Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn Toelichting
Tekst van het document
alsnog noodzakelijk om een asbestonderzoek conform NEN 5707 uit te laten voeren. 4.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat. Wanneer er in de bodem gaat worden gewerkt is een asbestonderzoek nodig.
4.3
Duurzaamheid
Zoals uit het BKP blijkt dient de woningbouwontwikkeling duurzaam te worden vormgegeven. Hierbij wordt nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de thema’s energie, klimaatadaptatie, circulaire economie en leefbaarheid. Energie Het streven is om energieneutrale woningen te realiseren en waar mogelijk zijn woningen zelfvoorzienend. Onderzoek naar collectieve warmtevoorziening is nodig en indien het niet mogelijk is, dient individueel gebruik te worden gemaakt van warmtepompen, zonnepanelen en zonnecollectoren. De buitenruimte wordt zoveel mogelijk ingericht op voetganger en fietser en bij parkeerplaatsen wordt rekening gehouden met ruimte voor laadpalen. Klimaatadaptatie De nieuwe woonwijk is voorbereid op een veranderend klimaat en bestand tegen extremere regenval, hittestress, en langdurige droogte. Dit wordt bereikt door het toepassen van veel water (er wordt meer oppervlaktewater gerealiseerd dan nodig is), groen, bloemrijke gazons en natuurvriendelijke oevers. Hemelwater wordt afgevoerd op het oppervlaktewater en/of opgevangen in grindkoffers in ruinen en retentieruimtes in de openbare ruimte. Inheemse beplanting wordt toegepast in een rijke variatie. Bomen zorgen voor een vermindering van hittestress en oost-west doorsteken zorgen voor koele windstromen in de zomer.
Circulaire economie Duurzaam en circulair bouwen is de norm en er moet rekening worden gehouden met de milieubelasting van toegepaste materialen. Bij de bouw van woningen moet rekening worden gehouden met veranderend gebruik door de jaren heen. Dit houdt in dat woningen makkelijk uitbreidbaar of te verkleinen moeten zijn. Groen en biodiversiteit Het doel is een forse vergroening van de leefomgeving en daarmee het herstellen van de biodiversiteit oftewel de verscheidenheid aan planten, dieren, micro-organismen en de samenhang hiervan. 4.3.1
Conclusie
Bij voorliggende ontwikkeling wordt bestaande bebouwing omgezet naar woningen. Dit is per definitie duurzaam omdat er sprake is van direct hergebruik. Verder worden de woningen optimaal geïsoleerd en gasloos. De planontwikkeling vindt daarom aansluiting bij de duurzaamheidsdoelstellingen.
30
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Beleidskader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Ook dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen gemotiveerd toegestaan. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren.
Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico's voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht gemeenten ook om bij het maken van bestemmingsplannen waar kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt, zoals woningen, rekening te houden met externe veiligheid. Dit betekent bijvoorbeeld dat de woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een risicovol bedrijf dat werkt met grote hoeveelheden aan gevaarlijke
31
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen die gevaarlijke stoffen vervoeren onder hoge druk. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen) binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is geldt dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een nieuwe kwetsbare functie wordt mogelijk gemaakt, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de druk in de leiding. Binnen deze strook mag er niet gebouwd worden. Er kan bij omgevingsvergunning van worden afgeweken voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen waar vervoer over plaatsvindt van gevaarlijke stoffen.
Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk als er een toename van het aantal mensen wordt toegestaan. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken, buiten de 200 m, in de toelichting aandacht moet worden besteed aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden.
Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen bij het realiseren van nieuwe kwetsbare objecten aandacht besteed moet worden aan de effecten van een plasbrand. Het kan zijn dat er extra bouwkundige maatregelen nodig zijn om de zelfredzaamheid van de personen te verhogen.
32
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
4.4.2
Analyse
Er is een risico-inventarisatie uitgevoerd naar de (potentiële) risicobronnen in de omgeving van het plangebied door het raadplegen van de Atlas Leefomgeving. Gebleken is dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van buisleidingen, (spoor)wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd of BEVI-inrichtingen. De noordelijk aanwezige benzinepomp bij Dorpsstraat 22 heeft geen LPG-installatie en vormt daarom geen risicobron. Voor het aspect Externe Veiligheid zijn er ten aanzien van het plan dan ook geen belemmeringen. 4.4.3
Conclusie
De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan.
