Gebiedsvisie - Meerwaardebenadering NNN Korfwater 23-06-06
Tekst van het document
Pagina 6
Figuur 3. Geplande renovatie- en sloopwerkzaamheden.
Pagina 7
3
Beschermde status plangebied
In dit hoofdstuk wordt beoordeel of de geplande activiteiten, het deels slopen en renoveren van een hotel, mogelijk een negatief effect heeft op beschermde natuurwaarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Natura 2000-gebieden ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’, 'Abtskolk & De Putten' en ‘Noordzeekustzone’. Voor overige Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten door de fysieke afstand, het ontbreken van een ecologische binding met het plangebied en de beperkte omvang van de geplande activiteiten.
3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland In de provincie Noord-Holland bestaat het Natuurnetwerk uit twee onderdelen: EHS-natuur en ecologische verbindingszones. Tevens zijn er diverse weidevogelgebieden. Soorten die zijn gebonden aan grotere natuurgebieden vinden vooral een plek in EHS-natuur. Met de ecologische verbindingszones neemt de versnippering van natuur af en ontstaan migratiemogelijkheden voor planten en dieren. Binnen het Natuurnetwerk geldt de “nee, tenzij”-benadering. Dit houdt in dat een bestemmingsplanwijziging niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, moet het bevoegd gezag erop toezien dat hiernaar door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht. Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken heeft de provincie de te behouden wezenlijke kenmerken en waarden per gebied gespecificeerd. In de gehele EHS geldt de landschappelijke verwevenheid van natuur, bos en landschapselementen met cultuurgronden als wezenlijk kenmerk. Daarnaast zijn per regio nog specifieke kenmerken aangewezen.
Pagina 8
Ruimtelijke ontwikkelingen binnen de weidevogelgebieden dienen elders te worden gecompenseerd. Het plangebied ligt niet in het NNN. De duingebieden grenzend aan het plangebied zijn aangewezen als bestaande en nieuwe natuur binnen het NNN (zie figuur 4).
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het NNN (groen), bron: Provincie Noord-Holland, 2019.
3.1.1 Effectbeoordeling NNN In het plangebied wordt een hotelgebouw deels gesloopt en gerenoveerd. Er vindt geen ruimtebeslag op bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebieden of ecologische verbindingen plaats. Bij het toetsingskader van de NNN is geen sprake van externe werking. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
Pagina 9
3.3 Natura 2000 3.3.1 Wettelijk kader De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.3.2 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, maar grenst wel deels aan het Natura 2000-gebied 'Zwanenwater & Pettemerduinen' (zie figuur 5). Enkele overige de Natura 2000-gebieden als 'Abtskolk & De Putten' en 'Noordzeekustzone' liggen op geringe afstand van het plangebied, vanaf respectievelijk circa 1,1 kilometer en 200 meter (zie figuur 6 en 7).
Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen', bron: synbiosys.alterra.nl/natura2000.
Pagina 10
Figuur 6. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Abtskolk & De Putten', bron: synbiosys.alterra.nl/natura2000.
Figuur 7. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone', bron: synbiosys.alterra.nl/natura2000.
Pagina 11
Instandhoudingsdoelen Het ecologisch netwerk Natura 2000 moet de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Onder het begrip “instandhouding” wordt een geheel van maatregelen verstaan die nodig zijn voor het behoud of herstel van natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding. Per Natura 2000-gebied zijn in de Ontwerpbesluiten de instandhoudingsdoelen benoemd. Dit betreffen een aantal soorten en habitats die kenmerkend voor het gebied zijn. Ruimtelijke ontwikkelingen mogen niet leiden tot een significante verslechtering van deze instandhoudingsdoelen. Voor de Natura 2000gebieden ‘Zwanenwater & Pettemerduinen', 'Abtskolk & De Putten' en ‘Noordzeekustzone’ zijn voor een aantal habitattypen en doelsoorten instandhoudingsdoelen geformuleerd (zie bijlagen 2 t/m 4).
3.2 Voortoets Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Echter kunnen ruimtelijke ontwikkelingen door externe werking toch een verstorend effect hebben op de aangewezen instandhoudingsdoelen, tijdens en na afronding van de werkzaamheden. Dit kunnen tijdelijke effecten zijn, maar ook permanente verstorende effecten. Om een indicatie over het mogelijk negatief effect van een ruimtelijke ontwikkeling op de instandhoudingsdoelen van de 2000-gebieden ‘Zwanenwater & Pettemerduinen' en ‘Noordzeekustzone’ te krijgen is de effectenindicator van het Ministerie van EZ geraadpleegd. De effectenindicator geeft informatie over de gevoeligheid van habitattypen en soorten voor de meest voorkomen storende factoren. Abtskolk & De Putten Voor dit Natura 2000-gebied zijn uitsluitend behoudsdoelen geformuleerd voor 4 overwinterende vogelsoorten (dwerggans, smient, kolgans en grauwe gans). Gezien de afstand tussen het plangebied en dit beschermd natuurgebied (ruim 1 km), het ontbreken van een ecologische verbinding en de beperkte verstoringsgevoeligheid van de instandhoudingsdoelen, zijn negatieve effecten door de geplande ruimtelijke ontwikkeling op voorhand uit te sluiten. Voor deze soorten zijn geen uitbreidingsdoelen geformuleerd. De instandhoudingsdoelen van dit Natura 2000-gebied zijn niet meegenomen in de effectbeoordeling.
Pagina 12
De geplande werkzaamheden aan het bestaande hotelgebouw hebben met name tijdens de sloop- en bouwfase mogelijk een negatief effect. de activiteit uit de effectenindicator die het meest overeenkomt met de activiteiten is ‘Woningbouw’ (zie figuur 8 en 9).
Figuur 8. Resultaten effectenindicator ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ voor woningbouw.
Pagina 13
Figuur 9. Resultaten effectenindicator ‘Noordzeekustzone’ voor woningbouw.
