Gebiedsvisie - Meerwaardebenadering NNN Korfwater 23-06-06
Tekst van het document
Pagina 42
duinmeren (vochtige duinvalleien, open water (subtype A)) zijn uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit gewenst. H6230 *Heischrale graslanden Doel Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit. Toelichting Het habitattype is één van de beste voorbeelden van heischrale graslanden in de duinen. Het betreft het enige duingebied van het vasteland van Nederland dat voor dit habitattype is aangewezen. Heischrale graslanden komen hier in smalle zones voor op overgangen van duinhei naar kleine zeggenvegetaties. H6410 Blauwgraslanden Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit. Toelichting Het habitattype komt met een kleine oppervlakte voor op enkele locaties, vooral in het deelgebied Pettemerduinen. H7210 *Galigaanmoerassen Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit. Toelichting In de vastelandsduinen tussen Noordwijk en Den Helder zijn galigaanvegetaties zeer zeldzaam. Het habitattype galigaanmoerassen is momenteel in goede kwaliteit en over een redelijke oppervlakte in dit gebied aanwezig. Voor duurzaam behoud is de ontwikkeling van jonge stadia van belang.
Vogelrichtlijn: Broedvogels A017 Aalscholver Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 790 paren. Toelichting In het begin van de vorige eeuw was de aalscholver een geregelde broedvogel, die echter consequent werd bestreden. Het laatste broedgeval kwam voor in 1927. Hervestiging van de soort vond plaats in 1989, waarna de aantallen sterk toe zijn genomen. Het gemiddelde van de periode 1999-2003 is 790 broedparen. Het hoogste aantal tot op heden was in 2005: 1.235 paren. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud op een bescheiden niveau voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. A021 Roerdomp Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 2 paren (territoria). Toelichting De roerdomp is van oudsher een onregelmatige broedvogel van het rietmoeras die in menig jaar ontbreekt. Het maximum in 1995 betrof 6 territoria. Vanaf 2000 is de soort weer een jaarlijkse broedvogel met 1-3 territoria. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. Het betreft een relatief geïsoleerde broedplaats, die een schakel vormt tussen de Zaanstreek en de Waddeneilanden. A034 Lepelaar Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 55 paren.
Toelichting Al meer dan 100 jaar bevindt zich een kolonie lepelaars in het rietmoeras van het Zwanenwater. Maximaal zijn in begin vorige eeuw rond de 200 nesten geteld, in de jaren zestig 176 paren (1963). Hoewel predatie door vossen in sommige jaren voor problemen heeft gezorgd, is in recente tijd nog steeds een flinke kolonie aanwezig met bijvoorbeeld 105 nesten in 1998; in 2002 werden 75 nesten geteld. In 2003 kwam het aantal echter uit op slechts 20 paren. Het gemiddelde van de periode 1999-2003 is 56 broedparen. Gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding is behoud voldoende. Het gebied heeft voldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie. A277 Tapuit Doel Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren. Toelichting In de duinen van het Zwanenwater hebben van oudsher enige tientallen paren tapuiten in het open duin gebroed. In de periode 1996-2000 was het gemiddelde aantal 22 broedparen. De tweede helft van de jaren negentig was het aantal meerdere jaren hoger dan 20 broedparen, met in 1998 een voorlopig maximum van 28 paren. Gemiddeld werden in de periode 1999- 2003 15 paren vastgesteld. Na 2002 viel het aantal paren echter terug van 17 naar 3-4 in 2005-2008.
Gezien de dalende lokale trend, het landelijke aantalsdoel en de haalbare historische potentie (gemiddelde 1996-2000) wordt uitbreiding van het leefgebied en een licht
Pagina 43
herstel van het populatieaantal haalbaar geacht. Mogelijk profiteert de soort van de gewenste uitbreiding en verbetering van het kalkarme subtype van het habitattype grijze duinen (H2130B) in het gebied. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Hollandse Duinen ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie.
Vogelrichtlijn: Niet-broedvogels A042 Dwerggans Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 20 vogels (seizoensmaximum). Toelichting De aantallen dwergganzen zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. De aantallen fluctueren enigszins, beschikbare gegevens zijn nog niet geschikt voor trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de oorzaak voor de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is gelegen buiten Nederland. A056 Slobeend Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 90 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Het gebied heeft voor de slobeend met name een functie als foerageergebied. Trendgegevens zijn niet beschikbaar. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.