4.5
Geluid
4.5.1
Beleidskader
Eén van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen en rond grote bestaande industrieterreinen. Volgens de wet mag de geluidbelasting op de gevel van een nieuwe gevoelige bestemming binnen stedelijk gebied niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Op plaatsen waar door omstandigheden niet aan de hiervoor genoemde grenswaarde kan worden voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld met een maximum van 63 dB voor binnenstedelijke situaties (68 dB voor vervangende nieuwbouw). Op basis van de Wgh dient bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde het effect van maatregelen te worden beschreven. Door het treffen van maatregelen kunnen de geluidsbelastingen worden gereduceerd. De systematiek in de Wgh is zodanig dat eerst moet worden beoordeeld of maatregelen aan de geluidsbron mogelijk zijn en daarna in het overdrachtsgebied tussen de bron en de woning.
Blijken de maatregelen op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Bij het ontwerpen van geluidreducerende maatregelen dienen achtereenvolgens de volgende aspecten onderzocht te worden: maatregelen aan de bron; maatregelen in de overdrachtsweg; maatregelen bij de ontvanger. De nieuwe woningen zijn geluidsgevoelig en gelegen in de invloedssfeer van de Dorpsstraat, de Bladstraat en de Kuiperstraat. Dit zijn 50 km/uur-wegen en daarmee volgens de Wet geluidhinder (Wgh) gezoneerd. Toetsing aan de geldende wettelijke geluidsnormen is nodig. Daarnaast ligt de planlocatie nabij de Willem Dekkerstraat. Dit is een woonerf met een beperkte verkeersfunctie voor autoverkeer.
33
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
4.5.2
Analyse
Een rapportage van het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd is bijgevoegd als Bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat op de voorgevel de nieuwe woningen aan de Dorpsstraat een geluidsbelasting ontstaat van maximaal 59 dB. Dit is een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar geen overschrijding van de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Een hogere waarde is nodig en kan worden verleend aangezien de woningen aan de achterzijde een geluidsluwe gevel hebben. De gecumuleerde geluidswaarde is berekend op maximaal 64 dB. Om een binnenwaarde van maximaal 33 dB te realiseren is een karakteristieke geluidwering van de nieuwe gevels nodig van ten minste (64 - 33 =) 31 dB. Bouwtechnisch gezien is dit mogelijk. Bij de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen zal middels een rapport geluidwering gevels moeten worden aangetoond dat aan de maximale binnenwaarde van 33 dB wordt voldaan. De geluidsbelasting van de drie woningen achterop het perceel blijft beneden de 48 dB. Hiervoor is dus geen hogere waarde nodig. Overigens is de bestaande woning op Dorpsstraat 14 ook meegenomen in het akoestisch onderzoek. Deze valt echter buiten het voorliggende plangebied en is daarom niet relevant voor dit bestemmingsplan. Daarnaast is de Dorpsstraat beoordeeld als straat met een 50 km/u regime.
De verwachting bestaat dat de Dorpsstraat in de (nabije) toekomst een 30 km/u weg wordt. Dit zal een positief effect hebben op de geluidsniveaus die zij berekend in het onderzoek. 4.5.3
Conclusie
Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde op de gevels van de woningen aan de Dorpsstraat wordt overschreden. Dit is logisch omdat de gevels dicht op de weg staan, het een 50 km/u weg betreft en er klinkerbestrating ligt. Het verlenen van een hogere waarde is mogelijk en daarom vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Beleidskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 ìg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 ìg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden.
34
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
Het begrip “niet in betekenende mate bijdragen” (NIBM) is een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof. Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 ìg/m3 een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.
Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. 4.6.2
Analyse
In voorliggend geval is geen sprake van een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen. Dit besluit is dus niet van toepassing. Om te bepalen of het voorliggende bestemmingsplan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld en ter beschikking gesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De navolgende afbeelding toont de NIBM-tool die is ingevuld voor voorliggende planontwikkeling. Op basis van de CROW-publicatie 381 is bepaald wat de extra verkeersgeneratie is. De planlocatie is gesitueerd in niet stedelijk gebied en gelegen in het 'Centrum' van Tuitjenhorn. Het betreft de realisatie van tussen- en hoekwoningen. De daarbij behorende verkeersaantrekkende werking is (maximaal) 38.