Pagina 14
Uit de effectenindicator (zie figuur 8 en 9) blijkt dat er een aantal storingsfactoren zijn, waarvoor de habitattypen en soorten van de Natura 2000-gebieden ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ en ‘Noordzeekustzone’ gevoelig of zeer gevoelig zijn. Dit zijn de storingsfactoren oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trillingen, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Per storingsfactor wordt getoetst of significante negatieve effecten te verwachten zijn voor de kwalificerende habitattypen en soorten voor de Natura 2000-gebieden ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ en ‘Noordzeekustzone’. De habitattypen en doelsoorten van de 2 gebieden worden hier gezamenlijk behandeld. Oppervlakteverlies Verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied. Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt oppervlakteverlies mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting.
Alle habitattypen van de twee Natura 2000-gebieden en de doelsoorten aalscholver, dwerggans, lepelaar, roerdomp, tapuit, bruinvis, fint, gewone zeehond, grijze zeehond, rivierprik, zeeprik, bontbekplevier, dwergstern, kluut, strandplevier en wulp zijn gevoelig voor oppervlakteverlies. Hiervan is echter geen sprake aangezien het plangebied niet binnen de twee Natura 2000-gebieden ligt. Er worden geen habitattypen aangetast door oppervlakteverlies (zie figuur 10). Er is geen sprake van fysieke aantasting van leefgebied van bovenstaande doelsoorten. De voor oppervlakteverlies gevoelige habitats en doelsoorten van het Natura 2000-gebied zullen geen negatieve effecten ondervinden door de herbouw van het hotel en de omvorming van een camping naar een huisjespark. Van een aantal habitats en soorten zijn uitbreidingsdoelen geformuleerd: H6230 heischrale graslanden, strandplevier, dwergstern en tapuit. Het plangebied vormt in de huidige situatie geen geschikte uitgangssituatie voor de uitbreiding van de habitattypen en leefgebieden, gezien de huidige bestemming als recreatiegebied en/of het ontbreken van ecologische potenties voor de ontwikkeling van geschikte leefgebieden. Versnippering Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten.
Alle habitattype van de twee Natura 2000-gebieden en de doelsoorten aalscholver, roerdomp, tapuit, eider, rivierprik en zeeprik zijn gevoelig voor versnippering. Van versnippering van habitats of leefgebieden is echter geen sprake aangezien het plangebied niet binnen de Natura 2000-gebieden ligt (zie figuur 10).
Pagina 15
Verontreiniging Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, indien deze stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater en lucht. Alle habitattypen en doelsoorten van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor verontreiniging (zie figuur 8 en 9). Bij het renoveren en deels slopen van het bestaande hotelgebouw worden geen grote hoeveelheden schadelijke stoffen aan- en afgevoerd of verwerkt. Hoogstens worden kleine hoeveelheden schadelijke stoffen gebruikt bij de bouwactiviteiten, maar deze middelen vallen onder de normale milieuwetgeving en komen dan ook niet in de bodem of het oppervlaktewater terecht. Wanneer door onjuiste verwerking toch een schadelijke stof vrijkomt, zal dit altijd om een zeer klein volume gaan dat geen invloed heeft buiten het plangebied.
Effecten van verontreiniging op de instandhoudingsdoelen van de twee Natura 2000-gebieden zijn dan ook op voorhand uitgesloten, met uitzondering van effecten door stikstofdepositie. Stikstofdepositie In de effectenindicator worden negatieve effecten door stikstofuitstoot behandeld onder vermesting. Ondanks dat de effectenindicator vermesting niet als één van de storingsfactoren noemt voor de relevante Natura 2000-gebieden is stikstofdepositie wel een aandachtspunt bij de effectbeoordeling. Stikstof is namelijk één van de grootste problemen bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats. Dit onderwerp wordt daarom onder verontreiniging behandeld. De tijdelijke toename van verkeer (bouwverkeer tijdens de sloop- en bouwfase) kan resulteren in extra emissie van stikstof op nabijgelegen natuurgebieden. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie zijn zonder AERIUS-berekening1 niet op voorhand uit te sluiten.
1 Het rekeninstrument AERIUS berekent de stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen op
Natura 2000-gebieden. Voor alle gebieden en sectoren AERIUS rekent voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en voor alle sectoren die stikstof uitstoten, waaronder landbouw, industrie en verkeer & vervoer.
Pagina 16
Figuur 10. Ligging van het plangebied (blauw) t.o.v. de habitattypen Zwanenwater & Pettemerduinen (bron: Provincie Noord-Holland).
Pagina 17
Verdroging Verdroging kan leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt (kwelwater). Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg: de verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. De habitattypen H2140, H2170, H2180, H2190, H6410, H7210 en de doelsoorten groenknolorchis, dwerggans, lepelaar, roerdomp, slobeend, fint, rivierprik en zeeprik zijn gevoelig voor verdroging. Habitattypen H2140, H2170, H2180, H2190, H6410, H7210 en groenknolorchis Bronbemaling, drainage of andere water onttrekkende activiteiten zijn niet aan de orde bij de geplande activiteiten. Een negatief effect op deze habitattypen en groeiplaatsen van groenknolorchis door verdroging is niet aan de orde.
