specifieke bestemmingen, waarmee een plafond is opgenomen met betrekking tot de maximale toegestane stikstofdepositie. Hiermee wordt geborgd dat er geen significant negatief effect wordt veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden.

4.12

Nucleaire veiligheid

Voor het vaststellen van de mogelijke milieueffecten van de PALLAS-reactor met betrekking tot nucleaire veiligheid zijn potentiële ongevallen beschouwd die het gevolg kunnen zijn van interne gebeurtenissen of gevaren (zoals lekkage van een koelsysteem respectievelijk een interne brand) en van externe gevaren (zoals overstroming of aardbeving). Diverse onderzoeken zijn uitgevoerd om de potentiële externe gevaren voor de locatie van de PALLAS-reactor te identificeren en kwantificeren. Daarnaast zijn op basis van het ontwerp analyses uitgevoerd om interne gebeurtenissen en gevaren te kwantificeren. Deze onderzoeken zijn gebruikt om eisen en acceptatiecriteria voor het ontwerp van de PALLAS-reactor op te stellen. Voor meer detail wordt verwezen naar het Veiligheidsrapport, behorend bij de Kew-vergunningsaanvraag, waarin de gepostuleerde gebeurtenissen en de reactie van de installatie (met andere woorden het ongevalsverloop) worden beschreven en waarin wordt aangetoond dat de veiligheid gewaarborgd is binnen de beleidskaders voor de nucleaire veiligheid. De mogelijke radiologische gevolgen en het risico voor omwonenden als gevolg van de PALLAS-reactor zijn lager dan van de HFR, door toepassing van verbeterde technieken en het voldoen aan strengere eisen.

Er zal voldaan worden aan de wettelijke dosis- en risicocriteria zoals beschreven in het Achtergrondrapport Nucleaire veiligheid (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER). De exploitatiefase zal daarmee leiden tot een beperkte verbetering van de nucleaire veiligheid van de EHC. De PALLAS-reactor voldoet met betrekking tot de Nucleaire Veiligheid aan dosislimieten en risicocriteria voor ongevallen zoals vastgesteld in het beoordelingskader. Hiertoe is de

46

bestemmingsplan PALLAS-plot

PALLAS-reactor voorzien van diverse veiligheidsvoorzieningen zoals deze zijn beschreven in het Veiligheidsrapport. Mocht er ondanks alle veiligheidsvoorzieningen toch een ongeval met gevolgen voor de omgeving optreden, dan beschikt PALLAS over een noodorganisatie en noodvoorzieningen om de gevolgen van het ongeval te kunnen mitigeren. Conclusie Het aspect nucleaire veiligheid levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen.

4.13

Oppervlaktewater

4.13.1 LDA en uitbreiding bestemming bedrijventerrein Zowel in het bestemmingsplan 'Buitengebied Zijpe' als in het bestemmingsplan 'PALLAS-reactor' is er reeds sprake van de mogelijkheid tot bedrijvigheid op de locatie van de PALLAS-reactor. De uitbreiding van de bestemming bedrijventerrein heeft betrekking op bedrijvigheid op diezelfde locatie en er is slechts sprake van een geringe toevoeging van verharding. In die zin verandert er met betrekking tot deze uitbreidingen nauwelijks iets wat betreft de (oppervlakte)wateropgave ter plaatse. In de aanlegfase worden voor de afvoer van hemelwater vanaf de LDA enkele infiltratiegreppels aangelegd. Hemelwater vanaf de hier aanwezige rijweg, bouwketen, opslagterrein (voorzien van halfverharding) en parkeerplaats wordt naar deze greppels afgevoerd en kan hier in de bodem infiltreren. De greppels zijn gedimensioneerd op een maatgevende bui met een herhalingstijd van 25 jaar. In extreme neerslagsituaties kan overtollig water overstorten naar de vijver ten zuidwesten van de LDA. Op deze vijver, die onderdeel uitmaakt van het waterlichaam Waterdelen duingebied NHN, wordt ook in de huidige situatie al overtollig hemelwater van het terrein afgevoerd. De aard en intensiteit van het gebruik van de LDA leidt niet tot specifieke risico's op verontreiniging van hemelwater.

Er worden op de LDA ook geen chemische onkruidbestrijdingsmiddelen toegepast. Daarom worden geen negatieve effecten van de mogelijke incidentele lozing van hemelwater op de vijver verwacht. Conclusie Het aspect oppervlaktewater staat de voorgenomen ontwikkelingen niet in de weg.

