CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Memo aanvullende gegevens ontheffingsaanvraag Wnb

Oordeelsvormende vergadering 12 oktober 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststelling gecoördineerde bestemmingsplannen 'Pallas-Plot' en 'Partiële Herziening PALLAS-reactor, 2021'14.658 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarna wordt een sleuf gegraven vanaf het uittredepunt tot aan de filterput. Daarin wordt dit deel van de leidingen gelegd en aangevuld en aan het geboorde deel gelast. Het geheel wordt op druk getest. Samen voeren deze leidingen de volledige benodigde koelcapaciteit (in de zomer). In een deel van het jaar kan worden volstaan met één leiding in gebruik. In deze leidingen zitten vanaf de filterput tot aan de site geen open putten; dit is een gesloten systeem. De leidingen kunnen (indien nodig), inwendig worden gereinigd met een prop. Op de site staat een pompstation, dat het water door de warmtewisselaars op de site pompt. Werkwijze uitvoering gelegd deel: • Voor het te leggen deel van de leidingen wordt een sleuf gegraven; De uitvoeringsmethode en sleufbreedte is gericht op het minimaliseren van de grondwateronttrekking. De grond zal op dezelfde wijze worden aangevuld als deze is uitgegraven. Eventuele bestaande drains zullen worden hersteld. Voor de ontgraving wordt een uitvoeringsplan gemaakt. Werkwijze uitvoering boringen: • Naast de parallelweg worden de leidingen aangevoerd. De leidingen worden daar uitgelegd, gelast en gekeurd. Kruisingen met toegangen naar percelen worden bereikbaar gehouden met (tijdelijke) overkluizingen. • De boorstelling staat op de PALLAS site.

Met de hydraulische boorunit worden boorstangen met een duwende en roterende beweging, één voor één de grond ingebracht. De buizen zijn met een schroefkoppeling onderling verbonden tot een boorstreng. Het boortracé wordt verticaal (en eventueel horizontaal) gebogen uitgevoerd. Het boorproces gebeurt in twee of drie fasen. Als eerste vindt de pilotboring plaats, gevolgd door meerdere ruimeroperaties. De pilotboringen kunnen, voor een goede positiebepaling, bij het intredepunt en het uittredepunt worden gemaakt. De uitgekomen grond van de boring wordt op site opgeslagen. Het boorgat is steeds gevuld met bentoniet (een kleimengsel, geschikt voor smering en steunvloeistof). Voor het aanmaken

Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive

24 van 31

•

van bentoniet wordt circa 10.000m3 water verbruikt. Daarna wordt de productleiding gekoppeld en ingetrokken. De verwachting is dat de aanleg van de leidingen van filterput tot site enkele maanden (2-3) duurt. Om de positie van de boring ondergronds goed te kunnen bepalen wordt op het maaiveld gemeten tijdens het boren.

Pijpleiding van PALLAS-site naar de Noordzee Vanaf de site wordt een leiding (diameter 1000 mm) gelegd (en geboord tot -35 m NAP) tot circa 650 meter uit de kustlijn in zee. Deze afvoerleiding is berekend op een (pers)verval van 6 meter. Daar wordt het warme water boven de zeebodem via een uitlaat onder water uitgestroomd. Deze gesloten leiding gaat diep onder het duin en de zeebodem door. De leiding kan (indien nodig), inwendig worden gereinigd met een prop. Dit is een leiding (diameter 1000 mm) die door middel van een HDD (Horizontal Directional Drilling) techniek wordt geboord. Het intrede punt van de boor is op de EHC. Het uittredepunt van de boor is op de zeebodem. Nadat het gat geboord is, wordt de leiding, die op zee ligt en geheel gelast en getest is, door middel van de boormachine in het boorgat getrokken. Daarna wordt een sleuf gegraven vanaf het intrede punt tot aan de koppeling op de site. Daarin wordt dit deel van de leiding gelegd en aangevuld en aan het geboorde deel gelast. Het geheel wordt op druk getest. Werkwijze uitvoering gelegd deel: • Voor het te leggen deel van de leidingen wordt een sleuf gegraven; De uitvoeringsmethode en sleufbreedte is gericht op het minimaliseren van de grondwateronttrekking. De grond zal op dezelfde wijze worden aangevuld als deze is uitgegraven. Voor de ontgraving wordt een uitvoeringsplan gemaakt.

