Getekend RB Transitieplan gemeente Schagen
Tekst van het document
We streven naar integraal Participatiebeleid. De gemeenteraad heeft reeds besloten over gevallen van verplichte participatie, met name in situaties waarin ook bindend adviesrecht nodig is vanwege de verwachte grotere impact op de omgeving.
4.1.3 ‘Ja, Mits’ Eén van de belangrijkste gedachten achter de Omgevingswet is dat de overheid een positieve houding ten aanzien van ontwikkelingen aanneemt. De Omgevingswet vraagt om een overheid die meedenkt en ruimte biedt aan de samenleving. Er wordt gevraagd om een houding van ‘ja, mits’ in plaats van de ouderwetse gedachte van de toelatingsplanologie: ‘nee, tenzij’. Het uitgangspunt ‘ja, mits’ moet worden vertaald in de regels die wij als gemeente stellen. Inzet bij participatie is om naar ieders wensen en zorgen te luisteren en rekening te houden. Het is een misverstand te denken dat participatie betekent: iemand a priori zijn zin geven. Beargumenteerd nee zeggen kan ook. Het is daarom heel belangrijk om alle argumenten en overige overwegingen duidelijk in kaart te brengen en daarover te communiceren. Het uitgangspunt ‘ja, mits’ heeft effect op de regels die we opnemen in het omgevingsplan. Als er geen regels over een activiteit zijn opgenomen in het omgevingsplan, dan is de activiteit in principe toegestaan, mits aan de algemene doelen van de Omgevingswet (behouden en benutten van een gezonde fysieke leefomgeving) wordt voldaan. In de Omgevingswet is een algemene zorgplicht en een algemeen verbod voor activiteiten met aanzienlijke nadelige gevolgen voor de leefomgeving opgenomen. Dit werkt dus precies omgekeerd als onder de Wro.
Daar is een activiteit uitsluitend toegestaan als het is toegestaan in het bestemmingsplan. In het omgevingsplan moet een keuze worden gemaakt tussen het werken met de uitgangspunten ‘ja, mits’ en ‘nee, tenzij’. Het streven naar ‘ja, mits’ lijkt een logische keuze aangezien in Schagen al zo wordt gekeken naar de verzoeken. Ter bescherming van de gezonde en veilige leefomgeving is het onwenselijk dat iedere activiteit zomaar ergens kan worden uitgevoerd. Dus regels c.q. kaders blijven wel noodzakelijk. •
4.1.4
Het uitgangspunt van de Omgevingswet is een positieve houding van de overheid, met een focus op 'ja, mits', wat een zorgvuldige afweging van belangen en participatie vereist. Het omgevingsplan moet echter een balans vinden tussen ruimte bieden aan initiatieven en bescherming van de leefomgeving. We streven naar ‘ja, mits’
Harmonisatie
Een duidelijk doel van de Omgevingswet is deregulering ofwel werken met minder regels, dat wil zeggen: afschaffing, terugdringing, stroomlijning of vereenvoudiging van wet- en regelgeving. Er wordt ook wel gezegd dat de Omgevingswet een cultuuromslag betekent. De wet gaat eigenlijk maar voor 20% over regels en voor 80% over houding en gedrag. Vertrouwen en loslaten speelt hierbij een belangrijke rol. En dus ook: minder regels. 25
Het stellen van regels voor de fysieke leefomgeving maakt duidelijk welke functies/activiteiten in welke omvang op een plek mogelijk zijn. Industrie en wonen willen we bijvoorbeeld scheiden. Het kan ook gaan over de mate van groen in je stad. Het volledig loslaten van regels is in onze samenleving geen optie. De vraag bij deregulering is waar je gaat zitten op de lijn tussen niets regelen en alles tot in detail vastleggen. Hoe meer je als overheid vastlegt, hoe duidelijker het voor initiatiefnemers is wat er mogelijk is. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld omwonenden. Zij weten waar ze aan toe zijn (rechtszekerheid). Daartegenover staat dat er dan weinig ruimte is voor initiatieven die niet binnen de regels passen of nieuwe ontwikkelingen. Bij het maken van het omgevingsplan waarbij het tijdelijk deel wordt omgezet in het definitieve omgevingsplan, worden de huidige regels onder een vergrootglas gelegd. Daarnaast biedt het kans om regels van ‘oude’ gemeenten Harenkarspel, Zijpe en Schagen te harmoniseren en zo tot een Schagens omgevingsplan te komen. Gekeken wordt op welke wijze tegemoet kan worden gekomen aan verruiming, vereenvoudiging en meer flexibiliteit van en in de regels enerzijds en de behoefte aan duidelijke kaders en houvast anderzijds.
De regels worden kritisch nagelopen, waarbij we de volgende uitgangspunten/criteria hanteren: Regels toetsen op noodzaak en doel Regels die (zo goed als) nooit worden toegepast, te ‘betuttelend’, dubbelop zijn of al een basis hebben in andere wet- en regelgeving worden losgelaten. Alle regels die in het omgevingsplan worden opgenomen, hebben een duidelijk doel en algemeen belang. Deze regels zijn nodig voor het ordenen, beschermen en inrichten van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het borgen van een goede omgevingskwaliteit. Ook dragen ze bij aan de maatschappelijke doelen in de Omgevingswet. En dragen ze bij aan de opgaven zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie. Daarbij wordt nadrukkelijk naar het aspect ‘handhaving en toezicht’ gekeken. Regels moeten goed te handhaven zijn. Regels die niet of nauwelijks (kunnen) worden gehandhaafd, hebben weinig zin. Uiteraard wordt ook naar de consequenties en risico’s van het schrappen van regels gekeken. Knelpunten in de huidige regelgeving opheffen Welke regels zijn niet duidelijk genoeg, werken niet goed of zijn niet goed op elkaar afgestemd? Waar ontstaan de (interpretatie)problemen? Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer twee overheidslagen over hetzelfde onderwerp regels stellen, denk aan regels voor grondwaterbeschermingsgebieden. Wanneer deze regels van elkaar afwijken, ontstaat onduidelijkheid.