Dwerggans, lepelaar, roerdomp en slobeend Bronbemaling, drainage of andere water onttrekkende activiteiten zijn niet aan de orde bij de geplande activiteiten. Een negatief effect op het leefgebied van deze vogelsoorten door verdroging is niet aan de orde. Fint, rivierprik en zeeprik Deze vissoorten zijn strikt gebonden aan het open water van de Noordzee als leefgebied/trekroute. Gezien de afstand tot het plangebied en het ontbreken van een abiotische samenhang tussen de geplande activiteiten en dit leefgebied, worden geen effecten op deze vissoorten verwacht. Verstoring door geluid Met verstoring door geluid wordt bedoeld: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. De doelsoorten dwerggans, lepelaar, roerdomp, slobeend, bruinvis, fint, gewone zeehond, grijze zeehond, zeeprik, rivierprik, bontbekplevier, kluut, strandplevier en wulp zijn gevoelig voor geluidsverstoring. Met betrekking tot de geplande werkzaamheden aan het hotelgebouw zal van eventuele geluidsverstoring alleen tijdelijk sprake zijn, tijdens de sloop- en bouwfase, door bouwverkeer en de werkzaamheden aan het gebouw. Bruinvis, fint, zeeprik en rivierprik Deze soorten zijn gebonden aan het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’. De bruinvis
Pagina 18
en de vissoorten fint, zeeprik en rivierprik zijn strikt gebonden aan het open water van de Noordzee als leefgebied/trekroute. Door de fysieke afstand tot het plangebied, de tijdelijke aard en de beperkte omvang van de geplande activiteiten wordt geen geluidsverstoring verwacht tijdens de werkzaamheden aan het hotel. Deze ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot verstoring door geluid van waterorganismen. Negatieve effecten door geluidsverstoring op de instandhoudingsdoelen van deze soorten zijn op voorhand uit te sluiten. Gewone zeehond en grijze zeehond Evenals bovenstaande soorten zijn de gewone en grijze zeehond gebonden aan de nabijgelegen Noordzee. Ten hoogte van het plangebied bevinden zich geen belangrijke rustgebieden van zeehonden, waar gedurende de geboorte- en zoogperiode van zeehonden geen mensen mogen komen. Waarnemingen van zeehonden uit de omgeving van het plangebied betreffen passerende individuen, tijdelijk/incidenteel pleisterende exemplaren en zieke, gewone of dode dieren. De belangrijke ligplaatsen van zeehonden bevinden zich in de Waddenzee, op ruime afstand van het plangebied (zie figuur 11). Het Noordzeestrand ten hoogte van het plangebied is met name tijdens de zomermaanden een toeristische trekpleister en intensief gebruikt door recreanten.
In de winterperiode worden incidenteel groepjes pleisterende zeehonden waargenomen op het Noordzeestrand ten hoogte van het plangebied (bron: NDFF). In het plangebied wordt een bestaand hotelgebouw deels gerenoveerd/verbouwd en deels gesloopt. De verwachting is niet dat deze activiteiten leiden tot een toename van het aantal recreanten op het nabijgelegen Noordzeestrand of een permanente toename van geluid ten opzichte van de huidige situatie. Voor tijdelijke geluidsverstoring tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden zijn voldoende uitwijkmogelijkheden langs de kustzone. De kwaliteit van het leefgebied van beide zeehondensoorten wordt niet aangetast door de geplande activiteiten.
Figuur 11. Ligplaatsen zeehonden (bruin/oranje) ten opzichte van het plangebied (rood omcirkeld). Bron: Kaartenbijlage Natura 2000-beheerplan Noordzeekustzone.
Pagina 19
Dwerggans, lepelaar, roerdomp, slobeend, bontbekplevier, kluut, strandplevier en wulp De dwerggans gebruik het Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ incidenteel als slaapplaats. De lepelaar en roerdomp zijn broedvogels van dit Natura 2000gebied. De slobeend gebruikt het gebied met name als foerageergebied. De vogelsoorten bontbekplevier, kluut, strandplevier en wulp gebruiken delen van het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’ als slaapplaats. De strandplevier is tevens een zeer schaarse broedvogels van de Noordzeekust, tegenwoordig beperkt tot de Zeeuwse delta (bron: Vogelbescherming). De bontbekplevier is eveneens een schaarse broedvogel van de Noordzeekustzone. In de delen van de Natura 2000-gebieden in directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen belangrijke functies (broedgebieden, essentiële foerageergebieden, rust- en slaapplaatsen) voor betreffende vogelsoorten. De verwachting is bovendien niet dat de geplande activiteiten aan het hotelgebouw leiden tot een permanente toename van geluid ten opzichte van de huidige situatie. De instandhoudingsdoelen van deze vogelsoorten worden niet aangetast door geluidsverstoring. Verstoring door licht Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. kan een negatief effect hebben op dieren.
Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of worden verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Doelsoorten die gevoelig zijn voor lichtverstoring zijn bruinvis, gewone zeehond, grijze zeehond en alle vogelsoorten van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Door de geplande sloop- en renovatiewerkzaamheden is geen sprake van een permanente toename van licht . Binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen liggen geen belangrijke slaapplaatsen of andere functies van bovenstaande doelsoorten. Er is geen sprake van een significante toename van kunstlicht op nabijgelegen/naastgelegen Natura 2000gebieden. De verwachting is dat, gezien de fysieke afstand tot belangrijke leefgebieden van deze soorten, en de tijdelijke aard van de werkzaamheden, er geen sprake is van een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van bovenstaande soorten. Verstoring door trillingen Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten.
Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. De doelsoorten dwerggans, bruinvis, fint, gewone zeehond, grijze zeehond, rivierprik en zeeprik zijn gevoelig voor verstoring door trillingen. Verstoring door trillingen vindt voornamelijk tijdelijk plaats, tijdens de sloop- en renovatiewerkzaamheden.
Pagina 20
Dwerggans Het Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ heeft voor de dwerggans met name een functie als slaapplaats. De slaapplaats in dit natuurgebied ligt op ruime afstand van het plangebied, vanaf ruim 4 km (bron: Pleisterplaatsen van Dwergganzen in Nederland. SOVON-informatierapport 2005/06. SOVON Vogelonderzoek Nederland). Door de afstand en de tijdelijke aard van de verstoringsbron, wordt geen negatief effect op de slaapplaats verwacht. Negatieve effecten door verstoring door trillingen op de instandhoudingsdoelen van deze soort zijn op voorhand uit te sluiten. Bruinvis, fint, zeeprik en rivierprik Deze soorten zijn gebonden aan het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’. De bruinvis en de vissoorten fint, zeeprik en rivierprik zijn strikt gebonden aan het open water van de Noordzee als leefgebied/trekroute. Met betrekking tot de geplande activiteiten treden trillingen uitsluitend tijdelijk op, tijdens de werkzaamheden aan het hotelgebouw. Door de fysieke afstand tot het plangebied en de beperkte omvang van de geplande activiteiten en de tijdelijke aard van de trillingen wordt geen verstoring door trilling verwacht. Negatieve effecten door verstoring door trillingen op de instandhoudingsdoelen van deze soorten zijn op voorhand uit te sluiten.