Werkwijze uitvoering boring: • Op zee wordt de gelaste leiding aangevoerd. • De boorstelling staat op de PALLAS site. Met de hydraulische boorunit worden boorstangen met een duwende en roterende beweging, één voor één de grond ingebracht. De buizen zijn met een schroefkoppeling onderling verbonden tot een boorstreng. Het boortracé wordt verticaal (en eventueel horizontaal) gebogen uitgevoerd. Het boorproces gebeurt in twee of drie fasen. Als eerste vindt de pilotboring plaats, gevolgd door meerdere ruimeroperaties. De pilotboringen kunnen, voor een goede positiebepaling, bij het intredepunt en het uittredepunt worden gemaakt. De uitgekomen grond van de boring wordt op site opgeslagen. Het boorgat is steeds gevuld met bentoniet (een kleimengsel, geschikt voor smering en steunvloeistof). Daarna wordt de productleiding gekoppeld en ingetrokken. De verwachting is dat de aanleg van de leidingen van de site naar zee enkele maanden (1-2) duurt. • Om de positie van de boring ondergronds goed te kunnen bepalen wordt op het maaiveld en op zee gemeten tijdens het boren. Om verstoring van de schelpdieren etende watervogels (zwarte zee-eend, eider, topper) te vermijden wordt koelwateruitlaat op de Noordzee aangelegd in een periode waarin geen of weinig foeragerende zeevogels (met name zwarte zee-eenden) aanwezig zijn.

Daarnaast houden de schepen, volgens de voorschriften die in het Natura 2000-beheerplan Noordzeekustzone (Ministerie van IenM, Rijkswaterstaat, 2016) zijn opgenomen, 500 meter afstand van vogelconcentraties van de topper, eidereend en zwarte zee-eend. Bouw pompstation Ten behoeve van het secundaire koelsysteem wordt op de PALLAS site een bouwkuip van 30 bij 18 meter aangelegd op een diepte van -9 meter t.o.v. NAP. De constructiemethode bestaat uit het in de grond aanbrengen van diepwanden met behulp van het Cutter Soil Mix Systeem. Dit is een methode waarbij met behulp van een freeskop met 2 cutterwielen en de injectie van een cementspecie een homogene gemixte massa wordt gevormd, waar de freeskop door eigen gewicht in wegzakt. Als wapening worden stalen balken in de natte massa gedrukt. De wand wordt geheel trillingvrij en zettingsvrij aangebracht. Binnen de diepwanden wordt nat ontgraven, waarna er een bodem van onderwaterbeton gestort wordt. Deze bodem wordt met groutankers (GEWI) verankerd om opdrijven te voorkomen. Als het beton uitgehard is, wordt de put drooggemalen en kan met de constructie van het bassin worden begonnen. Het Cutter Soilmix-systeem (ook wel mixed-in-place genoemd) bestaat uit een freeskop met twee Cutter wielen. In het midden van de freeskop, tussen de wielen wordt cementspecie geïnjecteerd.

Zo wordt er een homogeen gemixte massa gecreëerd, waarna de freeskop gemakkelijk op eigen gewicht in deze gemixte massa kan zakken.

Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive

25 van 31

Figuur 4 Schematische uitleg van de CSM-methode. Nadat de freeskop uit de gemixte kolom (CSM-moot) gekomen is, kan deze gewapend worden. Type wapening is afhankelijk van de toepassing van de cutter soil mix wand. Stalen IPE-balken zullen worden gebruikt als wapening voor de wand van het pompstation. De toe te passen wapening wordt boven de CSM-moot gehesen en zakt op eigen gewicht in het zojuist gemixte CSM-moot. Bij het frezen van een CSM-wand wordt gestart met de oneven moten. Nadat de oneven moten voldoende zijn uitgehard (ca. 1 dag) worden de even (tussen-) moten gefreesd. Op deze manier wordt een optimale kwaliteit verkregen van elke moot en zo wordt de stabiliteit van de omringende grondslag gegarandeerd15.

15 Tekst en figuren overgenomen van: https://www.bodembouw.com/nl/cutter-soil-mixing.

Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive

26 van 31

Figuur 5 Constructie bouwput voor pompstation. Tabel 3 Inzet materieel tijdens constructie secundaire koeling Aantal uren inzet

Voertui gbewegingen

Afhekken intrede Bouw pompput Boren koelleiding landzijde Trekken koelleiding landzijde Boren koelleiding zeezijde Trekken koelleiding zeezijde Bouw filterhuis

10 100 50 50

Graafmachi ne

560

Kraan

Betonpomp

Trucks

70

140

40 280

Licht voertuig

Mediu m voertuig

Boorinstallati e landzijd e

Boorinstallati e zeezijde

800

400

40

80

40

150

600

300

Cluster 3: Bouwkuip, fundering en constructie reactorgebouw Het reactorgebouw wordt gebouwd met in situ gewapende betonnen wanden, vloeren en een dak van potentieel 1,5 m dik. Voor alle bouwmethoden geldt dat werkzaamheden in den droge worden uitgevoerd, er wordt dus geen grondwater onttrokken. Methode bouwkuip Een diafragmawand is een wand die gemaakt is van gewapend beton, en in de bodem wordt geconstrueerd. De dikte van de wanden kan variëren van 0,5 tot 1,5 m. In theorie is de diepte van de wand ongelimiteerd, dieptes van 40 m beneden het grondoppervlak zijn geen uitzondering. De wand is opgebouwd uit panelen, waarvan de breedte afhankelijk is van het gebruikte materieel. De werkwijze voor het bouwen van de diafragmawand is geïllustreerd in Figuur 6. Het materieel bestaat uit één of meer graafmachines, betonpompen en een bentonietinstallatie. De opbouw is als volgt:

Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive

27 van 31

•

•

•

Voorbereiding: Als eerste wordt een frame (‘geleidewanden in Figuur 6) gebouwd op de plaats waar de top van de wand komt te liggen. Langs dit frame wordt een geul gegraven. Het frame levert een goede geleiding voor de cutters, en beschermt de rand van de geul. Uitgraven van de geulen: De geul wordt verder uitgegraven met speciale ‘cutters’ volgens de opgegeven diepte en breedte. De cutters hangen met een kabel aan de graafmachine. De speciale vorm van de cutter zorgt ervoor dat deze stabiel in de geul kan zakken. Om de geul te beschermen tegen instorten wordt bentoniet (een dikke vloeistof gemaakt van klei) in de geul gepompt. Installeren: Om een aaneengesloten waterdichte wand te maken, moeten de panelen waterdicht geassembleerd kunnen worden. Aan beide zijden van het paneel worden daarvoor rubberen of stalen elementen ingebracht.

Figuur 6 Werkwijze aanbrengen diafragma muren. • •

•

Versterking: Voordat het beton wordt gestort, wordt een kooiconstructie in de geul aangebracht. Deze constructie vangt de krachten op die op de wanden worden uitgeoefend. Storten van beton: Tenslotte wordt het beton in de geul gestort. Speciale methoden zorgen ervoor dat het beton aaneengesloten blijft, en dat er niet te veel circulatie plaatsvindt. Gedurende dit proces wordt het bentoniet uit de geul gezogen en daarna gezuiverd voor hergebruik. De grond wordt hergebruikt bij de naastgelegen diepwand op de EHC. Als de gehele diepwand voor de bouwput rondom klaar is, wordt het overgebleven bentoniet afgevoerd. Voor de toepassing van bentoniet is water nodig. Dit water zal worden verkregen uit de pompkelder van de bestaande HFR (er zal geen grondwater worden gebruikt) op de locatie van de EHC.

Uitgraven van de bouwkuip Na het aanbrengen van de diafragmawanden wordt de bouwkuip uitgegraven. De eerste meters worden boven het grondwater afgegraven, maar het grootste deel van de put bevindt zich onder de grondwaterspiegel. In de constructie worden groutankers aangebracht om de stabiliteit van de wanden te zekeren. Het zand uit de bouwkuip zal tijdelijk worden opgeslagen op een vloeistofdichte vloer om de lozing van brak water op de onderliggende bodem en het grondwater te voorkomen. Als het schoon is, kan het ergens op het terrein in Petten in depot gaan.

Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive

28 van 31

Figuur 7 Schematische weergave van geboorde palen en groutankers. Aanbrengen geboorde palen en betonnen vloer De palen worden geboord vanaf een diepte van ongeveer 9 m onder NAP. Binnen de diepwanden wordt de pit tot deze diepte ontgraven. Er worden stalen buizen in de grond geboord. Als alle palen erin zitten wordt de pit met water gevuld en nat ontgraven tot de gewenste diepte. Als de diepte bereikt is worden de diepwanden en palen schoongemaakt door duikers. Er wordt een stabiliserende zandlaag aangebracht. Daarna wordt een betonnen vloer van onderwaterbeton gestort. Als deze voldoende sterk is (ca 3 weken) wordt de put leeggepompt. Het oppervlak wordt schoongemaakt en er wordt een werkvloer op het onderwaterbeton gestort. Dan worden de palen voorzien van wapening en beton. De paalconstructie en de betonnen vloer bieden voldoende treksterkte tegen de tegendruk van het grondwater en voorkomen dat de bodem van de put barst. Dit vanwege de opwaartse grondwaterdruk. Constructie van het reactorgebouw Nu de bodem van de constructie is drooggelegd, kan het reactorgebouw worden gebouwd. Dit vindt plaats door middel van traditionele bekisting en beton dat van buiten wordt aangevoerd (geen betoncentrale op de LDA).

Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive

29 van 31

Installeren diafragmawanden

 

Ontgraving Installeren grondankers

  

Plaatsen boorpalen Onderwaterbeton Drainage bouwput

Constructie reactorgebouw

Figuur 8 De constructiefase. Grondwater drain Om het huidige grondwaterniveau te handhaven worden op de locatie ten westen van het gerealiseerde reactorgebouw twee drains geplaatst. Deze drains bevinden zich op een diepte van circa 0,0 m NAP, en ten oosten van het reactorgebouw wordt een infiltratiedrain aangelegd. Aanvullen omliggend terrein Het terrein rondom het reactorgebouw wordt opgebouwd door zand aan te brengen tot een hoogte van 6 m + NAP. Hiervoor wordt zand toegepast dat afkomstig is uit de bouwkuip. Zetting De bouwfase kan invloed hebben op de direct naastgelegen nucleaire faciliteiten, het Hot Cell Laboratorium (HCL) en de Molybdeen Productie Faciliteit (MPF). Daarom zal als onderdeel van de vergunningverlening benodigd voor de bouw worden aangetoond dat eventuele additionele risico's voor nabije installaties acceptabel zijn. Dit wordt hieronder kort toegelicht. De bouwfase levert in het kader van stralingsbescherming mogelijk risico’s op voor de reeds aanwezige nucleaire installaties. Voor de realisatie van het reactorgebouw is een bouwput nodig omdat dit gebouw deels in de grond zit. Er is ten aanzien van deze risico’s een tweetal zaken te onderscheiden. Enerzijds is dat het inbrengen van de bouwputwanden anderzijds bij het ontgraven van de bouwput van zettingen in de omgevingen. Beide punten hebben invloed op het maaiveld en op de nabijgelegen gebouwen.