Deze regels worden verduidelijkt en versimpeld. Daarbij blijft juridische juistheid een aandachtpunt. Er wordt zoveel mogelijk gestreefd naar eenvoudige en inzichtelijke regels die voor alle partijen begrijpelijk en uitvoerbaar zijn en omgezet kunnen worden naar toepasbare regels. Verruiming binnen de huidige regels In de huidige bestemmingsplannen zijn mogelijkheden opgenomen om bijvoorbeeld kleine afwijkingen van de normen (bouw- en goothoogte, afstanden) of andere gebruiksmogelijkheden op percelen toe te staan. Er wordt vaak een beroep op deze regels gedaan en, via een afwijkingsprocedure, medewerking verleend. Gekeken wordt of deze ruimte, op onderdelen, ook direct in de algemene norm kan worden meegenomen en/of bij recht of via een melding kan worden toegestaan. Hiermee worden onnodige vergunningprocedures voorkomen. Een nadeel is dat een melding zorgt voor administratieve lasten voor de gemeente, zonder dat daar leges tegenover staan. •
De huidige regels worden kritisch nagelopen met als doel een kwaliteitsslag te maken en met in het achterhoofd de kunst van het weglaten. 26
4.1.5 Aansluiten bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het omgevingsplan worden regels gesteld die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het opstellen van de omgevingsplanregels moeten normen die in de instructieregels van het Bkl staan, a. worden betrokken bij; of b. moet er rekening mee worden gehouden; of c. moeten in acht worden genomen. Deze instructieregels en normen zien op: • het waarborgen van de veiligheid; • het beschermen van de waterbelangen; • het beschermen van de gezondheid en het milieu; • het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; • het behoud van ruimte voor toekomstige functies; • het behouden van de staat en werking van infra of voorzieningen; • het bevorderen toegankelijkheid openbare buitenruimte. De instructieregels die moeten worden betrokken bij, of waar rekening mee moet worden gehouden bij het stellen van regels geven ruimte voor bestuurlijke afwegingsruimte. Daar kan gemotiveerd een strengere of minder strenge norm worden gesteld voor bijvoorbeeld geluid, trilling of geur. Als wordt uitgegaan van de standaardnormen, zoals opgenomen in het Bkl dan is in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op dit moment is er (nog) geen reden om strengere of minder strenge normen in het omgevingsplan op de te nemen dan in het Bkl wordt gesteld. De omgevingsplanregels zullen daarom aansluiten bij de normen die in het Bkl worden gesteld. Als een specifieke situatie vraagt om andere normen zal voor die situatie worden overwogen of het mogelijk en noodzakelijk is om maatwerk te leveren in het omgevingsplan. • •
De instructieregels zoveel mogelijk aansluiten bij het Bkl Maatwerk toepassen als een specifieke situatie er om vraagt
4.1.6 Annotatiestrategie Het annoteren en toepasbaar maken van regels kan op twee momenten in het proces worden uitgevoerd: • Tegelijkertijd met het opstellen van de regels en toepasbare regels; • Na het opstellen van de regels. We kiezen ervoor om gelijktijdig met het ontwikkelen van de regels ook annotaties toe te voegen en vragenbomen te ontwikkelen. Anders lopen we het risico dat juridische regels niet goed om te zetten zijn in logische en begrijpelijke toepasbare regels. •
Annotaties Het is belangrijk dat het annoteringsproces op dezelfde wijze en met dezelfde type annotaties wordt doorlopen. We stellen een richtlijn op met daarin: 1. De doelen die wij nastreven met het annoteren; 2. Welke typen en welke waarden worden gebruikt. Deze richtlijn wordt afgestemd met andere bevoegde gezagen die regels kunnen stellen voor het grondgebied, zodat er zo min mogelijk verschillen ontstaan in het structureren en categoriseren van regels. 27
Ook zijn werkingsgebieden en andere gegevens op een kaart te zien door annoteren. Verder is annoteren ook belangrijk bij de verbinding tussen juridische en toepasbare regels. •
Toepasbare regels De toepasbare regels zijn (voor zover zij zien op de onderdelen vergunningscheck en Maatregelen op maat) geen verplichting, maar een service naar gebruikers. Het maken van vragenbomen vergt specifieke vaardigheden en capaciteit die nauwelijks voorhanden is. We kiezen daarom voor een basisniveau. Dit betekent dat waar mogelijk eenvoudige activiteiten worden omgezet in vragenbomen. We geven prioriteit aan de meest voorkomende activiteiten, zoals het bouwen van een dakkapel of het kappen van een boom. We nemen zo veel mogelijk de bruidsschat elementen over en passen in de loop van de tijd eventueel aan.
•
Kaartlagen en werkingsgebieden Het annoteren door middel van werkingsgebieden is van groot belang, omdat hier de basis ligt voor wat een lezer vanuit het DSO zichtbaar krijgt. De DSO-viewers hebben verschillende wijzen van tonen. De ene kaart is meer op basis van document informatie en de andere (eerst de primaire en inmiddels de secundaire) op basis van onderwerpen zoals activiteiten, gebieden en thema's. In die route kan een (professionele) aanvrager eenvoudig zien wat waar allemaal mogelijk is. Dat kan op een specifieke locatie, maar ook globaler naar een gebiedsgerichtere zoektocht. • • • •
Gelijktijdig met de regels worden annotaties toegevoegd en toepasbare regels opgesteld; We maken een richtlijn voor annoteren en stemmen af met andere bevoegde gezagen; We kiezen voor een basisniveau qua toepasbare regels; Annoteren op basis van werkingsgebieden is van groot belang
4.1.7 Verordening fysieke leefomgeving (VFL) De lokale verordeningen gaan niet van rechtswege over naar het tijdelijke omgevingsplan. Hierdoor blijven deze lokale verordeningen zelfstandig bestaan naast het omgevingsplan en zijn ze ook zelfstandig raadpleegbaar en te wijzigen. De Geurverordening, Hemelwaterverordening en regels voor archeologische monumentenzorg uit de Erfgoedverordening zijn wél van rechtswege overgegaan naar het omgevingsplan. Wij hebben een VFL opgesteld. Deze is niet vastgesteld maar wordt gebruikt als werkdocument. Er is een inventarisatie gemaakt van de regels die vanuit de verordeningen over moeten worden gezet naar het omgevingsplan. Niet alle regels uit de lokale verordeningen mogen namelijk in het omgevingsplan worden opgenomen. Regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen, moeten in het omgevingsplan worden opgenomen. Een aantal van deze regels zijn niet verplicht om over te zetten naar het omgevingsplan, maar mogen wel worden overgenomen. Andere regels die betrekking hebben op belastingen of openbare orde en veiligheid mogen niet in het omgevingsplan worden opgenomen. Door de VFL te maken hebben we één verordening met regels die in het omgevingsplan overgezet moeten worden en waarvan we zelf hebben gekozen om ze in het omgevingsplan op te nemen.
Deze regels kunnen dan op een gemakkelijke wijze in één keer vanuit de VFL in het omgevingsplan worden geïntegreerd. Het verwerken van de lokale verordeningen vanuit de VFL in het volwaardige omgevingsplan zal in principe gebiedsgericht gebeuren. Indien een specifiek onderwerp hierom vraagt kan ervoor gekozen worden om dit direct te laten gelden voor de gehele gemeente. •
Er is een VFL opgesteld, de regels uit deze verordening worden overgezet naar het omgevingsplan 28
4.1.8 Bruidsschat Sinds 1 januari 2024 zijn de rijksregels voor de activiteiten bouwen, milieu, geluidsproductieplafonds voor wegen of spoorwegen en indieningsvereisten ten behoeve gemeentelijke omgevingsvergunningen in hoofdstuk 22 van het tijdelijke omgevingsplan opgenomen. Hoofdstuk 22 staat bekent als de “bruidsschat”. De bruidsschatsregels van hoofdstuk 22 zijn beleidsneutraal en aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet, maar voldoen nog niet aan alle eisen van de Omgevingswet. Op dit moment zijn de regels van de bruidsschat nog geschreven als één norm die overal in Nederland geldt. Gemeente mogen zelf een afweging maken hoe ze de bruidsschatsregels willen regelen. Er zijn drie mogelijkheden: 1. Overnemen. De eerste mogelijkheid is dat (een deel van) de bruidsschatregels voldoen aan het uitgangspunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties en in overeenstemming zijn met instructie(regel)s. In dat geval kunnen de regels worden overgenomen in het definitieve deel van het omgevingsplan. 2. Schrappen. De tweede mogelijkheid is dat (een deel van) de bruidsschatregels in het belang van een evenwichtige toedeling van functies, met het oog op instructie(regel)s en gezien de lokale situatie gemist kunnen worden. 19 De gemeenteraad kan in dat geval besluiten de bruidsschatregels niet over te nemen en een omgevingsplan zonder deze regels vast te stellen. 3.
Aanpassen. De derde variant is dat de bruidsschatregels in het kader van een evenwichtige toedeling van functies, met het oog op instructie(regel)s en gezien de lokale situatie gewijzigd moeten worden. De regel kan strenger of soepeler worden. In dat geval stelt de raad in het definitieve omgevingsplan een gewijzigde regeling vast. Het is eigenlijk niet mogelijk om het omgevingsplan te wijzigen zonder ook regels uit de bruidsschat aan te passen en over te zetten. Om inzicht te krijgen in deze mogelijkheden is er door de Omgevingsdienst NHN geadviseerd op het onderdeel ‘milieu’ van de bruidsschat. Voor dit onderdeel zullen wij de adviezen van de OD-NHN overnemen en de bruidsschat verwerken in het omgevingsplan. Voor het onderdeel ‘bouwen’ van de bruidsschat gaan we de regels vergelijken en harmoniseren met onze eigen regels. Hierdoor worden ook de regels voor het onderdeel bouwen verwerkt in het omgevingsplan. Het is daarna belangrijk dat we de regels laten voldoen aan de instructieregels die het rijk en de provincie aan gemeenten opleggen. • •
Voor het onderdeel ‘milieu’ uit de bruidsschat nemen wij de adviezen van de ODNHN over; Voor het onderdeel ‘bouwen’ uit de bruidsschat vergelijken en harmoniseren we de regels met onze eigen regels.
