CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

concept Nvu def

Gemeenteraad 17 februari 2026, gemeente SchagenBij agendapunt: Concept Nota van uitgangspunten omgevingsplan kernen33.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Hiermee wordt ongewenste permanente verstedelijking voorkomen en blijft de ruimtelijke structuur van Schagen toekomstbestendig. 3. Hoe willen we het regelen? Voor Tiny Houses is een thematische benadering passend: de regels worden voor de hele gemeente in één samenhangend hoofdstuk opgenomen. Binnen dit thema kunnen gebiedsuitsluitingen worden aangewezen om te voorkomen dat Tiny Houses ontstaan op locaties waar dit niet gewenst is, zoals op bedrijventerreinen, recreatieterreinen of gemeentegrond. De activiteit wordt gereguleerd via een vergunningplicht, zodat elke aanvraag ruimtelijk kan worden beoordeeld. Daarbij worden in het omgevingsplan beoordelingsregels opgenomen die aansluiten op het beleid: toetsing aan inpassing in de omgeving, maatvoering, duurzaamheid, zelfbewoning, parkeren, perceelgrootte en het voorkomen van hinder voor omliggende functies. Omdat het gaat om een tijdelijke woonvorm, wordt de vergunningtijdelijkheid ook expliciet vastgelegd. De vergunningplicht biedt voldoende ruimte voor maatwerk en borgt dat participatie met de omgeving onderdeel is van de besluitvorming. Door de combinatie van open normen (zoals ruimtelijke inpassing) en gesloten normen (zoals maximale oppervlakte), ontstaat een helder maar flexibel beoordelingskader dat initiatiefnemers stimuleert tot zorgvuldige planvorming.

Daarnaast kiezen we ervoor de vergunningsvrije mogelijkheden voor dit type bouwwerk uit te schakelen, zodat altijd een omgevingsvergunning nodig is voor plaatsing van bijbehorende bouwwerken.

3.3.1.5 Gebouw Sportgebied De situering, omvang en bouwvorm van gebouwen is belangrijk voor de gebruiker, de bruikbaarheid van de omliggende velden, het ruimtelijk beeld en de effecten van een gebouw op de belendende Woongebieden of Centrumgebieden. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? We stellen regels over het bouwen van gebouwen in Sportgebied, om ruimte te bieden voor leefbare en veilig sportgebieden, maar daarnaast ook de stedenbouwkundige waarden te beschermen. Met de activiteit ‘bouwen van gebouwen’ in het Sportgebied willen we de volgende doelen bereiken: 1. Het beschermen van het landelijke en dorpse karakter; 2. Het bieden van basisbescherming voor gevoelige functies; 3. Het vinden en behouden van balans tussen reuring, rust en ruimte; 4. Het behoud van leefbare en veilige sportgebieden; 5. Het beschermen van stedenbouwkundige waarden; 6. Het beschermen van de milieusituatie; 7. Het behoud van voorzieningen; 8. Het concentreren van sportvoorzieningen; 9. Het behoud van gemeenschapszin en verenigingsleven. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De vergunningplicht voor de ruimtelijke bouwactiviteit bouwen van gebouwen in het Sportgebied is opgenomen in de Bruidsschat. Deze moet worden verwerkt in het definitieve deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregels van de Bruidsschat bestaan o.a. uit de bouwregels uit de bestemmingsplannen.

De bestemmingsplannen hebben qua hoofdopzet dezelfde systematiek met bouwvlakken en maatvoeringsaanduidingen. Een bijzonderheid is de mogelijkheid om onder voorwaarden buiten het bouwvlak te bouwen. Hierin zien we een aantal verschillen. 47