Het inbrengen van de bouwputwanden heeft het risico van trillingsoverlast en van geluidsoverlast. Waarbij trillingen ook tot schade aan naast liggende gebouwen kan leiden. Gezien de mogelijke gevoeligheid voor trillingen van de naast liggende metselwerk gebouwen wordt voor een trillingsarme bouwmethodiek gekozen. Door de keuze van diepwanden als bouwputwand worden de trillingen voorkomen. De bouwputwanden worden dan geformeerd door het graven van een sleuf in de grond die wordt gevuld met beton. Het ontgraven van de bouwput geeft zettingen in de omgeving. Het invloedsgebied van deze zettingen bedraagt 1,5x de diepte van de ontgraving (circa 30m) waarbij vlak naast de bouwput de grootste zettingen optreden. Of de direct naastliggende gebouwen in dit invloedsgebied liggen is nog sterk afhankelijk van de exacte locatie van de bouwput. In het ontwerprapport van de bouwput is berekend dat de gekozen wanden leiden tot een zettingsinvloed op maximaal 21 m afstand. De afstand tot de bestaande gebouwen is meer dan 50m, dus die liggen niet in het invloed gebied. Tijdens de bouwfase treedt er eerst zout water vanuit de bodem in de bouwput, tot aan het moment dat het onderwaterbetonvloer is gelegd en de onderliggende grondwaterstroom geen contact meer heeft met de bouwput. Daarna vangt de bouwput gedurende de bouwperiode zoet hemelwater op.

Het zoute water wordt terug in de bodem geïnjecteerd op het niveau waar hetzelfde zoutgehalte aanwezig. Het zoete hemelwater wordt geïnfiltreerd op de bodem elders op het PALLAS-terrein. Het freatisch grondwater in de bovenlaag van deze bodem is ook zoet. Om te voorkomen dat verontreinigingen uit de bouwput in de bodem worden geïnfiltreerd of geïnjecteerd, wordt het water eerst opgevangen in een tijdelijke voorziening. Het water uit deze tijdelijke voorziening wordt geanalyseerd alvorens het water wordt geïnjecteerd of geïnfiltreerd.

Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive

30 van 31

Tabel 4 Inzet materieel tijdens constructie bouwkuip en fundering reactorgebouw. Aantal uren inzet Maken diepwanden Ontgraven Aanbrengen grondverbeteraar Storten onderwaterbeton Boren en plaatsen palen

Voertuigbewegingen 750

Graafmachine

Kraan

Betonpomp

Trucks

640

640

80

1280

4000 350

640

320 160

40

320 320

300

40

40

40

900

1120

Licht voertuig

Medium voertuig

Pompbemaling

Bentonietinstallatie

640 3000

560

500

Cluster 4: Constructie gebouwen, installatie en infrastructuur De gebouwen worden op een traditionele wijze gebouwd met materialen als staal, beton, hout, glas en steen. Toepassing van geprefabriceerde elementen is een optie. De gebouwen kunnen op palen worden gefundeerd. Nutsvoorzieningen worden op gangbare wijze uitgevoerd door ingraven van benodigde buisleidingen en kabels. Wegen, verhardingen en parkeerplaatsen worden eveneens op gangbare wijze aangelegd d.m.v. asfalt of steenverhardingen. Daarnaast worden hekwerken, verlichting, bewakingscamera´s en signalering aangebracht. Tabel 5 Inzet materieel tijdens constructie gebouwen, installatie en infrastructuur. Aantal uren inzet

Voertuigbewegingen

Bouw reactorgebouw & logistiek gebouw Bouw kantoorgebouw Bouw supportgebouw

Graafmachine

Kraan

2000 750 750

1920 1920

Betonpomp

Trucks

Licht voertuig

Medium voertuig

480

3840

11520

7680

240 240

1920 1920

5760 5760

3840 3840

Cluster 5: Afronding LDA en inrichting terrein De bouwfase betreft tijdelijke bouwvoorzieningen, waarbij het terrein ter plaatse van de toegangsweg weer teruggebracht wordt naar de oorspronkelijke staat. Na afloop worden de voorzieningen weggehaald en ook het zand wordt weer teruggeplaatst. Verharding en grond die gebruikt is voor het tijdelijke werkterrein, en niet afkomstig is uit het gebied zelf, wordt afgevoerd na afronding van de werkzaamheden. Tabel 6 Inzet materieel tijdens afronding LDA en inrichting terrein. Aantal uren inzet

Voertuigbewegingen

Graafmachine

Kraan

Verwijderen LDA en tijdelijke kantoorruimte Inrichten terrein Opheffen tijdelijke toegangsweg

500

400

200

4000 100

1920 80

480

Betonpomp

Trucks

Licht voertuig

Medium voertuig

Verkeer tijdens bouwfase Het verkeer tijdens de bouwfase bestaat uit vrachtverkeer ten behoeve van de aan- en afvoer van bouwmateriaal en het personenverkeer ten behoeve van de werknemers.