Pagina 44
Bijlage 3 Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000gebied ‘Abtskolk & De Putten’ Vogelrichtlijn: Niet-broedvogels A042 Dwerggans Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 20 vogels (seizoensmaximum). Toelichting De aantallen dwergganzen zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. De aantallen fluctueren enigszins, beschikbare gegevens zijn nog niet geschikt voor trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de oorzaak voor de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is gelegen buiten Nederland. Kolgans Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.000 Kolganzen (gemiddeld seizoenmaximum). Smient Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.600 Smienten (gemiddeld seizoenmaximum). Grauwe gans Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 600 Grauwe ganzen (gemiddeld seizoenmaximum).
Pagina 45
Bijlage 4 Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000gebied ‘Noordzeekustzone’ Habitatrichtlijn: Habitattypen H1110 Permanent overstroomde zandbanken Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone (subtype B). Toelichting Het subtype permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone (subtype B) komt voor in de buitendelta’s bij de zeegaten. Dit subtype verkeert landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. H1140 Slik- en zandplaten Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit slik- en zandplaten, Noordzee-kustzone (subtype B). Toelichting Slik- en zandplaten Noordzee-kustzone (subtype B) komen in de zeegaten voor. Ze zijn over het algemeen tijdelijk, behalve ten zuidwesten van Texel, waar nu de Razende Bol ligt. Het betreft een zeer dynamisch habitattype waarvan de exacte locatie en de oppervlakte jaarlijks sterk kunnen wisselen ten gevolge van erosie- en sedimentatieprocessen. H1310 Zilte pionierbegroeiingen Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit. Toelichting Zilte pionierbegroeiingen, zeekraal (subtype A) en zeevetmuur (subtype B) komen voor op het Noordzeestrand van verschillende eilanden. Het gaat hier om een type dat door successie snel overgaat in andere habitattypen. H1330 Schorren en zilte graslanden Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A).
Toelichting Het habitattype schorren en zilte graslanden, buitendijks (subtype A) komt voor op het Noordzeestrand van verschillende eilanden. Het betreft een type dat door successie snel over kan gaan in andere habitattypen (onder andere H2190 vochtige duinvalleien). Binnen het gebied dient het habitattype ruim verspreid voor te komen. H2110 Embryonale duinen Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit. Toelichting Het habitattype embryonale duinen komt voor op het Noordzeestrand van verschillende eilanden. Behoud van de oppervlakte geldt binnen de (sterke) natuurlijke fluctuaties, en kan gebeuren door behoud van het dynamische landschap met dit habitattype. H2190 Vochtige duinvalleien Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B). Toelichting Het habitattype vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) komt voor op het Noordzeestrand. De begroeiingen op deze stranden zijn zeer jong. Verwacht wordt dat het habitattype zich lokaal zal uitbreiden door successie, waarbij de kwaliteit kan toenemen, maar op andere locaties kan het type door hoge dynamiek weer verdwijnen.
Habitatrichtlijn: soorten H1095 Zeeprik Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. Toelichting De Noordzeekustzone is als leefgebied voor de zeeprik vermoedelijk van groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding niet in dit gebied ligt. Uitbreiding van de populatie kan tot stand komen door het elders verbeteren van de trekroute en verbeteren van zoet-zout overgangen. H1099 Rivierprik Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. Toelichting De Noordzeekustzone is als leefgebied voor de rivierprik van vermoedelijk groot belang. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk, omdat de oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat
Pagina 46
van instandhouding niet in dit gebied ligt. Uitbreiding van de populatie kan tot stand komen door het elders verbeteren van de trekroute en zoet-zout overgangen. H1103 Fint Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie. Toelichting De Noordzeekustzone is als leefgebied voor de fint van groot belang. Het gaat waarschijnlijk vooral om finten die in het Duitse deel van de Eems paaien. In dit gebied zijn geen herstelmaatregelen noodzakelijk. Uitbreiding van de populatie in deze regio is afhankelijk van maatregelen in Duitsland, omdat de soort voor zijn voortplanting afhankelijk is van de paaigebieden die voornamelijk in Duitsland liggen. H1351 Bruinvis Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Toelichting De Noordzeekustzone is het belangrijkste gebied voor de bruinvis. Hoewel de Nederlandse populatie nog steeds ver verwijderd is van de duurzame populatie die zich vroeger in dit gebied voortplantte, herstelt de populatie zich sinds de jaren negentig in onze wateren. Van een zeldzame wintergast is de bruinvis weer een vaste bewoner geworden. Ook worden sinds decennia opnieuw bruinvissen met jongen gezien. De toename in Nederlandse wateren kan een gevolg zijn van een andere verdeling over de Noordzee. Het staande beleid om de sterfte van bruinvissen in netten te beperken zal bijdragen aan verder herstel van de populatie.