4.1.9 Structuur van het omgevingsplan Het kiezen van een structuur voor het omgevingsplan is een belangrijke stap. Elke structuur heeft zijn eigen voor- en nadelen. Over het algemeen zijn er twee hoofdtypes aan structuren te identificeren: • Activiteitsgericht: Hierbij is de activiteit het uitgangspunt. Aan de verschillende activiteiten worden werkingsgebieden gehangen. Hiermee wordt bepaald in welk gebied welke activiteit is toegestaan. Voordelen: - Per activiteit duidelijk inzicht welke locatie erbij hoor en dus gemakkelijk afwegen wat de begrenzing moet zijn. - Voor één activiteit is één regel nodig die voor het hele grondgebied gebruikt kan worden. Regel één keer maken en daarna locaties toevoegen. 29
-
-
Makkelijk om een modulair omgevingsplan te maken: (sub)paragrafen toevoegen voor nieuwe activiteiten. Nadelen: Er is geen duidelijk overzicht welke activiteiten wel/niet zijn toegestaan in een gebied: eigen locatienaam per activiteit.
Kwantitatieve benadering Veelal gebruikt door gemeenten met een hoog aantal medewerkers en voor gemeenten met diverse gebieden en veel verschillende functies. •
-
-
-
Gebiedsgericht: Hierbij is het type functie van het gebied het uitgangspunt. Er wordt gekeken welke gebiedstype er zijn. Afhankelijk van de gebiedstype worden hieraan activiteiten gekoppeld. Voordelen: Duidelijk een koppeling te maken met de omgevingsvisie: doelen, kenmerken en uitgangspunten koppelen aan gebiedstypen. Per gebied duidelijk inzicht in welke activiteiten wel/niet zijn toegestaan. Ook makkelijker om gemeenteraad en burgers mee te nemen in keuzen per gebied. Bij wijzigen van begrenzing gebiedsaanwijzing, gaan de daarmee samenhangende activiteiten (algemene regels) direct mee. Makkelijker om de regelbibliotheek gaandeweg uit te rollen over de gehele gemeente. Per deelgebied aan de slag. Nadelen: Bij elke activiteit telkens nagaan over welk gebied het gaat en of dit toereikend is: activiteiten met specifieke regels op specifieke locaties kun je vaak niet ophangen aan gebiedstypen. Dezelfde activiteit moet per gebiedstype geregeld worden: op meerdere plekken in het omgevingsplan.
Kwalitatieve benadering Veelal gebruikt door gemeenten met een beperkt aantal medewerkers en voor gemeenten met veelal homogene gebieden (zoals: woonwijk, buitengebied, centrum, etc.) Wij kiezen voor een gebiedsgerichte structuur. Bij gebiedsgerichte structuren zijn er grofweg twee opties een matrixstructuur of een boomstructuur. Natuurlijk kan elke gemeente zijn eigen structuur ontwikkelen aan de hand van zijn of haar wensen. De boomstructuur lijkt qua opbouw erg op een bestemmingsplan en gaat uit van deze benamingen. Wij kiezen voor een matrixstructuur. De VNG-staalkaart is tevens een matrix structuur. Het betekent echter niet dat het omgevingsplan exact zo wordt ingedeeld zoals de staalkaart. Hierin kunnen wij keuzes maken welke indeling past bij Schagen qua dienstverlening maar ook bruikbaarheid vanuit de gemeente. Een matrixstructuur lijkt in opbouw veel op een activiteitsgericht omgevingsplan op basis van type activiteiten, met het verschil dat in het gebiedsgerichte omgevingsplan met een matrixstructuur het aanwijzen van gebieden leidt tot samenhang tussen activiteiten. Bij een activiteitgericht omgevingsplan gaat het om losse activiteiten met elk een eigen locatie. In het plan wordt onderscheid gemaakt in gebiedstypen, aandachtsgebieden en restrictiegebieden. We redeneren vanuit beleid en visie naar een hoofdregeling en vervolgens een regeling op specifieke locaties.
De omgevingsvisie is leidend in de keuze voor de gebiedstypen in het omgevingsplan. We proberen de deelgebieden uit de omgevingsvisie, waaraan doelen en uitgangspunten zijn gekoppeld, te matchen met de gebiedstypen in het omgevingsplan. We regelen alleen wat echt geregeld moet worden, in plaats van dat alles overal geregeld wordt. Het is belangrijk om voor standaardisering te zorgen binnen de gekozen structuur. Denk aan de structuur van een hoofdstuk, de naamgeving van onderdelen in een hoofdstuk en de frasering van de regels. Hierdoor wordt het omgevingsplan eenduidig en overzichtelijk. De opzet en inhoud van de regels staan los van de structuur. Door te kiezen voor een matrix structuur kunnen we 30
de uniformiteit van de regels makkelijker bewaken. Omdat per gebiedstype regelpakketjes van activiteiten aan- of uitgezet kunnen worden. Dit zorgt voor: - Uniformiteit activiteit: de regelpakketjes onder een bepaalde activiteit vormen samen een palet waaruit per gebiedstype het meest passende regelpakketje(s) kan worden gekozen. Een regelpakketje kan in meerdere gebiedstypen terugkomen, en zo zijn de regels voor een activiteit uniform uitgewerkt. - Uniformiteit gebied: het aanwijzen van gebiedstypen – met de bijbehorende doelen en uitgangspunten – leidt tot samenhang tussen de activiteiten. Bij een activiteitgericht omgevingsplan zou het gaan om losse activiteiten met elk een eigen locatie, waardoor er geen overzicht is van de toegelaten activiteiten per gebied. Afbakening van activiteiten In het omgevingsplan worden de regels van activiteiten gekoppeld aan de gebiedstypen. Daarbij wijkt het uitgangspunt van regelen van het omgevingsplan sterk af van de huidige praktijk in het bestemmingsplan. In het omgevingsplan geldt namelijk: als er geen regels zijn voor een activiteit, dan is de activiteit toegestaan. Om niet wenselijke en/of onvoorziene activiteiten te voorkomen, nemen we een algemene regel op waarin activiteiten die niet zijn geregeld, niet zijn toegestaan.
We zien dat veel gemeenten deze keuze maken, omdat het nieuwe instrument omgevingsplan nog eigen moet worden gemaakt. Het alternatief is dat je beschrijft wat je mogelijk maakt en daarmee andere zaken uitsluit, maar zeker bij een grotere wijzigingen werkt een algemene regel effectiever. • • •
De structuur van het omgevingsplan wordt een matrix structuur De activiteiten die zijn toegestaan worden geregeld per gebiedstype We sluiten activiteiten per gebiedstype in of uit
4.1.10 Algemene toelichting omgevingsplan (optioneel) Bij het omgevingsplan behoort een algemene toelichting die te raadplegen is op regels op de kaart onder ‘Toelichting’ en op lokale regelgeving. Dit is echter niet verplicht. Het vormt een onderdeel van de geconsolideerde versie van het omgevingsplan. In TPOD staat hier het volgende over: ‘Let op dat de hier besproken algemene toelichting, een algemene toelichting geeft op de hele regeling en niet op een besluit. In deze algemene toelichting kan bijvoorbeeld een beschouwing worden gegeven over de gehanteerde sturingsfilosofie en over de visie van het bestuursorgaan op het omgevingsplan (globaal, gedetailleerd, wijze waarop invulling is gegeven aan de beleidsvrijheid etc.). Deze algemene toelichting is dus niet de plek voor een toelichting op een concreet (wijzigings-)besluit. In DSO-LV is de algemene toelichting aan het hele regelingsgebied gekoppeld. Het is niet mogelijk om onderdelen van de toelichting te koppelen aan specifieke locaties, bijvoorbeeld om een toelichting te geven op een concrete ontwikkeling. In de artikelsgewijze toelichting wordt, waar nodig, een toelichting gegeven op de artikelen in het lichaam van de regeling en desgewenst ook op de bijlage(n) die onderdeel zijn van de regeling.’
