CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Getekend RB Vijf besluiten met betrekking tot de Omgevingswet geamendeerd

Gemeenteraad 19 december 2023, gemeente SchagenBij agendapunt: Vijf besluiten met betrekking tot de Omgevingswet15.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

49CD9D2C-UAB-4C38-B3EF-FF7C69712DB7

n

I GEMEENTE

#

behagen

Besluit

Stuknummer: 23.115783

21-12-2023 Document verwerkt.

Vergadering van 19 december 2023 Vijf besluiten met betrekking tot de Omgevingswet

De Gemeenteraad van de gemeente Schagen, gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders d.d. 19 september 2023 Het college van burgemeester en wethouders is op grond van artikel 160 lid I sub b van de Gemeentewet bevoegd de beslissingen van de raad voor te bereiden. Op basis van artikel 147 van de Gemeentewet en de Omgevingswet is de raad bevoegd voor het nemen van deze besluiten.

besluit 1. De lijst van gevallen van buitenplanse omgevingsactiviteiten waarvoor de raad adviseur is. conform de geamendeerde lijst welke middels bijlage 1 onderdeel uitmaakt van dit besluit, vast te stellen. 2. De lijst van gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor participatie verplicht is. conform de lijst welke middels bijlage 2 onderdeel uitmaakt van dit besluit, vast te stellen. 3. Een lijst met onderwerpen ten behoeve van de overdracht van de bevoegdheid tot vaststellen van delen van het omgevingsplan aan burgemeester en wethouders, conform de lijst welke middels bijlage 3 onderdeel uitmaakt van dit besluit, vast te stellen. 4. De procedureverordening nadeelcompensatie Schagen 2024. conform de verordening welke middels bijlage 4 onderdeel uitmaakt van dit besluit, vast te stellen. 5. De verordening gemeentelijke adviescommissie erfgoed en ruimtelijke kwaliteit Schagen 2024. conform de verordening welke middels bijlage 5 onderdeel uitmaakt van dit besluit, vast te stellen. Beslispunten 1 tm 3 treden in werking op 01-01 -2024.

Aldus besloten in de vergadering van 19 december 2023. De Gemeenteraad van de gemeente Schagen.

\J DIGľlAALONDERĨEKEND

griffier G.E.P. Meijer

voorzitter M J.P. van Kampen

Besluit van de raad van de gemeente Schagen houdende regels tot aanwijzing van gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de raad adviseur is

De raad van de gemeente Schagen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 9-9-2023]; gelet op artikel 1 6.1 5a, aanhef en onder b, sub 1 van de Omgevingswet; besluit dat: 1.

De gemeenteraad adviseur is, zoals bedoeld in artikel 1 6.1 5 van de Omgevingswet, als het gaat om één van de volgende gevallen om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit:

a.

Categorieën van gevallen die afwijken van de huidige omgevingsvisie;

b.

Het wijzigen van het gebruik van bouwwerken al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten buiten de bebouwde kom, mits de wijziging meer bedraagt dan 1 500 m2;

c.

Het oprichten van een intensieve veehouderij;

d. Transformatorstations met een capaciteit van 1 50/20 kV- of groter; e.

Het bouwen van meer dan 1 0 woningen binnen de bebouwde kom;

f.

Het bouwen van meer dan 3 woningen buiten de bebouwde kom;

g.

De vestiging van niet agrarische bedrijven in het buitengebied;

h.

Logiesfuncties voor meer dan 60 arbeidsmigranten;

i.

Nieuwe agrarische bebouwing in het buitengebied, waarvoor geen agrarisch bouwvlak is opgenomen;

j.

Een antenne-installatie hoger dan 50m;

k.

Indien 509á lokaal eigendom van een grootschalig zonnepark groter dan 2 ha niet haalbaar blijkt;

l.

Het bouwen van een nieuw recreatiepark of het uitbreiden van een bestaand recreatiepark met meer dan 20 woningen;

m. Het realiseren van een nieuw hotel; n.

Het realiseren van meer dan 3 recreatiewoningen, niet zijnde op een recreatiepark;

o.

Indien de activiteit niet past binnen de doelen van het omgevingsplan;

p.

Indien de activiteit niet past binnen de (overige) door de gemeenteraad gestelde kaders.

met dien verstande dat in geen geval advies hoeft te worden gevraagd indien de aanvraag wordt afgewezen. Dit besluit treedt in werking op 01 -01 -2024 De Gemeenteraad van de gemeente Schagen,

■griffier G.E.P. Meijer

voorzitter M J P. van Kampen

Toelichting besluit adviesrecht buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. In de Omgevingswet wordt een mogelijkheid gecreëerd voor de gemeenteraad om gevallen van activiteiten aan te wijzen waarbij het college verplicht advies moet vragen aan de raad. Dit kan alleen voor aanvragen omgevingsvergunning waar sprake is van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dit zijn omgevingsplanactiviteiten waarvoor de omgevingsvergunning niet kan worden verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan zelf opgenomen regels, maar waarbij moet worden gekeken naar het criterium ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Het door de gemeenteraad gegeven advies kan het college in deze gevallen niet naast zich neerleggen. Het is een bindend advies. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt voorbereid via de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken. Uitgangspunt voor het opstellen van dit besluit en de categorieën is de huidige vastgestelde lijst van gevallen waarin de raad heeft bepaald geen VVGB hoeft te worden afgegeven. Hierin staan over het algemeen genomen activiteiten met een geringe impact op de leefomgeving. Onder de Omgevingswet wordt dit stelsel omgedraaid; geen lijst met gevallen waarvoor geen VVGB hoeft te worden afgegeven, maar aangewezen gevallen waarvoor wel adviesrecht geldt.