35
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
Afbeelding: weergave NIBM-tool ingevuld voor planontwikkeling
Uit de NIBM-tool blijkt dat er sprake is van een ontwikkeling die niet in betekenende mate is. Overigens is er hierbij nog niet eens rekening gehouden met de bestaande verkeersbewegingen van de bedrijvigheid die verdwijnen. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 geven de volgende waarden: 10 11 µg/m³ NO2, 14 - 15 µg/m³ PM10 en 7 µg/m³ PM2,5. Uit de achtergrondconcentraties van stikstof (NO2) en fijnstof (PM10, PM2,5) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie ruim voldoende is en de luchtkwaliteit zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling. Het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld draagt niet bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.6.3
Conclusie
Er hoeft voor het voorliggende bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.
4.7
Milieuzonering
4.7.1
Beleidskader
Een woning mag geen onaanvaardbare belemmeringen opleveren voor een bedrijf en andersom moet er bij de woning sprake zijn van ten minste een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf (geluid, geur, gevaar en stof) en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? 2. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? 3. Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? 4. Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen?
36
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
Voor het opstellen van een milieuzonering kan de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', worden gebruikt. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand tussen bedrijven en gevoelige functies (zoals woningen) aanvaardbaar is. De richtafstanden in de volgende tabel zijn van toepassing bij verschillende milieucategorieën. Milieucatego Gemengd gebied rie (meter) 1 0
Rustige woonwijk (meter) 10
2
10
30
3.1
30
50
3.2
50
100
4.1
100
200
4.2
200
300
Op basis van omgevingskenmerken kan worden bepaald of een omgeving waartoe een plangebied behoort kan worden beschouwd als 'rustige woonwijk' of als 'gemengd gebied'. In de VNG-brochure wordt het omgevingstype gemengd gebied als volgt omschreven: "Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." Wanneer een omgeving als 'gemengd gebied' kan worden beschouwd mogen de richtafstanden met 1 stap worden teruggebracht. Zie de voorgaande tabel. 4.7.2
Analyse
Binnen het voorliggende plangebied worden geen bedrijven toegestaan. Buiten het plangebied zijn centrumbestemmingen aanwezig. Binnen deze bestemmingen zijn woningen mogelijk, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen in maximaal milieucategorie 2 en dienstverlening. Ook zijn er woningen aanwezig, waaronder de bestaande woning op Dorpsstraat 14. Vanwege de omliggende centrumfuncties kan de omgeving van voorliggend plangebied worden beschouwd als 'gemengd gebied'. Dit betekent dat richtafstanden met 1 stap mogen worden teruggebracht. De functies die de centrumbestemming toelaat zijn functies van maximaal categorie 2. De richtafstand voor gemengd gebied betreft 10 meter. Omdat in voorliggend geval woningen worden gerealiseerd is het van belang om te beoordelen of omliggende bedrijfsmatige functies onevenredig worden belemmerd in de bedrijfsvoering en of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. Als wordt gekeken naar de aard van de centrumbestemming dan zien we dat dit een bestemming is waar wonen reeds is toegestaan samen met andere bedrijfsmatige functies. Het toevoegen van woningen binnen het voorliggende plangebied zorgt dan ook niet voor een beperking van de centrumbestemmingen en de functies die daarbinnen aanwezig zijn.
37
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
Binnen het reformhuis op Dorpsstraat 12 is bijvoorbeeld ook al een woning aanwezig en planologisch toegestaan. Geconcludeerd kan daarom worden dat er geen bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Bedrijven van maximaal categorie 2 zijn ook goed te mengen met woningen. Dit is in het bestemmingsplan Tuitjenhorn ook een aanvaardbaar gegeven gezien de gemengde centrumbestemming. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen zal dan ook geborgd zijn. 4.7.3
Conclusie
Voor het onderhavige bestemmingsplan vormt milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid.
4.8
Natuurwaarden
4.8.1
Beleidskader
In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). In de wet is een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: de intrinsieke waarde van soorten is vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht.
Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van
38
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. 3 Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en ontheffingen kunnen vrij gemakkelijk verkregen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod.
