Memo aanvullende gegevens ontheffingsaanvraag Wnb
Tekst van het document
ONDERWERP
ONZE REFERENTIE
Aanvullende gegevens OD.326535 (ontheffingsaanvraag Wnb D10021939:37 Pallas) DATUM
8 februari 2021 VAN
Gijs Kos AAN
Leandra Kuiper (ODNHN) KOPIE AAN
Tom van der Eng, Marco Visser (PALLAS), Janet Eilering, Ilse Vermeij (Arcadis)
Inleiding De Soortenbeschermingstoets voor realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor (kenmerk D10007017:143, d.d. 21 oktober 2020) is gebruikt voor een ontheffingsaanvraag (zaaknummer ODNHN: OD.326535). De ODNHN heeft naar aanleiding van de ontheffingsaanvraag en bijbehorende toetsing een aantal vragen gesteld in een brief die op 10 december 2020 is verstuurd. In dit memo hebben wij het antwoord op de vragen onder elkaar gezet. De vragen zijn letterlijk uit de brief overgenomen. Wanneer het hieronder in de beantwoording over de Soortenbeschermingstoets gaat, dan wordt daarmee de toetsing bedoeld met kenmerk en datum als hiervoor aangegeven.
Beantwoording Algemeen 1. Wij verzoeken u het plangebied waar u ontheffing voor aanvraagt nader inzichtelijk te maken, In de aangeleverde stukken spreekt u zowel over de locatie binnen de EHC waarbij u onderscheid maakt tussen de toegangsweg en de locatie van de Pallas-reactor, in de Noordzee en bij het Noordzeekanaal. Wij verzoeken u concreet te maken waar uw ontheffingsaanvraag op toe ziet. Het totale werkgebied voor de aanleg van de PALLAS-reactor bestaat uit: 1. Het werkgebied op de EHC als aangegeven in Afbeelding 1 in dit memo. 2. Het werkgebied nabij het kanaal als aangegeven in figuur 9 van de soortenbeschermingstoets. Hierbij willen wij nog aangeven dat het werkgebied naar het zuiden uitsluitend bestaat uit de berm langs de parallelweg. Hier wordt alleen de leiding uitgelegd en vinden verder geen aanpassingen plaats. 3. De locatie van de nieuwe uitlaat in de Noordzee als aangegeven in Afbeelding 2 in dit memo. Buiten de hiervoor aangegeven werkgebieden wordt gebruikt gemaakt van bestaande infrastructuur en vaarroutes of worden leidingen ondergronds aangelegd. De ontheffingsaanvraag heeft concreet betrekking op het werkgebied op de EHC (nummer 1 hierboven), omdat hier mogelijk sprake is van overtredingen van verbodsbepalingen vanwege de aanwezigheid van beschermde soorten.
Afbeelding 1: Het werkgebied (aangeduid ‘tijdelijk bouwterrein’ op de verbeelding van het bestemmingsplan) op de EHC (gele lijn). Op de tekening is de lijn van het werkgebied als aangehouden in de Soortenbeschermingstoets paars. De gele lijn is het daadwerkelijke werkgebied. De toetsing dekt ook het werkgebied binnen deze lijn omdat de werkgebieden niet verschillen in aanwezigheid van beschermde soorten of functie als leefgebied voor beschermde soorten.
Afbeelding 2: Ligging van het koelwatertracé volgens figuur 4 van de soortenbeschermingstoets. Op de locatie van het groene kruis komt de uitlaat. Zie voor details uitlaatpunt figuur 6 in soortenbeschermingstoets. Let op: het grootste deel van de leidingen ligt ondergronds (rode onderbroken lijn). Slechts een klein deel wordt open ontgraven (paarse onderbroken lijn). Zie voor het werkgebied langs het kanaal figuur 9 in de Soortenbeschermingstoets.
2. Wij verzoeken u het plangebied waar de ontheffing op toe ziet nader inzichtelijk te maken. Figuur 8 van de door u aangeleverde toetsing, met hierin de zandverplaatsingen en figuur 4 van de aanleverde toetsing met hierin het plangebied lijken niet overeen te komen. Figuur 4 maakt het tracé van het koelwatersysteem inzichtelijk. Aangezien het grootste deel van dit tracé is gelegen onder de grond en aldaar geen mogelijke verstoring voor soorten plaatsvindt, geeft figuur 4 niet het plangebied waar de ontheffing op toe ziet weer. Figuur 8 geeft daarnaast alleen het werkgebied op de EHC weer. Onder vraag 1 is antwoord gegeven op de vraag waar het volledige werkgebied ligt en daarbij is ook aangegeven dat de ontheffing zich specifiek richt op het werkgebied dat op de EHC is gelegen, in dit geval is dat dus Afbeelding 1 van dit memo. 3. Wij verzoeken u concreet te maken welke activiteiten plaatsvinden in het plangebied. Uit de door u aangeleverde informatie blijkt dat de werkzaamheden onder andere bestaan uit grondwerkzaamheden, de bouw van de PALLAS-reactoren de aanleg van een toegangsweg. Wij verzoeken u de werkzaamheden waar de ontheffing op toe ziet concreet te maken. In bijlage A van dit memo is een beschrijving van de uitvoering opgenomen. Hierin zijn in meer detail de werkzaamheden zoals deze bekend zijn, beschreven. 4.
a) Wij verzoeken u op kaartmateriaal, concreet te maken waar welke werkzaamheden plaats vinden. In bijlage A van dit memo is een meer uitgebreide beschrijving van de werkzaamheden opgenomen inclusief kaart. b) Waar wordt de toegangsweg gerealiseerd? Afbeelding 3 geeft de ligging van de tijdelijke toegangsweg.
Afbeelding 3: Ligging van de tijdelijke toegangsweg (blauw). Zie Afbeelding 1 voor uitleg van de overige kleuren. c) Hoelang blijft deze toegangsweg liggen? De toegangsweg is momenteel aangemerkt als tijdelijk waarbij wordt uitgegaan van een ligging van maximaal 10 jaar (na aanleg). Planologisch wordt gewerkt aan het permanent maken van de weg. Dit maakt qua impact voor beschermde soorten niet uit. De grootste impact op beschermde soorten zit in de aanleg van de weg. In de huidige situatie lopen al verschillende wegen over het EHC en is geen sprake van aanzienlijke verkeersbewegingen vanwege de beperkte toegankelijkheid van de EHC: een wezenlijke toename van verkeerslachtoffers wordt niet verwacht. De gevolgen van versnippering zijn ook beperkt (zie § 6.2.2 Soortenbeschermingstoets. onder het kopje “Reptielen” voor de effecten van versnippering). Na de aanleg staan schermen langs de weg, om in ieder geval tijdens de werkzaamheden het aantal slachtoffers te beperken (maatregel 2, zie tabel 12 Soortenbeschermingstoets). De ecoloog bepaalt het moment waarop het scherm verwijderd kan worden.
d) Welke andere wegen worden aangepast? Alleen de wegen binnen de begrenzing van het werkgebied op de EHC (zie Afbeelding 1) worden aangepast. Deze wegen hebben een vergelijkbare functie als de huidige situatie en de effecten van de aanleg zijn meegenomen in de effectbeoordeling van de Soortenbeschermingstoets. De tijdelijke toegangsweg is de enige aanvulling op de infrastructuur die in dit project is voorzien. Overige infrastructuur buiten de begrenzing van werkgebieden wordt niet aangepast. e) Welke bebouwing gaat weg? De sloop van bebouwing maakt geen onderdeel uit van dit project, zie uitgangspunten in § 2.7 van de soortenbeschermingstoets. Bij aanvang van het project is de aanwezige bebouwing binnen de begrenzing van het werkgebied gesloopt. De huidige vergunninghouder van het terrein -NRG- zorgt voor het vrij opleveren van het terrein. Bestaande bebouwing zal door NRG worden gesaneerd. Derhalve maakt de sloop geen onderdeel uit van het project van PALLAS. f) Welk onderdeel van het plangebied vormt leefgebied voor de zandhagedis? Het leefgebied van de zandhagedis bestaat in de kalkarme duinen uit droge struikheideterreinen. Voor eieren zijn ook zonnige, onbegroeide plekken nodig. 1 De luchtfoto van Afbeelding 4 laat zien dat binnen de EHC een deel van de begroeide delen van het terrein in potentie leefgebied vormen (delen met heide en meer grazige vegetatie).