Daarnaast is een voorbeeldlijst van de VNG en van omliggende gemeenten meegenomen. Alleen die gevallen waarvan van tevoren al duidelijk is dat deze een grote impact kunnen hebben, worden aangewezen. Het betreft enkele specifiek genoemde ontwikkelingen (realisatie van windturbines, zonneparken of meer dan 60 slaapplaatsen voor arbeidsmigranten) en meer in het algemeen nieuwe stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in artikel 5.1 29g van het Besluit kwaliteit leefomgeving op een bepaalde locatie of van een bepaalde omvang. Het gaat hier bijvoorbeeld om de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, van kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening, die voldoende substantieel is. Er is in dit besluit gekozen voor een lijst gebaseerd op de huidige VVGB lijst, de voorbeelden van de VNG en omliggende gemeente omdat in de transitieperiode van 2024 tot en met 2031 nog wordt gewerkt met een groot deel van de huidige bestemmingsplanregels (tijdelijk deel van het omgevingsplan), maar ook om na te gaan of en hoe dit adviesrecht binnen de procedurele beslistermijn van 8 weken past. Dit betekent niet automatisch dat deze lijst tot die periode in deze vorm moet blijven bestaan, jaarlijkse evaluatie van de werking van dit besluit verdient aanbeveling.

Zo kan er snel worden ingesprongen op onvoorziene ontwikkelingen of onwenselijke uitkomsten.

Besluit van de raad van de gemeente Schagen houdende regels tot aanwijzing van gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor participatie verplicht is

De raad van de gemeente Schagen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19-9-2023 gelet op artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet; besluit dat:

1. Participatie van en overleg met derden verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor burgemeester en wethouders bevoegd gezag is, kan worden ingediend als het gaat om één van de volgende gevallen: a. Gevallen waarvoor bindend adviesrecht van de raad van toepassing is; b. Grootschalige zonneparken; c. Kleinschalige zonneparken op een locatie buiten een agrarisch bouwblok en/of onder lijnopstelling windturbines en/of natuur-duin, strand, overig, openbare gronden, waterbergingen en/of andere semi-openbare gronden; d. Micro winmolens met een as-hoogte tot 15 meter; e. Logiesfuncties voor arbeidsmigranten; Dit besluit treedt in werking op 01-01-2024

Context besluit participatie buitenplanse omgevingsplanactiviteiten De Omgevingswet biedt de gemeenteraad een mogelijkheid om gevallen van activiteiten aan te wijzen waarvoor participatie van en overleg met derden verplicht wordt gesteld. Dit kan alleen voor aanvragen om een omgevingsvergunning waar sprake is van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dit zijn omgevingsplanactiviteiten waarvoor de omgevingsvergunning niet kan worden verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan zelf opgenomen regels, maar waarbij moet worden gekeken naar het criterium 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Bij (normale) omgevingsplanactiviteiten moet een aanvrager aangeven of er participatie heeft plaatsgevonden en zo ja, op welke wijze en wat de resultaten daarvan zijn. Heeft er echter geen participatie plaatsgevonden, dan is dat geen reden om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Het aanwijzen van gevallen in dit besluit heeft dus de status van aanvraagvereiste; voordat de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, moet participatie en overleg hebben plaatsgevonden. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht moet de aanvrager wel de mogelijkheid krijgen om een eventueel gebrek te herstellen. Gebeurt dit niet binnen een redelijke termijn, dan kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld.

Uitgangspunt voor het opstellen van dit besluit is het aanwijzen van gevallen die een grote impact zouden kunnen hebben op de fysieke leefomgeving en waarbij het van belang is zoveel mogelijk input op te halen voordat de aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt ingediend. Deze opbrengst van burgers, bedrijven en/of maatschappelijke organisaties kan gemiste belangen en alternatieve oplossingsrichtingen in beeld brengen, maar ook nopen tot aanpassing van de uitvoering van het initiatief en kan leiden tot kwaliteitsverbetering. Het is geenszins het einddoel dat er voldoende (maatschappelijk) draagvlak in de omgeving of buurt zou moeten zijn, het doel is om tot een goed afgewogen besluit te komen. Draagvlak kan overigens wel een resultaat zijn van een goed ingericht participatieproces. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de aanvrager zelf bepaalt hoe het participatieproces wordt vormgegeven. De Omgevingswet en de daaronder hangende besluiten en regeling bieden de gemeenteraad en/of burgemeester en wethouders geen ruimte om nadere procedurele of materiële eisen te stellen.

Besluit van de raad van de gemeente Schagen houdende regels tot overdracht van de bevoegdheid tot vaststellen van delen van het omgevingsplan aan burgemeester en wethouders

De raad van de gemeente Schagen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19-9-2023; gelet op artikel 156 van de Gemeentewet, afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.8 van de Omgevingswet; besluit dat:

1.

Burgemeester en wethouders bevoegd zijn delen van het omgevingsplan vast te stellen, als het gaat om één van de volgende gevallen: a. b. c. d. e. f.

g. h.

Het maken van wijzigingen van technische aard; het actualiseren in verband met gewijzigde, hogere wet- of regelgeving. Het wijziging van de toelichting van het omgevingsplan; het actualiseren in verband met omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in artikel 4.17 van de Omgevingswet; het vertalen van, door de raad of burgemeester en wethouders, vastgestelde beleidsregels; het aanpassen van het omgevingsplan voor zover dat onder de Wet ruimtelijke ordening als wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan opgenomen was; het herstellen van kennelijke verschrijvingen; het toevoegen of wijzigen van begripsbepalingen;

Dit besluit treedt in werking op 01-01-2024

De Gemeenteraad van de gemeente Schagen.

griffier G.E.P Meijer

voorat for M I P van Kampen

Context delegatiebesluit In de Omgevingswet wordt een mogelijkheid gecreëerd om de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan over te dragen aan burgemeester en wethouders. Dit delegatiebesluit is afgezonderd van het omgevingsplan. Het is dan ook geen voortzetting van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, waarbij burgemeester en wethouders via het bestemmingsplan bevoegd gezag konden worden voor een wijzigings- of uitwerkingsplan. Hiermee wordt voorkomen dat er een gelaagdheid ontstaat in regelgeving. Ook hoeft op het moment van vaststellen van het delegatiebesluit nog niet vast te staan dat de gedelegeerde aanpassingen van het omgevingsplan zullen voldoen aan het wettelijke kader. Als burgemeester en wethouders een besluit tot wijziging van het omgevingsplan nemen, moet aan dezelfde eisen worden voldaan als een door de raad genomen besluit tot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan. Volgens de memorie van toelichting biedt de mogelijkheid om delen van het omgevingsplan via delegatie in of aan te vullen of te wijzigen ruimte voor toedeling van bevoegdheden op maat. Ter inspiratie wordt een aantal voorbeelden genoemd door de wetgever: *

»

*

»

in de omgevingsvisie heeft de raad een transformatiegebied aangewezen en in het delegatiebesluit kan dan worden bepaald dat burgemeester en wethouders het omgevingsplan (al dan niet in fases) zo wijzigen dat de transformatie zonder buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gerealiseerd wordt; de raad kan het aanpassen van een omgevingsplan als gevolg van de aanwijzing van een beschermd stadsgezicht delegeren aan burgemeester en wethouders, ook in algemene zin; de raad kan aan bepaalde locaties functies toekennen waarbij de bevoegdheid tot het stellen van regels met betrekking tot activiteiten die bij deze functies horen aan burgemeester en wethouders wordt gedelegeerd; de raad kan bepalen dat burgemeester en wethouders het omgevingsplan mag wijzigen wanneer een bepaald perceel minnelijk verworven is.

