CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

GR Wijziging Beantwoording vragen van de heer Vriend - CDA Hollands Kroon

Gemeenteraad 22 juni 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Voorstel tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord- Holland Noord.1.539 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

De heer S. Vriend (CDA/ Hollands Kroon) heeft op 31 mei enkele schriftelijke vragen gesteld over de Wijziging Gemeenschappelijke Regeling. Via deze weg ontvangt u deze.

Vraag 1 In de brief van het AB wordt aangegeven dat toestemming van de gemeenteraden nodig is op grond van artikel 1 Wgr. Nu de provincie ook deelnemer is, moet dit toch een toestemming zijn op basis van artikel 51 Wgr. Waarom wordt opnieuw artikel 1 genoemd? Antwoord vraag 1 Uit de schakelbepaling, artikel 52 Wgr, volgt tevens dat artikel 9 Wgr van overeenkomstige toepassing is (zie de aanhef van lid 1). In artikel 9, lid 1 Wgr is vermeld: “De voor onbepaalde tijd getroffen regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding en de gevolgen van uittreding, met inachtneming van artikel 1.” Het klopt voorts dat artikel 51 Wgr van toepassing is. Artikel 51 Wgr is materieel gelijk aan artikel 1 Wgr. Artikel 51 Wgr bepaalt o.a. hoe een regeling kan worden getroffen en dat o.a. het wijzigen van een regeling hetzelfde is als het treffen van een regeling. Duidelijk is dat ook bij het wijzigen van de GR toestemming van de raden en PS nodig is, zoals de vraagsteller ook vermeld Vraag 2 Op grond van artikel 5 kan een deelnemer extra taken opdragen aan de GR. Dit naast het basispakket op grond van artikel 4. Vermindering van taken wordt gelijkgesteld aan een gedeeltelijke uittreding.

Onduidelijk is in de tekst van artikel 5 of het verzoek tot vermindering taken, als bedoeld in artikel 5 ook kan zien op de basistaken (artikel 4) of dat dit beperkt blijft tot de extra taken. Dit laatste is het meest logisch omdat elke deelnemer in ieder geval op grond van artikel 4 de basistaken moet afnemen, alleen artikel 5 is daarover niet duidelijk. De tekst in artikel 5 zou daarover meer duidelijkheid moeten geven. Antwoord vraag 2 Artikel 4 GR gaat over de ‘landelijke basistaken’. Artikel 5 GR gaat over de overige taken, c.q. extra taken c.q. plustaken. Leden 4 en 5 van artikel 5 GR gaan dus inderdaad niet over de landelijke basistaken. Daarom wordt in deze leden ook niet naar de landelijke basistaken verwezen. Dit is het geval, omdat wat betreft de overige taken c.q. extra taken c.q. plustaken, zoals bedoeld in artikel 5 GR, het aan de deelnemers is voorbehouden om al dan niet deze taken te beleggen bij c.q. op te dragen aan de OD en deze eventueel ‘weer terug te nemen’ ingevolge het Bedrijfsplan, de GR en de DVO. Voor wat betreft de landelijke basistaken is er geen keus of mogelijkheid tot wijziging. Dit ligt wettelijk vast. De belegging van de landelijke basistaken bij de OD is wettelijk verankerd/geborgd. Daar hebben de deelnemers geen keuze in.

Deze wettelijke verankering gaat straks onder de Omgevingswet niet wijzigen, gezien het wetsvoorstel en de parlementaire stukken hierover. M.a.w., van het terugnemen van de basistaken kan geen sprake zijn. Dat deze landelijke basistaken verplicht bij de OD zijn belegd hoeft voorts niet in de GR te worden geregeld, omdat dit al dwingend uit de wet volgt. Vraag 3

Artikel 35 is ook van toepassing als er sprake is van een verzoek vermindering taken. Dit betekent dat een verzoek vermindering taken alleen kan na toestemming van de betreffende gemeenteraad of PS. Waarom is deze toestemming niet vereist als er meer taken, als bedoeld in artikel 5 worden opgedragen aan de GR gelet op de mogelijke financiële gevolgen voor de gemeente? In artikel 5 is het toestemmingsvereiste niet opgenomen. Artikel 35 is niet duidelijk als het gaat over de wijze waarop de schadevergoeding bij uittreding wordt berekend. Gelet op het budgetrecht van de gemeenteraad, maar ook de rechtszekerheid zou dat duidelijker in de GR moeten zijn omschreven. De beleidsregels genoemd in lid 6 gelden hier niet, begrijp ik. Antwoord vraag 3 Dit volgt m.n. uit de systematiek van de Wgr in samenhang met de GR, alsook uit hoe een en ander in het Bedrijfsplan en de GR is geregeld en gekwalificeerd door de deelnemers bij het (initieel) treffen van de GR. Reeds bij het treffen van de GR jaren geleden hebben de deelnemers beslist dat het ‘terugnemen van extra taken c.q. plustaken’ wordt aangemerkt als uittreden uit de GR. Dit volgt o.a. ook uit het Bedrijfsplan en de toelichting daarop. Thans is dit ook (weer) duidelijker in de GR vermeld en de geregeld.