De struwelen, verharding en bebouwing (die bij aanvang van het project gesloopt is en braakliggend terrein is) vormen minder geschikt tot ongeschikt leefgebied. Bij de beschouwing van het aanwezige leefgebied zijn de volgende zaken relevant: • Bij het onderzoek naar de zandhagedis is ondanks de ruimere aanwezigheid van potentiële leefgebieden de soort slechts op één locatie op de EHC aangetroffen, zie Afbeelding 6. In de duinen zijn zandhagedissen meer verspreid aangetroffen. • Het hele duingebied van Den Helder tot Petten is grotendeels geschikt leefgebied voor de zandhagedis. De EHC vormt hier slechts een klein deel van. Uit bovenstaande volgt dat een deel van de EHC geschikt leefgebied vormt maar dat de functie in het totale leefgebied beperkt is, gezien de gedane waarnemingen.
1 https://ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/zandhagedis, geraadpleegd op 13-01-2021.
Afbeelding 4: Luchtfoto van de EHC in 2019. Bron: https://maps.noord-holland.nl/nh_door_de_tijd/, geraadpleegd op 13-01-2021. De paarse delen zijn heide en de beige delen de meer grazige delen. Dit zijn de geschikte leefgebieden (in combinatie met wat open zand) van de zandhagedis. De groene delen geven struwelen weer. Die delen zijn minder geschikt voor de zandhagedis. De oranje lijn geeft het werkgebied aan dat relevant is voor de zandhagedis (de begrenzing langs de provinciale weg is niet weergegeven, maar het duingebied. 5. U vraagt voor de zandhagedis enkel ontheffing aan voor het beschadigen en vernielen van verblijfplaatsen (artikel 3,5, lid 4 van de Wnb). Door de werkzaamheden en het ongeschikt maken van het leefgebied zullen ook individuen gestoord worden. Wij adviseren derhalve uw ontheffingsaanvraag uit te breiden en ook ontheffing aan te vragen van de verbodsbepaling genoemd in artikel 3.5, lid 2 van de Wnb. Hierbij breiden wij de ontheffingsaanvraag uit voor de zandhagedis met de verbodsbepaling in artikel 3.5, lid 2 van de Wnb voor het verstoren van individuen. Hoewel met de maatregelen het doden van zandhagedissen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen, is een incidenteel slachtoffer niet uit te sluiten.
Daarom breiden wij de ontheffingsaanvraag hierbij ook uit voor het incidenteel doden van een individu met de verbodsbepaling in artikel 3.5, lid 1.
6. Wij verzoeken u bij de overwegingen van andere bevredigende oplossingen ook in te gaan op een alternatieve ligging van de tijdelijke toegangsweg, waarbij minder vergraven hoeft te worden. De locatie voor de tijdelijke toegangsweg is uit oogpunt van waterveiligheid in nauw overleg met het HHNK bepaald. In de Soortenbeschermingstoets is beschreven in § 2.5 dat bij vergravingen damwanden worden geplaatst om afgravingen te beperken. Hiermee wordt het oppervlakte dat afgegraven wordt al beperkt. Daarnaast is geen reëel alternatief door Zijperzeedijk waarbij minder afgravingen nodig zijn. Afbeelding 5 laat zien dat de tijdelijke toegangsweg door het laagste deel van het duin wordt gelegd. Vanaf de realisatie van het bedrijventerrein tot het begin van de jaren ‘80 was op deze locatie al een toegangsweg aanwezig hetgeen de verklaring is dat de Zijperzeedijk hier het laagst is. Om de weg op het niveau van de N502 te krijgen is hier het minst afgraving vereist.
Afbeelding 5: Hoogteprofiel van de duinenrij ter hoogte van de EHC. Het profiel ligt ongeveer tussen de meer noordelijke en zuidelijk toegangsweg aan de N502. Beide toegangswegen zijn als laagtes aan weerzijdes in het profiel herkenbaar. De locatie van de tijdelijke toegangsweg is gemarkeerd (op kaart met rood kruisje, in profiel met een lijn). Bron: https://ahn.arcgisonline.nl/hoogteprofiel/, geraadpleegd op 13-01-2021. 7. Wij adviseren u om de onderbouwing van het wettelijk belang uit te breiden, bijvoorbeeld door in te gaan waar PALLAS aan levert, en welke alternatieven deze instellingen hebben. Nut en noodzaak zijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) onderschreven in de uitspraak van 11 maart 2020, ECLI:NL: RVS:2020:741, waarmee het bestemmingsplan ‘PALLAS-reactor’ onherroepelijk is geworden.2 De Afdeling kan zich erin vinden dat er geen reële alternatieven zijn om de productie van isotopen veilig te stellen. In de volgende tekst zijn nut en noodzaak verder uiteengezet door in te gaan op de besluitvorming inzake de vervanging van de HFR en de maatschappelijke relevantie om te blijven voorzien in de behoefte aan medische radio-isotopen. De noodzaak inzake de vervanging van de Hoge Flux Reactor Medische radio-isotopen spelen een cruciale rol bij de diagnose van kanker, hartaandoeningen en andere ziekten.
Wereldwijd worden per jaar bijna 49 miljoen medische onderzoeken met radio-isotopen uitgevoerd in meer dan 10.000 ziekenhuizen volgens ongeveer 100 verschillende nucleair-geneeskundige procedures. Medische isotopen worden daarnaast ook steeds vaker gebruikt voor de behandeling van kanker. Alleen al in de EU worden elk jaar ongeveer 10 miljoen patiënten behandeld in meer dan 1.500 centra voor nucleaire geneeskunde. De meeste nucleair-geneeskundige procedures die momenteel worden uitgevoerd zijn diagnostische SPECT-scans met technetium-99m (Tc-99m), Dit is de meest gebruikte isotoop voor diagnoses. Het therapeutische gebruik van medische radio-isotopen in kankertherapieën neemt daarnaast ook snel toe; 2 https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2020:741, geraadpleegd op 20-01-2021.
volgens ramingen zal de markt voor nieuwe therapeutische radioactieve geneesmiddelen zeer sterk groeien in de jaren 2020-2030. De productie van Tc-99m is een complex proces dat gewoonlijk bestraling omvat van uraniumtargets in nucleaire onderzoeksreactoren waarbij molybdenum-99 (Mo-99) wordt geproduceerd. Mo-99 is de isotoop waaruit Tc-99m ontstaat: deze ontstaat na verval. Mo-99 wordt in gespecialiseerde verwerkingsfaciliteiten uit de bestraalde targets geïsoleerd. Op basis daarvan worden Tc-99m-generatoren geproduceerd die ten slotte naar de ziekenhuizen worden verstuurd. Vanwege hun korte halveringstijd kunnen Mo-99 en Tc-99m niet worden opgeslagen. Deze isotopen moeten daarom in een continuproces worden geproduceerd en wekelijks naar de ziekenhuizen gebracht. Elke verstoring van de voorziening in deze isotopen kan leiden tot een situatie waarin cruciale diagnostische beeldvormingstests moeten worden geannuleerd of uitgesteld, met negatieve en soms levensbedreigende gevolgen voor patiënten.3 Een beperkt aantal nucleaire onderzoeksreactoren levert ongeveer 95% van de wereldproductie van Mo-99: de Hoge Flux Reactor (HFR) in Nederland, de BR-2-reactor in België, de SAFARI-reactor in Zuid-Afrika, de OPALreactor in Australië, de MARIA-reactor in Polen en de LVR-15-reactor in Tsjechië.