H1364 Grijze zeehond Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Toelichting Naast de Waddenzee is de Noordzeekustzone het belangrijkste gebied voor grijze zeehonden in Nederland. Het gebied heeft een belangrijke foerageerfunctie, met name in de winter. H1365 Gewone zeehond Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. Toelichting Het betreft één van de belangrijkste gebieden voor de gewone zeehond. Deze soort gebruikt ongestoorde, permanent of bijna altijd droogvallende zandplaten als rustgebied. Daarnaast heeft het gebied een belangrijke foerageerfunctie.
Vogelrichtlijn: Broedvogels A137 Bontbekplevier Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren. Toelichting De bontbekplevier broedt verspreid in de Noordzeekustzone op zeer spaarzaam begroeide plaatsen langs kusten. De populatieomvang beweegt zich al enkele decennia tussen de 4 en 19 paren met een uitschieter in 2003 met 26 paren. Behoud van de verspreide en erratische populatie als link tussen de Delta en de Waddenzee is gewenst. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio westelijk Waddengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. A138 Strandplevier Doel Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 30 paren. Toelichting Als broedvogel is de strandplevier vooral te vinden op zandige, schelpenrijke platen en in primaire duinen. De broedplaatsen bevinden zich vrijwel allen op de eilanden of eilandjes. Langs de kusten van het vaste land wordt maar sporadisch gebroed. De aantallen lopen al decennia lang terug met begin 80-er jaren nog maximaal 38 paren, halverwege de 90-er jaren maximaal 26 en vanaf 2000 maximaal 12.
Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd, vooral ook gezien de verbindingsfunctie tussen de Delta en de Waddenzee. Het gebied levert onvoldoende draagkracht voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio westelijk Waddengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. A195 Dwergstern Doel Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 20 paren. Toelichting De dwergstern is als broedvogel vrijwel verdwenen uit de Noordzeekustzone. Gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is als doel uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied geformuleerd. Het gebied kan onvoldoende draagkracht leveren voor een zelfstandige sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Westelijk Waddengebied ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie onder meer op Razende Bol en in Duinen Texel.
Pagina 47
Vogelrichtlijn: Niet-broedvogels A001 Roodkeelduiker Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Toelichting Aantallen roodkeelduikers zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De verspreiding van de roodkeelduiker in Nederland is grotendeels beperkt tot de kustgebieden van de Noordzee. In de Noordzeekustzone worden soms hoge dichtheden gezien in de buitendelta’s tussen de waddeneilanden, waar gevist wordt op de scheiding tussen verschillende watermassa’s. In de reguliere tellingen is deze soort slecht vertegenwoordigd, maar recent lijken de aantallen landelijk te zijn toegenomen. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. A002 Parelduiker Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Toelichting Aantallen parelduikers zijn van grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De verspreiding van de parelduiker in Nederland heeft zijn zwaartepunt in de kustgebieden van de Noordzee. De absolute aantallen en de trend zijn onbekend (en daardoor ook de staat van instandhouding) door een combinatie tussen lage aantallen en verwarring met de veel talrijkere roodkeelduiker. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd.
A017 Aalscholver Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.900 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Aantallen aalscholvers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De Noordzeekustzone is één van de gebieden die voor de aalscholvers in Nederland de grootste bijdrage leveren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. A048 Bergeend Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 520 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Het gebied heeft voor de bergeend met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De slaapplaatsfunctie (strand) is van toepassing op bergeenden die elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. A062 Topper Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Toelichting Het gebied heeft voor de topper met name een functie als foerageergebied. Midden jaren negentig zijn relatief hoge aantallen geteld in de Noordzeekustzone, min of meer volgend op de afname in het IJsselmeer en de Waddenzee.