Bovenstaande voorbeelden gaan uit van duidelijke, vastgestelde kaders zoals die een plaats zullen krijgen in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Totdat deze instrumenten verder ontwikkeld zijn, is er vooralsnog voor gekozen die gevallen te delegeren die niet afhankelijk zijn van deze kaders. Tijdens de transitiefase (en daarna) is het raadzaam om de werking van dit besluit regelmatig te evalueren. Zo kan er voortvárend ingesprongen worden op nieuwe ontwikkelingen en vastgestelde, kaderstellende instrumenten.

Besluit van de raad van de gemeente Schagen tot vaststelling van de Verordening nadeelcompensatie

De raad van de gemeente Schagen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19-9-2023; gelet op de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet, titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 15.1 van de Omgevingswet; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening nadeelcompensatie Schagen 2024

Artikel 1. Toepassingsbereik 1. Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan de aanvrager stelt dat die wordt veroorzaakt door een bestuursorgaan van de gemeente. 2. Deze verordening heeft geen betrekking op aanvragen om schadevergoeding waarop een bijzondere regeling van toepassing is. Artikel 2. Heffen recht Voor het in behandeling nemen van de aanvraag om schadevergoeding wordt een recht van C 500, geheven. Artikel 3. Aanvraag 1. De aanvrager van schadevergoeding maakt gebruik van een door het bestuursorgaan vastgesteld elektronisch formulier. 2. In aanvulling op artikel 4:127 van de Algemene wet bestuursrecht bevat een aanvraag mede: a. als het schade betreft wegens winst- of inkomstenderving: jaarrekeningen over het jaar waarin schade is geleden en voor zover van toepassing de drie daaraan voorafgaande járen en de aanslagen vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting. b. als het schade betreft wegens gederfde huurinkomsten: een afschrift van de huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst en een eigendomsakte. Artikel 4. Adviescommissie 1. Het bestuursorgaan wint slechts advies in bij een adviescommissie voor zover dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om op de aanvraag om schadevergoeding te kunnen beslissen. 2.

Advies als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval niet ingewonnen als: a. de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan kennelijk ongegrond is, omdat zich kennelijk een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 4:126, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht; b. de schade kennelijk niet kan worden toegerekend aan een door het bestuursorgaan genomen besluit of verrichte handeling; c. de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende gelijkenis vertoont met andere aanvragen waarvoor al advies is uitgebracht; d. de schadevergoeding kennelijk minder bedraagt dan C 500,- voor particulieren en Cl.000, voor ondernemingen, of e. naar het oordeel van het bestuursorgaan in de gemeentelijke organisatie voldoende deskundigheid voor de beoordeling van de aanvraag aanwezig is. 3. Een adviescommissie bestaat uit een of meer deskundigen. 4. Een adviescommissie kan worden benoemd als: a. vaste commissie, waarbij de leden door burgemeester en wethouders voor een termijn van maximaal vier jaar worden benoemd met de mogelijkheid tot herbenoeming voor maximaal vier jaar, of b. tijdelijke commissie voor advisering met betrekking tot een of meer aanvragen, door het bestuursorgaan dat de aanvragen behandelt.

Artikel 5. Procedure 1. Als advies wordt ingewonnen bij een adviescommissie, informeert het bestuursorgaan de aanvrager en belanghebbenden. 2. Bij de toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht wordt naast de aanvrager voor zover van toepassing betrokken: a. degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid, van de Omgevingswet is gesloten, en, b. als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag, zoals geregeld in artikel 13.3d van de Omgevingswet, de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht, tenzij: 10. de schadevergoeding redelijkerwijze voor rekening behoort te blijven van het bestuursorgaan, of 20. de schadevergoeding voldoende op een andere manier is verzekerd. Artikel 6. Uitbetaling Bij geheel of gedeeltelijke toewijzing van een aanvraag om schadevergoeding, wordt de toegewezen schadevergoeding uiterlijk betaald bij het onherroepelijk worden van het besluit op de aanvraag. Artikel 7. Voorschot Het bestuursorgaan kan, vooruitlopend op de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding, een voorschot verlenen als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld. Artikel 8.

Intrekking oude regeling De 'Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade’ wordt ingetrokken. Artikel 9. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op 01-01-2024 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening nadeelcompensatie Schagen 2024. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19-12-2023 De Gemeenteraad van de gemeente Scnagen.

griffier G.E.P. Meijer

voorzitter M J P. van Kampen

Toelichting

Algemeen

Nadeelcompensatieregeling Algemene wet bestuursrecht en Omgevingswet Naar verwachting treedt in 2024 de nadeelcompensatieregeling, titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht, in werking. Hierin worden bestaande regelingen voor nadeelcompensatie in verschillende wetten en buitenwettelijke regelingen samengevoegd en geharmoniseerd. Titel 4.5 van de Awb voorziet in een algemene regeling van vergoeding (of tegemoetkoming) van schade door rechtmatig overheidshandelen. Daarbij kan worden gedacht aan verzoeken vanwege winst- of inkomstenderving, misgelopen huurinkomsten of de lagere opbrengst bij de verkoop van een bedrijf of een onroerende zaak. In 2024 treedt waarschijnlijk ook de Omgevingswet in werking. In deze wet is in hoofdstuk 15 een nadeelcompensatieregeling opgenomen die aansluit op de generieke regeling uit de Awb. Normaal maatschappelijk risico Vooropgesteld wordt dat de overheid niet verplicht is om iedere schade die zij in de rechtmatige uitoefening van haar publieke taken veroorzaakt, in zijn geheel te vergoeden. Dat overheidsingrijpen voor sommige burgers en ondernemingen nadelige gevolgen kan hebben, is onvermijdelijk. Tot op zekere hoogte moeten deze gevolgen worden geaccepteerd en vallen deze binnen het normaal maatschappelijk risico.