De EU is de belangrijkste leverancier van medische radio-isotopen op de wereldmarkt, met een marktaandeel van circa 60% voor Mo-99. Voor therapeutische isotopen zoals lutetium-177 geldt een soortgelijke situatie. De huidige reactoren hebben naar verwachting rond 2025 echter niet meer voldoende bestralingscapaciteit om aan de snelgroeiende vraag te voldoen. Sommige van de bovengenoemde reactoren naderen bovendien het einde van hun levensduur. Daardoor is steeds meer gepland onderhoud nodig en doen zich vaker ongeplande productieonderbrekingen voor, wat gevolgen heeft voor de wereldwijde voorziening van radio-isotopen. Gezien de aanbevelingen van het Europees Waarnemingscentrum voor de voorziening van medische radioisotopen, WG4 – “Capacity and infrastructure development”4, is het bestaande Europese netwerk van reactoren (de HFR, de BR-2-reactor, de MARIA-reactor en de LVR-15-reactor) van fundamenteel belang om in de nabije toekomst de markt te bevoorraden met medische radio-isotopen. De huidige capaciteit moet worden gehandhaafd en daarom moeten er zo nodig investeringen worden gedaan om de bestaande reactoren te moderniseren, en ook om de capaciteit te vervangen die verloren zal gaan als de operationele reactoren het einde van hun levensduur bereiken.
Voor de HFR geldt dat deze in Petten in 1960 operationeel werd en inmiddels een van ’s werelds grootste leveranciers is van medische radio-isotopen. De HFR nadert snel het einde van zijn economische levensduur; er zijn steeds meer tijd en middelen nodig voor onderhoud en reparatie, waardoor de productie van medische radio-isotopen in het gedrang komt. Daarom heeft de Nederlandse regering besloten een nieuwe reactor te bouwen op de Energy & Health Campus te Petten (EHC): de PALLAS-reactor. Maatschappelijke relevantie; de behoefte aan medische radio-isotopen Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radio-isotopen voor Nederland en naar de effecten van het niet bouwen van de PALLAS-reactor5. Hieruit is het volgende gebleken: • Fragiel aanbod medische radio-isotopen voor diagnostiek en therapie: het aanbod van medische radioisotopen voor diagnostiek en therapie is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kunnen op wereldschaal leveringsproblemen ontstaan. Bij een onverwachte uitval kunnen de overige reactoren de vraag lang niet altijd opvangen, wat de levering voor de wereld (en dus ook voor Nederland) vrij onzeker maakt. Dat geldt zowel voor diagnostische als therapeutische radio-isotopen.
• Ontwikkeling van de vraag: de vraag naar Mo-99/Te-99m in de wereld zal op de lange termijn stijgen. Geschatte percentages variëren van enkele procenten marktgroei in Europa en Noord-Amerika tot boven de 5% jaarlijkse stijging van de vraag in de opkomende economieën. De groei in de vraag naar therapeutische isotopen zal veel hoger zijn. Verwacht wordt dat de vraag naar lutetium-177, de belangrijkste therapeutische isotoop die in tal van medicijnen wordt opgenomen, met 20-30% per jaar zal stijgen in de komende tien jaar. De huidige reactoren kunnen niet aan deze vraag voldoen en verwacht wordt dat er in de tweede helft van dit
3 Zie bijvoorbeeld RTL Nieuws: “Behandelingen patiënten met kanker stilgelegd door lek in kernreactor Petten”, d.d. 31 oktober
2018, NH Nieuws: “Stilleggen reactor Petten gevolgen voor tienduizenden kankerpatiënten wereldwijd”, d.d. 20 oktober 2018 en Volkskrant: “Kernreactor Petten in nood; behandeling kanker in gevaar”, d.d. 14 mei 2014. 4 https://ec.europa.eu/euratom/docs/WG4_Report.pdf, geraadpleegd op 20-01-2021. 5 https://www.rivm.nl/publicaties/marktontwikkeling-en-leveringszekerheid-voor-medische-radionucliden-aanvulling-op-rivm, geraadpleegd op 20-01-2021.
•
•
•
•
decennium tekorten zullen ontstaan. Om de productieketen van medische radio-isotopen toekomstbestendig te maken, is een overgang nodig naar een prijsstelling die alle kosten in de keten dekt. Ontwikkeling van het aanbod: In 2018-2020 is er meer duidelijkheid gekomen over de aanbodkant van medische radio-isotopen. Er zijn namelijk initiatieven gaande in Duitsland (FRM-II), Frankrijk (Jules Horowitz Reactor) en België (MYRRHA) om de bestaande productiecapaciteit voor medische radio-isotopen te vergroten. Zelfs wanneer al deze initiatieven slagen, zullen zij echter niet de productiecapaciteit kunnen vervangen van de reactoren in België (BR2), Tsjechië (LVR-15), Polen (Maria) en Nederland (HFR) die op termijn gaan sluiten. De Europese Commissie heeft onlangs de voorzieningszekerheid van medische radioisotopen laten onderzoeken. Die studie concludeert dat het, ondanks de genoemde initiatieven, nodig is in de EU nóg een reactor te bouwen om de EU zelfvoorzienend te laten blijven en tekorten op wereldschaal te voorkomen. De studie wijst de PALLAS-reactor hiervoor aan als de gerede kandidaat, temeer daar PALLAS wordt ontworpen op een hoge capaciteit voor medische isotopen, terwijl de bestaande en geplande reactoren vooral zijn gericht op nucleair onderzoek.
Relevantie voor Nederland: Nederland is in de unieke positie dat een groot deel van de leveringsketen binnen eigen land aanwezig is: van onderzoek en ontwikkeling, via productie van radio-isotopen tot de verwerking daarvan tot radio-farmaceutische producten. Hierdoor heeft Nederland ook een goede positie om het land te blijven waar nieuwe radiofarmaceutische producten ontwikkeld worden. De nabijheid van academische ziekenhuizen, een reactor en gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Mocht de HFR sluiten zonder dat de PALLAS-reactor wordt gerealiseerd, dan verliest Nederland zijn positie binnen die leveringsketen. De kans is dan groot dat de radiofarmacie haar werk van Petten naar het buitenland verplaatst. Daarnaast zou dit grote en negatieve gevolgen voor de (lokale) werkgelegenheid in de nucleaire sector hebben: een derde van de mensen die in Nederland in de nucleaire sector werken en ongeveer 1.000 bij toeleveranciers zullen hun baan verliezen. De nucleaire kennisinfrastructuur zal hieronder lijden. Ook vervallen dan de diensten die vanuit Petten worden geleverd aan de nucleaire industrie, andere industrietakken en overheden. SHINE: Een mogelijk alternatief voor de PALLAS-reactor is het SHINE-project waar in Amerika aan gebouwd wordt. Deze installatie is een gevorderd nieuwbouwproject voor het maken van Mo-99.
SHINE heeft besloten om ook een vestiging in Europa te openen. SHINE geeft zelf aan dat deze tweede fabriek in Europa in 2025 al grote hoeveelheden Mo-99 op de markt zal kunnen brengen. Dit is mogelijk wat optimistisch. Naast Mo-99 beoogt het SHINE-concept ook de radionuclide jodium-131 te leveren, dat is een therapeutische radionuclide voor de behandeling van schildklierkanker. SHINE geeft zelf aan binnenkort lutetium(-177)chloride te kunnen leveren, waarbij lutetium in reactoren wordt bestraald. Op de langere duur verwacht SHINE deze bestraling ook met hun eigen apparatuur te kunnen doen, echter de opbrengst per gram zal fysisch gezien twee of drie orde groottes kleiner zijn dan in een reactor. Het RIVM verwacht niet dat het met het SHINE-concept binnen tientallen jaren mogelijk zal zijn het hele palet aan reactor-geproduceerde medische radio-isotopen te maken. Het SHINE-concept is daarmee geen complete vervanging van een reactor die medische radio-isotopen maakt. Lighthouse: Een ander mogelijk alternatief voor de PALLAS-reactor is het Lighthouse-project. Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar de samenloop tussen de voorbereiding van de PALLAS-reactor en dit project6.
Uit dit onderzoek blijkt dat het al dan niet realiseren van de Lighthouse-installatie in eerste instantie geen invloed heeft op de leveringszekerheid van therapeutische radio-isotopen: Lighthouse verwacht alleen Mo-99 te leveren. In theorie zou men kunnen stellen dat Lighthouse de wereld volledig van molybdeen kan voorzien en dat de reactoren die eerst Mo-99 maakten daardoor kunnen overstappen op de productie van therapeutische radio-isotopen. Echter, volgens een recent aangepaste planning zal productie pas in 2028 kunnen starten en is er momenteel geen zekerheid over het slagen van dit initiatief. Dan blijft bovendien het probleem bestaan dat de reactorvloot oud is. En zolang de huidige productiecapaciteit voor isotopen niet vervangen is door voldoende nieuwe installaties, zoals de PALLAS-reactor, blijft de voorzieningszekerheid op termijn niet gegarandeerd. Ook het Lighthouse-project is daarmee geen volwaardig alternatief voor de PALLAS-reactor. Dat geldt des te sterker voor therapeutische isotopen die niet geleverd kunnen worden door Lighthouse.