Vergelijking met de situatie bij de eider suggereert een opvangfunctie voor de Noordzeekustzone in tijden van voedselschaarste in de andere twee genoemde gebieden, maar data uit de Noordzeekustzone zijn schaars. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. A063 Eider Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 26.200 vogels (midwinter-aantallen). Toelichting Aantallen eiders zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. De Noordzeekustzone is belangrijk geworden in het begin van de jaren negentig, toen de aantallen hier toenamen, terwijl ze in de Waddenzee afnamen. Met name in jaren waarin een verlaagd voedselaanbod in de Waddenzee samen gaat met goede jaren voor andere schelpdieren (bijvoorbeeld Spisula) in de Noordzeekustzone foerageert hier een relatief hoog aantal. De recente afname in de Noordzeekustzone kan een teken zijn van een begin van herstel van de voedselsituatie in de Waddenzee, maar een dergelijk herstel is nog niet zichtbaar in de populatietrend.
Omdat de aanwezigheid van eiders in de Noordzeekustzone waarschijnlijk is verbonden aan slechte omstandigheden in de Waddenzee, wordt daar de herstelopgave gelegd en wordt in de Noordzeekustzone volstaan met behoud van de opvangcapaciteit. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.
Pagina 48
A065 Zwarte zee-eend Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 51.900 vogels (midwinter-aantallen). Toelichting Aantallen zwarte zee-eenden zijn van internationale en zeer grote nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied. Het gebied levert verreweg de grootste bijdrage voor de zwarte zee-eend in Nederland. De soort is een wintergast. Er is geen duidelijke trend door grote fluctuaties, deels veroorzaakt doordat alleen tellingen uit januari beschikbaar zijn. De aantallen fluctueren mogelijk ook werkelijk van jaar op jaar door het wisselend aanbod aan schelpdieren (onder andere Spisula). De soort verkeert landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding. A130 Scholekster Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.300 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Het gebied heeft voor de scholekster met name een functie als slaapplaats. Als zodanig levert de Noordzeekustzone één van de grootste bijdragen voor de soort binnen Nederland. De slaapplaatsfunctie/ hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op vogels die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse.
Behoud van de huidige situatie is voldoende, de oorzaak van de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. A132 Kluut Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 120 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Het gebied heeft voor de kluut met name een functie als slaapplaats. De slaapplaatsfunctie/hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op kluten die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. A137 Bontbekplevier Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 510 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Aantallen bontbekplevieren zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. De Noordzeekustzone voor de bontbekplevier het gebied dat na de Waddenzee de grootste bijdrage levert in Nederland. De functie slaapplaats/ hoogwatervluchtplaats is van toepassing op bontbekplevieren die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijke staat van instandhouding.
A141 Zilverplevier Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 3.200 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Aantallen zilverplevieren zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Als zodanig levert de Noordzeekustzone voor de zilverplevier de grootste bijdrage binnen Nederland na de Waddenzee en de Oosterschelde. De slaapplaatsfunctie/hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op zilverplevieren die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. A143 Kanoet Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 560 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Het gebied heeft voor de kanoet met name een functie als slaapplaats. De slaapplaatsfunctie/hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op kanoeten die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. Strekdammen langs de Noord-Hollandse kust zijn bij dichtvriezen van de westelijke Waddenzee van belang als opvang. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse.
Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied. A144 Drieteenstrandloper Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 2.000 vogels (seizoensgemiddelde). Toelichting Aantallen drieteenstrandlopers zijn van internationale en grote nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats. De draagkrachtschatting heeft betrekking
Pagina 49
op beide functies. Na de Waddenzee levert het gebied met ongeveer een kwart van de Nederlandse drieteenstrandlopers de grootste bijdrage. De soort is het hele jaar present, met lage aantallen in juni en juli. Sinds het midden van de jaren tachtig is de populatie fors toegenomen, net als in de Waddenzee. De landelijke staat van instandhouding is matig ongunstig omdat de hoge recreatiedruk effect heeft op de verspreiding. Desondanks nemen de aantallen toe. Behoud van de huidige situatie is voldoende, op landelijk niveau is geen herstelopgave geformuleerd. A149 Bonte strandloper Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 7.400 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Aantallen bonte strandlopers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Als zodanig is het één van de gebieden in Nederland die de grootste bijdrage leveren. De slaapplaatsfunctie/ hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op vogels die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. A157 Rosse grutto Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 1.800 vogels (seizoensmaximum).
Toelichting Het gebied heeft met name een functie als slaapplaats. Als zodanig is de Noordzeekustzone voor de rosse grutto het gebied in Nederland dat na de Waddenzee en de Oosterschelde de grootste bijdrage levert. De slaapplaatsfunctie/ hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op vogels die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. A160 Wulp Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 640 vogels (seizoensmaximum). Toelichting Het gebied heeft voor de wulp met name een functie als slaapplaats. De slaapplaatsfunctie/hoogwatervluchtplaatsen is van toepassing op vogels die grotendeels elders in het Waddengebied foerageren. De gegevens zijn niet toereikend voor een trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende gezien de landelijk gunstige staat van instandhouding. A169 Steenloper Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 160 vogels (seizoensgemiddelde). Toelichting Aantallen steenlopers zijn van nationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als foerageergebied en als slaapplaats.