Ten behoeve van harmonisatie moeten de bouwregels uniform worden. Daarin wordt meegenomen dat de gemeente vast wil houden aan bouwvlakken. 3. Hoe willen we het regelen? Vergunningplicht Voor het bouwen van gebouwen binnen het Sportgebied wordt een vergunningplicht in het omgevingsplan opgenomen. Het uiterlijk van het gebouw moet voldoen aan de regels in de Welstandsnota. De gemeente vindt het belangrijk dat een gebouw pas gebouwd mag worden nadat dit getoetst is en er toestemming kan worden gegeven. Er vindt harmonisatie plaats van de bestemmingsplanregels. Binnen het Sportgebied worden bouwvlakken opgenomen. In de beoordelingsregels wordt opgenomen dat er alleen gebouwen ten behoeve van de op de betreffende locatie toegestane functies, mogen worden gebouwd. Als een bijzondere sportfunctie specifiek moet worden aangeduid, dan wordt dat daarom ook geregeld via de functie en gebruiksactiviteiten. Voor de bouwregels van gebouwen ten behoeve van de bijzondere sportfunctie wordt aangesloten bij de hier geschetste regeling. In de regels wordt verwezen naar omgevingsnormen. De maximum goothoogte, bouwhoogte en het maximum bebouwingspercentage worden op de kaart weergegeven, de (legaal) bestaande hoogte en het (legaal) bestaande percentage is ook toegestaan. Er mag buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: 1.

gezamenlijke oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 100 m², of de (legaal) bestaande oppervlakte; 2. de maximale goothoogte bedraagt 3,00 meter; en 3. de maximale bouwhoogte bedraagt 5,00 meter.

3.3.2 Bijbehorende bouwwerken Regels over bijbehorende bouwwerken zijn nodig, omdat deze bouwwerken effect kunnen hebben op ruimtelijke waarden (stedenbouwkundig, landschap, cultuurhistorisch) en op het woongenot en/of de functionaliteit van aangrenzende percelen of aangrenzende openbare ruimte. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? We willen regels stellen over het bouwen van bijbehorende bouwwerken, zodat de stedenbouwkundige kwaliteit, de landschappelijke en cultuurhistorische waarden worden beschermd, maar er daarnaast ook voldoende ruimte wordt geboden voor uitbouwen en bijgebouwen en dergelijke. Met de activiteit ‘bouwen van bijbehorende bouwwerken’ willen we de volgende doelen bereiken: 1. Het beschermen van het landelijke en dorpse karakter; 2. Het vinden en behouden van balans tussen reuring, rust en ruimte; 3. Het behoud van leefbare, kindvriendelijke en veilige kernen; 4. Het beschermen van stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden; 5. Het beschermen van de milieusituatie; 6. Het behoud van voorzieningen. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De vergunningplicht voor de ruimtelijke bouwactiviteit bouwen van bijbehorende bouwwerken is opgenomen in de Bruidsschat. Het bouwen van sommige bijbehorende bouwwerken is vergunningsvrij. Deze regels moeten worden verwerkt in het definitieve deel van het omgevingsplan.

De beoordelingsregels van de Bruidsschat bestaan o.a. uit de bouwregels uit de bestemmingsplannen. Voor wat betreft de bestemmingsplannen bevatten de woonbestemmingen regels over het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en de andere bestemmingen alleen voor zover het om bedrijfswoningen gaat. Verder moet mee worden genomen dat aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen niet onder de regeling voor bijbehorende bouwwerken uit de Bruidsschat vallen. Vanuit het oogpunt van harmonisatie moeten de bouwregels uniform worden. Daarin wordt meegenomen dat de gemeente zo veel mogelijk wenst aan te sluiten bij de regels over vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken uit de Bruidsschat. 3. Hoe willen we het regelen? Algemene regels: Een bijbehorend bouwwerk is een uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, 48

of ander bouwwerk, met een dak. Voorbeelden van bijbehorende bouwwerken bij woningen zijn: uitbouwen, aanbouwen, garages, tuinhuisjes of carports. Een voorbeeld van een bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfsgebouw is een fietsenstalling. De gemeente wil zo veel mogelijk aansluiten bij de regels voor vergunningvrije bijbehorende bouwwerken van de Bruidsschat. Het uitgangspunt is daarom dat voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken geen vergunning nodig is. Er gelden wel algemene regels voor bijbehorende bouwwerken waar bij het bouwen aan moet worden voldaan. Die algemene regels bestaan uit de eisen die nu in de Bruidsschat staan. De (legaal) bestaande bijbehorende bouwwerken zijn ook toegestaan.