Onze referentie: D10021939:37 - Datum: 8 februari 2021 - AS1-Sensitive

31 van 31

ACHTERGRONDRAPPORT NATUUR

BIJLAGE 3 WEZENLIJKE WAARDEN EN KENMERKEN VAN NNN De volgende informatie is afkomstig uit een bijlage 5 van de Omgevingsverordening NH2020 (te vinden op https://noord-holland.tercera-ro.nl/SiteData/9927/Publiek/BV00068/b_NL.IMRO.9927.POVPNHVG01_425.pdf) en de informatie is hier vrijwel letterlijk overgenomen. Voor dit deelgebied zijn tevens andere wettelijke en beleidsmatige beschermingsregimes relevant voor natuur (gebiedsbescherming): Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen (Vogel- en Habitatrichtlijngebied). Oppervlakte en samenhang NNN Ten zuiden van Callantsoog ligt een uitgestrekt duingebied dat tot Petten doorloopt. Het noordelijk deel hiervan is het Zwanenwater. De oppervlakte van het NNN in het deelgebied Zwanenwater bedraagt in totaal bijna 700 hectare. De samenhang binnen in het NNN-gebied wordt gevormd door het aaneengesloten duinlandschap. Het Zwanenwater is een vrijwel ongeschonden duinlandschap van overwegend kalkarme duinen met vochtige tot drassige valleien. In het centrum liggen twee uitgestrekte duinmeren, het Eerste Water en het Tweede Water. Beide meren worden omringd door een brede strook moerasland. Achter de zeereep in de zuidelijk gelegen Pettemerduinen liggen goed ontwikkelde duinvalleien en droge duinen.

Het NNN-gebied is ook aangewezen als Natura 2000-gebied; het Zwanenwater zowel als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied, de Pettemerduinen als Habitatrichtlijngebied. De samenhang met andere gebieden in het NNN bestaat er hoofdzakelijk uit dat het gebied onderdeel is van de min of meer ononderbroken duinreep langs de Nederlandse vastelandskust. Ten noorden liggen de duingebieden de Noordduinen (K4) en in het zuiden gaat het duinlandschap enigszins onderbroken door de Hondsbossche Zeewering over in de Schoorlse duinen (N3). Het duingebied heeft aan de binnenlandse zijde een harde grens met een weg en het achterliggende agrarische landschap. Als uitzondering hierop zijn met de Uitlandse Polder en Zandpolder (K5) en het Kooibosch (K6) nog wel ruimtelijke relaties aanwezig. Ontstaansgeschiedenis Het NNN-gebied ligt in het landschapstype jong duinlandschap (fysisch geografische regio: duinen). De geschiedenis van het Zwanenwater en de Pettemerduinen is getekend door stormvloeden en de strijd van de mens tegen het zeewater. Na verwoestende stormen in de noordelijke kuststreek was omstreeks 1300 van de oorspronkelijk aaneengesloten duinenrij weinig meer over. Rond de eerste helft van de 16e eeuw werd begonnen met het aanleggen van een zeedijk, de huidige Zijperzeedijk, die nu de oostelijke grens van het Zwanenwater en de Pettemerduinen vormt.

De stuifdijk beschermde het achterland tegen de invloed van de zee. Buitendijks ontstonden duinenrijen die parallel aan de kust liepen. In een van de tussenliggende duinvalleien ontwikkelde zich een groot duinmeer. Later raakte dit water door instuiving afgesnoerd en viel het uiteen in het Eerste en het Tweede Water. Tijdens de aanleg van de Zijperzeedijk lag ten westen van de dijk een strandvlakte met kreken en duintjes. Ter plaatse van de Pettemerduinen ontstonden een of meerdere ketelduinen (stuivend duin). In de 18e en 19e eeuw nam de massa zand in het duingebied verder toe dankzij een door helmplanten opstuivende zeewering. Achter deze zeewering vormde zich een complex van duinen en duinvalleien. De huidige duinvalleien zijn deels afgesnoerde strandvlakten en deels uitgestoven duinvalleien. Aardkundig monument De duinen van Petten tot Den Helder, waar het Zwanenwater onderdeel van is, bestaan uit overwegend smalle tot zeer smalle duingordels. Het is een gesloten complex van (voormalige) zeerepen en stuifdijken met daarin valleien en smalle duinen, die soms tot paraboolduinen verwaaid zijn. Binnen de duingebieden vinden actieve landschapsvormende processen plaats zoals verstuiving (erosie), duinvorming (sedimentatie), verlanding en veenvorming langs de meerranden.