De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Natuurnetwerk Nederland De Provincie Noord-Holland heeft een gebiedsaanpak voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze aanpak strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. 4.8.2
Onderzoek
4.8.2.1 Quick scan Er is een ecologische quick scan uitgevoerd waarvan de rapportage als Bijlage 4 is bijgevoegd bij deze toelichting. Op 21 maart 2023 is door een ecoloog een bezoek gebracht aan het plangebied. Ook heeft er bronnenonderzoek plaatsgevonden. De conclusies uit het onderzoek zijn als volgt samen te vatten: Soortenbescherming In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. In het plangebied is geen water aanwezig en daarom komen geen beschermde vissoorten voor. Er worden alleen algemene soorten amfibieën verwacht. Deze soorten zijn 'vrijgesteld' bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting. Er is geen geschikt biotoop voor de rugstreeppad. Reptielen worden niet verwacht, vanwege de ongeschiktheid van het plangebied. In het plangebied zijn mogelijk nesten van Huismus aanwezig. De holte achter de regenpijp aan de westzijde van het plangebied is ruim genoeg voor Huismussen. In de holte is ook nestmateriaal van een vogelnest aanwezig. Ook soorten als Pimpelmees en Koolmees zouden deze holte kunnen gebruiken. Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen als Egel, Haas en verschillende algemene soorten muizen. Vanwege de aanwezige gaten en holtes/spleten in de bebouwing zijn mogelijk verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zoals Ruige dwergvleermuis en Gewone dwergvleermuis aanwezig.
Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor andere beschermde diersoorten in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.
39
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
4.8.2.2 Vervolgonderzoek Tussen april en oktober 2023 is vervolgonderzoek uitgevoerd naar huismussen en vleermuizen. Het vervolgonderzoek is vervat in het rapport dat is bijgevoegd als Bijlage 5. De resultaten zijn hieronder weergegeven. Huismus Er zijn geen nesten van Huismus in het plangebied aangetroffen. Daarnaast is in het plangebied geen essentieel foerageergebied voor Huismussen aanwezig. Tussen het plangebied en de in de omgeving aangetroffen nesten van Huismus bevindt zich de Dorpsstraat. Gezien de drukte met verkeer van motorvoertuigen, fietsers en wandelaars en het daarmee gepaard gaande geluid, wordt verwacht dat de geplande verbouwing van de bestaande bebouwing de in de directe omgeving aanwezige nesten niet zal verstoren. De geplande ingreep in het plangebied zal daarom geen negatieve effecten hebben op in de omgeving aanwezige Huismussen en hun functionele leefomgeving. Vleermuizen Er is een zomerverblijfsplaats van de Gewone dwergvleermuis aangetroffen aan de westzijde van het pand in een holle daklijst. De mate van verstoring is afhankelijk van de ingreep. Verstoring kan plaatsvinden wanneer gewerkt wordt op het moment dat de vleermuis in de bebouwing aanwezig is. Beschadiging of vernietiging van de verblijfplaats en verwonden of doden van de aanwezige vleermuis kan plaatsvinden wanneer bij de verbouwing de verblijfplaats wordt beschadigd of verwijderd.
Indien de verblijfplaats behouden blijft kan verstoring van de vleermuis worden voorkomen door te werken buiten de periode dat de vleermuis in het verblijf aanwezig is. Er dient dan gewerkt te worden buiten de periode 15 mei – 25 aug. Indien de verblijfplaats bij de verbouwing zal worden beschadigd, zal worden verstoord of zal verdwijnen is het aanvragen van een ontheffing van de WNB noodzakelijk. Hierbij dienen mitigerende en compenserende maatregen te worden beschreven in een activiteitenplan. De ontheffing wordt verleenbaar geacht gezien de mogelijkheden in de directe omgeving van het plangebied om nestkasten op te hangen. Vervolgens kunnen in of aan het gebouw binnen het plangebied vleermuisvoorzieningen worden opgenomen waarmee de vleermuis terug kan keren. Het plangebied betreft geen essentieel foerageergebied en er zijn geen vaste vliegroutes aanwezig binnen het plangebied.