De Noordzeekkustzone levert één van de grootste bijdragen voor de steenloper binnen Nederland (ondergeschikt aan de Waddenzee). Oudere trendgegevens ontbreken, maar beschikbare data vertonen een zelfde dip in de tweede helft van de jaren negentig als in de Waddenzee. Als dit te maken heeft met voedselbeschikbaarheid in de Waddenzee (mosselbanken en daaraan verbonden voedseltypen) biedt het Noordzeestrand blijkbaar geen uitwijkmogelijkheid, zoals bij enkele eendensoorten die naar de Noordzeekustzone uitweken. Ondanks de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding is geen herstelopgave geformuleerd voor de Noordzeekustzone, omdat de trend afgeleid is van die van de Waddenzee. A177 Dwergmeeuw Doel Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. Toelichting Aantallen dwergmeeuwen zijn van (grote) nationale betekenis. Het gebied heeft met name een functie als foerageergebied. Het betreft één van de belangrijkste gebieden in Nederland. Behoud van de huidige situatie is voldoende, de waarschijnlijke oorzaak van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding is niet gelegen in dit gebied.
Pagina 50
Bijlage 5 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 51
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 52
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 53
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig:
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 54
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig:
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Pagina 55
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
Pagina 56
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.
Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor:
ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;
Pagina 57
b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.
Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:
dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of
c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.
Pagina 58
Bijlage 6 Beschermde plant- en diersoorten Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Nog niet duidelijk is of er weer een lijst met jaarrond beschermde vogelnesten komt en/of dat de huidige lijst blijft gelden.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Niet-vogels) Naam
Wetenschappelijke naam
Soortgroep
Verdrag/ Richtlijn
baardvleermuis
Myotis mystacinus ssp. mystacinus
Zoogdierenvleermuizen
Bern II, HR IV
Weekdieren
HR IV
Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenlandzoogdieren Amfibieën
Bern II, HR IV HR IV
bataafse stroommossel Unio crassus bechsteins vleermuis
Myotis bechsteini
bever
Castor fiber ssp. albicus
boomkikker
Hyla arborea ssp. arborea
bosvleermuis
Nyctalus leisleri ssp. leisleri Myotis brandti ssp. brandti
brandts vleermuis
brede Dytiscus latissimus geelrandwaterroofkever donker Maculinea nausithous pimpernelblauwtje drijvende Luronium natans waterweegbree franjestaart Myotis nattereri
Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenvleermuizen Insecten-kevers Insectendagvlinders Zaadplanten Zoogdierenvleermuizen Insecten-libellen
gaffellibel
Ophiogomphus cecilia
geel schorpioenmos
Hamatocaulis vernicosus
geelbuikvuurpad
Bombina variegata ssp. variegata Graphoderus bilineatus
Insecten-kevers
Leucorrhinia pectoralis
Insecten-libellen
gestreepte waterroofkever gevlekte witsnuitlibel
Sporenplantenbladmossen Amfibieën
Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV
Pagina 59
gewone dwergvleermuis gewone grootoorvleermuis gladde slang grijze grootoorvleermuis groene glazenmaker
Pipistrellus pipistrellus Plecotus auritus ssp. auritus Coronella austriaca ssp. austriaca Plecotus austriacus ssp. austriacus Aeshna viridis
Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenvleermuizen Reptielen Zoogdierenvleermuizen Insecten-libellen
groenknolorchis grote hoefijzerneus
Liparis loeselii Rhinolophus ferrumequinum ssp. ferrumequinum
Zaadplanten Zoogdierenvleermuizen