Burgers die door rechtmatig overheidsoptreden schade lijden die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico en in vergelijking tot anderen onevenredig zwaar worden getroffen, kunnen desgevraagd schadevergoeding ontvangen (artikel 4:126 van de Awb). De hoogte daarvan moet in zo'n geval redelijk zijn. De schadevergoeding dekt dus niet vanzelfsprekend de volledige schade. Een deel van de schade zal altijd voor eigen rekening blijven. Verordening nadeelcompensatie De aankomende wettelijke regelingen (titel 4.5, Awb en hoofdstuk 15, Ow) zijn grotendeels uitputtend bedoeld. Hoewel het vaststellen van een verordening nadeelcompensatie niet verplicht is, wordt deze verordening opgesteld om de mogelijkheid tot het heffen van een recht te verankeren en meer duidelijkheid te scheppen rondom de rol van een te betrekken adviescommissie.

Artikelsgewijs

Alleen die bepalingen die verdere toelichting nodig hebben, worden hieronder nader behandeld. Artikel 1. Toepassingsbereik

Eerste lid Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding vanwege rechtmatige overheidsdaad. Het gaat om nadeelcompensatie als bedoeld in titel 4.5 van de Awb en afdeling 15.1 van de Ow. Het kan voorkomen dat schade door meerdere overheden wordt veroorzaakt, bijvoorbeeld zowel de gemeente als het waterschap. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat de aanvrager in dat geval het loket kiest. Het gaat in deze verordening om schade waarvan door de aanvrager wordt gesteld dat die wordt veroorzaakt door een bestuursorgaan van de gemeente. Hierop bestaat een uitzondering. Dat betreft de situatie waarbij de aanvraag om schadevergoeding betrekking heeft op een besluit ter uitvoering van een projectbesluit. Op die situatie is de regeling van artikel 15.8 van de Ow van toepassing. Daarin is geregeld dat het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld het bestuursorgaan is dat de schadevergoeding toekent. Tweede lid Deze bepaling is opgenomen om aanvragen om schadevergoeding waarop de Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen Schagen 2015 van toepassing is niet onder het bereik van deze verordening te laten vallen. Artikel 2. Heffen recht

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding wordt een recht geheven. Het recht bedraagt C 500,-. Als het recht niet wordt voldaan, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Bij toewijzing van de aanvraag wordt het toe te kennen bedrag verhoogd met het geheven recht (artikel 4:129, aanhef en onder c, van de Awb). Artikel 3. Aanvraag

Eerste lid De artikelen 4:2 en 4:127 van de Awb bevatten een grondslag voor de aanvraagvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding. Als niet aan de aanvraagvereisten wordt voldaan kan de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling worden gesteld. In aanvulling hierop is in het eerste lid geregeld dat de aanvrager van schadevergoeding gebruik maakt van een elektronisch formulier. Wanneer de aanvraag niet wordt aangeleverd via het elektronisch formulier, kan worden besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan betekenen dat de aanvrager wordt verzocht de aanvraag nadeelcompensatie alsnog via het formulier in te dienen. De gemeente geeft dan bij de aanvrager aan dat de aanvraag niet compleet is om in behandeling te worden genomen. De gemeente kan dan expliciet de termijnen opschorten tot het moment dat de stukken wel zijn ingediend. Tweede lid Hier zijn aanvullende eisen ten aanzien van schadeclaims wegens winst- of inkomstenderving of gederfde huurinkomsten opgenomen. In artikel 4:2 van de Awb is vastgelegd dat een aanvraag wordt ondertekend en ten minste bevat: (a) de naam en het adres van de aanvrager, (b) de dagtekening en (c) een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

In artikel 4:127 van de Awb is vastgelegd dat de aanvraag mede bevat: (d) een aanduiding van de schadeveroorzakende gebeurtenis en (e) een opgave van de aard van de geleden of te lijden schade en, (f) voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade of een specificatie daarvan. Verder verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het gaat hier om gegevens en bescheiden die ten minste worden verstrekt. Het kan wenselijk zijn om dit voor aanvragen om schadevergoeding nader te specificeren. Uiteraard worden alleen gegevens gevraagd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Artikel 4. Adviescommissie

Eerste en tweede lid In dit artikel is voorzien in de mogelijkheid om de gemeentelijke deskundigheid naar aanleiding van een ingekomen aanvraag om schadevergoeding aan te vullen. Uitgangspunt is dat binnen de gemeente voldoende deskundigheid aanwezig is om aanvragen om schadevergoeding te kunnen beoordelen. Als die deskundigheid niet, of onvoldoende aanwezig is, is het ook goed denkbaar om op dit onderwerp regionaal expertise te bundelen, bijvoorbeeld in een regionale adviesorganisatie. Alleen als het nodig is, wordt advies ingewonnen bij een adviescommissie. Dit uitgangspunt komt

ook tot uitdrukking in het tweede lid. Daarin is vastgelegd in welke situaties in ieder geval geen advies bij een adviescommissie wordt ingewonnen. Als een adviescommissie wordt ingeschakeld, betekent dit niet automatisch dat deze wordt gevraagd over de hele aanvraag te adviseren. De adviseur(s) zijn adviseurs als bedoeld in artikel 3:5 van de Awb en vormen een adviescommissie als bedoeld in artikel 4:130 van de Awb. Dat betekent dat moet worden voldaan aan de vereisten van dat artikel, waaronder een onafhankelijk voorzitter. Bij het afhandelen van aanvragen waarbij adviseur(s) zijn aangewezen bedraagt de beslistermijn maximaal zes maanden in plaats van de reguliere termijn van acht weken. Die termijn kan eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verdaagd (artikel 4:130 van de Awb). De adviseur(s) maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en zijn niet betrokken bij de schadeveroorzakende gebeurtenis waarop de aanvraag betrekking heeft. Derde lid Een adviescommissie bestaat, afhankelijk van de behoefte, uit een of meer deskundige adviseur(s). Bij zaken die betrekking hebben op inkomensderving kan worden gedacht aan deskundigheid op het gebied van accountancy of financieel economische bedrijfsvoering.