Gewone zeehond en grijze zeehond Evenals bovenstaande soorten zijn de gewone en grijze zeehond gebonden aan de nabijgelegen Noordzee. Ten hoogte van het plangebied bevinden zich geen belangrijke rustgebieden van zeehonden, waar gedurende de geboorte- en zoogperiode van zeehonden geen mensen mogen komen. Met betrekking tot de geplande activiteiten treden trillingen uitsluitend tijdelijk op, tijdens de werkzaamheden aan het hotelgebouw. Door de fysieke afstand tot het plangebied en de beperkte omvang van de geplande activiteiten en de tijdelijke aard van de trillingen wordt geen verstoring door trilling verwacht. De kwaliteit van het leefgebied van beide zeehondensoorten wordt niet aangetast door verstoring door trillingen. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze soorten zijn op voorhand uit te sluiten. Optische verstoring Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Optische verstoring door recreatie treedt vaak samen op met geluidsverstoring. Alle aangewezen habitattypen en de doelsoorten aalscholver, roerdomp, tapuit, gewone zeehond, grijze zeehond, bontbekplevier, drieteenstrandloper, dwergstern, eider, kanoet, kluut, parelduiker, roodkeelduiker, scholekster, strandplevier, topper en zwarte zee-eend zijn gevoelig voor optische verstoring.
De habitattypen van het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’ liggen allen in het deelgebied Waddenzee, op ruime afstand van het plangebied (bron: Kaartenbijlage Natura 2000-beheerplan Noordzeekustzone). Door de ruime afstand tot het plangebied is optische verstoring op voorhand uit te sluiten op deze habitats.
Pagina 21
Habitattypen H2110, H2120, H2130, H2160, H2180 en 2190 Van de, voor optische verstoring gevoelige habitats van het Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’, liggen de typen H2110, H2120, H2130, H2160, H2180 en 2190) in de nabije omgeving van het plangebied (zie figuur 9). Deze vegetaties kunnen schade oplopen door (een toename van) betreding. Dit effect speelt met name een rol op korte (wandel)afstand van het plangebied. Aangezien er in het plangebied uitsluitend sprake is van sloop- en renovatiewerkzaamheden aan een gebouw is er geen sprake van toename van betreding van de Natura 2000-gebied. De geplande werkzaamheden leiden niet tot een toename van optische verstoring van de habitats van ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’. Aalscholver, roerdomp en tapuit Deze vogelsoorten zijn broedvogels van het Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’. De aalscholverkolonie bevindt zich op een eiland in het natuurgebied, op circa 5 km afstand van het plangebied. De broedgebieden van de roerdomp bevindt zich eveneens op ruime afstand van het plangebied, op ruim 6 km afstand. Van de tapuit zijn de laatste jaren één tot enkele territoria vastgesteld in het duingebied (bron: NDFF). In de Pettemerduinen is de soort een incidentele broedvogel (bron: Beheerplan Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen).
In het plangebied wordt een bestaand hotelgebouw voor een deel gerenoveerd en voor een deel gesloopt. Het betreft dus tijdelijke activiteiten die niet leiden tot een toename van menselijke activiteit in het Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’. Verstoring van deze soorten is dus niet aan de orde. Bontbekplevier, dwergstern, eider, kluut en strandplevier Deze vogelsoorten zijn broedvogels van het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’. De (hoofd)broedgebieden van deze soorten liggen in het Waddengebied, op ruime afstand van het plangebied. Verstoring van deze soorten is niet aan de orde. Drieteenstrandloper, kanoet, parelduiker, roodkeelduiker, scholekster, topper en zwarte zee-eend Voor deze vogelsoorten heeft het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’ voornamelijk een functie als foerageergebied en/of slaapplaats. De kustzone ten hoogte van het plangebied heeft geen belangrijke functie voor deze vogelsoorten. De belangrijke foerageergebieden liggen met name in het deelgebied Waddenzee en op rustige kustzones op ruime afstand van de toeristisch populaire stranden. Bovendien wordt door de geplande activiteiten geen toename van menselijke activiteit verwacht, die zou kunnen leiden tot aantasting van de instandhoudingsdoelen voor deze soorten. Gewone zeehond en grijze zeehond Zie ‘verstoring door geluid’ voor de effectbeoordeling voor deze soorten.
Verstoring door mechanische effecten Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij
Pagina 22
deze storende factor zeer divers. Verstoring door mechanische effecten kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte. Met betrekking tot de geplande werkzaamheden aan het hotelgebouw is verstoring door mechanische effecten niet aan de orde.
3.2.1 Conclusie Natura 2000 Samengevat zijn significante negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden ‘Zwanenwater & Pettemerduinen', 'Abtskolk & De Putten' en ‘Noordzeekustzone’ op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van negatieve effecten door stikstofdepositie. Door de afstand ten opzichte van de beschermde habitats en de leefgebieden van de doelsoorten, de beperkte omvang en tijdelijke aard van de geplande activiteiten wordt geen schade verwacht op de kwalificerende habitats en doelsoorten van de Natura 2000-gebieden door overige verstoringsbronnen. Er zal geen fysieke aantasting van aangewezen habitats plaatsvinden. Het plangebied is niet van belang als habitat voor de aangewezen kwalificerende soorten (habitatrichtlijn, broedvogels en niet-broedvogels) van de Natura 2000-gebieden. Er zal met name tijdens de sloop- en bouwfase sprake zijn van enige geluidsverstoring door de werkzaamheden, maar dit effect is van tijdelijke aard en leidt niet tot aantasting van de instandhoudingsdoelen. Stikstofdepositie Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van stikstofdepositie in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Pagina 23
4
Beschermde soorten plangebied
4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.
4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1).