Onze referentie: D10016035:100 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public

26 van 31

ACHTERGRONDRAPPORT NATUUR

De duinen ten zuiden van Callantsoog bestaan uit een strandvlakte ingesloten door stuifdijken en hoge duinen met enkele grote duinmeren, waaronder het Zwanenwater: het grootste natuurlijke duinmeer van Europa. De duinen zijn ontstaan na de aanleg van de Zuid-Schinkeldijk (1572) aan de noordzijde, de Zijperzeedijk (1533) aan de oostzijde en door afsnoering van een aantal strandvlakten met duinenrijen. De duinmeren zijn ontstaan na 1533 en liggen op de locatie waar ooit een zeegat lag. Tegenwoordig vindt er bij het Zwanenwater weer veenvorming plaats. De verwevenheid van de cultuurhistorische en geologische ontstaansgeschiedenis maken dit duingebied tot een bijzonder geheel. Het gebied heeft een grote educatieve en wetenschappelijke waarde. Het gehele complex van duinen van Petten tot Den Helder heeft een nationale waardering. Het Zwanenwater en de duinen ten zuiden van Callantsoog hebben zelfs een internationale waardering gekregen. Natuurlijke zoetwaterduinmeren van deze omvang zijn zeldzaam in Europa. Ontwikkelingen zijn mogelijk indien het bodemprofiel en reliëf (bijv. door activiteiten als heien, graven en egaliseren) niet significant worden aangetast. Bij ontwikkelingen die beroering tot een diepte van 1m onder maaiveld vergen is in beginsel geen sprake van aantasting van de aardkundig waarde.

Abiotische en ruimtelijke karakteristiek Het Zwanenwater en de Pettemerduinen behoren tot de best behouden vastelandsduinen van Nederland. Het gebied bestaat uit twee parallel aan de kust liggende duinenrijen met daartussen gevarieerde vochtige duinvalleien en twee grote duinmeren. De duinen zijn relatief kalkarm, maar door secundaire verstuiving en de invloed van kalkrijk grondwater zijn belangwekkende gradiënten aanwezig. Een verschil met de meeste andere vastelandsduinen is dat het Zwanenwater nooit is gebruikt voor waterwinning. Mede hierdoor zijn de valleibegroeiingen uitzonderlijk goed ontwikkeld. Door het plaatsen van een kwelscherm tussen het Zwanenwater en het binnenland in combinatie met waterstandverhoging in de verworven natuurgebieden in de Uitlandse polder is het gebied de afgelopen decennia aanmerkelijk natter geworden. Huidig gebruik Het gebied wordt als natuurgebied beheerd en heeft daarnaast een belangrijke functie voor recreatief medegebruik. Het Zwanenwater heeft een grote aantrekkingskracht op wandelaars. Jaarlijks wordt het Zwanenwater bezocht door zo’n 100.000 mensen. De bezoekers kunnen kiezen uit twee wandelroutes en gebruik maken van een drietal observatiehutten en enkele uitzichtpunten. Om voldoende rust te garanderen voor vogels en andere dieren en om de kwetsbare plantengemeenschappen te ontzien, is de recreatie in het Zwanenwater sterk gezoneerd.

Er is alleen recreatie toegestaan in het noordelijke deel van het gebied. Het gebied is ook alleen toegankelijk voor wandelaars. Andere recreatievormen worden geweerd. Kernkwaliteiten Op basis van het voorgaande worden in Zwanenwater de volgende ecologische kernkwaliteiten onderscheiden, die de basis vormen voor het behoud van biodiversiteit die (inter)nationaal en/of regionaal van belang is: • •

Duinmeren met moeras Dynamisch jong duinlandschap

Natuurwaarden De natuurwaarden, zowel actueel als potentieel, zijn hierna beschreven aan de hand van de kernkwaliteiten van het gebied. •

Kernkwaliteit: Duinmeren met moeras  Actuele natuurwaarden: Het voedselrijke Eerste en Tweede water horen tot het beheertype zoete plas (N04.02). De waterstand fluctueert sterk in de plassen. Als gevolg van het instuiven van zeer fijn zand en vermenging met onverteerde algen is de waterkwaliteit matig. Waterplantenvegetaties zijn niet meer aanwezig. Grenzend aan de plassen ligt een uitgestrekt moeras (N05.01), dat soms bestaat uit overjarig riet of struweel. Het moeras is leefgebied van de waterspitsmuis. Bijzonder zijn hier de galigaanvelden (H7210) en de duinvalleien met forse moerasplanten (H2190D) als grote boterbloem, draadzegge en moerasmelkdistel.