En bij zaken die betrekking hebben op waardevermindering van een onroerende zaak aan extra deskundigheid op het gebied van taxaties. Bij het te nemen besluit wordt de adviseur van het advies vermeld en het advies kan hierbij ter motivering worden gevoegd (artikel 3:8 van de Awb). Er kan in afwijking van het advies worden besloten. Dat moet dan wel goed worden gemotiveerd. Verder is het van belang dat het bestuursorgaan zich ervan vergewist, dat het onderzoek van de adviseur(s) op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden (artikel 3:9 van de Awb). Artikel 5. Procedure

Eerste lid De procedure en bijbehorende beslistermijnen voor het tot stand komen van het besluit op de aanvraag om schadevergoeding zijn uitputtend geregeld in de Awb. Aanvullend hierop is vastgelegd dat het bestuursorgaan de aanvrager en belanghebbenden informeert als advies wordt ingewonnen bij een adviescommissie. De opdracht aan de adviseur(s) kan ook worden ingetrokken. In dat geval worden de aanvrager en belanghebbenden daar ook over geïnformeerd. Tweede lid Op de voorbereiding van het besluit op een aanvraag om schadevergoeding is de Awb van toepassing, waaronder de bepalingen over de voorbereiding van besluiten (hoofdstuk 4 van de Awb). Dat betekent onder andere dat de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb van toepassing zijn op grond waarvan de aanvrager en eventuele belanghebbenden, binnen de daar opgenomen kaders, in de gelegenheid worden gesteld om voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag een zienswijze naar voren te brengen. In het tweede lid is verduidelijkt welke partijen naast de aanvrager een zienswijze naar voren kunnen brengen. Dat zijn voor zover van toepassing degenen met wie een schadeovereenkomst is gesloten en, als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag: de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht.

Die zienswijze kan naar keuze schríftelijk of mondeling naar voren worden gebracht (artikel 4:9 van de Awb). Artikel 6. Uitbetaling

In deze bepaling is de uiterste betaaltermijn vastgelegd. Als een aanvraag om schadevergoeding geheel of gedeeltelijk wordt toegekend, wordt het betreffende bedrag uiterlijk bij het onherroepelijk worden van het toekenningsbesluit uitbetaald. Dus na afronding van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Artikel 7. Voorschot

In dit artikel is vastgelegd dat de gemeente een voorschot kan verlenen op het eventueel uit te betalen bedrag aan schadevergoeding. Dit kan worden gedaan als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld. De artikelen 4:95 en 4:96 van de Awb zijn op dit voorschot onder meer van toepassing. Dat betekent onder andere dat onverschuldigde voorschotten kunnen worden teruggevorderd. Artikel 8. Intrekking oude regeling

De Verordening nadeelcompensatie treedt in de plaats van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade. Deze verordening wordt ingetrokken. De verordening kan vanwege het overgangsrecht nog wel relevant zijn voor het afhandelen van planschadeverzoeken.

Besluit van de raad van de gemeente Schagen tot vaststelling van de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie erfgoed en ruimtelijke kwaliteit Schagen 2024 De raad van de gemeente Schagen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19-9-2023 gelet op de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet en afdeling 17.2 van de Omgevingswet; besluit de volgende verordening vast te stellen:

Verordening op de gemeentelijke adviescommissie erfgoed en kwaliteit Schagen 2024

ruimtelijke

Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: commissie: gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, genaamd gemeentelijke adviescommissie erfgoed en ruimtelijke kwaliteit Schagen 2024; cultureel erfgoed: monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; goede omgevingskwaliteit: de goede omgevingskwaliteit, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet; leden op afroep: leden van de commissie wiens benoeming is gekoppeld aan een deelgebied en die alleen aan de vergadering deelnemen en stemrecht hebben als dit deelgebied aan de orde is ('op afroep’); ruimtelijke kwaliteit: de mate waarin tegemoet wordt gekomen aan de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van verschillende belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen; vaste leden: leden van de commissie wiens benoeming niet is gekoppeld aan een deelonderwerp of deelgebied; Paragraaf 2. Adviestaak Artikel 2. Advisering door de commissie 1. Er is een commissie. 2.

De commissie baseert haar adviezen, die gerelateerd zijn aan erfgoed, aan de hand van overwegingen van geschiedkundig, architectonisch, archeologisch, cultuur-, kunst-, bouw- en sociaalhistorisch belang en/of historisch geografisch belang en de Richtlijnen voor het verbouwen restaureren en onderhouden van monumenten; 3. De commissie baseert haar adviezen, die niet gerelateerd zijn aan erfgoed, op de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken zoals bedoeld in art. 4.19 Ow (Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit). 4. De commissie heeft als taak de raad en burgemeester en wethouders te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn; 5. Ter uitvoering van haar taak: a. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor: 1. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; 2. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument; 3. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd provinciaal monument of provinciaal monument; 4.

een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een beeldbepalend pand, karakteristiek pand of stolpboerderij;

5.

een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen; 6. een activiteit in geval burgemeester en wethouders een advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit; b. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3,1, eerste lid, van de Erfgoedwet of over het aan een locatie geven van de functie-aanduiding gemeentelijk monument op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet; c. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit; d. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders in een geval van een verkenning als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de Omgevingswet en in andere gevallen waarin burgemeester en wethouders een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving; e. informeert en begeleidt de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces;] f.

voert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders vooroverleg met initiatiefnemers over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning; g. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over: 1. het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed [en werelderfgoed] en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen; 2. het uitvoeren van bouwhistorisch onderzoek bij wijzigingen aan monumenten of beleidsmatig als karakteristiek geduide panden; 3. het aanwijzen van gemeentelijk beschermde stads- en of dorpsgezichten; h. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het geven van beschikkingen op grond van regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de omgevingskwaliteit bevatten, te weten over reclame in de openbare ruimte, straatmeubilair, inrichtings- en bestratingsplannen in stads- en dorpscentra. Paragraaf 3. Aanwijzing van besluiten waarover verplicht advies moet worden gevraagd Artikel 3. Verplichte advisering Burgemeester en wethouders winnen advies van de commissie in omtrent een te nemen beslissing als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, onderdelen l“tot en met 30, en onder b. Paragraaf 4. Samenstelling en inrichting Artikel 4. Samenstelling 1.