4 maatvoeringseisen dakkapel in voordakvlak of zijdakvlak Een hoofdgebouw kan niet alleen worden uitgebreid door een bijbehorend bouwwerk, maar ook door het plaatsen van een dakkapel. Het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak is ook vergunningvrij conform de sneltoetscriteria van de Welstandsnota. Deze criteria zijn gelijk aan en aanvullend op de regels uit de Bruidsschat. 2 In het Sportgebied mogen bijbehorende bouwwerken vergunningvrij buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: 1. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak maximaal 100 m² bedraagt, of de (legaal) bestaande oppervlakte; 2. de maximale goothoogte 3,00 meter bedraagt; en 3. de maximale bouwhoogte 5,00 meter bedraagt. Het bouwen van erkers en uitbouwen bij hoekwoningen waarbij de rooilijn (gevellijn) met niet meer dan 1,5 m wordt overschreden, zijn vergunningsvrij. Vergunningplicht: Uit de analyse van de verschillende bestemmingsplannen blijkt dat in veel kernen en het buitengebied bijgebouwen met een maximum bouwhoogte van 6 m zijn toegestaan.

Er gaat daarom een vergunningplicht gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken tot een maximum bouwhoogte van 6 m (met toepassing van de formule uit de Bruidsschat als het bijbehorende bouwwerk op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw wordt gebouwd) en een afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van minimaal 3 m. Verder gelden de eisen uit de Bruidsschat. Daarnaast wordt getoetst of het uiterlijk van het bijbehorend bouwwerk voldoet aan de regels in de Welstandsnota, zoals voor alle vergunningplichten voor de ruimtelijke bouwactiviteit geldt. Aangezien aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning geen bijbehorende bouwwerken zijn in het geval van een Bedrijfsgebied, nemen we een specifieke vergunningplicht op voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een uitpandige bedrijfswoning in het Bedrijfsgebied. Voor wat betreft de eisen aan de maatvoering en plaatsing sluiten we in principe aan bij de regels uit de Bruidsschat, maar daarnaast moet er aan de volgende open normen worden voldaan: 1. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld; 49

2. 3.

er mag geen onevenredige hinder ontstaan voor de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen; het uiterlijk van deze bijbehorende bouwwerken moet voldoen aan de eisen uit de Welstandsnota.

Voor het bouwen van ondergeschikte bouwdelen, zoals ingangspartijen, luifels en balkons, wordt de regeling overgenomen uit het Paraplu-Omgevingsplan, 1e tranche. Deze ondergeschikte bouwdelen zijn vergunningplichtig en mogen worden gebouwd als ze de rooilijn (gevellijn) met niet meer dan 1,5 m overschrijden. Een dakopbouw mag worden gebouwd als de plaatsing, maatvoering en vormgeving gelijk is aan een bestaand bouwwerk in het betreffende bouwblok. Dit is in overeenstemming met de regels uit de Welstandsnota.

3.3.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde Er zijn regels over bouwwerken, geen gebouwen zijnde nodig, omdat deze bouwwerken effect kunnen hebben op ruimtelijke waarden (stedenbouwkundig, landschap, cultuurhistorisch) en op het woongenot en/of de functionaliteit van aangrenzende percelen of aangrenzende openbare ruimte. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? We willen regels stellen over het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde om de stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden te beschermen, maar daarnaast ook ruimte te bieden voor bouwwerken. Met de activiteit ‘bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde5 willen we de volgende doelen bereiken: 1. Het beschermen van het landelijke en dorpse karakter; 2. Het vinden en behouden van balans tussen reuring, rust en ruimte; 3. Het behoud van leefbare, kindvriendelijke en veilige kernen; 4. Het beschermen van stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden; 5. Het beschermen van de milieusituatie; 6. Het behoud van voorzieningen. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De vergunningplicht voor de ruimtelijke bouwactiviteit bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is opgenomen in de Bruidsschat. Het bouwen van sommige bouwwerken, geen gebouwen zijnde is vergunningsvrij. Deze regels moeten worden verwerkt in het definitieve deel van het omgevingsplan.