6 https://www.rivm.nl/publicaties/marktontwikkeling-en-leveringszekerheid-voor-medische-isotopen-uitbreiding-op-rivm,
geraadpleegd op 20-01-2021.
Zandhagedis 8. Wij verzoeken u in te gaan op de effecten van de plannen op de staat van instandhouding van de zandhagedis. Wij verzoeken u hierbij aandacht te besteden aan de plaatselijke en landelijke staat van instandhouding. Tevens verzoeken wij u inzichtelijk te maken wat de effecten zijn op de staat van instandhouding van de zandhagedis tijdens en na de werkzaamheden. Tabel 1 geeft een overzicht van de gevolgen voor de zandhagedis en bijbehorende plaatselijke en landelijke staat van instandhouding voor, tijdens en na de werkzaamheden. Het incidenteel doden is niet meegenomen: maatregelen om dit zoveel mogelijk te voorkomen zijn beschreven in de Soortenbeschermingstoets. Als toch een incidenteel een individu binnen het werkgebied voorkomt, dan is de kans op doden niet uitgesloten maar omdat het incidenteel is, ondervinden de lokale en landelijke staat van instandhouding hier geen effect van. Tabel 1: Overzicht van de veranderingen door ruimtebeslag en verstoring, de situatie voor de zandhagedis, de plaatselijke stand van instandhouding en de landelijke staat van instandhouding als gevolg van het project. Hierbij is aandacht besteed aan de situatie voor, tijdens en na het project. SBT staat voor Soortenbeschermingstoets. Moment Voorafgaand aan de werkzaamheden
Verandering Dit is de nul-situatie. Veranderingen ten opzichte van deze situatie zijn relevant.
Situatie voor de zandhagedis Als te zien in Afbeelding 6: de zandhagedis is zowel in de duinen als op de EHC waargenomen. In de duinen zijn meer zandhagedissen met een grotere spreiding dan op de EHC waargenomen. Hoewel de EHC geschikt leefgebied vormt, is de aanwezigheid beperkt.
Tijdens de werkzaamheden
Tijdens de werkzaamheden is als aangegeven in figuur 23 van de SBT minder leefgebied aanwezig. Waar werkzaamheden zijn afgerond en geen verharding is aangebracht, kunnen leefgebieden herstellen maar in welke mate dit tijdens het project gebeurt, is niet aan te geven.
De leefgebieden voor de zandhagedissen voor een deel van de EHC zijn ongeschikt. Het grootste deel van het leefgebied op de EHC blijft geschikt. Ook leefgebieden in de duinen blijven geschikt met uitzondering van de tijdelijke toegangsweg. Het blijft mogelijk voor zandhagedissen om van verschillende kanten de leefgebieden te benaderen: de
Plaatselijke stand van instandhouding Volgens verspreidingskaarten zijn zandhagedissen waargenomen in het volledige duingebied van Noord-Holland (met uitzondering van Texel).7 Specifieke informatie over de stand van zaken zijn niet beschikbaar, maar op basis van de landelijke staat van instandhouding en de uitkomsten van onderzoek is aannemelijk dat de soort verspreid in de duinen tussen Den Helder en Petten in de geschikte delen voorkomt in dichtheden als weergegeven in Afbeelding 6. Als uitgegaan wordt van een werkgebied van 300 bij 100 meter dan is de mogelijke tijdelijke afname maximaal 3 ha. Let op: niet de volledige oppervlakte hiervan is ook geschikt als leefgebied, zie Afbeelding 1. De gecombineerde Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen en Duinen Den Helder – Callantsoog hebben een oppervlakte van 770 + 645 = 1.415.9 Ook niet het volledige oppervlak hiervan is geschikt als leefgebied, maar een groot deel wel. Als
Landelijke staat van instandhouding De zandhagedis heeft de status Kwetsbaar op de Rode Lijst. De langjarige trend (vanaf 1994) in aantallen van de soort is positief (laatste 10 jaar is de trend onzeker). De langjarige trend (vanaf 1990) in verspreiding is positief.8
Als hiervoor beschreven zijn de effecten beperkt en vindt geen aantasting van de lokale staat van instandhouding plaats. De landelijke staat van instandhouding wordt derhalve ook niet aangetast.
7 https://www.verspreidingsatlas.nl/verspreidingskaart.aspx?size=large&soortcode=3000411&jaar=2020&jaartot=2020, geraadpleegd op 20-01-2021. 8 https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/zandhagedis, geraadpleegd op 20-01-2021. 9 https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/zwanenwater-pettemerduinen en https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/duinen-den-helder-callantsoog geraadpleegd
op 20-01-2021.
Arcadis Nederland B.V., Mercatorplein 1, 5223 LL 's-Hertogenbosch
T +31 (0)88 4261 261
www.arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504 - AS1-Sensitive
Moment
Verandering
Na de werkzaamheden en na herstel van leefgebieden
Na de werkzaamheden is sprake van een verandering van de leefgebieden. Hierbij gaat het vooral om de ligging van leefgebieden. De omvang is vergelijkbaar met de huidige situatie. Dit is ook in figuur 23 weergegeven. De grootste verandering is dat de tijdelijke verbindingsweg heeft gezorgd voor een afname en doorsnijding van het leefgebied.
Situatie voor de zandhagedis tijdelijke toegangsweg vormt geen barrière. Van isolatie van een deelgebied is geen sprake.
Plaatselijke stand van instandhouding uitgegaan wordt van een geschiktheid van 50% van de Natura 2000-gebieden (onderschatting) en 100% van de EHC (overschatting: zie Afbeelding 4) dan is sprake van een tijdelijke afname van 0,4% van het leefgebied in de duinen van Noord-Holland. Gezien de beperkte dichtheid, in het bijzonder op de EHC, zijn voldoende vluchtmogelijkheden in de directe omgeving beschikbaar. De lokale stand van instandhouding wordt niet aangetast. Op termijn zijn de leefgebieden van Als uitgegaan wordt van een afname van 0,08 de zandhagedis weer geschikt. Als ha van leefgebied binnen een leefgebied van figuur 23 in de SBT laten zien, is de 707,5 ha (zie hierboven) dan is sprake van een ordegrootte aan geschikt leefgebied afname van 0,01% van het leefgebied in de ongeveer gelijk. Alleen de tijdelijke duinen van Noord-Holland. Gezien de beperkte toegangsweg vormt mogelijk een dichtheid, in het bijzonder op de EHC, zijn permanente afname. Hierbij gaat voldoende vluchtmogelijkheden in de directe het echter om enkele honderden omgeving beschikbaar. De lokale stand van vierkante meter (uitgaande van 4 instandhouding wordt niet aangetast. meter breed en 200 meter lang, 2 gaat het om 800 m = 0,08 ha). Het grootste deel van het leefgebied op de EHC blijft onveranderd. Dit geldt ook voor de leefgebieden in de duinen.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
10 van 31
Landelijke staat van instandhouding
Als hiervoor beschreven zijn de effecten beperkt en vindt geen aantasting van de lokale staat van instandhouding plaats. De landelijke staat van instandhouding wordt derhalve ook niet aangetast.
Afbeelding 6: Waarnemingen van zandhagedissen tijdens het onderzoek en de gelopen routes tijdens het onderzoek. Beide figuren zijn los opgenomen in bijlage B van de Soortenbeschermingstoets.