De commissie bestaat uit minimaal drie en maximaal 5 vaste leden, de voorzitter daaronder begrepen. Bij incidentele afwezigheid van een vast lid kan hij/zij vervangen worden door een deskundige met een gelijkwaardig profiel en/of

2.

3.

4. 5.

6.

gelijkwaardige kwalificatie, waaronder de personen die opgenomen zijn in het 'Register van plaatsvervangers' van de Stichting Mooi Noord-Holland; De vaste leden worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van kennis en ervaring; Naast deze vaste leden kunnen maximaal drie leden op afroep en hun plaatsvervangers worden benoemd: a. zij worden benoemd op persoonlijke titel op grond van kennis van de lokale historie. b. dit zijn leden die alleen adviseren als er een plan voorligt in het betreffende gebied; De commissie telt gelet op artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. De disciplines die de leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn o cultuurhistorie o bouw- en architectuurhistorie o restauratiebouwkunde o landschap en stedenbouw De leden en de plaatsvervangers zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur.

Artikel 5. Benoeming 1. De leden en de plaatsvervangers kunnen voor een termijn van ten hoogste 3 jaar worden benoemd. 2. Herbenoeming van leden kan eenmaal voor ten hoogste 3 jaar plaatsvinden. Dit is niet van toepassing op de plaatsvervangers. 3. Afgetreden leden zijn 2 jaar na hun aftreden weer benoembaar. 4. De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door burgemeester en wethouders worden geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 6. Ondersteuning van de commissie 1. Het secretariaat van de commissie berust bij gemeentelijke adviescommissie erfgoed en ruimtelijke kwaliteit Schagen 2024. 2. Het secretariaat wordt bij de uitoefening van zijn taak rechtstreeks aangestuurd door de voorzitter. 3. De secretaris kan worden ondersteund door andere ambtelijke medewerkers, die voor hun werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de secretaris. Paragraaf 5. Advisering en standpuntbepaling Artikel 7. Adviestermijn 1. Burgemeester en wethouders kunnen aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. 2. In geval burgemeester en wethouders geen termijn hebben gesteld brengt de commissie advies uit binnen een termijn van twee weken. Artikel 8. Beraadslaging en standpuntbepaling 1.

De vergaderingen waarin een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunning door of namens de commissie worden vastgesteld zijn openbaar. De agenda voor de vergadering van de commissie wordt tijdig op een

2.

3.

4.

5.

geschikte wijze bekendgemaakt. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. De aanvrager van de omgevingsvergunning en/of zijn gemachtigde heeft de mogelijkheid tot toelichting van de aanvraag ten overstaan van de commissie. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht. Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste drie leden. Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg. Leden die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover de commissie adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig.

De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de commissie en de daarvoor werkzame personen.

Artikel 9. Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie 1. De commissie kan onverminderd het bepaalde in artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere beschikking onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden, of een subcommissie; 2. In geval van twijfel wordt de aanvraag alsnog voorgelegd aan de commissie; 3. De advisering voor een aanvraag berust bij één of meerdere door het college aan te wijzen ambtena(a)r(en) indien sprake is van een bouwwerk waarvoor een soepel welstandsniveau geldt zoals is opgenomen in de 'Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit Schagen' of een gelijkwaardige regel in het omgevingsplan, al dan niet in combinatie met een bijbehorende beleidsregel. Artikel 10. Adviseurs 1. De commissie kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren. 2. De commissie kan zich doen bijstaan door andere personen, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen op uitnodiging van de commissie als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Artikel 11. Verwerking van het advies 1.

Burgemeester en wethouders kunnen eenmaal per activiteit een second opinion inwinnen bij een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente. Zij stellen de commissie van het voornemen tot het plaatsen van die opdracht op de hoogte.

2. In geval burgemeester en wethouders een beschikking geven in afwijking van het door de commissie uitgebrachte advies verzenden zij een afschrift van die beschikking aan de commissie. Paragraaf 6. Werkwijze Artikel 12. Reglement van orde 1. De werkwijze van de commissie is nader vastgesteld in een reglement van orde dat als bijlage A is toegevoegd. 2. In het reglement van orde komt ten minste aan de orde: a. de werkwijze bij de advisering zoals genoemd in artikel 2, vijfde lid, onder b, respectievelijk onder c; b. de inrichting van het vooroverleg zoals genoemd in artikel 2, vijfde lid, onder f; c. de wijze waarop de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd; d. het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering, de vergaderorde en orde van de beraadslaging, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht tussen de toelichtende fase waarin het spreekrecht wordt uitgeoefend en de beraadslagingen; e. de notulering en dossiervorming; f. de wijze waarop de adviezen openbaar worden gemaakt; g. de instelling van subcommissies; h. het aanwijzen van de voorzitter en zijn/haar taken; i. de werkwijze en taken van leden op afroep. j. de werkwijze bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie als bedoeld in artikel 9; k. de selectie en voordracht van kandidaat-leden. Artikel 13.

Relatie met andere adviseurs Bij het aanstellen van een supervisor, een kwaliteitsteam of een andere adviseur op het gebied van de omgevingskwaliteit, niet zijnde een lid of een adviseur van de commissie, dragen burgemeester en wethouders zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van deze adviseur en de commissie. Artikel 14. Vergoeding De leden en de adviseurs als bedoeld in artikel 10, tweede lid, ontvangen een vergoeding op grond van een hiervoor passende door de organisatie opgestelde regeling. Paragraaf 7. Jaarverslag Artikel 15. Jaarverslag 1. De commissie brengt jaarlijks ten behoeve van de raadsvergadering voor 1 juli verslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de Omgevingswet, uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar. 2. In het jaarverslag komt ten minste aan de orde: a. de wijze waarop toepassing is gegeven aan de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de Omgevingswet; b. de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; c. op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de 'Reisgids voor ruimtelijke' of de van toepassing zijnde regels in het omgevingsplan;

d. de werkwijze van de commissie; e. de aard van de beoordeelde plannen; f. de bijzondere projecten. Paragraaf 8. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 16. Overgangsrecht 1. De op grond van de Bouwverordening Schagen 2017 en de Erfgoedverordening Gemeente Schagen 2013 of Verordening Erfgoedcommissie Schagen 2013 benoemde leden worden geacht te zijn benoemd op grond van dit besluit. De termijn van ten hoogste 4 jaar als bedoeld in artikel 5, eerste lid, loopt vanaf de datum van de benoeming op grond van de Bouwverordening Schagen 2017 en de Erfgoedverordening Gemeente Schagen 2013 of Verordening Erfgoedcommissie Schagen 2013; 2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de Adviescommissie voor erfgoed en ruimtelijke kwaliteit Schagen 2024 wordt geacht de in artikel 8 van de Woningwet, dan wel de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988 bedoelde commissie te zijn. Artikel 17. Vervallen en intrekking oude regeling 1. De regels met betrekking tot de commissie in de artikelen de artikelen 3 lid 2, 5, 12 lid 1 en lid 2 en 15 lid 1 en lid 2 van de Erfgoedverordening Gemeente Schagen 2013 vervallen. 2.