Onderzoeker Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
M. van der Lee
18-02-2019
11.30 uur
Onbewolkt, droog, 12°C, wind 0-1 Bft
1
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 24
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het onderzoeksgebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied en omgeving melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de NDFF vermelde buizerd, havik, huismus en sperwer zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten:
Nationaal beschermde soorten: boommarter, haas, hermelijn, konijn, vos en wezel¹.2. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): bruinvis, gewone grootoorvleermuis, gewone zeehond, grijze zeehond, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van het voorkomen van een aantal beschermde amfibieën- en reptielensoorten:
Nationaal beschermde soorten: bruine kikker, gewone pad, meerkikker, Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): dikkopschildpad, rugstreeppad en zandhagedis.
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van het voorkomen van twee beschermde dagvlindersoorten:
Nationaal beschermde soorten: bruine eikenpage en duinparelmoervlinder.
1 Deze soorten zijn in de provincie Noord-Holland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste
lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina 25
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat uit een voormalig hotelterrein. De vegetatie rondom het hotelgebouw is schraal en vormt sterke gelijkenis met de aangrenzende vegetatie in het duingebied. De struwelen bestaan vooral uit kruipwilg en sluiten aan bij de vegetatie in het aangrenzende duingebied. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de directe omgeving van het plangebied. Vanuit de zeeduinen elders in Noord-Holland zijn verschillende groeiplaatsen van het beschermde glad biggenkruid bekend. Tijdens het veldbezoek zijn op het naastgelegen campingterrein enkele rozetten aangetroffen die mogelijk het beschermde glad biggenkruid betreffen. Overige beschermde plantensoorten worden hier niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Glad biggenkruid Glad biggenkruid is een soort van extensief beheerde akkers, zeeduinen en zandige wegbermen. Hier gedijt de soort op snel opwarmende gronden in pioniersstadia. Tijdens het veldbezoek zijn op het campingterrein, naast het plangebied, enkele rozetten gevonden die mogelijk glad biggenkruid betreffen (zie foto 2). In het plangebied zijn geen rozetten van biggenkruid aangetroffen.
Geschikte groeiplaatsen zijn niet aanwezig rond het hotelgebouw in het plangebied. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de directe omgeving de volgende vogelsoorten aangetroffen: heggenmus, koolmees, kauw, houtduif, ekster, huismus, kneu, groenling en zwarte kraai. Het struweel rond het hotelgebouw is geschikt als broedlocatie voor de aangetroffen soorten heggenmus, kneu en groenling en voor overige soorten als grasmus, winterkoning, merel, putter, fitis, tuinfluiter, braamsluiper en roodborsttapuit. Voor huismus en kauw geldt dat er sterke aanwijzingen zijn dat ze broeden in het hotelgebouw (zie foto 3 en 5 t/m 8).
Pagina 26
Foto 3. Kauwen bij hun vermoedelijke nestlocatie in de schoorsteen van het hotelgebouw (foto: M. van der Lee).
Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de buizerd, havik, huismus en sperwer waarvan de nesten jaarrond (zie paragraaf 4.2.1) beschermd zijn. Tijdens het veldbezoek zijn huismussen waargenomen in het plangebied. Ook de jaarrond beschermde gierzwaluw is te verwachten, door de aanwezigheid van geschikte nestlocaties onder los liggende dakpannen van het hotelgebouw. Gierzwaluw De gierzwaluw is een uitgesproken zomervogel en is vrijwel uitsluitend van april tot en met oktober in Nederland aanwezig, met de hoogste presentie in mei tot en met juli. De winter wordt in tropisch Afrika doorgebracht. De gierzwaluwen zijn ten tijde van het veldbezoek (februari), uit Nederland vertrokken en deze soort is dan ook niet tijdens het veldbezoek vastgesteld. Er bevinden zich voor deze soort geschikte broedlocaties onder de dakpannen van het hotelgebouw in het plangebied (zie foto 4).
Pagina 27
Foto 4. Geschikte nestlocatie voor gierzwaluw en huismus onder de dakpannen van het hotelgebouw (foto: M. van der Lee).
Huismus Uit de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de huismus bekend. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied ook huismussen waargenomen bij het hotelgebouw en op het naastgelegen campingterrein. Ook zijn in de dakgoot van het hotelgebouw restanten van gebruikte nesten en uitwerpselen aangetroffen (zie foto’s 5 t/m 8). Vermoedelijk worden de ruimten onder de dakpannen van dit gebouw gebruikt als nestlocatie door de huismus. Het omliggend terrein, inclusief de naastgelegen camping, behoren vermoedelijk tot het functioneel leefgebied van deze huismussen. De grazige vegetatie, kruidenrijke ruigte, plekken met open zand bij speelplaatsen en het dicht struweel fungeren als foerageergebied, zandbad, schuilgelegenheid en mogelijk als slaapplaats voor deze mussen.
Pagina 28
Foto 5 t/m 8. Huismussen (rood omcirkeld) en gebruikssporen (nestmateriaal en uitwerpselen) bij de waarschijnlijke nestlocaties onder de dakpannen van het hotelgebouw (foto’s: M. van der Lee).