4.13.2 Koelwatersysteem In het achtergrondrapport Oppervlaktewater (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER) is onderzocht wat de voorgenomen ontwikkelingen voor effecten hebben in relatie tot oppervlaktewater. Onttrekken en lozen van koelwater heeft een vergunningplicht op grond van de Waterwet. Als warm water geloosd wordt in oppervlaktewater, dan worden in de watervergunning eisen gesteld aan deze lozing om de kwaliteit van het oppervlaktewater te beschermen. De koelwaterlozing in het kader van de Waterwet is vergunbaar wanneer voor het kustwater het volgende geldt: De opwarming gemiddeld over de dwarsdoorsnede van het waterlichaam blijft beperkt tot 2°C ten opzichte van de achtergrondtemperatuur, tot een maximum van 25°C. De mengzone, het gebied waarin de temperatuur boven de 25°C uitstijgt, raakt de bodem niet. Als de achtergrondtemperatuur boven de 22°C ligt, geldt dit niet, omdat er dan wordt aangenomen dat de temperatuurgevoelige vissen naar kouder water zijn gemigreerd.

47

bestemmingsplan PALLAS-plot

De mengzone beperkt blijft tot 25% van de dwarsdoorsnede van het watersysteem. Als hieraan wordt voldaan hoeft er voor een vergunningverlening in het kader van de Waterwet geen verder numeriek modelonderzoek te worden gedaan. Een drietal oppervlaktewaterlichamen is gelegen binnen het plangebied of wordt potentieel beïnvloed door de voorgenomen activiteiten: Waterdelen Schermerboezem-Noord: uit het Noordhollandsch Kanaal, dat onderdeel uitmaakt van dit waterlichaam, wordt koelwater voor de HFR en voor de PALLAS-reactor onttrokken. Waterdelen duingebied Noord NHN7: duinwateren binnen het plangebied en in de omgeving daarvan kunnen, afhankelijk van de uitvoeringswijze, potentieel beïnvloed worden door grondwateronttrekkingen of lozingen tijdens de bouwfase. Hollandse kust: het opgewarmde koelwater van zowel de HFR als de PALLAS-reactor wordt op dit waterlichaam geloosd. Effecten op de waterkwaliteit in het Noordhollandsch Kanaal, waterlichaam Schermerboezem en Waterdelen duingebied Noord NHN zijn niet te verwachten. Deze waterlichamen zijn daarom verder niet beschouwd. Het opgewarmde koelwater wordt geloosd op het waterlichaam Hollandse kust. De in de achtergrondrapportage opgenomen beschrijving van de (potentiële) effecten van de koelwaterlozing op de waterkwaliteit richt zich daarom op het waterlichaam Hollandse kust.

Koelwateronttrekking Beoordelingscriterium 1: Waterbeschikbaarheid Noordhollandsch Kanaal Ten behoeve van de koeling van de PALLAS-reactor gaat er water onttrokken worden uit het Noordhollandsch Kanaal. Het maximale debiet bedraagt 3.300 m3/uur. Dit komt overeen met het maximaal vergunde debiet van de HFR, wat circa 14% opmaakt van het debiet van het Noordhollandsch Kanaal. In de afgelopen droge jaren zijn er geen problemen geweest met de beschikbaarheid van water voor de HFR. Er worden dan ook geen problemen verwacht voor de PALLAS-reactor. Beoordelingscriterium 2: Aanpassingsvermogen klimaatverandering De beschikbaarheid van water vanuit het Noordhollandsch Kanaal gaat mogelijk veranderen door klimaatverandering. Dit kan invloed hebben op de hoeveelheid koelwater die beschikbaar is voor PALLAS. Om voldoende water beschikbaar te houden heeft Rijkswaterstaat een flexibel peil ingesteld voor het IJsselmeer. Dit zorgt ervoor dat er in de zomer 400 miljoen m3 extra zoetwater beschikbaar is. Door deze buffer blijft de zoetwaterbeschikbaarheid in de regio ondanks klimaatverandering op peil. Naar aanleiding van de extreme droogte in 2003 is een verdringingsreeks opgesteld. Deze reeks bepaald de prioritering van de waterverbruikers. De PALLAS-reactor is, net zoals de HFR, ingedeeld in categorie 3.