Opzet algemene toelichting Hieronder volgt de opzet van de Algemene Toelichting. Per onderdeel is op hoofdlijnen aangegeven wat er in het hoofdstuk opgenomen moet worden. Naar inzichten kan de toelichting nog aangevuld of gewijzigd worden, maar voor de eerste wijziging van het omgevingsplan wordt onderstaande opzet aangehouden. 1 Inleiding 1.1 Het omgevingsplan In dit hoofdstuk worden onder andere de volgende onderwerpen in paragrafen uiteengezet: • Een leeswijzer; • Wat is het omgevingsplan; • Aandachtspunt in relatie tot een motivering van een wijzigingsbesluit (verwijzen naar www.officielebekendmakingen.nl); 31
• •
Het doel van een algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting; Toelichting transitiefase tijdelijk deel en nieuw deel;
Toelichting op het proces van een wijziging van het omgevingsplan (transitieplan) en de uitgangspunten van Schagen. 1.2 De Omgevingswet Toelichting geven over de Omgevingswet en onder andere de reikwijdte en maatschappelijke doelen van deze wet. 1.3 Uitgangspunten omgevingsplan Schagen In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen in paragrafen uiteengezet: • Uit welke regels bestaat het omgevingsplan (ingaan op de verordeningen, bestemmingsplannen en bruidsschat); • De kaders vanuit het rijk; • De kaders vanuit het waterschap; • De gemeentelijke kaders; • Wat voor soort regels kan het omgevingsplan bevatten; • Welke digitale eisen worden er gesteld aan het omgevingsplan en manier van wijzigen van het omgevingsplan (de standaarden en annotaties) • Uitgangspunten Schagen. 1.4 Structuur omgevingsplan In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen uiteengezet aan de hand van gebiedsverhalen: • Van doelen naar regels (de uitgevoerde analyses) • Toelichting systematiek structuur in relatie tot de inhoudelijke regels • Toelichting functies en activiteiten • Toelichting op de aandachtgebieden 2 Doorwerking hogere wet- en regelgeving Toelichting op de instructieregels van het rijk en de provincie en welke doorwerking deze hebben in regels van het omgevingsplan. 3 Gemeentelijke kaders Dit is een toelichting op de gemeentelijke kaders, visies en beleidsregels.
4 Ruimtelijke ontwikkelingen De algemene toelichting is niet bedoeld voor een toelichting op een concreet (wijzigings)besluit, zoals we dat gewend waren met een bestemmingsplan. Hier kan wel een overzicht worden gegeven van de grote ruimtelijke ontwikkelingen, het wordt dan een soort van lijst die steeds uitgebreid wordt met een toelichting daarbij. Je kan nog niet verwijzen naar het besluit als je deze tegelijkertijd publiceert met het omgevingsplan, maar dat kan je wel achteraf doen. 5 Functies en activiteiten Dit hoofdstuk vormt de juridische planbeschrijving van het omgevingsplan. Per hoofdstuk wordt aangegeven hoe deze gelezen moet worden en wat daarin staat. Uiteraard zal dit hoofdstuk steeds aangevuld worden in de transitiefase. Belangrijk is vooral hoe het omgevingsplan moeten worden gelezen, zodat de lezer weet wat op een locatie is toegestaan. 6 Leeswijzer per hoofdstuk 32
4.1.11 Artikelsgewijze toelichting (optioneel) Het derde onderdeel van het besluit bestaat uit een artikelsgewijze toelichting op de regels van het omgevingsplan. Het is niet verplicht om een artikelsgewijze toelichting aan het besluit toe te voegen. Met het oog op een goede dienstverlening is het wel van toegevoegde waarde om dit deel in het besluit op te nemen. Het is daarom raadzaam om een artikelsgewijze toelichting in het besluit op te nemen als dit een nadere uitleg van de regeling geeft en dit kan zorgen voor een begrip van de werking van de regel. 1. 2. Beslispunten en toelichting op het wettelijk kader lopen door elkaar heen. Het is daarmee een soort van instructie, leer, proces en beslisdocument in één. 3. Er zijn nog een aantal vraagstukken die niet helder zijn: 4. - betrokkenheid van sociaal domein, economie, cultuur e.d. intern 5. Betrokken van externe partijen, provincie, waterschap, e.d. 6. proces
4.2 Uitgangspunten voor de regels De uitgangspunten voor de regels zijn uitgangspunten die gelden voor de regels die gesteld worden in het omgevingsplan. Dit gaat over het type regels dat we kiezen, de opbouw van de regels en welke regels we willen stellen.
4.2.1 Type regels In het omgevingsplan heeft de gemeente verschillende mogelijkheden voor het stellen van regels. Het type regel bepaalt in hoeverre de initiatiefnemer vrij is activiteiten te ontplooien en in hoeverre de gemeente hier invloed op kan uitoefenen. De verschillende mogelijkheden om regels te stellen zijn schematisch weergegeven in de ‘regelpiramide’ die is opgesteld door de VNG (zie afbeelding 2).
Verbod Vergunningplicht Algemene regels (informatie- en meldplicht) Zorgplicht
Niets regelen Afbeelding 5: VNG-regelpiramide
Aan de basis van de piramide staat ‘niets regelen’. Voor onderwerpen waar de gemeente geen (aanvullende) regels wil stellen, hoeft niets opgenomen te worden in het omgevingsplan. Dit kan het geval zijn als een regel van het waterschap, de provincie of het Rijk met een rechtstreekse werking al voldoende is om een activiteit te reguleren. De lichtste manier van invloed uitoefenen is het opnemen van een zorgplicht. Daarmee wordt benadrukt dat bij het uitoefenen van (bepaalde) activiteiten rekening moet worden gehouden met specifieke belangen. Hoe dat in de praktijk wordt gedaan is aan de initiatiefnemer. 33
Om meer grip op activiteiten te krijgen kan de gemeente algemene regels stellen. Daarmee wordt voorgeschreven hoe een initiatiefnemer moet handelen als deze bepaalde activiteiten wil uitvoeren. De volgende stap om activiteiten te reguleren is het instellen van een informatie- of meldplicht. Bij een informatieplicht moet een initiatiefnemer de gemeente informeren dat een activiteit wordt uitgevoerd. In de omgevingsplanregels kan de gemeente vermelden welke informatie een initiatiefnemer aan de gemeente moet doorgeven over de uit te voeren activiteit. Denk bijvoorbeeld aan een tekening van de bestaande en nieuwe situatie. Deze informatie gebruikt de gemeente vervolgens om de bestaande situatie in haar administratie te actualiseren. Bij een meldplicht moet een initiatiefnemer enige tijd voordat de activiteit zal worden uitgevoerd een melding van deze uit te voeren activiteit bij de gemeente indienen. Tijdens deze periode kan de gemeente nog aanvullende maatwerkvoorschriften aan de initiatiefnemer opleggen voordat de activiteit wordt uitgevoerd. Om nog meer grip op een activiteit te krijgen kan er een vergunningplicht voor het uitvoeren van een activiteit in het omgevingsplan worden opgenomen. Activiteiten waarvoor een vergunningplicht geldt mogen niet worden uitgevoerd zonder dat de gemeente hiervoor een vergunning heeft verleend.