Arcadis Nederland B.V., Mercatorplein 1, 5223 LL 's-Hertogenbosch
T +31 (0)88 4261 261
www.arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504 - AS1-Sensitive
9. Wij verzoeken u aan te geven, op kaartmateriaal, waar het leefgebied van de zandhagedis zich binnen het projectgebied bevindt. Hierbij verzoeken wij u aan te geven welk leefgebied beschikbaar is vóór de werkzaamheden, welke leefgebied beschikbaar is tijdens de werkzaamheden en welk leefgebied beschikbaar is na de werkzaamheden. Wij verzoeken u hierbij ook een (indicatie van) de oppervlakten in vierkante meters te geven. Zie antwoorden op vraag 4f en 8. Hierin is ingegaan op de ligging van leefgebieden en hierin worden ook geschatte afnames gegeven. Het belangrijkste gegeven is dat het grootste deel van de leefgebieden op de EHC en de leefgebieden in omliggende duinen geschikt blijven. Het aantal zandhagedissen op de EHC is beperkt en in de directe omgeving liggen voldoende alternatieve leefgebieden tijdens de werkzaamheden. 10. Voor nieuw leefgebied verzoeken wij u aan te geven hoe u dit leefgebied gaat inrichten en hoe u er voor zorgt dat het functioneert als leefgebied. Bij het inrichten van de EHC wordt aangesloten bij de omgeving. Dat betekent dat op de onverharde delen helm en heide wordt toegepast en als sprake is van struweel meidoorn en duindoorn. De onbegroeide delen krijgen daarmee een natuurlijk uiterlijk dat aansluit bij de omgeving. Hiermee ontstaat op termijn op de onbegroeide delen een leefgebied met een vergelijkbare functie als de huidige situatie.
Als naar Afbeelding 4 en Afbeelding 6 wordt gekeken dan betekent dit op de lange termijn het werkgebied in vergelijkbare mate als de huidige situatie leefgebied vormt voor de zandhagedissen (Afbeelding 4), waar een vergelijkbare dichtheid aan zandhagedissen wordt verwacht (Afbeelding 6). Actief handelen om de geschiktheid als leefgebied te stimuleren is hierbij verder niet nodig. 11. Bij figuur 23 is aangegeven dat er tevens tijdelijk leefgebied verdwijnt. Wij verzoeken u aan te geven waar dit leefgebied is wat tijdelijk verdwijnt. In Afbeelding 4 is de laatste versie van het werkgebied aangegeven. De paarse (heide) en beige (meer grazige vegetatie) binnen de begrenzing zijn geschikte leefgebieden die in ieder geval tijdelijk en mogelijk permanent verdwijnen. De verharde delen, wegen en groene delen (struweel) zijn minder of niet geschikt voor de zandhagedis. 12. a) U spreekt van een tijdelijke afname van leefgebied. Wij verzoeken u nader toe te lichten wat u voorziet in een 'tijdelijke' afname. Over welke periode heeft u het? De periode is de duur van de werkzaamheden is zes jaar (als aangegeven in § 2.4 van de soortenbeschermingstoets). Alleen de tijdelijke toegangsweg is in ieder geval 10 jaar aanwezig en aan het permanent maken van deze voorziening wordt gewerkt (zie het antwoord op vraag 4c voor aanvullende informatie).
b) De totale werkzaamheden nemen enkele jaren in beslag, waarbij een afname door de aanwezigheid van verharding of andere belemmerende objecten over enkele jaren niet gezien kan worden als een tijdelijk effect. Hier zijn we ons van bewust. In de praktijk zal na grondwerkzaamheden een deel van het werkgebied niet meer geroerd worden. Hoe groot dit deel is en waar dit zal zijn, is echter niet bekend. Daarom is uitgegaan van een tijdelijk verlies van het volledige werkgebied, terwijl dit in de praktijk niet de volledige zes jaar zal bedragen voor het volledige oppervlak. Een deel zal door autonome ontwikkeling van vegetatie vanuit de aangrenzende delen en/of door aanplant van eerdergenoemde soorten weer potentieel leefgebied gaan vormen. Wij erkennen dat aanwezigheid van verharding leidt tot permanente effecten en dit is dan ook in figuur 23 van de soortenbeschermingstoets inzichtelijk gemaakt. In de praktijk neemt de oppervlakte aan verhard oppervlakte op de EHC niet toe als gevolg van realisatie van de PALLAS-reactor en bijbehorende gebouwen als de huidige situatie met de toekomstige situatie wordt vergeleken 13. In figuur 23 geeft u aan dat er op twee locaties een permanente toename is van leefgebied van de zandhagedis wegens het verdwijnen van bebouwing en verharding. Wij verzoeken u inzichtelijk te maken wanneer deze verharding en bebouwing is of wordt verwijderd.
Tevens geeft u aan dat de exacte inrichting niet bekend is en dat het geen onderdeel uitmaakt van het project. Wij verzoeken u nader in te gaan op de inrichting van het gebied, of deze gebieden niet mee te nemen in de door u opgevoerde compensatie wanneer er geen zekerheid is dat dit gebied leefgebied voor de zandhagedis vormt. De gebouwen zijn voor aanvang het project gesloopt door NRG. Dit is voorzien medio 2021. De nadere inrichting waar in de Soortenbeschermingstoets en de rest van de beantwoording van deze vragen van is uitgegaan is beschreven in het antwoord van vraag 10.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
12 van 31
Maatregelen De volgende vragen zijn met betrekking tot de maatregelen voor de zandhagedis. 14. U plaatst een scherm langs de locatie van de nieuwe toegangsweg. Het scherm omschermt niet het gehele plangebied, waardoor individuen om het scherm heen kunnen. Wij verzoeken u hier nader op in te gaan. Om zekerheid te hebben dat geen individuen aanwezig zijn, kan het verstandig zijn om na het ongeschikt maken van het plangebied, een scherm te plaatsen rondom het gehele plangebied. De bedoeling van het scherm langs de toegangsweg is om te voorkomen dat zandhagedissen doodgereden worden op de nieuwe toegangsweg door de aanzienlijke stroom aan werkverkeer. De bedoeling van de schermen is om zandhagedissen weg te leiden van de tijdelijke toegangsweg. De schermen zijn zo geplaatst dat de uiteinden van de weg af bewegen. Zandhagedissen die de schermen volgen worden op deze manier ook weer van de toegangsweg weggeleid. Dit beperkt het aantal slachtoffers op de nieuwe weg. Het is echter niet mogelijk om het volledige plangebied af te schermen, de redenen hiervoor zijn beschreven in de ad die hoort bij de maatregelen 1b en 2 onder tabel 13 in de Soortenbeschermingstoets. 15.
Hoe borgt u dat het scherm geen individuen belemmert om uit het plangebied naar geschikt leefgebied te komen? De ligging van de schermen langs de nieuwe toegangsweg is niet zodanig dat deze een beweging van het werkgebied naar geschikt leefgebied belemmert. Het werkgebied ligt in de duinen en is omringd door geschikt leefgebied (zie ook Afbeelding 4). Het blijft ook met het scherm mogelijk voor zandhagedissen om bij de werkzaamheden en het ongeschikt raken van het werkgebied om zich tussen leefgebieden te bewegen. 16. Wij verzoeken u te onderbouwen hoe u het plangebied tijdens de werkzaamheden ongeschikt houdt voor de zandhagedis. Als aanvulling op de maatregelen die in § 8.5 van de soortenbeschermingstoets stelen wij de volgende werkwijze voor: • Voor de onverharde delen van het werkgebied waar nog gewerkt wordt: verwijder vegetatie en houd kaal totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Let hierbij wel op maatregel 1a in tabel 12 van de Soortenbeschermingstoets. • Voor de onverharde delen van het werkgebied waar werkzaamheden zijn afgerond: deze delen worden met rust gelaten zodat de vegetatie zich vanuit aangrenzende delen kan vestigen. Hierdoor ontstaan op termijn ook weer geschikte leefgebieden voor de zandhagedis. • Delen die zijn vrijgegeven in een logboek zodat altijd inzichtelijk is waar de werkzaamheden zijn afgerond.
Overige soorten 17. U vraagt géén ontheffing aan voor de rugstreeppad. Uit de aangeleverde toetsing blijkt echter dat u niet uitsluit dat er rugstreeppadden in het plangebied aanwezig zijn. U heeft aangegeven dat er potentieel terrestrisch leefgebied aanwezig is. U geeft aan dat er sprake is van verharding en verstoring. Hierbij geeft u niet aan welke delen u als potentieel geschikt heeft beoordeeld binnen het plangebied. Wij verzoeken u nader in te gaan op het voorkomen van (leefgebied van) de rugstreeppad binnen het plangebied. Mogelijk dient u uw ontheffing uit te breiden. De rugstreeppad plant zich voort in ondiepe wateren die snel opwarmen. Hierbij kan het ook om tijdelijke wateren gaan. Overwinteringslocaties bevinden zich (soms tot een meter diep) in goed vergraafbare grond.10 Voortplantingslocaties van de rugstreeppad liggen niet binnen het werkgebied maar erbuiten, zie Afbeelding 7. In principe is een groot deel van de duingebieden geschikt als landbiotoop/overwintingslocatie: het gaat om goed vergraafbare gronden (zanden) waar de duinen uit bestaan. De vraag is in hoeverre rugstreeppadden zich daadwerkelijk bevinden binnen het werkgebied. De kans op aanwezigheid is klein: vanuit de huidige voortplantingswateren moeten rugstreeppadden de weg oversteken, de duinen overlopen en daarbij dichte vegetaties van rimpelroos en heide doorkruisen.