Het gebruik van zoetwater voor het tegengaan van onherstelbare schade aan natuur en het voorkomen van zetting en verzilting (categorie 1) en de drinkwatervoorziening (categorie 2) hebben daardoor voorrang tijdens een periode van watertekort. Het is onbekend hoe vaak dit zal voorkomen, in het verleden is dit nog niet voorgekomen in deze regio. Regulier onderhoud aan de HFR wordt ingepland in de periode waarin water het meest schaars is, dus in de zomermaanden (juli-augustus). Het risico op gedwongen afschakelen wordt zo verkleind. Dit vergt internationale afstemming met andere reactoren, om de isotopenlevering te garanderen. De koelwaterinname van de PALLAS-reactor zal middels een flowmeter real time bij de waterbeheerder (HHNK) worden gevolgd. Koelwaterlozing - warmte Beoordelingscriterium 1: Mengzone

48

bestemmingsplan PALLAS-plot

In bijlage B van het achtergrondrapport Oppervlaktewater is het memo van de koelwaterlozingsstudie in zijn geheel opgenomen (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER). De algehele conclusie in relatie tot de criteria voor koelwaterlozingen is dat het koelwater van de voorziene PALLAS-reactor voldoet aan de koelwatertemperatuurnormen en dat de mengzone (zeewatertemperatuur hoger dan 25 °C) in geen enkel scenario de bodem raakt. Beoordelingscriterium 2: Watertemperatuur De watertemperatuurtoename blijft onder de norm van 2 °C, daarnaast blijft de temperatuur onder het absolute maximum van 25 °C. Weliswaar neemt zeer lokaal nabij de uitlaat de watertemperatuur significant toe, maar dit is beperkt tot een relatief klein gebied en bij lage stroomsnelheden rond kentering. Over een groter gebied en langere tijdschalen is de temperatuurstijging minder dan 0,25 °C, ruim minder dan de 2 °C volgens de norm. Koelwaterlozing - waterkwaliteit Voor de beoordeling van effecten op de (fysisch-) chemische- en biologische waterkwaliteit is aangesloten bij de systematiek van het ‘Toetsingskader waterkwaliteit’ (bijlage 5 van het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021;). Dit is het door Rijkswaterstaat gehanteerde kader voor de beoordeling van effecten van lozingen op en fysieke ingrepen in het watersysteem.

Beoordelingscriterium 1: (fysisch-) chemische waterkwaliteit De beoordeling van effecten van de koelwaterlozing op de (fysisch-) chemische waterkwaliteit focust zich op de potentiële gevolgen van de chlorering van het koelwater. De beoordeling wordt gebaseerd op de lozing van vrij beschikbaar chloor en de omzettingsproducten bromoform (onder invloed van geringe achtergrondconcentraties van bromide in het koelwater) en chloroform. Hiervoor is gebruik gemaakt van de emissie-immissietoets. Dit instrument wordt gebruikt voor het beoordelen van de effecten van een specifieke restlozing (na toepassing van best beschikbare technieken) op de waterkwaliteit en de vergunbaarheid van de lozing, conform de systematiek uit het Handboek Immissietoets. De lozing van stoffen via het koelwater voldoet in de gebruiksfase aan de immissietoets. De vrachten voor de HFR en de Pallas-reactor zijn van dezelfde ordegrootte. Daarom worden de effecten in de gebruiksfase neutraal beoordeeld. Beoordelingscriterium 2: biologische waterkwaliteit Er zijn geen significante negatieve effecten op de biologische waterkwaliteit (fytoplankton en macrofauna) te verwachten in het waterlichaam Hollandse kust. Conclusie Het aspect oppervlaktewater staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.14

Verkeer

4.14.1 LDA en uitbreiding bestemming bedrijventerrein In de huidige situatie heeft de EHC (blauwe bol op afbeelding 17) een directe ontsluiting op de N502. De N502 loopt parallel aan de N9 langs de kernen Petten en Sint Maartenszee. De N9 vormt de verbinding richting het zuiden (Alkmaar) en gaat over in de A9. Richting het noorden komt de N9 uit in Den Helder of kan via de N249 en de N99 de afsluitdijk (A7) worden bereikt. Van het PALLAS-terrein zijn drie routes waar verkeer gebruik van zal maken, namelijk: N502 richting Petten of de N9 naar het zuiden.

49

bestemmingsplan PALLAS-plot

N502 - Zeeweg naar het oosten of naar de N9. N502 richting Callantsoog of naar de N503/N9/N248.