Buizerd, havik en sperwer Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van deze soorten bekend (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. In het plangebied zijn geen nestlocaties van buizerd, havik, en sperwer of andere boombewonende soorten met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Verder zijn er geen sporen, zoals plukplaatsen, uitwerpselen, veren, braakballen of prooiresten waargenomen. In het plangebied ontbreken geschikte nestlocaties in de vorm van forse bomen in bosschages met voldoende rust en dekking. De aanwezige struwelen zijn laag en dicht begroeid en hierdoor ongeschikt als nestlocatie voor buizerd, havik en sperwer. Sporadisch kan een foeragerend of overvliegend exemplaar van deze soorten in het plangebied worden waargenomen. Er is geen sprake van een essentieel leefgebied. Grondgebonden zoogdieren Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de strikt beschermde boommarter, bruinvis, gewone zeehond, grijze zeehond, hermelijn en wezel bekend. Tijdens het veldbezoek is een konijn aangetroffen in het plangebied. Verder zijn er diverse sporen van konijn en mol aangetroffen (graafsporen en uitwerpselen). Verder is het
Pagina 29
aannemelijk dat algemene soorten als egel, haas, vos en algemene (spits)muizen het plangebied als foerageergebied/leefgebied gebruiken. Boommarter Er zijn enkele waarnemingen van de boommarter bekend uit de omgeving van het plangebied. Het plangebied zelf is door de openheid en het gebruik als hotel grotendeels ongeschikt als leefgebied voor de boommarter. De duinen aan de noordzijde van het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor de soort. Door de afwezigheid van holle bomen en de beperkte omvang van het opgaand groen kan aangenomen worden dat het plangebied geen functioneel leefgebied voor de boommarter is. Een vaste verblijfplaats van de boommarter is niet aanwezig in het plangebied. Incidenteel kan een enkel rondzwervend exemplaar het plangebied doorkruisen. Bruinvis, gewone zeehond en grijze zeehond Deze beschermde soorten zijn strikt gebonden aan het open water en de kustzone van de Noordzee. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor deze soorten. Het voorkomen van deze soorten is hier uitgesloten. Hermelijn en wezel In de provincie Noord-Holland zijn de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekend dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kan zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood.
De NDFF maakt melding van het voorkomen van de hermelijn en wezel voor de omgeving van het plangebied. Het plangebied is plaatselijk geschikt als leefgebied voor deze soorten door de aanwezigheid van struweel, kruidenrijk grasland, ruigte en enkele heggen. Het leefgebied van kleine marterachtigen als hermelijn en wezel zal echter met name in de nabijgelegen duinen liggen, waar meer voedsel, rust en dekking aanwezig is. Incidenteel kan het plangebied doorkruist worden door een rondzwervende marterachtige, maar een verblijfplaats wordt hier niet verwacht door het intensieve beheer, gebiedsgebruik als hotel en het ontbreken van voldoende geschikte schuilgelegenheden. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis voor de omgeving van het plangebied. Het hotelgebouw is door de aanwezigheid van een dakbeschot, spouwmuur of andere verblijfruimte geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten als de gewone dwergvleermuis, gewone
Pagina 30
grootoorvleermuis en laatvlieger. Verschillende openingen in de gevels, het dak en de boeiboord bieden toegang tot geschikte verblijfruimten voor vleermuizen (zie foto’s 9 t/m 17). In de nabijgelegen bunker, die goed te overzien was, waren geen vleermuizen aanwezig tijdens het veldbezoek.
Foto 9 t/m 17. Potentieel geschikte invliegopeningen voor vleermuizen (foto’s: M. van der Lee).
Pagina 31
In het plangebied zelf zijn geen bomen aanwezig. Zodoende zijn er ook geen potentieel geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen, zoals de ruige dwergvleermuis en watervleermuis, aanwezig. Een verblijfplaats van boombewonende soorten is dan ook uitgesloten in het plangebied. Het plangebied is door de openheid slechts marginaal geschikt als foerageergebied voor een enkele matig kritische vleermuissoort, zoals gewone dwergvleermuis. Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Er is binnen het plangebied geen open water aanwezig. Geschikt voortplantingshabitat voor amfibieën is niet aanwezig. Het plangebied is plaatselijk geschikt als landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de strikt beschermde rugstreeppad bekend. Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met dynamische omstandigheden, zoals de duinen, de uiterwaarden van de grote rivieren, opgespoten terreinen, heidevelden en zand- en steengroeven (Kennisdocument rugstreeppad, 2017). Rugstreeppadden beschikken over het vermogen om binnen afzienbare tijd nieuwe geschikte locaties te koloniseren. Open zand is niet aanwezig in het plangebied.
Er bevinden zich geen geschikte voortplantingswateren en het plangebied is verder ongeschikt als landhabitat door het ontbreken van een goed vergraafbare (zand)bodem en open terreinen zonder begroeiing (pionierssituaties). Ten noorden van het hotelgebouw bevindt zich wel geschikt leefgebied voor de soort bij het Korfwatergebied. Overige strikt beschermde amfibieënsoorten worden hier niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. De NDFF meldt de strikt beschermde dikkopschildpad en de zandhagedis voor de omgeving van het plangebied. De waarneming van de dikkopschildpad (een zeeschildpaddensoort) betreft een aangespoeld exemplaar op het nabijgelegen Noordzeestrand. Dikkopschildpadden zijn dwaalgasten. Ze gebruiken geen Nederlandse stranden voor het afzetten van eieren. Af en toe spoelt er een, uit koers geraakt, dier aan (bron: RAVON). Zandhagedis De zandhagedis komt met name voor in heideterreinen, spoorbermen en structuurrijke bosranden. Daarnaast komt de soort voor nabij de (half)open zeeduinen. Het is van belang dat er veel structuur aanwezig is in de vegetatie. In heterogene heideterreinen zijn onder andere jonge – en oude struikheiplanten, hogere grassen en ‘kale’ zandbodems aanwezig (Kennisdocument zandhagedis, 2017). Open zandgronden met rulle zandbodems zijn van belang voor de ei-afzet.
In de duinen zorgt helm vaak voor vegetatiestructuur binnen het
Pagina 32
leefgebied. De NDFF meldt het voorkomen van de zandhagedis voor de omgeving van het plangebied. De soort is aangetroffen in de duinen ten noorden van het plangebied. Een populatie van de zandhagedis wordt niet verwacht in het plangebied, aangezien geschikt leefgebied ontbreekt. Open zand is en structuurrijke vegetatie ontbreekt in het plangebied. Incidenteel gebruik van het plangebied door een rondzwervend exemplaar is mogelijk. Vissen Er is binnen het plangebied geen open water aanwezig. Beschermde vissoorten worden hier niet verwacht. Er zijn vanuit de literatuur geen waarnemingen van beschermde vissoorten bekend uit het plangebied en de directe omgeving. Ongewervelde dieren Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de beschermde dagvlinders bruine eikenpage en duinparelmoervlinder bekend (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte leefgebieden. Bruine eikenpage De bruine eikenpage is een soort van bosranden, open bospaden, eikenhakhout, kapvlakten in eikenbossen en jonge eikenaanplant. In de duinen vliegt de soort bij gedrongen eikenstruweel, bij vrijstaande eikjes in het open duingebied en in open eikenbossen van de binnenduinen. Op korte afstand zijn doorgaans plaatsen aanwezig waar nectar gevonden kan worden.