Dit gegeven, gecombineerd met het feit dat geschikte leefgebieden in direct westelijk van de plassen ligt (lagere vegetatie, meer open zand), maakt dat de kans op aanwezigheid van rugstreeppadden klein is. Omdat het werkgebied echter niet volledig ongeschikt is en rugstreeppadden mobiel zijn, is aanwezigheid niet uitgesloten. De maatregelen richten zich dan ook op 1) het faciliteren van het verlaten van eventueel aanwezige rugstreeppadden in het werkgebied en 2) het belemmeren van de terugkeer van rugstreeppadden en het leiden naar alternatief landbiotoop. In principe liggen dichter bij het voorplantingswater meer geschikte landbiotopen en derhalve is geen sprake van een wezenlijk effect op 10 https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/rugstreeppad, geraadpleegd op 22-01-2021.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
13 van 31
leefgebieden. De maatregelen richten zich bovendien op het voorkomen van doden en van verstoring is ook geen sprake. Derhalve is geen ontheffing aangevraagd. Vooralsnog voorzien wij ook geen omstandigheden waarbij het gunstig zou zijn om bij voorbaat een ontheffing aan te vragen. Op mogelijke kolonisatie is niet te anticiperen omdat de omvang en locatie van de kolonisatie niet in te schatten zijn. Wanneer dit plaatsvindt, moeten op dat moment passende maatregelen worden genomen. Dit is reeds ondervangen met toezicht als beschreven in § 8.2.2 in de Soortenbeschermingstoets. Voor het mogelijk beperkte aantal rugstreeppadden dat bij vergravingen aanwezig is in het werkgebied (landbiotoop en overwinteringslocaties) is het niet uitgesloten dat deze verstoord en gedood worden. Het is niet mogelijk om de werkzaamheden op een manier uit te voeren waarbij rugstreeppadden gespaard worden. Hierbij gaat het echter om een beperkt aantal gezien de beperkte geschiktheid van het werkgebied voor deze soort. Bovendien worden wel maatregelen genomen om te voorkomen dat rugstreeppadden gedurende het werk weer terug kunnen trekken naar het werkgebied. Een dergelijk effect treedt dus alleen op bij aanvang van de werkzaamheden. Wij breiden de ontheffingsaanvraag uit voor het doden en verstoren van rugstreeppadden met de verbodsbepalingen in artikel 3.5, lid 1 en 2 van de Wet natuurbescherming.
Afbeelding 7: Uitsnede uit de kaart met aanwezigheid met rugstreeppad (zie bijlage B van Soortenbeschermingstoets). De voortplantingslocaties zijn groen weergegeven. 18. U heeft aangegeven dat de rugstreeppad mogelijk het projectgebied koloniseert. Wij verzoeken u concreet te maken hoe u dit voorkomt. Dit is beschreven in § 8.5 van de Soortenbeschermingstoets. Maatregelen 6, 7 en 9 in tabel 12 zijn gericht op het voorkomen van rugstreeppadden in het werkgebied. Met name bij maatregel 7 bepaalt de ecoloog ter plaatse de details en maatregel 9 garandeert ook het blijvend functioneren van maatregelen. Daarnaast is aangegeven in § 8.2.2 van de Soortenbeschermingstoets dat de regelmatig controle plaatsvindt door een ecoloog. Hiermee wordt zo goed als mogelijk de kolonisatie van de rugstreeppad voorkomen.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
14 van 31
19. Bij het voorkomen van leefgebied voor de rugstreeppad richt u zich voornamelijk op het voorkomen van voortplantingswater. De rugstreeppad is een soort die vaak bouwterreinen koloniseert, ook als winterrust habitat. Wij verzoeken u in te gaan hoe u voorkomt dat individuen van de rugstreeppad het plangebied gebruiken als winterrust gebied en hierdoor door de werkzaamheden worden gedood of verstoord. Het werkgebied in vergelijking met omliggende delen niet het meest geschikte landbiotoop voor de rugstreeppad. De aanwezigheid van wegen en verharding en de aanwezige rimpelroos die als barrière werkt, maken de delen ten oosten van de plas minder geschikt dan het duingebied ten westen en zuidwesten van de plas, waar meer open zand aanwezig. Desondanks is de rugstreeppad een soort van duingebieden en is aanwezigheid van rugstreeppadden niet volledig uit te sluiten. Daarom wordt gekozen voor een combinatie van scherm en voorkomen van voortplantingswater om rugstreeppadden te voorkomen in het werkgebied. Hierbij is de gedacht als volgt: • Rugstreeppadden krijgen de gelegenheid om zich uit de omgeving naar het voortplantingswater te bewegen. Door het scherm pas later te plaatsen, worden rugstreeppadden hierin niet gehinderd. • Wanneer rugstreeppadden zich op of rond het voorplantingswater bevinden, wordt het voortplantingswater afgeschermd.
Deze maatregel in combinatie met dat het werkgebied niet aantrekkelijk is voor voortplantende rugstreeppadden door het nemen van maatregelen, maakt dat rugstreeppadden niet terug trekken naar het voortplantingsgebied voor winterrust. • Het scherm is zo geplaatst dat het de gebieden westelijk en zuidwestelijk van de plas bereikbaar zijn voor soorten die een land- en/of winterbiotoop zoeken. 20. a) U vraagt geen ontheffing aan voor de wezel. Uit de door u aangeleverde informatie blijkt dat de wezel in het plangebied kan voorkomen. U heeft geen cameraval geplaatst binnen het te vergraven duin voor de toegangsweg. Als beschreven in bijlage B van de Soortenbeschermingstoets zijn camera’s geplaatst op geschikte locaties. Hierbij is slechts op één locatie een wezel waargenomen in het duin ten westen van de EHC. De wezel is een soort van open, droge natuur- en cultuurlandschap, waar de soort in verschillende biotopen voorkomt (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland). De wezel heeft dekking nodig van bijvoorbeeld bosschages, houtstapels of heggen. Zowel goede schuilmogelijkheden als de aanwezigheid van voldoende prooi zijn bepalend voor aanwezigheid van wezels.11 De locatie van de nieuwe toegangsweg – aan de oostzijde van de EHC - heeft geen bijzondere functie voor de wezel.
Hoewel wel vegetatie aanwezig is, gaat het niet om bijzondere elementen die een aantrekkende werking hebben op de wezel. Langs de provinciale weg zijn bossen en struwelen gelegen, maar ter plaatse van de weg is het grootste deel al gekapt. Het grootste deel van het huidige bos blijft bestaan. Maatregel 1 (tabel 12 van de Soortenbeschermingstoets) voorkomt de aanwezigheid van wezels, door het werkgebied ongeschikt te maken. b) U gaat niet in op het al dan niet voorkomen van potentiële verblijfplaatsen van de wezel, anders dan dat doden en vernielen van verblijfplaatsen niet is uitgesloten op locaties waar opgaande vegetatie aanwezig is. Indien door de werkzaamheden verblijfplaatsen, bijvoorbeeld in de vorm van takkenhopen of holen verloren gaan, dient u inzichtelijk te maken of deze door de wezel worden gebruikt en dient u mogelijk uw ontheffingsaanvraag uit te breiden. Op de locatie van de werkzaamheden (met name voor de nieuwe toegangsweg) is geen sprake van elementen die bijzonder geschikt zijn voor de wezel. Elementen die zorgen voor dekking of andere voor wezels aantrekkelijke elementen zijn niet aanwezig. c) Indien de aanvraag ook toeziet op de toegangsweg, dient het te vergraven gebied voor de realisatie van de toegangsweg ook bekeken te worden voor mogelijke verblijfplaatsen van de wezel.