De beoordelingsregels van de Bruidsschat bestaan o.a. uit de bouwregels uit de bestemmingsplannen. De bestemmingsplannen hebben qua hoofdopzet dezelfde systematiek: er worden met name regels gesteld over erf- en perceelafscheidingen en over overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In een aantal bestemmingen zien we dat er ook regels over andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gesteld zoals lichtmasten. Ten behoeve van harmonisatie moeten de bouwregels uniform worden. Daarin wordt meegenomen dat de gemeente zo veel mogelijk wenst aan te sluiten bij de regels over vergunningsvrije bouwwerken, geen gebouwen zijnde uit het Bbl en de Bruidsschat. Maar ook dat voor bijzondere gebieden specifieke regels mogelijk zijn. 3. Hoe willen we het regelen? Algemene regels: De gemeente wil zo veel mogelijk aansluiten bij de regels voor vergunningsvrij bouwwerken van het Bbl en de Bruidsschat. Het uitgangspunt is daarom dat voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geen vergunning nodig is. Er gelden wel algemene regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde waar bij het bouwen aan moet worden voldaan.

5 In deze eisen is de vangnetregeling van het Rijk verwerkt.

50

In onderstaande tabel is weergegeven wat de algemene regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn. Indien een gebied vraagt om een specifieke regeling, is dat een uitzondering op de hoofdregels. Type bouwwerk, geen gebouw Norm Werkingsgebied zijnde Hoofdregels Erf- of perceelafscheiding

Max. bouwhoogte is 1,00 m Gemeente Schagen (conform Bbl) Max. bouwhoogte is 2,00 m, mits: gebouwd op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en gebouwd achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen. De (legaal) bestaande bouwhoogte is ook toegestaan. Sport- of speeltoestel anders dan Conform art. 22.27 aanhef en Gemeente Schagen voor alleen particulier gebruik onder d van de Bruidsschat Buisleiding Conform art. 22.27 aanhef en Gemeente Schagen onder h van de Bruidsschat Uitzonderingen op de hoofdregels Erf- of perceelafscheiding

Tribune

Max. bouwhoogte is 2,00 m, de Sportgebied en Bedrijfsgebied (legaal) bestaande bouwhoogte (m.u.v. uitpandige is ook toegestaan. bedrijfswoningen voor het bedrijfsgebouw) Max. bouwhoogte is een Specifieke locaties omgevingsnorm op de kaart, (legaal) bestaand is ook toegestaan Max. bouwhoogte is 15,00 m, Sportgebied (legaal) bestaand is ook toegestaan Max. bouwhoogte is 10,00 m Specifieke locatie

Glijbaan

Max. bouwhoogte is 15,00 m

Specifieke locatie

Vlaggenmast

Max. aantal is 36

Bedrijfsgebied

Zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of vijver Ballenvangers en doelpalen

Conform art. 22.27 aanhef en onder e van de Bruidsschat Max. bouwhoogte is 10,00 m, (legaal) bestaand is ook toegestaan

Woongebied

Antenne- of zendmast

Lichtmast

Sportgebied

Verbod: Het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor reclame ten behoeve van de bedrijfsvoering ter plaatse is verboden in de welstandsgebieden ‘Centrumgebied’ en ‘Bijzonder lint’. Dit volgt uit de sneltoetscriteria van de Welstandsnota. Vergunningplicht:

6 Voldoen aan artikel 2.29 aanhef en onder l van het Bbl (op een gebouwerf, max. bouwhoogte is 6,00 m en ten

hoogste één per gebouwerf).