grote vuurvlinder
hazelmuis
Lycaena dispar ssp. batava Cricetus cricetus ssp. canescens Muscardinus avellanarius
heikikker
Rana arvalis ssp. arvalis
Insectendagvlinders Zoogdierenlandzoogdieren Zoogdierenlandzoogdieren Amfibieën
houting ingekorven vleermuis kamsalamander
Coregonus oxyrinchus Myotis emarginatus ssp. emarginatus Triturus cristatus
Vissen Zoogdierenvleermuizen Amfibieën
kleine dwergvleermuis
Pipistrellus pygmaeus
kleine vlotvaren
Salvinia natans
knoflookpad
Pelobates fuscus ssp. fuscus Apium repens
Zoogdierenvleermuizen Sporenplantenvarens Amfibieën
hamster
kruipend moerasscherm laatvlieger liggende raket meervleermuis mercuurwaterjuffer muurhagedis
Eptesicus serotinus ssp. serotinus Sisymbrium supinum Myotis dasycneme Coenagrion mercuriale ssp. mercuriale Podarcis muralis ssp. brongniardii
HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV HR IV Bern II, HR IV HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I
Zaadplanten
Bern II, HR IV Bern I, HR IV
Zoogdierenvleermuizen Zaadplanten Zoogdierenvleermuizen Insecten-libellen
Bern II, HR IV Bern I Bern II, HR IV Bern II
Reptielen
Bern II, HR IV
Pagina 60
noordse winterjuffer
otter
Sympecma annulata ssp. braueri Microtus oeconomus ssp. arenicola Lutra lutra ssp. lutra
pimpernelblauwtje
Maculinea teleius
platte schijfhoren poelkikker rivierrombout
rugstreeppad
Anisus vorticulus Rana lessonae Gomphus flavipes ssp. flavipes Nyctalus noctula ssp. noctula Bufo calamita
ruige dwergvleermuis
Pipistrellus nathusii
sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis
steur
Acipenser sturio
teunisbloempijlstaart
Proserpinus proserpina
tonghaarmuts
Orthotrichum rogeri
noordse woelmuis
rosse vleermuis
tweekleurige vleermuis Vespertilio murinus ssp. murinus vale vleermuis Myotis myotis ssp. myotis
Insecten-libellen Zoogdierenlandzoogdieren Zoogdierenlandzoogdieren Insectendagvlinders Weekdieren Amfibieën Insecten-libellen Zoogdierenvleermuizen Amfibieën Zoogdierenvleermuizen Insecten-libellen Vissen Insectennachtvlinders Sporenplantenbladmossen Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenvleermuizen Insecten-kevers
vermiljoenkever
Cucujus cinnaberinus
vroedmeesterpad
Alytes obstetricans ssp. obstetricans Myotis daubentoni ssp. daubentoni Felis silvestris ssp. silvestris
Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenlandzoogdieren
Lacerta agilis ssp. agilis
Reptielen
watervleermuis wilde kat zandhagedis
Amfibieën
Bern II, HR IV HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV HR IV HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern I Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV Bern II, HR IV HR IV Bern II, HR IV
Pagina 61
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Vogels) Naam
Wetenschappelijke naam
appelvink
Coccothraustes coccothraustes ssp. coccothraustes
baardman bergeend bijeneter blauwborst blauwe kiekendief boerenzwaluw bontbekplevier bonte vliegenvanger boomklever boomkruiper boompieper boomvalk bosrietzanger bosruiter bosuil braamsluiper brandgans bruine kiekendief buizerd casarca cetti's zanger draaihals duinpieper dwergmeeuw dwergstern engelse kwikstaart
Panurus biarmicus ssp. biarmicus Tadorna tadorna Merops apiaster Luscinia svecica ssp. cyanecula Circus cyaneus ssp. cyaneus Hirundo rustica ssp. rustica Charadrius hiaticula ssp. hiaticula Ficedula hypoleuca ssp. hypoleuca Sitta europaea ssp. caesia Certhia brachydactyla ssp. megarhyncha Anthus trivialis ssp. trivialis Falco subbuteo ssp. subbuteo Acrocephalus palustris Tringa glareola Strix aluco ssp. aluco Sylvia curruca ssp. curruca Branta leucopsis Circus aeruginosus ssp. aeruginosus Buteo buteo ssp. buteo Tadorna ferruginea Cettia cetti ssp. cetti Jynx torquilla ssp. torquilla Anthus campestris ssp. campestris Larus minutus Sterna albifrons ssp. albifrons Motacilla flava ssp. flavissima
Soortgroep
Verdrag/ Richtlijn
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II
Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Pagina 62