Afbeelding 17: Verkeersstructuur rondom het PALLAS-terrein Tijdens de bouwfase is zwaar transport (vrachtwagens) noodzakelijk om goederen, zand en beton van en naar het terrein te transporteren. Hiervoor wordt de nieuwe tijdelijke toegangsweg aangelegd ten zuiden van de Zeeweg om de LDA goed te kunnen bereiken. De aangevoerde goederen worden op de LDA neergezet. Daardoor hoeft het bouwverkeer slechts één keer met de vracht van/naar de LDA te rijden. Het kruispunt is ontworpen conform de richtlijnen uit het handboek van de Provincie Noord-Holland, Eisen en Richtlijnen Bouw- en Infrastructuurobjecten (ERBI, versie 2011). Daar waar het handboek geen uitspraken doet over onderdelen in het ontwerp, is teruggevallen op de ontwerprichtlijnen van het CROW. Het kruispunt heeft een apart voorsorteervak voor linksafslaand verkeer (naar de LDA) komende vanuit Petten. In de bouwfase heeft het tevens een apart voorsorteervak voor rechtsafslaand verkeer, om te voorkomen dat verkeer terugslaat op de doorgaande N502 (wegens de controle en poortfunctie bij de ingang). Dit voorsorteervak rechtsaf wordt opgeheven na voltooiing waarmee de kruispuntinrichting weer voldoet aan de richtlijnen.

Uit het Achtergrondrapport Verkeer (zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER) blijkt dat de N503, het noordelijke deel van de N502 (ten noorden van Sint Maartenszee) en de Zeeweg niet geschikt zijn om bouwverkeer (vrachtwagens) over af te wikkelen. Alleen het zuidelijke deel van de N502 (langs Petten) zal daarom worden gebruikt als ontsluitingsroute voor het bouwverkeer voor de aan- en afvoer van bouwmateriaal en grond. Gezien de locatie van de LDA is het logisch dat bouwverkeer voor de aan- en afvoer van bouwmateriaal en grond vanaf de N9 vanuit Alkmaar over de N502 langs Petten rijdt. Indien bouwverkeer vanuit het noorden afkomstig is dient men door te rijden via de N9 om de N502 te bereiken, zie ook afbeelding 18. Het bouwpersoneel arriveert in busjes op het PALLAS-terrein. Hierbij is aangenomen dat deze zich verdelen over twee routes: 75% van de transportbewegingen vanuit zuidelijke richting over de N9 en de afslag bij Burgervlotbrug, en 25% vanuit noordelijke richting over de N9 en

50

bestemmingsplan PALLAS-plot

de afslag bij Sint Maartensvlotbrug.

Afbeelding 18: Aanrijroutes bouwverkeer Tijdens de gebruiksfase is er qua verkeersbewegingen geen verschil ten opzichte van de huidige situatie. Voor de belasting van deze routes geldt dat voorliggend bestemmingsplan geen wijzigingen hierin aanbrengt ten opzichte van de belasting die onderzocht is in het kader van het bestemmingsplan 'PALLAS-reactor'. Voor parkeren geldt ook dat de uitbreiding van het bestemming bedrijventerrein niets aan de parkeerbehoefte wijzigt ten opzichte van de parkeerbehoefte zoals die is vastgesteld in het kader van het bestemmingsplan 'PALLAS-reactor'. Conclusie Het aspect verkeer staat de voorgenomen ontwikkelingen niet in de weg.

51

bestemmingsplan PALLAS-plot

4.14.2 Koelwatersysteem Het koelwatersysteem kent geen tot nauwelijks een verkeersaantrekkende werking. De bestaande infrastructuur is geschikt om de enkele verkeersbeweging die deze functies met zich meebrengen, af te wikkelen. Voor parkeren geldt de 'Nota Parkeernormen Schagen 2016' als richtlijn. In de nota staan de parkeernormen voor 'werken' per 100m2 Bruto Vloeroppervlakte (BVO) aangegeven. Voor een bedrijf met de functie arbeidsextensief/bezoekers extensief - waarmee het filterstation te vergelijken is - geldt dat met een ligging in het buitengebied 1,1 parkeerplekken per 100m2 BVO als norm wordt gehanteerd. De voorgenomen ontwikkeling zal maximaal 120m2 BVO bedragen, wat inhoudt dat er twee parkeerplekken nodig zijn. Dit aantal zal gerealiseerd worden. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de parkeernormen uit de nota Parkeernormen Schagen 2016. Conclusie Het aspect verkeer staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.15