Het vergunningstelsel kan zo uitgebreid worden gemaakt als de gemeente nodig acht. Het is echter wel van belang om te realiseren dat een aanvraag omgevingsvergunning vrijwel altijd binnen 8 weken verleend of geweigerd moet worden. Het meest rigide is een verbod op het uitvoeren van bepaalde activiteiten. Daarmee is het echter niet definitief een ‘no-go’. Met een zogenaamde BOPA kan namelijk alsnog een vergunning worden verleend om af te wijken van het omgevingsplan. De Omgevingswet geeft mogelijkheden en ruimte voor maatwerk. Dat kan onder meer door in het omgevingsplan onderwerpen aan te wijzen waarvoor het college maatwerkvoorschriften kan stellen. Dat zijn voorschriften waarmee algemene regels kunnen worden aangevuld, versoepeld, aangescherpt, maar ook waarvan kan worden afgeweken. Maatwerkvoorschriften worden opgenomen in een beschikking. Omgevingswaarden beschrijven wat de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving is, welke belasting door activiteiten is toegestaan en hoeveel er maximaal van een bepaalde stof in de fysieke leefomgeving aanwezig mag zijn. Het zijn dus eigenlijk doelstellingen in de vorm van een juridische regel. Dat kan een getal zijn (meetbare of berekenbare eenheid), een formulering of een verbeelding. Zolang het maar objectief vast te stellen en meetbaar is.
Een omgevingswaarde richt zich tot de overheid en is niet bindend voor particulieren of bedrijven. Tenzij de omgevingswaarde is omgezet in een algemene regels in het omgevingsplan. Als een omgevingswaarde in het omgevingsplan is opgenomen, dan gelden de volgende twee rechtsgevolgen: 1. programmaplicht: bij overschrijding of dreigende overschrijding van de waarde moet een programma worden opgesteld, waarbij wordt aangegeven hoe de omgevingswaarde alsnog wordt behaald. 2. monitoringsplicht: de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de belasting door activiteiten of de concentratie of depositie van stoffen moet worden bewaakt door monitoring. Wie dat doet en hoe dat wordt gedaan, wordt in de regels bepaald waarin ook de omgevingswaarden staan. Omgevingswaarden zijn sterk afhankelijk van de ambities van de gemeente, die worden opgenomen in Omgevingsvisie. Omgevingswaarden worden pas in het omgevingsplan opgenomen indien dit volgt uit de (toekomstige actualisatie van de) Omgevingsvisie of een Programma. 34
De gemeente Schagen kiest ervoor om per activiteit te beoordelen met welk regeltype kan worden volstaan. De keuze tussen toepassing van een algemene regel of een vergunningsplicht betekent onder meer een keuze tussen toetsing vooraf en toetsing achteraf. Vanuit het uitgangspunt ‘ja-mits’ willen we nagaan wat mogelijk is qua deregulering en regeldruk waar mogelijk verminderen. Hierbij moet echter wel goed in beeld zijn of de belangen die we willen beschermen ook daadwerkelijk voldoende worden beschermd met deregulering en algemene regels. • Per activiteit wordt er beoordeeld met welk regeltype kan volstaan • Vanuit het uitganspunt ‘ja-mits’ nagaan wat mogelijk is qua deregulering en het verminderen van regeldruk • Omgevingswaarden worden alleen in het omgevingsplan opgenomen als dit volgt uit de omgevingsvisie, een programma of de omgevingswet
4.2.2 Zo veel mogelijk algemene regels In het omgevingsplan heeft iedere regel een werkingsgebied. Het werkingsgebied geeft aan waar de desbetreffende regel van kracht is. Een regel kan voor het gehele grondgebied van Schagen gelden, maar ook voor een bepaalde buurt of zelfs op een specifiek perceel. Er moet daarom worden gekozen op welk schaalniveau de regels van het omgevingsplan gaan gelden. Door te werken met regels die een algemeen karakter hebben en op een zo groot mogelijke schaal voor Schagen werken, wordt een uniformiteit van regels gecreëerd. In dat geval gelden voor zoveel mogelijk gebieden dezelfde soort regels. Dit leidt tot overzichtelijkheid en gelijkheid in de regels. Voor iedereen gelden immers dezelfde regels. Het nadeel van het werken met regels op een groot schaalniveau is dat er minder maatwerk mogelijk is. De regels moeten namelijk op zoveel mogelijk situaties van toepassing zijn. Een andere mogelijkheid is om te werken met veel regels op maat. Zo kan voor ieder gebied van Schagen een eigen en passende set regels worden gemaakt. Dit kan zelfs op perceelsniveau worden toegepast. Het nadeel van deze werkmethode is dat het aantal regels in het omgevingsplan snel zal toenemen. Dit kan het omgevingsplan onoverzichtelijk maken en wordt de kans om fouten in regels te maken groter.
Bij een aanpassing van het omgevingsplan zijn er dan namelijk veel regels die mogelijk moeten worden aangepast, waardoor je sneller een regel over het hoofd ziet. •
We maken zo veel mogelijk gebruik van algemene regels
4.2.3 Open en gesloten normen In de huidige systematiek van bestemmingsplannen is sprake van veel gesloten normen op basis waarvan een vergunning verleend of geweigerd kan worden. Bijvoorbeeld: de hoogte van een bouwwerk bedraagt maximaal 10 meter. Zowel initiatiefnemers als vergunningverleners kunnen eenvoudig bepalen of aan de regel wordt voldaan en daar hun conclusies aan verbinden. Gesloten normen zijn aan de andere kant minder flexibel en bieden minder mogelijkheden om maatwerk te leveren. Open normen bieden die flexibiliteit en mogelijkheden voor maatwerk wel. Er ontstaat meer beoordelingsvrijheid die op basis van het concrete geval kan worden ingevuld. Nadeel van open normen is dat er bijna altijd een gemeentelijke toets of een deskundigenoordeel nodig is om te bepalen of een vergunning kan worden verleend. Ondersteunende beleidsregels kunnen hiervoor een oplossing bieden. Voor het omgevingsplan ontkomen we er niet aan om gebruik te maken van zowel open als gesloten normen. We streven er daarbij naar om veel voorkomende activiteiten met een beperkte impact op de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te reguleren met gesloten 35
normen. Denk daarbij aan inritten, dakkapellen en sommige aan- en uitbouwen. ‘Simpele’ activiteiten, die ook veel voorkomen kunnen op deze manier makkelijker worden uitgevoerd. Voor activiteiten met een grote impact of activiteiten in gevoelige gebieden zullen we met meer open normen werken zodat we zelf een oordeel over de gevolgen van deze activiteiten kunnen geven.
Voorbeeld open normen Artikel 1 Aanwijzing vergunningplicht hoofdgebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen. Artikel 2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouw De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: 1. Het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders een bijdrage levert aan de stedenbouwkundige structuur; 2. De bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet onevenredig wordt aangetast; 3. Bij vervangende nieuwbouw: de oppervlakte maximaal 10% groter is dan het te vervangen hoofdgebouw; en 4. Het uiterlijk of de plaatsing van het hoofdgebouw zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet
Voorbeeld gesloten normen Artikel 1 Aanwijzing vergunningplicht hoofdgebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen. Artikel 2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning hoofdgebouw De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: 1. Het aangevraagde hoofdgebouw is gelegen binnen het bouwvlak; 2. De goothoogte niet hoger is dan 3,50 meter; 3. De bouwhoogte niet hoger is dan 7,00 meter; 4. Het uiterlijk of de plaatsing van het hoofdgebouw zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet
• •
Veelvoorkomende activiteiten met een beperkte impact op de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk reguleren met gesloten normen; Activiteiten met een grote impact of activiteiten in gevoelige gebieden werken we meer met open normen;
4.2.4 Voorkeur voor doelvoorschriften Veel regels in het omgevingsplan zijn bedoeld om nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen. Daarbij kan de gemeente voorschriften opnemen ten aanzien van activiteiten. Dit kan op twee manieren: via doelvoorschriften of middelvoorschriften. Bij doelvoorschriften wordt een norm opgenomen in het voorschrift. Het is vervolgens aan degene die de activiteit uitvoert om zelf te bepalen op welke manier hij of zij aan deze norm zal voldoen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een maximale aantal decibel geluid dat is toegestaan op de gevel van een woning naast het bedrijf dat de activiteit uitvoert. Hoe de norm gehaald wordt, bepaalt de initiatiefnemer zelf. Daarvoor komt de initiatiefnemer wellicht met innovatieve werkwijzen waaraan de gemeente nog niet eerder had gedacht.