europese kanarie fitis
Serinus serinus Phylloscopus trochilus ssp. trochilus flamingo Phoenicopterus ruber ssp. roseus fluiter Phylloscopus sibilatrix geelgors Emberiza citrinella ssp. citrinella gekraagde roodstaart Phoenicurus phoenicurus ssp. phoenicurus gele kwikstaart Motacilla flava ssp. flava geoorde fuut Podiceps nigricollis glanskop Parus palustris ssp. palustris goudhaan Regulus regulus ssp. regulus grasmus Sylvia communis ssp. communis graspieper Anthus pratensis ssp. pratensis graszanger Cisticola juncidis ssp. cisticola grauwe kiekendief Circus pygargus grauwe klauwier Lanius collurio ssp. collurio grauwe vliegenvanger Muscicapa striata ssp. striata
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
groene specht groenling grote barmsijs
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
grote bonte specht grote gele kwikstaart grote karekiet grote stern grote zilverreiger havik heggenmus huiszwaluw ijsvogel kerkuil
Picus viridis ssp. viridis Carduelis chloris ssp. chloris Carduelis flammea ssp. flammea Dendrocopos major ssp. pinetorum Motacilla cinerea ssp. cinerea Acrocephalus arundinaceus ssp. arundinaceus Sterna sandvicensis ssp. sandvicensis Casmerodius albus ssp. albus Accipiter gentilis ssp. gentilis Prunella modularis ssp. modularis Delichon urbica ssp. urbica Alcedo atthis ssp. ispida Tyto alba ssp. guttata
Pagina 63
klapekster
Lanius excubitor ssp. excubitor klein waterhoen Porzana parva kleine barmsijs Carduelis flammea ssp. cabaret kleine bonte specht Dendrocopos minor ssp. hortorum kleine karekiet Acrocephalus scirpaceus ssp. scirpaceus kleine plevier Charadrius dubius ssp. curonicus kleine zilverreiger Egretta garzetta ssp. garzetta kleinst waterhoen Porzana pusilla ssp. intermedia kluut Recurvirostra avosetta kneu Carduelis cannabina ssp. cannabina koolmees Parus major ssp. major kortsnavelboomkruiper Certhia familiaris ssp. macrodactyla kraanvogel Grus grus ssp. grus kruisbek Loxia curvirostra ssp. curvirostra kuifmees Parus cristatus ssp. mitratus kwak Nycticorax nycticorax ssp. nycticorax kwartelkoning Crex crex lepelaar Platalea leucorodia ssp. leucorodia matkop Parus montanus ssp. rhenanus middelste bonte Dendrocopos medius ssp. specht medius nachtegaal Luscinia megarhynchos ssp. megarhynchos nachtzwaluw Caprimulgus europaeus ssp. europaeus nonnetje Mergus albellus noordse stern Sterna paradisaea oehoe Bubo bubo ssp. bubo oeverloper Tringa hypoleucos oeverzwaluw Riparia riparia ssp. riparia ooievaar Ciconia ciconia ssp. ciconia
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II Bern II
Pagina 64
paapje pimpelmees porseleinhoen purperreiger putter ransuil rietgors rietzanger rode wouw roerdomp roodborst roodborsttapuit roodhalsfuut roodmus ruigpootuil sijs slechtvalk snor sperwer spotvogel sprinkhaanzanger steenuil steltkluut strandleeuwerik strandplevier taigaboomkruiper
Saxicola rubetra Parus caeruleus ssp. caeruleus Porzana porzana Ardea purpurea ssp. purpurea Carduelis carduelis ssp. carduelis Asio otus ssp. otus Emberiza schoeniclus ssp. schoeniclus Acrocephalus schoenobaenus Milvus milvus ssp. milvus Botaurus stellaris ssp. stellaris Erithacus rubecula ssp. rubecula Saxicola torquata ssp. hibernans Podiceps grisegena ssp. grisegena Carpodacus erythrinus ssp. erythrinus Aegolius funereus ssp. funereus Carduelis spinus Falco peregrinus ssp. peregrinus Locustella luscinioides ssp. luscinioides Accipiter nisus ssp. nisus Hippolais icterina Locustella naevia ssp. naevia Athene noctua ssp. vidalii Himantopus himantopus Eremophila alpestris ssp. flava Charadrius alexandrinus ssp. alexandrinus Certhia familiaris ssp. familiaris
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Pagina 65
tapuit tjiftjaf torenvalk tuinfluiter velduil visarend visdief vuurgoudhaan wespendief wielewaal winterkoning witgat witoogeend witte kwikstaart woudaap zeearend zwarte mees zwarte roodstaart zwarte specht zwarte stern zwartkop zwartkopmeeuw