Waterveiligheid

4.15.1 LDA en uitbreiding bestemming bedrijventerrein Voor de voorgenomen ontwikkelingen is door Arcadis Nederland B.V. onderzoek verricht naar de effecten ten aanzien van waterveiligheid. Zie het betreffende achtergrondrapport bij het plan-MER. De toelaatbaarheid van ingrepen in de primaire waterkering is beoordeeld aan de hand van de in de Keur opgenomen verordeningen (door HHNK vastgelegd in de ‘Keur 2016’ en de beleidsregels watervergunningen 2017). Belangrijk onderdeel daarvan is de Legger waarin de dimensies en zonering van de duinwaterkering nauwkeurig is vastgelegd. Ten behoeve van de LDA zullen aan de westzijde van de secundaire waterkering, de Zijperzeedijk, damwanden worden geplaatst waarvoor lokaal een afgraving van het talud zal plaatsvinden. Omdat dit slechts een tijdelijke situatie is, die na afloop zal worden hersteld en deze ingreep bovendien plaatsvindt in een zeker nu niet maatgevend onderdeel van de zeewering, is dit niet bezwaarlijk. Toegangsweg Op afbeelding 14 is een detail gegeven van de secundaire kering (de meest landwaartse duinregel) die moet worden doorsneden voor het toelaten van het benodigde bouwverkeer voor de constructie van de PALLAS-reactor. De secundaire waterkering reikt plaatselijk tot NAP +12 m, wat een meer zuidelijk gelegen doorgang niet logisch, doch niet onmogelijk maakt.

Een andere optie is de verbreding van de zuidelijke toegang tot de EHC-locatie. Een tijdelijke, lokale doorgraving van de secundaire kering is toelaatbaar, omdat het bij deze doorgraving vrijkomende materiaal in de directe omgeving wordt geborgen. Dit maakt het mogelijk dat het tijdelijke gat in deze kering relatief snel kan worden gedicht. Van belang is daarbij ook dat het hier gaat om een tijdelijke situatie tijdens de bouwfase. Na afloop van de bouwfase is de toegangsweg niet meer nodig en wordt de secundaire kering weer op niveau gebracht.

52

bestemmingsplan PALLAS-plot

Afbeelding 14: Detailpositie PALLAS-reactor ten opzichte van het waterstaatswerk, inclusief de positie van de doorsnijding met duinregel langs provinciale weg t.b.v. bouwverkeer Naast de voorziene locatie van het nieuwe nucleaire eiland zijn in deze afbeelding door middel van de rode lijnen de posities van de verschillende JarKus-raaien aangegeven

53

bestemmingsplan PALLAS-plot

(Jaarlijkse Kustmetingen). Veranderingen in het duinprofiel worden door Rijkswaterstaat actief in de gaten gehouden door jaarlijkse metingen van dwarsprofielen om de 250 m langs de kust. Deze informatie is opgeslagen in het JarKus-bestand. Conclusie Het aspect waterveiligheid staat de voorgenomen ontwikkelingen niet in de weg. 4.15.2 Koelwatersysteem Voor de beoordeling van de waterveiligheid is ten aanzien van de koelwaterleiding met name de kruising met de primaire waterkering aan de zeezijde van het in afbeelding 15 opgenomen studiegebied van belang, en daarnaast de kruising met een regionale kering langs het Noordhollandsch Kanaal.

Afbeelding 15: Studiegebied waterveiligheid Kruising pijpleiding met primaire waterkering Op afbeelding 16 is de locatie van de voorziene kruising van de koelwaterleiding met de buitenste duinregel van de primaire waterkering (de zeereep) in detail weergegeven. Duidelijk is dat deze kruising zich in het waterstaatswerk bevindt. De te kruisen duinen zijn aan de strandzijde het hoogst en reiken tot NAP +12 m. Aangezien de leiding geboord gaat worden op grote diepte (ongeveer -50 m NAP) is er geen waterveiligheidsissue, temeer omdat deze landwaarts van de grens van de B-zone start. Voor de start van de uitvoering van de werkzaamheden vindt afstemming plaats met HHNK over de exacte wijze van uitvoering. Voor de doorkruising van de primaire waterkering is een watervergunning vereist. Uit overleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is gebleken dat de doorkruising vergunbaar is en er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat die vergunning niet verleend zal worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14659311/1