40
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
Afbeelding: plek waar de Gewone dwergvleermuis is aangetroffen
4.8.3
Conclusie
Binnen het plangebied is geconstateerd dat één Gewone dwergvleermuis aanwezig is. Omdat nog niet duidelijk is hoe de verbouwwerkzaamheden eruit gaan zien, is nog niet duidelijk of de vleermuis verstoord zal gaan worden. Als blijkt dat de vleermuis verstoord zal gaan worden zal ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd moeten worden. De ontheffing zal verleenbaar zijn. Er zijn verder geen beschermde plant- of diersoorten aangetroffen. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door het aspect ecologie.
4.9
Stikstofdepositie
4.9.1
Beleidskader
Om te beoordelen wat de invloed is van de planontwikkeling op de omliggende Natura 2000-gebieden op het gebied van stikstofdepositie kan een Aeriusberekening worden uitgevoerd. Daarbij dient te worden nagegaan of ten gevolge van het plan significante negatieve effecten optreden in 1) stikstofgevoelige habitattypen en/of 2) stikstofgevoelige leefgebieden. De voorgenomen planontwikkeling dient te worden beschouwd voor de gebruiksfase. De aanlegfase van de voorgenomen planontwikkeling hoeft niet beschouwd te worden. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet in een partiële vrijstelling voor de tijdelijke emissies gedurende de aanlegfase van bouwwerkzaamheden.
41
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
4.9.2
Onderzoek
Om te beoordelen of er sprake is van een toename aan stikstofdepositie op gevoelige gebieden is een berekening uitgevoerd met de AERIUS-calculator. Er is een rapportage opgesteld over de gegevens die zijn gebruikt bij de invoer van de calculator en de uitkomsten. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 6. Uit de rapportage blijkt dat er geen toename is te verwachten van stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. 4.9.3
Conclusie
Het aspect stikstofdepositie heeft geen belemmerend effect op de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.10
Kabels en leidingen
Uit het vigerende bestemmingsplan Tuitjenhorn is af te leiden dat er in het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn. Tevens loopt er geen straalpad door het plangebied. Er hoeft daarom niet te worden voorzien in een planologische regeling om kabels, leidingen en/of straalpaden te beschermen. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Verkeer en parkeren
Voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid op het aspect verkeer en parkeren is het van belang of de omliggende wegen de verkeersstromen kunnen verwerken en of er voldoende parkeergelegenheid kan worden gerealiseerd. 4.11.1 Beleidskader Verkeersaantrekkende werking Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan moet bepaald worden 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Schagen is een 'weinig stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom'. Parkeren De parkeerbehoefte van het onderhavige plan wordt berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen Schagen 2016. Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zie ook art 4:84 Algemene wet bestuursrecht.
4.11.2 Analyse Verkeersaantrekkende werking De navolgende tabel geeft een vergelijking weer tussen de bestaande hoeveelheid verkeersbewegingen en hoeveel verkeersbewegingen er worden gegenereerd als gevolg
42
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
van het nieuwe bestemmingsplan. Voor de bestaande bedrijvigheid wordt uitgegaan van een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf, waar opslag onder valt. Type
Hoeveelheid Verkeersgeneratie (min)
Bedrijf Koop, tussen/hoek TOTAAL
650 m 2
5,7 / 100 m 2
5
7,6
Totaal bestaand
Totaal nieuw
37 37
38 38
Uit de tabel volgt dat er de (theoretische) hoeveelheid verkeer zo goed als gelijk blijft. Als gevolg van de ontwikkeling zullen er daarom geen merkbare veranderingen optreden voor de omgeving. De hoeveelheid zwaar verkeer zal wel afnemen, wat een positief effect heeft. Daarnaast moet worden bedacht dat er op grond van het vigerende bestemmingsplan ook dienstverlening of detailhandel mogelijk is. Dit zijn functies met een hogere verkeersaantrekkende werking. De planologische verkeersgeneratie neemt daarom als gevolg van de planontwikkeling af. Parkeren Bij de bepaling van de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen wordt zoals aangegeven uitgegaan van de gemeentelijke parkeernota. Een koopwoning, tussen of hoek, heeft een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen. 5 woningen hebben daarom een parkeerbehoefte van 10 parkeerplaatsen. Hiervoor is voldoende ruimte binnen het plangebied. Bij de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning voor het plan zal worden getoetst of daadwerkelijk voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Dit is geborgd door artikel 6.5 en 7.4 van de regels van voorliggend bestemmingsplan.