51

Voor het bouwen van erf- of perceelafscheidingen met een maximum bouwhoogte van 2,00 m, maar die niet voldoen aan de algemene regels, geldt een vergunningplicht. Ook voor het bouwen van meer dan één vlaggenmast die niet voldoen aan de algemene regels, geldt een vergunningplicht. Er zijn maximaal drie vlaggenmasten toegestaan. Daarnaast is een vergunning nodig voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor reclame. Dit bouwwerk is toegestaan als: • het gebouwd wordt ten behoeve van de bedrijfsvoering ter plaatse; • de reclame onverlicht is; • er max. twee reclame-uitingen per gebouwerf zijn; • bij plaatsing aan de gevel: de bouwhoogte lager is dan de dakgoot van het bijbehorende gebouw; • bij plaatsing los op het gebouwerf: het bouwwerk bij de entree of op de bijbehorende parkeerplaats wordt geplaatst. Verder mogen overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot een maximum bouwhoogte van 5,00 meter (of legaal bestaand) worden gebouwd.7 Het uiterlijk van deze bouwwerken moet voldoen aan de regels in de Welstandsnota. In de beoordelingsregels wordt opgenomen dat er alleen andere bouwwerken ten behoeve van de op de betreffende locatie toegestane functies, mogen worden gebouwd. Het bouwwerk mag verder geen onevenredige afbreuk doen aan de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en het straat- en bebouwingsbeeld.

3.3.3.1 Reclame Reclame is een herkenbaar onderdeel van de openbare ruimte. Het draagt bij aan de vindbaarheid van bedrijven en evenementen, maar kan ook een sterk beeldbepalend en soms storend effect hebben. In de gemeente Schagen staat de kwaliteit van de leefomgeving centraal: we willen een aantrekkelijke openbare ruimte met een goede balans tussen stenen, groen en water. Daarbij hoort ook het beperken van de hoeveelheid en omvang van reclame-uitingen, zodat deze niet ten koste gaan van de ruimtelijke kwaliteit of de beleving van het landschap. De Omgevingsvisie Schagen benadrukt dat een aantrekkelijke leefomgeving vraagt om zorgvuldig omgaan met reclame, met oog voor architectuur, omgeving en identiteit van het gebied. De Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit biedt daarbij praktische handvatten: reclame mag, maar moet passen bij de schaal, uitstraling en functie van de plek. Zo bewaken we samen de kwaliteit en herkenbaarheid van onze dorpen en bedrijventerreinen. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De gemeente wil voorkomen dat reclame-uitingen afbreuk doen aan de kwaliteit van de openbare ruimte of het landschap. Het doel van de regels is het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit, het voorkomen van visuele verrommeling en het behouden van een samenhangend straat- en dorpsbeeld.

Het gaat om de activiteit “het plaatsen of voeren van reclame”, zowel op gebouwen als op losse dragers zoals borden of masten. Dit betreft zowel vaste reclame-uitingen (zoals gevelreclame of lichtbakken) als tijdelijke reclame (zoals sandwichborden of aankondigingen van evenementen). Het is wenselijk om deze activiteit in het omgevingsplan te reguleren, zodat een helder en uniform kader ontstaat dat aansluit bij de bestaande APV-regels en de beleidsregels voor tijdelijke reclame. Er is logische samenhang met thema’s als bouwen en ruimtelijke kwaliteit. Nadere beleidsinkadering is niet nodig, tenzij de gemeente in de toekomst aanvullende beperkingen wil stellen voor bepaalde gebieden of typen reclame. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De gemeente heeft op grond van de Omgevingswet beleidsruimte om regels te stellen over reclameuitingen, zolang deze passen binnen het landelijke en provinciale kader. Er zijn geen specifieke instructieregels van het Rijk of de Provincie over reclame. De Omgevingsverordening NH2022 bevat alleen een verbod op reclame langs provinciale wegen (artikel 4.89), waarvoor een aparte provinciale vergunning vereist is. Deze situatie hoeft niet in het gemeentelijk omgevingsplan te worden overgenomen. 7 Een uitzondering voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling

van het verkeer of lichtmasten in de openbare ruimte is niet nodig. Op grond van artikel 2.29 aanhef en onder p van het Bbl zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor een infrastructurele of openbare voorziening vergunningsvrij als deze voor de beveiliging van een weg of voor verkeersregeling, verkeersgeleiding of verlichting worden gebouwd.