Onze referentie: D10016035:100 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public

27 van 31

ACHTERGRONDRAPPORT NATUUR

•

De plassen zijn een belangrijk rustgebied voor ganzen, waaronder de voor het Natura 2000- gebied aangewezen dwerggans. Voor andere watervogels zoals de Vogelrichtlijnsoort slobeend, zijn de plassen van belang als foerageergebied in de winter. Als broedgebied zijn de moerassen van belang voor moeras- en rietvogels. Op de oevers en op de eilandjes broeden lepelaar, aalscholver en roerdomp. De aalscholver concurreert met de lepelaar om geschikte broedplekken. De roerdomp is een niet jaarlijkse broedvogel, al zijn de laatste jaren doorgaans wel enkele paartjes in het rietland aanwezig.  Potentiële natuurwaarden: De potenties van de duinmeren en moerassen voor met name vogels worden al grotendeels benut. De laatste decennia zijn de moerassige delen echter op veel plekken dichtgegroeid met struwelen van grauwe wilg. Op de natuurwaarden (en de potentie) van het gebied ook in de toekomst te behouden zal er actief beheer moeten plaatsvinden om verdere verbossing tegen te gaan. De waterkwaliteit van de twee meren laat te wensen over. In de zomer treedt bloei van blauwalgen op. Ook heeft door de jaren heen zich een dikke laag organisch materiaal afgezet, vermengd met vanuit de zeereep ingestoven, zeer fijn zand. Daarnaast speelt bemesting door vogels en zure depositie een rol. In 2008 en 2009 zijn de meren uitgebaggerd.

Hoewel dit de ontwikkeling van water- en oevervegetaties ten goede kan komen is de vraag of dat duurzaam het geval is en daarnaast mag dit niet ten koste gaan van de (nu al) rijke vogelstand. Kernkwaliteit: Dynamisch jong duinlandschap  Actuele natuurwaarden: Bij het beheertype N08.01 Strand en embryonaal duin is het beheer van Rijkswaterstaat bepalend. Het beheertype komt aan de zeezijde voor van de buitenste duinenrij. Binnen het beheertype staat de kustverdediging voorop en is beperkt ruimte voor natuurlijke ontwikkelingen. Het beheertype gaat over in het beheertype N08.02 Open duin. Dit type bevindt zich voornamelijk in en direct achter de zeereep en in of nabij stuifplekken met typische pioniervegetaties van open zand. Hier groeien soorten als helm en zeemelkdistel. Daarnaast kent het gebied veel gestabiliseerd duingrasland (grijze duinen, H2130B), met o.a. buntgras, duinroosje, duinviooltje en veel schapegras, mossen en korstmossen. Het open duin neemt verreweg het grootste gedeelte van het oppervlakte in van het Zwanenwater en Pettemerduinen. Hoewel open duin in Nederland vrij veel voorkomt, is het internationaal gezien zeldzaam. Nederland kent daarom een bijzondere verantwoordelijkheid. In de open duinen komen verschillende bedreigde plantensoorten (o.a. hondsviooltje, gelobde maanvaren en ogentroost) en vogels van heide en open zand voor (o.a. tapuit).

De tapuit broedt in het gebied, maar de aantallen van deze karakteristieke duinvogel nemen wel sterk af. Het waren er ooit vele tientallen, maar in 2018 was er nog slechts 1 broedpaar. Verder komen hier enkele bijzondere vlindersoorten voor, zoals de duinparelmoervlinder, bruinblauwtje, kleine parelmoervlinder en heivlinder. Ook de zandhagedis leeft in het Zwanenwater vooral in dit beheertype. Hier vindt de soort open zandige plekjes om haar eieren in af te zetten, voldoende beschutting en genoeg insecten om op te jagen. In de vochtige duinvalleien (N08.03) zijn verschillende poelen te vinden. Rond deze plekken zijn vaak pionier soorten te vinden als parnassia, waterpunge, moeraswespenorchis en vleeskleurige orchis. Dit zijn ook de plekken voor de rugstreeppad en komt ook de zeldzame gevlekte witsnuitlibel voor. Op de overgang van de duinen naar de grote plassen en omliggende moerassen zijn uitgestrekte natte hooilanden aanwezig. Deze Vochtige hooilanden (N10.02) zijn matig voedselrijk en worden gevoed met relatief kalkrijk kwelwater. Hier groeien onder meer duizenden brede orchissen en rietorchissen. Het beheertype N10.01 Nat schraal grasland dat hier eveneens te vinden is en waarvoor ook een Natura 2000-doel geldt (habitattype H6230 heischraal grasland), is iets minder uitgesproken bloemrijk dan de vochtige hooilanden. Hier groeien vooral veel kleine zeggen en russen.

Op enkele zeer natte plekken is onder invloed van stagnerend regenwater moerasheide ontstaan. Naast veenmossen en dopheide groeien hier ook welriekende nachtorchis, wateraardbei en veenpluis. Het Zwanenwater is ook en belangrijk leefgebied voor de argusvlinder. De langdurig consequent beheerde gradiëntrijke graslanden zijn floristisch zeer waardevol en vormen daarnaast ook de groeiplaats van een groot aantal bijzondere paddenstoelen van oude graslanden, zoals wasplaten, aardtongen en barsthoeden. Op grond hiervan kwalificeren ze ook als het in Nederland zeer zeldzaam geworden wasplatengrasland. Het beheertype duinheide (N08.04) wordt meer landinwaarts in oudere, ontkalkte duinen of in verzuurde valleien aangetroffen. Op droge plaatsen komt vooral struikheide, afgewisseld met buntgras, schapegras, mossen en korstmossen voor. Op iets minder droge plekken komt de combinatie van struikheide en kraaiheide voor, terwijl op vochtiger noordhellingen de kraaiheide samen met eikvaren (habitattype H2140) groeit.