De Verordening Erfgoedcommissie Schagen 2013 wordt ingetrokken. Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de gemeentelijke adviescommissie voor erfgoed en ruimtelijke kwaliteit Schagen 2024. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19-12-2023

De Gemeenteraad van de gemeente Scnagen.

griffier G.E.P Meijer

vooretfer

M.J P van Kampen

Toelichting Algemeen Met de Omgevingswet (hierna: de wet) die naar verwachting op 1 januari 2024 in werking treedt, wordt het stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien. De wet bundelt de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Belangrijk verbeterdoel van de nieuwe wet is een kader te bieden dat overheden meer afwegingsruimte biedt om doelen voor de leefomgeving te bereiken. "Decentraal, tenzij" is een belangrijk principe van de wet. Dit betekent dat taken en bevoegdheden in principe bij het lokale bestuur, zoals de gemeente liggen. Alleen indien het gaat om een nationaal of internationaal belang of als dat doelmatiger of doeltreffender is, stelt het Rijk regels. Eén van de doelen van de wet is het bereiken van een goede omgevingskwaliteit (artikel 1.3 van de wet). Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Gemeenten hebben een grote vrijheid in de wijze waarop zij het doel van een goede omgevingskwaliteit willen bereiken. Dat geldt ook voor de rol van de gemeentelijke adviescommissie (hierna: commissie) daarbij. Een adequate invulling van de taak en de werkwijze van deze commissie draagt bij aan het doel van een goede omgevingskwaliteit. Artikelsgewijs Artikel 1.

Definities Goede omgevingskwaliteit "Een goede omgevingskwaliteit" is naast veiligheid en gezondheid opgenomen in de maatschappelijke doelstelling van de wet (artikel 1.3 van de wet). Dit geeft aan dat aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden (Kamerstukken II 2013-2014, 33962, nr. 3). De gemeente heeft de plicht de zorg voor de omgevingskwaliteit zelf in te vullen, inclusief het adviesstelsel op het gebied van de omgevingskwaliteit. Burgers kunnen, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, ten aanzien van de het doel van een goede omgevingskwaliteit een beroep doen op de algemene zorgplicht. Artikel 2. Taak en werkzaamheden Eerste lid Hierdoor wordt bepaald dat er een commissie is. Tweede lid Hiermee wordt bepaald waar de commissie haar adviezen, die gerelateerd zijn aan erfgoed, op baseert. Derde lid Hiermee wordt bepaald waar de commissie haar adviezen, die biet gerelateerd zijn aan erfgoed, op baseert.

Vierde lid Dit lid beschrijft de adviestaak in algemene zin: het adviseren van de raad en het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet. De commissie adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daaronder wordt in elk geval begrepen het geven van voorlichting over de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit en over de werkzaamheden van de commissie. Vijfde lid Onderdeel a Dit betreft de advisering over aanvragen om een omgevingsvergunning of de advisering over een ontwerpbesluit als het college geen bevoegd gezag is. De commissie adviseert op verzoek van het college over een aanvraag voor: lc. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument De wet definieert een rijksmonumentenactiviteit als volgt: "een activiteit ínhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht”. De commissie adviseert niet over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot archeologische rijksmonumenten. De commissie brengt advies uit met het oog op het behoud van cultureel erfgoed.

Uitgangspunten daarbij zijn: m het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; m het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist is voor het behoud van die monumenten; m het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en m het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Dit volgt uit artikel 8.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) dat de beoordelingsregels voorde rijksmonumentenactiviteit bevat. Voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot archeologische rijksmonumenten is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OCW) aangewezen als advies- en instemmingsorgaan in de gevallen dat het college het bevoegd gezag is. Dit in verband met zijn verantwoordelijkheid voor de archeologische rijksmonumenten en met het landelijk overzicht en de vereiste specialistische kennis en ervaring die aanwezig zijn bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook is de Minister van OCW (mede) bevoegd tot toezicht en handhaving waar het gaat om archeologische rijksmonumenten. Behoud in situ (in de bodem) is hierbij het uitgangspunt. De gemeenten spelen desalniettemin in de archeologie een cruciale rol.

De afweging om archeologische monumenten in situ (in de bodem) dan wel ex situ (door ze op te graven) te behouden, wordt meestal door de gemeente gemaakt in het kader van het opstellen van het omgevingsplan en de belangenafweging bij de specifieke omgevingsplanactiviteiten waaraan een archeologische onderzoeksplicht is gekoppeld.

De gemeente is op grond van artikel 5.130 van het Bkl verplicht om bij het opstellen van het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder (aantoonbaar te verwachten) archeologische monumenten. Daarbij kan de (aantoonbaar te verwachten) aanwezigheid van archeologische monumenten van invloed zijn op onder meer de toedeling van functies aan locaties - bijvoorbeeld de keuze om geen parkeergarage toe te staan op een locatie met hoge archeologische waarde - of op de ínhoud van in het omgevingsplan op te nemen beschermende regels of beoordelingsregels. De commissie kan hierover op grond van de andere onderdelen van dit artikel adviseren. Voor als gemeentelijk monument beschermde archeologische commissie wel het aangewezen adviesorgaan.

monumenten

is de

20. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument De bescherming van monumenten of archeologische monumenten als gemeentelijk monument gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Met een voorbereidingsbesluit kan voorbescherming worden geboden aan een locatie waarvoor wordt overwogen deze de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Hieronder valt bijvoorbeeld een stolpboerderij, beeldbepalend pand of karakteristiek pand of waardevolle groenvoorziening; Het overgangsrecht in de wet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt dat er bij het in werking treden van de wet een vergunningplicht geldt voor activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten die nog op grond van de Erfgoedverordening Schagen 2013 zijn aangewezen. De regels uit die verordening blijven gelden tot het moment dat dit onderwerp in het nieuwe deel van het omgevingsplan is geregeld. Dit volgt uit de artikelen 22.4 en 22.8 van de wet en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet in samenhang met artikel 22.2 van het omgevingsplan (bruidsschat).