Voorbeeld doelvoorschrift 36
Artikel 1 (blauw-groen dak) Met het oog op het beperken van wateroverlast wordt bij (ver)nieuwbouw van een gebouw op locaties in het werkingsgebied “particuliere blauwgroene daken” voorzien in de aanleg en instandhouding van een blauwgroen dak met een bergingscapaciteit van tenminste 35 mm.
Bij
middelvoorschriften geeft de gemeente aan hoe een initiatiefnemer maatregelen moet nemen om aan de norm te voldoen. In het bovenstaande voorbeeld kunnen bijvoorbeeld venstertijden worden opgenomen waarbinnen mag worden gewerkt, of de verplichting op geluidwerende voorzieningen aan te brengen. Over het algemeen is het makkelijker te controleren of aan middelvoorschriften wordt voldaan.
Voorbeeld middelvoorschrift Artikel 1 (blauw-groen dak) Met het oog op het beperken van wateroverlast wordt bij (ver)nieuwbouw van een gebouw op locaties in het werkingsgebied “particuliere blauwgroene daken” voorzien in de aanleg Nophadrain Waterbufferingsdaksysteem.
In het definitieve omgevingsplan willen we in de geest van de Omgevingswet meer dan voorheen met doelvoorschriften gaan werken. Temeer daar de wet de mogelijkheid biedt voor initiatiefnemers om met een andere techniek of maatregel tot een gelijkwaardige oplossing te komen voor een bepaald vraagstuk. •
We maken meer gebruik van doelvoorschriften
5 Proces, planning en capaciteit De transitie van tijdelijk omgevingsplan tussen 2024 en 1 januari 2032 naar een volwaardig omgevingsplan vormt een grote opgave. Om een beter beeld te krijgen van de omvang van deze opgave is in dit hoofdstuk aandacht besteed aan het proces, de planning en de daarbij behorende ambtelijke capaciteit
5.1 Proces Voor ieder deelgebied, zoals benoemd in hoofdstuk 3, zijn drie processtappen te onderscheiden voordat er een omgevingsplanwijziging gereed is. In onderstaande tabel staan de benodigde stappen. Stap Fase Toelichting
37
1
2
3
In deze fase gaat het om werkzaamheden die deels eenmalig zijn en deels bij elk deelgebied terugkomen. Met name de beleidsanalyse komt bij elk deelgebied terug. Voor ieder deelgebied wordt eerst een inventarisatie gemaakt. Wat is de actuele stand van zaken in het gebied? Wat speelt er op het gebied van vergunningen, toezicht en handhaving? Zijn er ontwikkelingen in het gebied gepland? Daarnaast moet ook worden beoordeeld welke Voorbereidingsfase bruidsschatregels op het gebied van toepassing zijn en en eventueel moeten worden overgenomen en aangepast of is inventarisatiefase er sprake van maatwerk. Hierbij horen ook nieuwe thema’s die onder de fysieke leefomgeving vallen, zoals duurzaamheid, energietransitie, positieve gezondheidsbeïnvloeding. Tot slot wordt onderzocht of een milieu- of omgevingseffectrapportage moet worden opgesteld. Dit is complex en tijdrovend werk zijn. Het resultaat van de inventarisatie is een overzicht met uitgangspunten voor de omgevingsplanwijziging voor dit deelgebied. (Nota van Uitgangspunten inclusief gebiedsprofiel/verhaal)
Participatie- en productiefase
In deze stap worden bewoners geïnformeerd over de aanstaande omgevingsplanwijziging. Voorafgaand aan de omgevingsplanwijziging wordt aangegeven hoe het participatietraject is vormgegeven en hoe bewoners daaraan mee kunnen doen. In deze stap worden de nota van uitgangspunten en de Nota Reikwijdte en Detailniveau geparticipeerd met bewoners, ketenpartners en stakeholders. De uitkomsten van participatie wordt verwerkt in de concept nota van uitgangspunten en, indien relevant, de Nota Reikwijdte en Detailniveau (NRD) in kader van de MERprocedure. De definitieve nota van uitgangspunten en NRD wordt vastgesteld door college en raad. Na vaststelling wordt de nota en de NRD vertaald in een ontwerpomgevingsplanwijziging (regelset, motivering, werkingsgebieden en toepasbare regels) met bijbehorende plan-MER. Het eindproduct van deze stap is een ontwerpomgevingsplanwijziging.
Procedurefase
In de laatste stap wordt het ontwerp-omgevingsplan en mogelijke plan MER vrijgegeven voor de formele zienswijze procedure. Op de voorbereiding van een omgevingsplanwijziging is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Dit betekent dat het ontwerp van de wijziging eerst zes weken ter inzage wordt gelegd voor zienswijzen. Iedereen kan zienswijzen indienen tegen het ontwerp. Na de terinzagelegging wordt het omgevingsplan vastgesteld en staat de wijziging open voor beroep bij de AbRvS. Het is afhankelijk van eventuele beroepsprocedures hoeveel tijd er voor deze stap nodig is.
In onderstaande drie paragrafen worden per processtap de activiteiten met bijbehorende producten beschreven.
38
Ad 1. Voorbereidingsfase en inventarisatiefase In deze processtap brengen we de huidige stand van zaken in kaart daarnaast bereiden we ons voor op het participatietraject. Activiteit Toelichting Beleidsanalyse van het deelgebied Inventarisatie actuele handhavingszaken en Op basis van luchtfoto’s, vergunningen uit vergunningen het archief en handhaving een inventarisatie maken van de huidige stand van zaken Inventarisatie bruidsschat milieu Gebiedsprofiel opstellen
Kenmerken, ontstaansgeschiedenis van een gebied op kaart. Analyse van bouwen, gebruik en milieuaspecten op de kaart met bijbehorende keuzes.
Indien noodzakelijk een Nota Reikwijdte en detailniveau (NRD) opstellen Concept nota van uitganspunten voor de inhoudelijke koers van de regels. Opstellen communicatie en participatieplan Om belanghebbenden te betrekken bij de Bepalen doelgroep participatie ontwikkeling en aanpassing van het omgevingsplan is het belangrijk vroegtijdig in het traject participatie te organiseren. Voor effectieve participatie is van belang dat de juiste doelgroep betrokken wordt. Daartoe wordt aan de hand van locatie, gebied, beleidsthema’s en andere aspecten bepaald welke inwoners bedrijven, instellingen en ketenpartners belanghebbenden zijn. We noemen dit de stakeholdersanalyse. Besluit college en raad over concept nota van uitganspunten en NRD ten behoeve van participatie Ad 2. Participatie- en productiefase In deze processtap wordt het participatietraject uitgevoerd. De input van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen wordt verzameld en verwerkt in de definitieve NRD en Nota van Uitgangspunten. Na vaststelling wordt het plan MER en de ontwerpwijziging omgevingsplan opgesteld. Ad 2a. Participatietraject Activiteit Aankondigen en uitnodigen participanten (communicatie- en participatieplan)
Toelichting Het voornemen tot het wijzigen van het omgevingsplan wordt aangekondigd in lokale en/of sociale media. We zullen de primaire doelgroep direct benaderen, uitnodigen en aanmoedigen om deel te nemen aan het participatietraject. De aankondiging vermeldt doelstelling, afbakening en typering van het onderwerp, 39
contactpersonen en de wijze waarop de participatie wordt georganiseerd. Dit alles staat verwoord in een communicatie en participatieplan dat ter inzage kan worden gelegd. Verzamelen participatie-input
Het verzamelen van input kan op diverse manieren plaatsvinden, één en ander afhankelijk van de situatie. Wij denken aan bijeenkomsten en schriftelijke consultaties, internetenquêtes ('polls') en discussieplatforms op internet. Wij zullen verschillende werkvormen toepassen. Participeren met ketenpartners en andere stakeholders Vragen advies aan deskundigen binnen de organisatie op de relevante beleidsterreinen.