4.11.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.12
Water
4.12.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen.
43
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven.
In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen. Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd.
Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterplan 2022-2027) opgesteld. In het Waterplan 2022-2027 zijn de ambities en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig, gebiedsgericht
44
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
waterbeheer mogelijk. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.
4.12.2 Analyse Voor het voorliggende bestemmingsplan is een digitale watertoets gedaan via www.watertoets.nl. Omdat het uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing heeft het waterschap geen belang. Het resultaat van de watertoets is als volgt: "De initiatiefnemer heeft Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Verder overleg met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is niet nodig. Het hoogheemraadschap geeft een positief wateradvies." Ten overvloede zijn hierna toch kort de relevante punten van een watertoets uitgelicht. Verharding Het voorliggende plangebied is met uitzondering van de zuidelijke strook volledig verhard. In de bestaande situatie mag op grond van het bestemmingsplan Tuitjenhorn het volledige perceel worden verhard. Met vaststelling van voorliggend bestemmingsplan verandert aan deze situatie niets. Bovendien is het niet de bedoeling om de zuidelijke strook te verharden, omdat dit tuinen zullen worden behorende bij de woningen. Als deze strook uiteindelijk toch wordt verhard is de verhardingstoename (circa 100 m 2) ruim minder dan de grens van 800 m 2 uit de keur waarvoor een watervergunning nodig is.
Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in een (beschermingszone van een )waterkering. Riolering De nieuwe woningen zullen worden aangesloten op de bestaande gescheiden riolering.
4.12.3 Conclusie Het wateraspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
45
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
4.13
Milieu-effectrapportage
4.13.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage (mer) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe mer-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe mer-plicht geldt, kan er wel een vormvrije mer-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.
Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een mer -plicht. 4.13.2 Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit mer en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden. Activiteiten D.11.2
Gevallen
Besluit
De aanleg, wijziging In gevallen waarin de activiteit De vaststelling van of uitbreiding van betrekking het plan, bedoeld in een stedelijk heeft op: artikel 3.6, eerste ontwikkelingsproject, 1: een oppervlakte van 100 hectare of lid, met inbegrip van de meer, onderdelen a en b, bouw van 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 van de Wet winkelcentra of of ruimtelijke ordening parkeerterreinen. meer woningen omvat, of --> het 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van bestemmingsplan 200.000 m 2 of meer.
Dit betekent dat er een vormvrije mer-beoordeling opgesteld dient te worden. De inhoudelijke vereisten voor deze beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn mer. Hierin staat dat de voorgenomen activiteiten aan de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: 1. kenmerken van het project;
46
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. De vraag die in eerste instantie voor ligt is of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Vooropgesteld wordt dat het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. Niet iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, kan aangemerkt worden als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. In voorliggend geval wordt een functiewijziging van bestaande bebouwing mogelijk gemaakt. De bedrijfsmatige functie verdwijnt (evenals de planologisch bredere mogelijkheden) waarvoor vijf woningen in de plaats komen. Gelet op voormelde omstandigheden afgezet tegen de stedelijke context c.q. het gebied waarin reeds diverse woningen mogelijk zijn, kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject.
4.13.3 Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen en zijn belangrijke gevolgen voor het milieu niet te verwachten. Een (vormvrije) mer-beoordeling of planMER is derhalve niet noodzakelijk.
47
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.
5.1
Privaatrechtelijke uitvoerbaarheid
De initiatiefnemer is eigenaar van de gronden in het plangebied. Er zijn derhalve geen privaatrechtelijke belemmeringen voor de uitvoering van het plan aanwezig.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van afdeling 6.4 van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Omdat er in voorliggend geval woningen worden gerealiseerd geldt er dus een verplichting tot kostenverhaal. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemers. Met deze partijen heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten, zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro.
Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft derhalve niet te worden opgesteld. Uit voorliggend bestemmingsplan komen geen aspecten naar voren die de economische uitvoerbaarheid belemmeren. De initiatiefnemers hebben voldoende middelen beschikbaar en de woningmarkt is dusdanig dat de woningen daadwerkelijk ontwikkeld zullen worden.