In het plangebied wordt de soort niet verwacht. De waardplant (zomereik) ontbreekt en de vegetatie is verder ongeschikt. Plaatselijk zijn wel geschikte nectarplanten als jacobskruiskruid te vinden in en rond het plangebied, maar door het beperkte nectaraanbod en het ontbreken van geschikt leefgebied en de waardplant, wordt hier geen essentieel leefgebied van de soort verwacht. Duinparelmoervlinder De duinparelmoervlinder is een soort van open duingraslanden en vochtige duinvalleien, met een soortenrijke vegetatie met een mozaïekstructuur en een geleidelijke overgang in hoogte en soortensamenstelling. De waardplanten zijn diverse soorten viooltjes. In het plangebied wordt de soort niet verwacht. De vegetatie in het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de duinparelmoervlinder en de waardplant (met name duinviooltje) ontbreekt.
Pagina 33
5
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbondsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 3 en 4). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden, met uitzondering van glad biggenkruid, niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Glad biggenkruid Uit de NDFF zijn waarnemingen van het beschermde glad biggenkruid bekend uit de omgeving van het plangebied. Het naastgelegen campingterrein is plaatselijk geschikt als groeiplaats voor deze beschermde soort. Tijdens het veldbezoek zijn hier enkele rozetten gevonden die vermoedelijk glad biggenkruid betreffen. In het plangebied zijn geen rozetten aangetroffen. Glad biggenkruid wordt ook niet verwacht rondo het hotelgebouw. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.
Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van overige beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Broedvogels Alle aangetroffen en te verwachten vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig
Pagina 34
beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt, afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd. Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn In het plangebied en de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van de buizerd, havik, huismus en sperwer, waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Daarnaast is de jaarrond beschermde gierzwaluw te verwachten in het plangebied. Gierzwaluw en huismus In het deels te slopen en te renoveren hotelgebouw bevinden zich mogelijk nestlocaties van deze gebouwbewonende soorten met jaarrond beschermde nesten. Van met name de huismus zijn sterke aanwijzingen gevonden dat sprake is van een nestlocatie. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk. Om uit te sluiten, dan wel aan te tonen dat de gierzwaluw een jaarrond beschermde verblijfplaats heeft in het plangebied, dienen 3 veldbezoeken uitgevoerd worden in de periode van 1 juni tot en met 15 juli tussen 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang.
Voor de huismus zijn minimaal twee ochtendronden in de periode van 1 april tot en met 20 juni noodzakelijk (bron: Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, Netwerk Groene Bureaus). Buizerd, havik en sperwer Voor de in de NDFF vermelde jaarrond beschermde buizerd, havik en sperwer en overige roofvogels is het uitgesloten dat het plangebied en de directe omgeving ervan van essentieel belang is. Deze roofvogels broeden vermoedelijk elders in een omgeving, waar bosschages met voldoende rust en dekking aanwezig zijn, zoals bij de duinen ten noorden van het plangebied. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van nesten van deze soorten is niet noodzakelijk. Overige soorten met jaarrond beschermde soorten worden niet verwacht binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn (sporen van) konijn en mol waargenomen in het plangebied. Het plangebied wordt verder mogelijk gebruikt als leef- of foerageergebied door egel, haas, vos en algemene muizen en spitsmuizen. Voor deze soorten grondgebonden zoogdieren geldt in de provincie Noord-Holland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. De NDFF vermeld de strikt beschermde boommarter, bruinvis, gewone zeehond, grijze zeehond, hermelijn en wezel voor de omgeving van het plangebied.
Bruinvis, gewone zeehond, grijze zeehond Deze soorten zijn gebonden aan de Noordzee(kust). Het plangebied is niet van belang als
Pagina 35
leefgebied voor deze soorten. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze zoogdiersoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Boommarter, hermelijn en wezel Sporadisch kunnen deze strikt beschermde soorten het plangebied doorkruisen of als foerageergebied gebruiken. Er is echter geen sprake van een vaste rust- en verblijfplaats of een essentieel leefgebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze zoogdiersoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Zorgplicht konijn en overige grondgebonden zoogdieren In het kader van de zorgplicht dient voorkomen te worden dat konijnen en andere grondgebonden zoogdieren onnodig verontrust of gedood worden tijdens de werkzaamheden. Het is daarom wenselijk om voorzichtig, met eventuele tussenpauzes, één kant op te werken tijdens graafwerkzaamheden, zodat de dieren de gelegenheid krijgen om te vluchten. Graafwerkzaamheden worden bij voorkeur niet in de voortplantingstijd van het konijn uitgevoerd. De voortplantingstijd valt globaal in de periode van januari tot in juli (bron: Zoogdiervereniging). De werkwijze wordt bij voorkeur in een ecologisch werkprotocol vastgelegd.
Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging VZZ. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Ja Nader onderzoek naar kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. 3. Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee Nader onderzoek naar foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen is niet noodzakelijk. Het hotelgebouw is geschikt als verblijfplaats voor verschillende gebouwbewonende soorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk. Hiervoor dienen 3 avond- of ochtendronden
Pagina 36
in de periode 15 mei – 15 juli en 2 avondronden in de periode 15 augustus – 1 oktober uitgevoerd te worden. Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van enkele algemene soorten als bruine kikker en gewone pad, niet te verwachten in het plangebied. Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Holland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Strikt beschermde soorten, zoals de uit de omgeving bekende bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, rugstreeppad en zandhagedis, worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soort(groep)en. Rugstreeppad Tijdens de sloopwerkzaamheden aan het hotelgebouw is vestiging van de rugstreeppad echter wel mogelijk door het tijdelijk ontstaan van geschikt leefgebied. Vestiging moet daarom voorkomen worden door het ongeschikt houden van het terrein en/of het plaatsen van een amfibiewerend scherm (paddenscherm) om kolonisatie te voorkomen.