Opstellen participatie- rapportage
Na het verzamelen van de input wordt deze in een rapportage vastgelegd. De rapportage wordt verzonden aan alle deelnemers en kan eventueel openbaar worden gemaakt. Eventueel wordt een conceptversie van de rapportage eerst teruggelegd bij de deelnemers om hen de kans te geven te beoordelen of dat wat er staat een goede weergave is van het proces en hen de kans te geven vragen te stellen. Dit betekent niet het einde van de communicatie met de deelnemers uit de participatiefase. Het is juist van belang ook in het vervolg deze deelnemers op de hoogte te houden en weer te betrekken wanneer belangrijke keuzes gemaakt moeten worden.
Ad 2b. Vaststellen nota van uitgangspunten en NRD indien noodzakelijk Activiteit Toelichting Aanpassen nota van uitgangspunten
De uitkomsten van de participatie worden opgenomen in de concept nota van uitgangspunten. Er wordt ook advies ingewonnen bij ketenpartners en/of andere deskundigen. Eén en ander wordt verwoord in een “Nota van uitgangspunten”. In deze nota is verduidelijkt welke input is binnengekomen en welke afwegingen zijn gemaakt.
Aanpassen NRD
De uitkomsten van de participatie worden opgenomen in de concept NRD. Er wordt ook advies ingewonnen bij ketenpartners en/of andere deskundigen. Eén en ander wordt verwoord in de NRD. In de NRD is verduidelijkt welke input is binnengekomen 40
en welke afwegingen zijn gemaakt. Accorderen uitgangspunten en indien noodzakelijk de NRD
Ad 2c. Opstellen ontwerpbesluit Activiteit
Het college ontvangt de nota van uitgangspunten en NRD en accordeert deze. Afhankelijk van de situatie kan het college besluiten om de nota van uitgangspunten en NRD als raadsvoorstel te agenderen bij de gemeenteraad. De bevoegdheid tot vaststellen (en wijzigen) van het omgevingsplan ligt in beginsel bij de gemeenteraad, maar die kan deze bevoegdheid op onderdelen delegeren naar het college. Voor grote en beleidsgevoelige wijzigingen in het omgevingsplan wil de gemeenteraad zelf besluiten.
Toelichting
Opstellen ontwerpbesluit
De nota van uitgangspunten wordt omgezet naar een ontwerp wijzigingsbesluit. De NRD wordt vertaald naar een plan MER. De basisregels worden aangevuld voor het gebied. Op basis van de uitkomst van de participatie wordt het concept ontwerp van de omgevingsplanwijziging opgesteld inclusief de bijbehorende toepasbare regels. Daarmee ontstaat het ontwerpbesluit en ontwerpplan MER. Als onderdeel van dit deelproces worden tevens de ontvangen inspraakreacties beantwoord. Bij controversiële onderwerpen kan uitgebreidere interne besluitvorming gewenst zijn.
Accorderen ontwerpbesluit concept Plan MER
Wanneer alle participatie en adviezen van ketenpartners zijn verwerkt tot een definitief ontwerp van de omgevingsplanwijziging, wordt dit als ontwerpbesluit ter goedkeuring aan het college gezonden. Het college accordeert het ontwerpbesluit en geeft het vrij voor formele vaststelling.
Ontwerpbesluit gereed
Na accordering van het ontwerpbesluit door het college is de ontwerpfase van het proces voltooid. De belangrijkste resultaten zijn het definitief ontwerp c.q. ontwerpbesluit en de betrokkenheid van de belanghebbenden. Deze mijlpaal vormt het startpunt voor de formele besluitvorming over de wijziging in het omgevingsplan.
Ad 3 Procedurefase In deze processtap wordt het ontwerpbesluit wijziging omgevingsplan in procedure gebracht, aan het einde van deze stap wordt de wijziging van het omgevingsplan 41
vastgesteld. Ad 3a. Uitvoeren uniforme openbare voorbereidingsprocedure Het ontwerpbesluit wordt ter inzage gelegd en er kunnen zienswijzen worden ingediend. Activiteit Toelichting Ter inzage leggen van het ontwerpbesluit
Als voorbereiding op de vaststelling van de omgevingsplanwijziging door de gemeenteraad wordt conform afdeling 3.4 van de Awb de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd. Daartoe wordt kennisgegeven van terinzagelegging en wordt het ontwerpbesluit met eventuele relevante aanvullende stukken ter inzage gelegd. Specifieke belanghebbenden worden zo mogelijk direct uitgenodigd tot indienen van een zienswijze en krijgen de stukken toegezonden. Kennisgeven aan participanten en ketenpartners
Verzamelen zienswijzen
Zienswijzen ten aanzien van het ter inzage gelegde ontwerpbesluit worden bij de gemeente ingediend. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. In geval van het laatste wordt een verslag van de zienswijze opgemaakt. Afhankelijk van de situatie kan de gemeente hiervoor een hoorzitting organiseren.
Ad 3b. Opstellen definitief besluit Op basis van het ontwerpbesluit en eventueel ingekomen zienswijzen wordt het definitieve besluit opgesteld. Activiteit Toelichting Zienswijzen ingediend?
Als er zienswijzen zijn ingediend, worden deze beoordeeld en beantwoord via een nota van beantwoording zienswijzen. Het ontwerpbesluit wordt conform de eventueel gevonden oplossingen aangepast tot een definitief besluit. Deze stappen kunnen overgeslagen worden als geen zienswijzen zijn ingediend; in dat geval wordt het ontwerpbesluit ook het definitieve besluit.
Formuleren definitief besluit
Het definitieve besluit voor wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld. Bij de aanpassingen in het ontwerp worden tevens de bijbehorende toepasbare regels aangepast, zodat die weer aansluiten bij het definitieve besluit.
Ad 3c. Vaststellen definitief besluit Het definitieve besluit voor de omgevingsplanwijziging wordt vastgesteld door de gemeenteraad. 42
Activiteit
Toelichting
Accorderen voorgesteld besluit
Het college ontvangt het voorgestelde besluit voor wijziging van het omgevingsplan met de beantwoording van de ingediende zienswijzen en accordeert dit. Als er geen zienswijzen zijn ingediend, is het definitieve besluit identiek aan het ontwerpbesluit. In dat geval is geen inhoudelijk accordering nodig (het college heeft het besluit immers voorafgaand aan de terinzagelegging al goedgekeurd). Afhankelijk van de situatie kan het college besluiten om het definitieve besluit voor wijziging van het omgevingsplan als raadsvoorstel te agenderen bij de gemeenteraad. De bevoegdheid tot vaststellen (en wijzigen) van het omgevingsplan ligt in beginsel bij de gemeenteraad, maar die heeft op onderdelen deze bevoegdheid gedelegeerd naar het college. Dit is in het delegatiebesluit vastgesteld.
Vaststellen definitief besluit
De gemeenteraad ontvangt het raadsvoorstel voor het vaststellen van de omgevingsplanwijziging met daarbij de beantwoording van zienswijzen. De gemeenteraad gaat hierover in debat met het college . De gemeenteraad stelt uiteindelijk de omgevingsplanwijziging vast.
Definitief besluit vastgesteld
Na vaststelling door de gemeenteraad (of accordering door het college) van het definitief besluit is de besluitfase van het proces voltooid. De belangrijkste resultaten zijn het definitief besluit en de beantwoording van eventuele zienswijzen. Deze mijlpaal vormt het startpunt voor de formele bekendmaking van de wijziging in het omgevingsplan.
Ad 3d. Publiceren besluit De omgevingsplanwijziging wordt in de LVBB en het DSO gepubliceerd Activiteit Toelichting Publiceren besluit in LVBB en media
De vastgestelde omgevingsplanwijziging wordt conform afdeling 3.6 Awb als overheidsbesluit gepubliceerd, zodat die in werking kan treden. Daartoe wordt het besluit publiekelijk beschikbaar gemaakt via de LVBB, en wordt daarvan kennis gegeven. De termijn hiervoor is twee weken, tenzij er sprake is van niet-nagevolgde zienswijzen van ketenpartners, in welk geval de termijn zes weken bedraagt.