5.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.3.1
Algemeen
48
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
In deze paragraaf wordt ingegaan op het draagvlak dat in de maatschappij en bij andere (overheids-) instanties leeft voor de ontwikkeling. Het moet aannemelijk zijn dat er voldoende draagvlak is, waarbij opgemerkt wordt dat het is niet mogelijk is iedereen tevreden te stemmen. Bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander. 5.3.2
Communicatie
De initiatiefnemer heeft de buurt betrokken bij de voorliggende planontwikkeling. De gebruikers van de omliggende percelen zijn middels een brief geïnformeerd en uitgenodigd bij een informatieavond die is gehouden op 24 mei 2023. Het verslag van deze bijeenkomst is gedeeld met de gemeente Schagen. De uitnodiging was aan 18 omliggende adressen gericht. Bij de bijeenkomst waren de gebruikers/bewoners van 10 adressen aanwezig. De genodigden die niet bij de informatieavond aanwezig waren hebben via de uitnodiging de mogelijkheid gekregen vragen te stellen. De algehele tendens van de avond was redelijk positief. Er werden vragen gesteld/opmerkingen gemaakt die zich vooral richten op zorgen omtrent overlast door bijvoorbeeld houtstook, geluid, parkeren en het voorkomen van zicht op het perceel vanuit nieuwe raampartijen. Het merendeel van de aanwezigen stelden het op prijs dat ze werden geïnformeerd en wilden graag van de voortgang op de hoogte worden gehouden. 5.3.3
Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. Het concept van dit bestemmingsplan is toegestuurd aan verschillende overlegpartners, Er zijn geen vooroverlegreacties binnen gekomen. 5.3.4
Ter inzagelegging
Artikel 3:8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Deze afdeling bevat bepalingen rond de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 14 december 2023 tot en met 24 januari 2024. De kennisgeving is in het gemeenteblad geplaatst. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
49
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
Hoofdstuk 6
Juridische planbeschrijving
Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een gedetailleerd bestemmingsplan. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen.
6.1
Planvorm
Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Gezien het gewenste behoud van de ruimtelijke en functionele structuur en de beperkte mate van ontwikkeling is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. Deze planvorm maakt het mogelijk alle aanwezige functies in het plangebied te voorzien van een gedetailleerde bestemmingsregeling waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden beheerd en behouden. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden. Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn. Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis. Ten behoeve van de flexibiliteit is een aantal afwijkingsmogelijkheden opgenomen.
6.2
Bestemmingsregeling
De mogelijkheid tot wonen is vastgelegd in een woonbestemming waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij bestemmingsregels in de omgeving van het plangebied. Een aantal regelingen is hieronder toegelicht. Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen Deze bestemming is voor woonhuizen. Op de verbeelding staat aangegeven hoeveel woningen hier maximaal aanwezig mogen zijn. Het gebruik van deze gronden ten behoeve van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis is toegestaan. Hier zijn wel voorwaarden aan verbonden. De totale beroeps- c.q. bedrijfsvloerenoppervlakte mag niet meer bedragen dan 40% van de totale gezamenlijke vloeroppervlakte van de bijbehorende woning en bijbehorende bouwwerken. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven waarbinnen hoofdgebouwen en
50
bestemmingsplan Dorpsstraat 14a Tuitjenhorn
bijbehorende bouwwerken mogelijk zijn. Er is een maximale goothoogte aangegeven met een minimale en maximale dakhelling. Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat grond die al in aanmerking is genomen of betrokken is bij het verlenen van een vergunning niet nog een keer wordt betrokken bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel is aangegeven wat ondergeschikte bouwdelen zijn en is geregeld dat ieder bouwwerk moet voldoen aan de parkeernormen uit het gemeentelijk parkeerbeleid. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan en is geregeld dat bij ieder gebruik moet worden voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Tevens is aangegeven in welke omvang beroep- of bedrijf aan huis is toegestaan. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft een regeling voor het geval dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.
Artikel 10 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.
51
Contactgegevens Bezoekadres:
Laan 19 1741 EA Schagen Postadres:
Postbus 8 1740 AA Schagen Tel.: (0224) 210 400 Fax: (0224) 210 455 E-mail: postbus8@schagen.nl Internet: www.schagen.nl