De in de Erfgoedverordening Schagen 2013 opgenomen vergunningplicht geldt als een verbod op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. 30. een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen De raad kan op grond van artikel 16.15, tweede lid, van de wet in het nieuwe deel van het omgevingsplan bepalen in welke gevallen een advies verplicht is. Dit kan per gebied of per type activiteit of bouwwerk verschillen. Zolang nog geen gevallen zijn aangewezen, zet het college het bestaande beleid met betrekking tot het vragen van commissieadvies voort. Omdat het omgevingsplan ook bij een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit kan worden gewijzigd, brengt dit mee dat ook Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het Waterschap en de Minister van OCW de commissie als adviseur in het omgevingsplan kunnen aanwijzen. Regels over de aanwijzing van de commissie als adviseur kunnen ook onderdeel zijn van de voorbeschermingsregels waarmee een voorbereidingsbesluit het omgevingsplan wijzigt. Overigens betekent dit niet dat de commissie daarmee ook formeel adviesorgaan van die andere bestuursorganen wordt.

Als het college geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich

tot het college in plaats van het bevoegd gezag (artikel 4.22 van het Omgevingsbesluit). Waaronder in ieder geval een omgevingsplanactiviteit gelegen die betrekking heeft op een bouwplan gelegen binnen een historische kern, stolpenzone, een cultuurhistorisch waardevol gebied of een gebied met een functieaanduiding die betrekking heeft op cultureel erfgoed. 40. een andere activiteit in geval burgemeester en wethouders een advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit Dit onderdeel is gelijkwaardig aan de huidige zogenoemde "kan-bepaling" over de welstandsadvisering in artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Het college kan - voor zover dat in het omgevingsplan niet anders is geregeld - op grond daarvan zelf bepalen of zij een advies inwinnen bij de commissie. De beoordeling van de omgevingsplanactiviteit bouwen door de commissie Bij het beoordelen van een bouwplan volgt de commissie de beoordelingsregels die in het omgevingsplan staan. De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden de vergunning kan worden verleend of geweigerd. Het gaat hierbij om regels over het bouwwerk zelf als wel zijn relatie tot de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan.

Bijvoorbeeld de bouwhoogte, de bouwmassa, het maximale bebouwingsoppervlak, de aanwijzing van bouwvlakken, de situering op de bouwvlakken, de karakteristiek van de bebouwing, en het uiterlijk van bouwwerken zoals vastgelegd in de beleidsnota. De wet biedt de gemeente een kans om te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van welstandsaspecten binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Het streven naar een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet is daarbij het overkoepelende doel. Daarom is de advisering niet beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissie adviseert zowel over de toepassing van de regels in het omgevingsplan zelf (zoals de mogelijkheid tot "binnenplanse” afwijkingen), als over de toepassing van de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit gebeurt vanuit het doel van een goede omgevingskwaliteit. Onderdeel b De Minister van OCW vraagt ingevolge de Erfgoedwet altijd advies aan het college van de gemeente waar een monument of archeologisch monument zich bevindt, alvorens te besluiten het aan te wijzen als rijksmonument. In dat geval is de commissie adviseur van het college.

De commissie is ook adviseur in geval het college het voornemen heeft een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monument (door de locatie de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven). Onderdeel c Dit onderdeel geeft invulling aan de mogelijkheid als bedoeld in artikel 17.9, tweede lid, van de wet om de commissie in te schakelen bij het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zoals hierboven vermeld gaat het uitsluitend om beleid op het gebied van de omgevingskwaliteit. Onderdeel d Dit onderdeel betreft de opgavegerichte advisering in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave. In geval van een verkenning in het kader van een projectprocedure of projectbesluit als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de wet onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. Door de verkenning kan het bevoegd gezag inzichten verkrijgen in:

a de aard van de opgave, a de relevante ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving, en a de mogelijke oplossingen voor die opgave. Hieronder vallen ook de oplossingen die anderen aandragen en waarvan het bevoegd gezag na beoordeling ervan besluit deze mee te nemen in de verkenning. Burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen van het Rijk en de provincie die een mogelijke oplossing hebben aangedragen, kunnen aan het college vragen een deskundige instantie als de commissie over hun oplossing te raadplegen. Het college kan ook zelf advies vragen over de aangedragen oplossingen voor de opgave. De laatste zinsnede van dit onderdeel geeft aan dat ook als er geen sprake is van een projectprocedure of projectbesluit het college aan de commissie advies kan vragen in het kader van een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving. Als de commissie hierom gevraagd wordt kan zij vroeg in het proces adviseren. Onderdeel e Dit onderdeel betreft de ontwerpgerichte advisering. Deze taak heeft geen betrekking op het adviseren over door het college op aanvraag te nemen besluiten, maar op het informeren en begeleiden van planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces, met het doel een hoogstaande stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit te bereiken.

Dit onderdeel biedt de mogelijkheid om in een specifiek geval de commissie of een lid van de commissie te belasten met of te betrekken bij deze taak. Onderdeel f Vooroverleg bij een vergunningaanvraag wordt in de wet niet gereguleerd. De bestaande praktijk kan op grond van dit onderdeel worden voortgezet. Het belang van een goed vooroverleg neemt toe, aangezien het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) niet is overgenomen in de wet. De initiatiefnemer is er zelf verantwoordelijk voor dat zij of hij voor alle activiteiten beschikt over de vereiste vergunningen. Het is aan de initiatiefnemer om de verschillende eisen op elkaar af te stemmen. Vooral bij complexe projecten is vooroverleg van groot belang. Onderdeel g In dit onderdeel is bepaald dat de commissie ook adviseur kan zijn bij het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen. De aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet in geval van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, is opgenomen in de bruidsschat als bedoeld in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14641114/1