Aanleveren toepasbare regels
De bij de vastgestelde 43
omgevingsplanwijziging horende toepasbare regels worden door de gemeente aangeleverd bij het DSO. Deze worden beschikbaar bij het oriënteren op en het indienen van aanvragen van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het is van belang het aanleveren van de toepasbare regels te koppelen aan het bekendmaken van de omgevingsplanwijziging. Dit omdat de toepasbare regels in het DSO moeten aansluiten bij de regels in het omgevingsplan om te voorkomen dat initiatiefnemers foutieve vragenbomen zien. Ad 3e. Mededeling van het besluit Er wordt een mededeling van de omgevingsplanwijziging aan belanghebbenden gedaan. Activiteit Toelichting Mededelen besluit aan belanghebbenden
Van het besluit wordt, gelijktijdig met of zo spoedig mogelijk na de publicatie, mededeling gedaan aan de belanghebbenden. Dit doen we ten minste aan indieners van een zienswijze en externe adviseurs (als bedoeld in art. 3.5 Awb) maar ook aan overige participanten, insprekers, adviseurs en andere geïnteresseerden (voor zover bekend). Ketenpartners (met name Rijk en provincie) moeten, indien een door hun ingediende zienswijze niet is nagevolgd, het besluit toegezonden krijgen in verband met hun wettelijke bevoegdheden tot het doen van een reactieve aanwijzing.
Wijziging omgevingsplan gereed
Na de bekendmaking van het besluit is het proces van wijziging van het omgevingsplan voltooid.
Ad 3f. Rechtsbescherming (alleen bij beroep) Het definitieve besluit staat open voor beroep bij de AbRvS. Dit deel van het werkproces wordt alleen doorlopen als er beroep tegen het definitieve besluit is ingesteld en de gemeente zich hiertegen moet verweren. Activiteit Toelichting Aantekenen beroep
Een burger, bedrijf, maatschappelijke organisatie of ander bestuursorgaan dient een beroepschrift bij de AbRvS in.
Intake verzoek verweerschrift
Na ontvangst van het beroepschrift verzoekt de AbRvS de gemeente om alle relevante documenten aan te leveren en een verweerschrift in te dienen. Dit verzoek wordt geregistreerd en toegewezen aan de juiste medewerker. Deze medewerker beoordeelt welke stukken aangeleverd moeten worden bij de AbRvS en schakelt indien nodig 44
externe (juridische) ondersteuning in. Indienen verweerschrift
Er wordt een verweerschrift opgesteld en ingediend bij de AbRvS. Over dit verweerschrift vindt afstemming plaats met ketenpartners die geadviseerd hebben over de omgevingsplanwijziging
Bijwonen zitting
De zitting waarop het beroepsschrift wordt behandeld wordt bijgewoond. Hiervoor wordt eventueel een pleitnota opgesteld voor het houden van een pleidooi. Indien mogelijk wordt tijdens de zitting gezocht naar alternatieve oplossingen om het geschil op te lossen.
Verwerken uitspraak
Afhankelijk van de uitspraak van de bestuursrechter kan het zijn dat het definitieve besluit moet worden aangepast.
5.2 Planning De wetgever heeft de gemeenten, dus ook gemeente Schagen, tot 2032 de ruimte gegeven om voor het hele grondgebied een geldend omgevingsplan vast te stellen. Zoals aangegeven is zowel het voorbereiden als uiteindelijk het opstellen van een integraal Omgevingsplan zeer veel werk, waarbij daarnaast ook de reguliere werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Gecombineerd zorgt dit ervoor dat de beschikbare tijd voor de implementatie van het Omgevingsplan een groot zorgpunt is. De verwachting is dat (naast het opstellen van het raamwerk, en het oefenen met de nieuwe software en werkwijze) vooral het analyseren, uniformeren en opschonen van de verschillende vigerende bestemmingsplannen en verordeningen zeer veel tijd gaat kosten. Daarom de keuze voor het opknippen in deelgebieden, te beginnen met deelgebied ‘t Zand. Dit omdat dit deelgebied een goede basis vormt voor de overige deelgebieden en in het vervolg als totaal beeld voor het gehele grondgebied. Op basis van onze ervaringen met de actualisatieopgave onder de Wet ruimtelijke ordening verwachten we dat het gebiedsgericht verhuizen van de ruimtelijke regels (bestemmingsplannen) naar het permanente deel per deelgebied ongeveer anderhalf jaar in beslag neemt (van inventarisatie – via participatie – naar vaststelling).
Dit kan per deelgebied verschillen afhankelijk van de actualiteit van de nu geldende bestemmingsplannen, de omvang (en complexiteit) van de gebieden en de ervaring die we in de loop van de tijd opdoen met het verhuizen van de ruimtelijke regels naar het permanente omgevingsplan. Ook wordt, in het kader van efficiency, gekeken naar mogelijkheden deelgebieden te koppelen en afstemming te vinden met de reeds geplande gebiedsvisies. Hiermee gaan we er van uit dat Met het opstellen van de regelbibliotheek voor ’t Zand hopen we in de toekomst tijd te besparen. De regelbibliotheek bestaat uit geharmoniseerde ruimtelijke regels met bruidsschatregels bouw, regels uit verordeningen en een eerste aanzet van de bruidsschatregels milieu die van toepassing zijn op ‘t Zand. De bruidsschat milieu en de gemeentelijke verordening regels die mogen worden vanaf 2025 per gebied of op natuurlijke momenten in gevoegd.
45
Uitgangspunt is een volwaardig omgevingsplan op 1 januari 2032. De planning voor de transitiefase ziet er als volgt uit: Planning deelgebieden Omgevingsplan
2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Handboek & formats 1. Regelbibliotheek + basis 1e wijziging omgevingsplan 't Zand
2. ('t Zand), Groote Keeten, Callantsoog, Petten 3. Volledige stad Schagen 4. Tuitjenhorn, Warmenhuizen 5. Waarland, Sint Maarten, Dirkshorn 6. Dorpen langs de Groote Sloot 7. Eenigenburg, Krabbedam en Valkkoog 8. Buitengebied Bruidsschat Bouwen Bruidsschat Milieu Verordeningen die moeten Verordeningen die mogen Afbeelding 6: planning transitiefase
De gedetailleerde planning is te vinden in bijlage1 Planning.
5.3
Capaciteit
Voor het opstellen van het volwaardige omgevingsplan is een bepaalde capaciteit benodigd. Er is een team nodig dat verantwoordelijk is van het omzetten van het tijdelijk omgevingsplan naar het volwaardige omgevingsplan. Er is al een werkgroep omgevingsplan die zich bezighoudt met de transitie. Deze werkgroep aangevuld met vakspecialisten kan omschreven worden als het planregieteam, welke verantwoordelijk is voor de transitie en het beheer van het omgevingsplan. In onderstaande tabel staat uitgeschreven welke rollenin dit planregieteam nodig zijn. De rollen worden ingepast in de taken van de bestaande formatie. rol Regisseur/projectleider
Planjurist / RO
Beschrijving De medewerker die het geheel overziet en op hoofdlijnen de technische en juridische zaken kan vertalen naar de bestuurlijke procedures (bijv. vaststelling door de gemeenteraad). De medewerker vervult een poortwachtersrol. De regisseur houdt het geheel aan wijzigingen en de samenloop tussen de wijzigingen in de gaten en coördineert deze. Voorts communiceert de regisseur met de planjurist en beheerder geo over eventuele consequenties. Tot slot geeft de regisseur opdracht aan een stedenbouwkundig bureau indien de planjurist en beheerder geo geen ruimte hebben De medewerker die zorg draagt voor 1. het opstellen en beheren van de juridische regels; 46