Als hiervoor aangegeven is de locatie van de nieuwe toegangsweg niet bijzonder geschikt als verblijfplaats voor de wezel. De aangrenzende struwelen wel. Wezenlijke functies voor de wezel worden niet aangetast en effecten worden beperkt door Maatregel 1 (tabel 12 van de Soortenbeschermingstoets). 21. U geeft aan dat de verstoring van de ransuil effect kan hebben op de staat van instandhouding, waardoor overtreding is van artikel 3.1, lid 4 van de Wnb. U vraagt hier geen ontheffing voor aan. Zie het antwoord op vraag 22, hier wordt ingegaan op de noodzaak voor een ontheffing. 22. Als maatregel voor broedvogels hanteert u dat verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, waarbij u het broedseizoen hanteert van 15 maart tot 15 juli. U heeft 11 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel, geraadpleegd op 20-01-2021.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
15 van 31
aangegeven dat één van de kwetsbare broedvogels de ransuil betreft. Het broedseizoen van de ransuil is langer dan de door u aangegeven periode. Wij verzoeken u hier nader op in te gaan. De broedperiode van de ransuil is volgens de Vogelbescherming van eind maart tot half april, waarna de jonge vogels tussen de 3 en 5 weken het nest verlaten.12 Het is echter bekend dat de ransuil eerder kan broeden, al vanaf eind februari.13 Dit betekent dat de aangehouden periode van maatregelen maatregel 3 (tabel 12 van de Soortenbeschermingstoets) eigenlijk niet vroeg genoeg begint. Daarom willen wij voor voorgenoemde maatregel de relevante periode uitbreiden van “Beperking voor periode 15 maart tot 15 juli” naar “Beperking voor periode 15 februari tot 15 juli, en na goedkeuring door ecoloog”. Bij het correct uitvoeren is geen sprake van verstoring van de ransuil en derhalve is geen sprake van een overtreding van een verbodsbepaling. Een ontheffing voor deze soort is in dit geval niet vereist. 23. Voor het geluid onder water gaat u uit van het gebruik van schepen. Wij verzoeken u aan te geven of er ook andere bronnen van geluid zijn, bijvoorbeeld door het realiseren van de koelwateruitlaat in de Noordzee. Bij het realiseren van de koelwateruitlaat worden schepen gebruikt.
Hoewel wel geboord wordt vanaf de EHC en dit ook tot verstoring bij het uiteinde kan leiden, worden daar werkzaamheden met schepen uitgevoerd. De schepen zijn maatgevend voor de effectbeschrijving in § 4.2 van de soortenbeschermingstoets en dekken hiermee ook de effecten af van het boren (als dit niet tegelijkertijd met de activiteiten van schepen plaatsvindt). Andere bronnen van geluid zijn niet aanwezig. 24. Worden er op de locatie van de toegangsweg bomen welke verblijfplaatsen kunnen vormen verwijderd? Op de locatie van de toegangsweg worden geen bomen verwijderd die potentie hebben als verblijfplaats. Op luchtfoto’s is te zien dat het grootste deel van de bomen langs de N502 al gekapt is, zie Afbeelding 8. De resterende bomen zijn niet geschikt als verblijfplaats, zie Afbeelding 9. Het gaat om lage en dunne bomen. Op de EHC staan ter hoogte van de locatie van de nieuwe toegangsweg geen bomen die geschikt zijn als verblijfplaats.
12 https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/ransuil, geraadpleegd op 22-01-2021. 13 https://www.vogelwachtuden.nl/index.php/ransuil, geraadpleegd op 22-01-2021.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
16 van 31
Afbeelding 8: Luchtfoto van de locatie waar de tijdelijke toegangsweg uitkomt op de N502. Bron: https://maps.noord-holland.nl/nh_door_de_tijd/, geraadpleegd op 13-01-2021.
Afbeelding 9: Aanwezige bomen en struweel langs de N502 ter hoogte van de tijdelijke toegangsweg. Bron: Google Maps, geraadpleegd op 13-01-2021.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
17 van 31
25. Uit de soorteninventarisatie lijkt er mogelijk een broedvogelterritorium van de zwarte kraai aanwezig te zijn in of nabij het plangebied. De zwarte kraai is een categorie 5 soort, waarbij de broedlocatie jaarrond beschermd is als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Wij verzoeken u hierop in te gaan. De huidige staat van instandhouding van de zwarte kraai is gunstig voor Nederland. Dit geldt voor verspreiding, leefgebied en toekomst. De Nederlandse broedpopulatie heeft een omvang van 60.000-100.000 (2013-2015) en in de winter zijn er maximaal 200.000-400.000 (2013-2015) in ons land aanwezig.14 De soort komt verspreid in Noord-Holland voor en is plaatselijk zelfs algemeen, zie Afbeelding 10. Op en rond de EHC een aantal territoria voor van de zwarte kraai, zie Afbeelding 11. Een aantal hiervan zijn langs wegen en in recreatiegebieden gelegen. De kraaien hebben hierdoor te maken met verstoring. Ook op de EHC is al sprake van verstoring door verkeer, en hier vinden bovendien al geregeld bouw- en sloopwerkzaamheden plaats.
Aangezien het aantal territoria op de EHC slechts een beperkt aantal betreft, die zich ook al in een reeds verstoorde omgeving bevinden en van permanente vernietiging geen sprake is, zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden aan te duiden die een jaarrond bescherming van de nesten van de zwarte kraai rechtvaardigen. Verder zijn in de omgeving voldoende alternatieven. De randen van de bossen, andere bosjes en struwelen op de EHC en het bosje evenwijdig aan de provinciale weg zijn geschikte alternatieven voor de duur van de werkzaamheden.
14 https://www.sovon.nl/nl/soort/15671, geraadpleegd op 13-01-2021.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
18 van 31
Afbeelding 10: Broeddichtheid van zwarte kraai in Nederland in periode 2013-2015. Bron: https://www.vogelatlas.nl/atlas/soorten/soort/15671/B/ext26, geraadpleegd op 13-01-2021.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
19 van 31
Afbeelding 11: Territoria van de zwarte kraai op en rond de EHC. De kaart is opgenomen in Bijlage B van de soortenbeschermingstoets.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
20 van 31
BIJLAGE A: UITBREIDING BESCHRIJVING BOUWFASE Onderstaande tekst is afkomstig uit “Ontwerpkader t.b.v. MER PALLAS” van 29 januari 2021 en aangepast om in meer de bouwfase te beschrijven. In de bouwfase wordt het nucleaire eiland waar de PALLAS-reactor zal komen te liggen, bijbehorende systemen en de bijbehorende infrastructurele aanpassingen gerealiseerd. De bouwfase duurt in totaal ongeveer 6 jaar. Hoofdfasering: clusters van bouwactiviteiten Gedurende de bouwfase van 6 jaar gaat het in hoofdlijnen om de volgende clusters van bouwactiviteiten: 1. Aanleg en inrichting LDA en toegangsweg, respectievelijk binnen de bruine en paarse delen van Figuur 20. 2. Constructie secundaire koeling, binnen de blauwe grens van Figuur 1 en zie het antwoord op vraag 1 voor het werkgebied langs het kanaal en het uitlaatpunt. 3. Bouwkuip, fundering en constructie reactorgebouw, in de groene zone van Figuur 1. 4. Constructie gebouwen, installatie en infrastructuur, binnen de blauwe grens van Figuur 1. 5. Afronding LDA en inrichting terrein, binnen de bruine delen van Figuur 1. Na het testen kan PALLAS overgaan tot productie. Gedurende de bouwfase doen we een conservatieve aanname voor het vervoer van bouwpersoneel naar en van de site.
Bij een ruime personeelsbezetting van 400 personen, gedurende 6 jaar, 250 werkdagen per jaar gaat het totaal om 400x6x250=600.000 voertuigbewegingen in de ochtend naar de site en 600.000 in de middag vanaf de site. Dit is een worst case-aanname, omdat in de praktijk er sprake zal zijn van carpool en andere vormen van gezamenlijk vervoer. De verdeling over de weg is 25% via Sint Maartensvlotbrug en 75% via Burgervlotbrug.