Omdat uittreden volgens de wet, artikel 51 Wgr, hetzelfde is als het treffen van een regeling, geldt in zo’n geval inderdaad ook het formele vereiste (toestemming raden en PS). Hier gaat de vraagsteller ook van uit. Ten aanzien van het opdragen van extra taken c.q. plustaken is/wordt niet eenzelfde soort kwalificatie en gelijkstelling gehanteerd door de wetgever of de deelnemers. Het opdragen van extra taken c.q. plustaken geschiedt door middel van de takenlijst en wordt aldus uitgewerkt in de DVO en de bijlagen/takenlijsten. Daar is artikel 9 Wgr als zodanig niet op van toepassing. Artikel 51 Wgr geldt in zo’n situatie ook niet. Artikel 35 GR is evenmin van toepassing in dat geval. Vraag 4 Overigens is dit voor vermindering van taken ook niet duidelijk. In artikel 35, lid 6 wordt terzake verwezen naar beleidsregels. Ten eerste zitten deze niet bij de stukken, maar door de verwijzing maken ze wel deel uit van de GR. En van wanneer zijn deze beleidsregels? Want het kan niet zo zijn dat de beleidsregels door het AB worden gewijzigd zonder instemming van de deelnemers. Een wijziging van de beleidsregels door het AB zou namelijk een wijziging van de GR betekenen, nu in de GR daarnaar wordt verwezen, en dat kan niet zonder besluiten van de deelnemers en de toestemmingen van de diverse vertegenwoordigende lichamen.

De formulering nu maakt niet duidelijk van wanneer de beleidsregels zijn en dus welke van toepassing zijn. En wanneer krijgen we die? Antwoord vraag 4 Het gaat om de thans geldende beleidsregels, zoals door/in het AB vastgesteld op 8 maart 2018 (en tevens gepubliceerd in 2018). Uit vraag 5 maak ik op dat deze beleidsregels reeds bekend zijn bij de vraagsteller. Deze beleidsregels zijn voldoende helder en hierin is de bevoegdheid van het AB uitgewerkt. Het verminderen van extra taken c.q. het verminderen van plustaken is een specifieke vorm van (gedeeltelijk) uittreden. Zo is dit van begin af aan door de deelnemers gekwalificeerd. In lid 6 van artikel 35 GR is met betrekking tot deze specifieke vorm van (gedeeltelijk) uittreden verwezen naar de ‘Beleidsregels vermindering extra takenpakket’. Het is logisch en redelijk dat deze beleidsregels, die concreet gaan over ‘vermindering extra takenpakket’ sec op deze vorm van uittreden van toepassing zijn (verklaard). Deze beleidsregels geven op voorhand duidelijkheid aan de deelnemers over o.a. de schade(berekening) in voorkomend geval. Los van de voornoemde specifieke vorm van (gedeeltelijk) uittreden, kan in theorie ook overigens uittreden aan de orde zijn. Ook dit is vanaf begin af aan al het geval. Op grond van de Wgr moet dit worden geregeld.

Uit lid 4 van artikel 35 GR volgt dat als een deelnemer overigens – anders dan in geval van ‘vermindering extra takenpakket’ – uittreedt, de deelnemer de schade dient te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van de uittreding uit de regeling. Zie ook lid 3 van artikel 35 GR. Hieruit vloeit voort dat wordt uitgegaan van de reële, werkelijke, schade, die dient te worden vergoed. Dit is rechtens correct. Volledigheidshalve wordt echter opgemerkt dat het zeer

de vraag is of/wanneer ‘overig uittreden’ ooit daadwerkelijk aan de orde kan zijn. Gezien de wettelijke verankering van basistaken en aldus de wettelijke verankering van de positie van de omgevingsdiensten, dus ook die van de OD NHN, is niet te verwachten dat dit aan de orde zal (kunnen) zijn. Onder de Omgevingswet blijft de wettelijke verankering bestaan. Er is momenteel geen indicatie dat daarin op termijn verandering gaat komen. Vraag 5 Van het vorige voorstel tot wijziging van de GR weet ik nog dat in de beleidsregels stond dat de vergoeding drie maanden na vaststelling door het AB moet worden betaald. Dat is een verplichting voor deelnemers en hoort dus niet thuis in de beleidsregels, maar in de regeling zelf. Ik heb een bepaling met die strekking niet kunnen vinden. Is dat nog actueel? In de beleidsregels stond destijds ook dat een verzoek vermindering taken voor 1 mei moest worden ingediend. Dat is ook een verplichting die in de GR thuishoort nu deze is gericht tot de deelnemers. Is dat nog actueel? Antwoord vraag 5 Ja, de aangehaalde bepalingen (artikel 2, lid 3 en artikel 3, lid 8) uit de beleidsregels zijn nog actueel, t.w. deze gelden nog. Deze bepalingen uit de beleidsregels zijn voorts in overeenstemming met de GR. Er zijn/worden hierdoor immers geen verplichtingen aan de deelnemers opgelegd die verder gaan dan de GR bepaalt.

Van strijd met de wet is evenmin sprake. De betaaltermijn van drie maanden in de beleidsregels is overigens langer dan de betaaltermijn die volgt uit de wet (te weten titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht). Dit is dus in het voordeel van de deelnemers. De wettelijke betaaltermijn is namelijk zes weken na bekendmaking van het betreffende besluit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10244961/1