Onze referentie: D10016035:100 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public

28 van 31

ACHTERGRONDRAPPORT NATUUR

Door hun omvang vormen deze duinheiden de beste voorbeelden van het habitattype duinheiden met kraaihei in de vastelandsduinen met karakteristieke broedvogels zoals de nachtzwaluw. In de droge duinen komt verder duinbos (N15.01) en struweel voor van berk en zomereik. Op enkele plaatsen is in de jaren dertig de Corsicaanse den aangeplant. Met name in de Pettemerduinen is een substantieel oppervlak naaldbos aanwezig. Op vochtigere standplaatsen is veenbos ontstaan in het algemeen bezet door zachte berk. Deze veenbossen zijn spontaan ontwikkeld. De bossen en struwelen zijn rijk aan broedvogels en er zijn waarnemingen van de boommarter bekend. De bossen hebben daarnaast belangrijke betekenis voor diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten.  Potentiële natuurwaarden: De natuurpotenties in het gebied worden al grotendeels benut. De kust bij Callantsoog wordt gezien als zwakke schakel in de kuststrook. De afgelopen jaren heeft er veel kustafslag plaatsgevonden. Door de verwachte zeespiegelstijging zijn daarom kustbeschermde maatregelen uitgevoerd. Hierdoor neemt de kustafslag af en is er zelfs kans op kustaangroei met duinvorming. Daarmee zouden de valleien in en nabij de zeereep weer enigszins natter kunnen worden, waardoor de kwaliteit verbeterd.

In het kader van Natura 2000 worden maatregelen genomen om de grote variatie in het gebied te behouden en te voorkomen dat jonge successiestadia verloren gaan of in kwaliteit afnemen. Er zal onder meer een actief beheer (o.a. plaggen) worden toegepast. Abiotische en ruimtelijke condities In de volgende tabel zijn de kernkwaliteiten en bijbehorende actuele en potentiële natuurwaarden weergegeven in relatie tot de voor deze waarden relevante abiotische en ruimtelijke condities. De condities zijn gelijk voor actuele en potentiële natuurwaarden en daarom niet afzonderlijk weergegeven. Deze tabel geeft daarmee inzicht in de aspecten waarmee rekening dient te worden gehouden in het ecologisch onderzoek naar de mogelijke (significante) gevolgen van een plan of project in het NNN.

Vervangbaarheid De actuele natuurwaarden in de Zwanenwater en Pettemerduinen zijn een gevolg van eeuwenlange dynamiek langs de Noordzeekust en dan ook niet of nauwelijks vervangbaar, nog los van de functie bij de kustverdediging. Om te voorkomen dat deze kwaliteiten in het landschap voorgoed zullen verdwijnen behoort dit gebied tot het aardkundig erfgoed van de provincie Noord-Holland. In de loop van eeuwen is een complex duingebied ontwikkeld met een duidelijke oostwest zonering. In het oosten liggen ontkalkte duinen met heidevegetaties, bosjes en duinvalleien met moerasvegetaties.

Onze referentie: D10016035:100 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public

29 van 31

ACHTERGRONDRAPPORT NATUUR

Ook de vegetaties rondom het Eerste water en Tweede water als galigaanmoerassen en de vochtige hooien duingraslanden zijn moeilijk tot niet vervangbaar. Ook de vochtige valleien in de Pettemerduinen hebben zich in de loop van de tijd steeds verder ontwikkeld, waarbij bijzondere overgangen zijn ontstaan. De bosaanplant in de eerste helft van de twintigste eeuw is relatief goed vervangbaar (<25 jaar) en biedt ook ruimte voor andere meer typische duinvegetaties. Daarnaast geldt dat de fysieke kenmerken van de jonge en oude duinen en duinmeren niet significant mogen worden aangetast, zodat de aardkundige waarden en de ontstaansgeschiedenis via het aardkundig monument behouden blijven.

Onze referentie: D10016035:100 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public

30 van 31

ACHTERGRONDRAPPORT NATUUR

COLOFON ACHTERGRONDRAPPORT NATUUR PLAN-MER PALLAS KLANT Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor AUTEUR Gijs Kos PROJECTNUMMER C05011.000642 ONZE REFERENTIE D10016035:100 DATUM 16 april 2021 STATUS Definitief GECONTROLEERD DOOR

VRIJGEGEVEN DOOR

Ineke Noordhoek

Frans Dotinga

Arcadis Nederland B.V. Postbus 56825 1040 AV Amsterdam Nederland +31 (0)88 4261 261 www.arcadis.com

Onze referentie: D10016035:100 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public

31 van 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14683121/1