Pagina 37
6
Conclusie
Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets en de voortoetsing NNN en Natura 2000 voor het plangebied ‘hotelgebouw Strandweg 3 in Petten’ kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden NNN Het plangebied ligt deels binnen de begrenzing van het NNN. In overleg met het bevoegd gezag (Beleidsafdeling Provincie Noord-Holland) zal de begrenzing van het NNN aangepast moeten worden. Natura 2000 De instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ en ‘Noordzeekustzone’ worden mogelijk aangetast door stikstofdepositie. Het uitvoeren van een AERIUS-berekening is noodzakelijk. Beschermde soorten Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van gierzwaluw, huismus en gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor overige beschermde plant- en/of diersoorten. Bij de uitvoer van werkzaamheden dient wel rekening gehouden te worden broedvogels, konijn en overige grondgebonden zoogdieren. Voorkomen moet worden dat de rugstreeppad zich vestigt tijdens de werkzaamheden. De werkwijze wordt bij voorkeur in een ecologisch werkprotocol vastgelegd.
Pagina 38
Literatuurlijst
Koffijberg K., Cottaar F. & van der Jeugd H. 2005. Pleisterplaatsen van Dwergganzen Anser erythropus in Nederland. SOVON-informatierapport 2005/06. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen. Bos, F., et al. 2006. “De Dagvlinders van Nederland – Verspreiding en Bescherming”. Nederlandse Fauna 7. De Vlinderstichting. Eerste druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Broekhuizen, S., et al. 1992. “Atlas van de Nederlandse Zoogdieren”. Contactgroep Zoogdierinventarisatie en Vereniging voor Veldbiologie (KNNV). Derde druk. Pirola, Schoorl. Ravon (2019), geraadpleegd via www.ravon.nl/ Zoogdiervereniging (2019), geraadpleegd via www.zoogdiervereniging.nl/ Vlinderstichting (2019), geraadpleegd via www.vlindernet.nl Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen' (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl. Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Kaartenbijlage Natura 2000-beheerplan Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Noordzeekustzone, De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Noordzeekustzone Periode 2016-2022 (Juli 2016). Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen, De Staatssecretaris van Economische Zaken. Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Abtskolk & De Putten, De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Natura 2000-beheerplan Noordzeekustzone Periode 2016-2022. Provincie Noord-Holland, Natura 2000 Beheerplan Zwanenwater & Pettemerduinen 2018-2024. www.soortenbank.nl Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) www.verspreidingsatlas.nl
Pagina 39
Bijlagen 1 2 3 4 5 6
Impressie plangebied Instandhoudingsdoelen Zwanenwater & Pettemerduinen Instandhoudingsdoelen Abtskolk & De Putten Instandhoudingsdoelen Noordzeekustzone Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten
Pagina 40
Bijlage 1 Impressie plangebied
Pagina 41
Bijlage 2 Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ Habitatrichtlijn: Habitattypen H2110 Embryonale duinen Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit. Toelichting Het habitattype embryonale duinen is langs de Hollandse kust betrekkelijk zeldzaam. Het habitattype komt in het gebied met een beperkt oppervlakte voor en is van goede kwaliteit. H2120 Witte duinen Doel Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Toelichting Het habitattype witte duinen in goede kwaliteit is momenteel zeldzaam in de Hollandse duinen. De kwaliteit kan worden verbeterd. De verbetering van de kwaliteit is mede van belang voor verbetering van de kwaliteit van habitattype grijze duinen (H2130). H2130 *Grijze duinen Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit grijze duinen, kalkrijk (subtype A) en uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit grijze duinen, kalkarm (subtype B). Toelichting Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van het habitattype grijze duinen, kalkarm (subtype B) is nodig gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding. Grijze duinen, kalkrijk (subtype A) komen ook met een relatief beperkte oppervlakte in dit gebied voor. De kalkrijke grijze duinen zijn overwegend goed ontwikkeld. H2140 *Duinheiden met kraaihei Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit.
Toelichting Het habitattype duinheiden met kraaihei is momenteel in goede kwaliteit en over voldoende oppervlakte aanwezig zowel in de vorm van duinheiden met kraaihei, vochtig (subtype A) als duinheiden met kraaihei, droog (subtype B). De doelstelling geldt voor alle subtypen van dit habitattype. H2150 *Duinheiden met struikhei Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit. Toelichting Duinheiden met struikhei komen in matig ontwikkelde vorm en met een geringe oppervlakte voor in het gebied. H2170 Kruipwilgstruwelen Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit. Toelichting Het habitattype kruipwilgstruwelen is momenteel in goede kwaliteit en over voldoende oppervlakte aanwezig. H2180 Duinbossen Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit duinbossen, droog (subtype A) en duinbossen, vochtig (subtype B). Toelichting Duinbossen, droog (subtype A) komen over een beperkte oppervlakte voor, en duinbossen, vochtig (subtype B) over een vrij grote oppervlakte. De kwaliteit van beide subtypen is goed. Voldoende oppervlakte en goede kwaliteit zijn aanleiding tot de doelstelling behoud van de oppervlakte en behoud van de kwaliteit.
H2190 Vochtige duinvalleien Doel Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B), vochtige duinvalleien, ontkalkt (subtype C), vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D) en uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit vochtige duinvalleien, open water (subtype A). Toelichting Door de aanwezigheid van duinmeren is het gebied van bijzonder belang voor het habitattype vochtige duinvalleien. Het gebied levert een zeer grote bijdrage aan het landelijke doel voor het subtype vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten (subtype D) dat in zowel goede als matige kwaliteit voorkomt langs de duinmeren. In de valleien komen kleine arealen voor met in hoofdzaak goede kwaliteit van kalkrijke vegetaties (vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B)) en zwarte zeggenvegetatie (vochtige duinvalleien, kalkarm (subtype C)). Voor de in zeer klein areaal aanwezige pionierbegroeiingen op de oevers van de