52

De bruidsschat bevat in artikel 22.300 enkel de indieningsvereisten voor aanvragen om handelsreclame te plaatsen of te voeren. De belangrijkste gemeentelijke kaders zijn: • De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) met regels over hinderlijke of gevaarlijke reclame (art. 4:15) en reclamevoertuigen (art. 5:7); • De Beleidsregels Tijdelijke Reclameborden Schagen 2018, met concrete voorwaarden voor sandwichborden en exploitatieborden; • De Reisgids Ruimtelijke Kwaliteit, waarin sneltoetscriteria en extra welstandscriteria voor reclame zijn opgenomen. Samen vormen deze documenten de beleidsbasis voor de opname van regels in het omgevingsplan. De gemeente kan deze regels grotendeels overnemen en aanvullen met algemene beoordelingsregels om te waarborgen dat reclame-uitingen passen in hun omgeving en de ruimtelijke kwaliteit niet aantasten. 3. Hoe willen we het regelen? De regels over reclame worden thematisch opgenomen in het omgevingsplan, in samenhang met de onderdelen ruimtelijke kwaliteit en bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde.

De systematiek wordt als volgt vormgegeven: • Gesloten normen voor tijdelijke reclame (zoals sandwichborden), met duidelijke afmetingen, locaties en plaatsingsduur; • Verbodsbepaling voor niet-toegestane vormen zoals driehoeksborden; • Open normen voor overige reclame-uitingen (zoals gevelreclame), waarbij een vergunningplicht geldt en de beoordeling plaatsvindt aan de hand van redelijke eisen van welstand en de sneltoetscriteria uit de Reisgids. De bestaande APV-regels blijven van kracht in het verordenende deel van de gemeentelijke regelgeving (zoals reclamevoertuigen en hinderlijke reclame). Tot deze worden opgenomen bij het laatste verhuisgebied. De regels over vaste en tijdelijke reclame worden in het omgevingsplan geïntegreerd, zodat één samenhangend juridisch kader ontstaat voor het plaatsen van reclame in de gemeente. Artikel 22.300 van de bruidsschat wordt overgenomen voor de indieningsvereisten.

3.3.4 Aanleg activiteiten 3.3.4.1 Uitvoeren van werk- en werkzaamheden (aanlegstelsel) op basis van de gebiedsverhalen Regels over aanleggen zijn nodig voor zover dit te beschermen waarden kunnen aantasten, zoals cultuurhistorische waarden, natuurwaarden en waterstaatkundige belangen. Hiermee willen we het landelijke en dorpse karakter beschermen. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? We willen de aanlegactiviteit regelen om de cultuurhistorische waarden, natuurwaarden en waterstaatkundige belangen te beschermen. Bijvoorbeeld het roeren in de grond of het kappen van bomen kunnen deze waarden aantasten. Met de aanlegactiviteit willen we daarom de volgende doelen bereiken: 1. Het beschermen van het landelijke en dorpse karakter; 2. Het vinden en behouden van balans tussen reuring, rust en ruimte; 3. Het behoud van leefbare, kindvriendelijke en veilige kernen; 4. Het beschermen van natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en waterstaatkundige belangen; 5. Het beschermen van de milieusituatie; 6. Het behoud van voorzieningen.

2. Wat moeten en kunnen we regelen? De vergunningplicht voor aanlegactiviteiten zit nu in de bestemmingsplannen. In de bestemmingsplannen worden verschillende aanlegactiviteiten onderscheiden. Ook worden de aanlegactiviteiten op basis van verschillende belangen vergunningplichtig gesteld. Op basis daarvan kunnen verschillende te beschermen gebieden worden onderscheiden. Ten behoeve van harmonisatie moeten de regels over aanlegactiviteiten uniform worden. Per te beschermen gebied moet worden aangegeven welke aanlegactiviteiten een vergunning behoeven. We geven uitvoering aan de instructieregels van de provincie Noord-Holland.