Oenanthe oenanthe ssp. oenanthe Phylloscopus collybita ssp. collybita Falco tinnunculus ssp. tinnunculus Sylvia borin ssp. borin Asio flammeus ssp. flammeus Pandion haliaetus ssp. haliaetus Sterna hirundo ssp. hirundo Regulus ignicapillus ssp. ignicapillus Pernis apivorus Oriolus oriolus ssp. oriolus Troglodytes troglodytes ssp. troglodytes Tringa ochropus Aythya nyroca Motacilla alba ssp. alba Ixobrychus minutus ssp. minutus Haliaeetus albicilla Parus ater ssp. ater Phoenicurus ochruros ssp. gibraltariensis Dryocopus martius ssp. martius Chlidonias niger ssp. niger Sylvia atricapilla ssp. atricapilla
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Vogels Vogels Vogels
Bern II Bern II Bern II
Vogels Vogels Vogels Vogels
Bern II Bon I Bern II Bern II
Vogels Vogels Vogels
Bern II, Bon I Bern II Bern II
Vogels
Bern II
Vogels Vogels
Bern II Bern II
Larus melanocephalus
Vogels
Bern II
Pagina 66
Beschermingsregime andere soorten Naam
Wetenschappelijke naam
blaasvaren
Cystopteris fragilis
groensteel
Asplenium viride
schubvaren
Ceterach officinarum
akkerboterbloem akkerdoornzaad akkerogentroost
Ranunculus arvensis Torilis arvensis Odontites vernus subsp. vernus Euphrasia rostkoviana Teucrium montanum Platanthera montana Anagallis arvensis subsp. foemina Himantoglossum hircinum Ranunculus polyanthemos subsp. nemorosus
beklierde ogentroost berggamander bergnachtorchis blauw guichelheil bokkenorchis bosboterbloem
bosdravik brave hendrik brede wolfsmelk breed wollegras bruinrode wespenorchis dennenorchis dreps echte gamander franjegentiaan geelgroene wespenorchis geplooide vrouwenmantel getande veldsla gevlekt zonneroosje glad biggenkruid gladde zegge
Soortgroep Sporenplantenvarens Sporenplantenvarens Sporenplantenvarens Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten
Bromopsis ramosa subsp. benekenii Chenopodium bonushenricus Euphorbia platyphyllos Eriophorum latifolium Epipactis atrorubens
Zaadplanten
Goodyera repens Bromus secalinus Teucrium chamaedrys subsp. germanicum Gentianella ciliata Epipactis muelleri
Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten
Alchemilla subcrenata
Zaadplanten
Valerianella dentata Tuberaria guttata Hypochaeris glabra Carex laevigata
Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten
Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten
Zaadplanten Zaadplanten
Pagina 67
groene nachtorchis groot spiegelklokje grote bosaardbei grote leeuwenklauw honingorchis kalkboterbloem
kalketrip karthuizeranjer karwijselie kleine ereprijs kleine schorseneer kleine wolfsmelk kluwenklokje knollathyrus knolspirea korensla kranskarwij kruiptijm lange zonnedauw liggende ereprijs moerasgamander muurbloem naakte lathyrus naaldenkervel pijlscheefkelk roggelelie rood peperboompje rozenkransje ruw parelzaad scherpkruid schubzegge smalle raai spits havikskruid steenbraam stijve wolfsmelk stofzaad tengere distel tengere veldmuur trosgamander veenbloembies
Coeloglossum viride Legousia speculumveneris Fragaria moschata Aphanes arvensis Herminium monorchis Ranunculus polyanthemos subsp. polyanthemoides
Zaadplanten Zaadplanten
Centaurea calcitrapa Dianthus carthusianorum Selinum carvifolia Veronica verna Scorzonera humilis Euphorbia exigua Campanula glomerata Lathyrus linifolius Filipendula vulgaris Arnoseris minima Carum verticillatum Thymus praecox Drosera longifolia Veronica prostrata Teucrium scordium Erysimum cheiri Lathyrus aphaca Scandix pecten-veneris Arabis hirsuta subsp. sagittata Lilium bulbiferum subsp. croceum Daphne mezereum Antennaria dioica Lithospermum arvense Asperugo procumbens Carex lepidocarpa Galeopsis angustifolia Hieracium lactucella Rubus saxatilis Euphorbia stricta Monotropa hypopitys Carduus tenuiflorus Minuartia hybrida Teucrium botrys Scheuchzeria palustris
Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten
Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten
Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten Zaadplanten
Pagina 68