Figuur 1 Indeling in zones van het werkgebied.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
21 van 31
Cluster 1: Inrichting LDA en toegangsweg De meeste verkeersbewegingen zullen over de Westerduinweg gaan richting het perceel van PALLAS en het werkterrein. Er wordt een (tijdelijke) toegangsweg aangelegd van de Westerduinweg N502 naar de PALLAS-site. Hiervoor moet een deel van de Zijperzeedijk worden afgegraven en een deel van het hoogteverschil dat dan nog resteert wordt met een damwand opgevangen. Op de EHC wordt een tijdelijk werkterrein ofwel Lay Down Area (LDA), aangelegd. Naast tijdelijke bouwketen, kantoren, kleedruimten en een kantine kan op dit gebied opslag van materiaal, materieel en grond plaatsvinden (in de open lucht). Voor een overzicht van LDA en de toegangsweg, zie Figuur 1. Op de smalle strook tussen de westzijde van de LDA en het PALLAS-terrein lopen ondergrondse leidingen. Daarom maakt dit gebied geen deel uit van de LDA. Op de EHC zal een weg worden rechtgetrokken, waarvoor NRG zorgdraagt. Dit ‘rechttrekken’ van de weg is gereed vóórdat de LDA wordt aangelegd. Deze rechtgetrokken weg maakt deel uit van de referentiesituatie en valt dus buiten de scope van het project. De weg loopt door tot waar later het reactorgebouw komt te staan. Hier zal de weg meer zuidelijk dan momenteel het geval is, een bocht maken. Deze bocht valt wél binnen de scope van het project. De LDA is rond het NRG-gebouw 15 gepland.
Dit gebouw is tijdens de bouwfase van de PALLAS-reactor in het begin nog aanwezig, maar zal gesloopt worden zodat deze deellocatie later beschikbaar is voor PALLAS. Dit maakt echter geen onderdeel uit van dit project.
De LDA bevat de volgende hoofdcomponenten: • De fundering van de wegen op de EHC en de LDA zal granulaat zijn. Een deel van de LDA zal geasfalteerd worden, net als de tijdelijke toegangsweg. • Afhankelijk van het type opslag is een aanvullende fundering met geotextiel ook mogelijk. • Wegen voor vrachtwagens en parkeerplaatsen in het werkgebied bestaan uit granulaat. • Pre gefabriceerde onderdelen worden gefundeerd op betonnen voetstukken of betonnen platen. • Constructie van een afvalwater- en regenwater riool. • Verlichting. • Nutsaansluitingen. • Grondkerende constructies. Op het werkterrein wordt geen betonfabriek geplaatst, hetgeen ten tijde van het plan-MER werd verondersteld, maar het beton zal van buiten direct worden aangevoerd. Op het werkterrein kunnen parkeerplaatsen (voor maximaal 400 personen) voor personeel tijdens de bouw worden geplaatst. De hoeveelheid en het type werkzaamheden bepaalt hoeveel personeel aanwezig is op het werkterrein. Dit kan oplopen tot 400 mensen per dag. Tijdens de bouw van de PALLAS-reactor moet er ruimte zijn voor het bouwverkeer, parkeerplaatsen voor bouwmedewerkers, bouwketen en transport en opslag van materialen. Voor het opstellen van materiaal, de ontsluiting van de bouwplaats en de bouw van reactor, is een aantal aanpassingen aan het terrein nodig.
De ontwikkeling van het tijdelijke bouwterrein bestaat uit de volgende onderdelen: • • • • • •
Afgraven deel van het dijklichaam. Tijdelijke opslag van duinzand op de duinlocatie direct ten zuiden van de tijdelijke toegangsweg. Aanleg halfverharding en voorzieningen werkterrein, met afvoer van regenwater naar een greppel met een overstort. Aanleg parkeerplaatsen en tijdelijke voorzieningen. Aanleg overige infrastructuur. Omheining met hekwerk.
Aanleg van damwanden ter plaatse waar de waterkering wordt afgegraven en op diverse andere locaties aan de rand van de LDA. Het grondverzet is verreweg het meest ingrijpende onderdeel van deze cluster van bouwactiviteiten met de meeste inzet van materieel, zoals blijkt uit Tabel 2.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
22 van 31
Figuur 2 Overzicht Grondstromenplan: rood is afgraven en groen is ophogen (bron: Grondstromenplan TCF, (Arcadis, 12 juli 2019). Tabel 2 Inzet materieel tijdens de inrichting van de LDA en de toegangsweg. Aantal uren inzet:
Afhekken tijdelijke toegangsweg Grondverzet t.b.v. tijdelijke toegangsweg Aanleggen tijdelijke toegangsweg Afhekken LDA Grondverzet t.b.v. LDA Plaatsen tijdelijke kantoorruimte
Voertuigbewegingen
10 100 100 10 2200 20
Graafmachine
Kraan
Betonpomp
Trucks
80 240
Licht voertuig
120 240
640
1280 160
1920
480 960 240
2880 120
Medium voertuig
360
960 960 120
Al deze faciliteiten moeten zo worden vormgegeven dat ze het dagelijks bedrijf op de EHC en de omgeving zo min mogelijk beïnvloeden. Cluster 2: Constructie secundaire koeling Inname uit Noordhollandsch Kanaal naar filterstation Aan de kanaaloever (zie figuur 9 in de soortenbeschermingstoets) worden twee inname-constructies gemaakt, elk voorzien van een handgeruimd krooshek. Vanuit deze putten worden twee leidingen (diameter 1720 mm) onder de rijksweg (N-9) geboord naar de filterput. Deze leidingen komen op een voorgeschreven afstand onder de weg, door middel van GFT (Gesloten Front Techniek) boringen. Deze boormethode wordt gekozen, zodat de weg niet hoeft te worden opgebroken. In het gebouwtje worden twee bandfilters opgesteld. Ook wordt er een doseerinstallatie opgesteld tegen mosselgroei in de leidingen naar de site. Via elektrolyse komt vrij chloor vrij, en dit wordt direct in de leiding gebracht. Naast het gebouwtje is een toegang (vanaf de parallelweg) voor een onderhoudswagen en leverantie van zout voor de dosering. Werkwijze uitvoering: • In het veld (aan zijde filterput) en aan het kanaal wordt een pers- en ontvangkuip gemaakt met stalen damwanden. • De materialen voor de aanleg worden nabij de boring (bij filterput) aangevoerd en tijdelijk opgeslagen. De overtollige grond wordt afgevoerd via de parallelweg.
• Vanuit een perskuip wordt een buiselement met vijzels in de grond gedrukt. Aan de voorzijde zit een boorschild, die de grond uitboort. Wanneer een buiselement is weggedrukt, worden de vijzels teruggetrokken en kan een nieuw element worden aangekoppeld en weggedrukt.
Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive
23 van 31
Figuur 3 Visualisatie van de GFT-boring onder de N9 door. Pijpleidingen van filterstation naar PALLAS-site Vanaf het filterstation naar de site worden twee leidingen (diameter 900 mm) gelegd (en geboord tot -32 meter NAP) naar de PALLAS-site (binnen de EHC dus). Deze aanvoerleidingen zijn berekend op een (vrij)verval van ongeveer 3 meter. Dit vindt plaats door middel van een HDD (Horizontal Directional Drilling) techniek. Het intredepunt van de boor is op de PALLAS-site. Het uittredepunt van de boor is op ca. 300 meter vanaf de filterput, vanwege de benodigde uitleg-lengte en de bocht in dit tracé. Het laatste deel vanaf het uittredepunt naar de filterput wordt in open ontgraving gelegd. Dit vindt plaats tussen de diepwanden, waardoor minder bemaling nodig is. Het bemalingswater wordt opgevangen, bemonsterd en bij voldoende kwaliteit geloosd op het Noordhollandsch Kanaal. Als de kwaliteit van het bemonsterde water onvoldoende is, wordt het afgevoerd door een erkende verwerker en separaat verwerkt. Nadat het gat geboord is, wordt de leiding, die dan op het uitlegtracé geheel gelast en getest is, door middel van de boormachine in het boorgat getrokken. Het uitlegtracé is naar verwachting de parallelweg langs de N9 naar het zuiden. Bij het uittredepunt wordt een kwelscherm aangebracht om eventuele kwel vanuit de ondergrond te voorkomen.