53

3. Hoe willen we het regelen? Vergunningplicht : Voor bepaalde aanlegactiviteiten is het vanwege mogelijk aantasting van de te beschermen waarden in bijzondere gebieden nodig om vooraf een toets uit te voeren voordat met de activiteiten kan worden gestart. Binnen de Kernen onderscheiden we de volgende te beschermen gebieden: Groen en Natuur, Water en Cultuurhistorie. In onderstaand tabel is aangegeven voor welke aanlegactiviteiten binnen welke gebieden een vergunning nodig is. Aanlegactiviteit / Gebied

Groen en Natuur

Water

Cultuurhistorie

aanbrengen beplanting (planten hoog-opgaande of diep-wortelende beplanting) verwijderen beplanting (rooien van bomen) x

x

x

wijzigen waterstromen of watergangen

x

x

x

wijzigen bodem (graven, ophogen enz.)

x

x

x

verharding aanbrengen (straat leggen, enz.)

x

bodemdrainage aanbrengen

x

voorwerpen indrijven in de bodem boringen

x

x

x x

werkzaamheden tbv ondergrondse leidingen voor x transport, energie of telecommunicatie aanbrengen voorzieningen recreatief x medegebruik

X

Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de aanlegactiviteiten die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen of die al in uitvoering of vergund zijn op het moment dat deze vergunningplicht gaat gelden. De vergunning voor een aanlegactiviteit wordt alleen verleend als er door de activiteit zelf of door de direct of indirect te verwachten gevolgen van de activiteit, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden van Groen en Natuur, Water of Cultuurhistorie. In het geval van het gebied Water, is er advies van het betreffende waterschap nodig om de vergunningsaanvraag te kunnen beoordelen.

3.3.4.2 Uitvoeren van werk- en werkzaamheden (aanlegstelsel) thematisch Binnen de fysieke leefomgeving komen veel werkzaamheden voor die geen bouwwerk opleveren, maar wel invloed kunnen hebben op belangrijke waarden, zoals archeologie, waterveiligheid, natuur of kabels en leidingen. In de huidige bestemmingsplannen is dit onderwerp versnipperd geregeld via verschillende aanlegstelsels met uiteenlopende drempels en voorwaarden. Met het nieuwe omgevingsplan wordt toegewerkt naar één samenhangende systematiek, zodat duidelijk en herleidbaar is wanneer werkzaamheden vergunningplichtig zijn en waarom. De essentie is dat het beschermen van waarden centraal staat, en dat de werkzaamheden alleen worden gereguleerd waar dat daadwerkelijk nodig is. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De activiteit waarop de regels betrekking hebben is het uitvoeren van werk- of werkzaamheden die geen bouwwerk vormen. Zoals bijvoorbeeld graven of aanleggen van paden of opgaand groen. Deze werkzaamheden zijn ruimtelijk relevant, omdat zij de bodem, het watersysteem of de landschappelijke structuur kunnen veranderen. Het is daarom wenselijk een duidelijke juridische basis op te nemen in het omgevingsplan. Daarbij is het logisch om de regulering te koppelen aan de plekken waar waarden aanwezig zijn: niet de activiteit staat centraal, maar het gebied en het belang dat daar wordt beschermd.

Een nadere beleidskadering is niet noodzakelijk, zolang het omgevingsplan zelf de beschermingsdoelen en drempels helder benoemt. Zo ontstaat een transparante en locatiegerichte systematiek.

2.

Wat moeten en kunnen we regelen? 54

De Omgevingswet biedt de gemeente volledige beleidsruimte om werkzaamheden zonder bouwwerk te reguleren. Er bestaan geen rijks- of provinciale instructieregels die een generiek aanlegstelsel voorschrijven. De bruidsschat bevat voor dit onderwerp geen generieke regeling die als basis kan worden overgenomen. De bestaande bestemmingsplannen bevatten echter een groot aantal uiteenlopende regels en drempels, die per gebied sterk variëren. De vraag is daarom of deze bestaande stelsels ongewijzigd moeten worden overgenomen, of dat het nieuwe omgevingsplan werkt met één gemeentelijke systematiek. De analyse van de huidige regels laat zien dat de verschillen vooral historisch gegroeid zijn en niet altijd inhoudelijk noodzakelijk. Daarom is het wenselijk om voor het hele grondgebied te kiezen voor een uniforme, gebiedsgerichte opzet, waarbij de beschermingswaarde van een gebied bepaalt welke activiteiten vergunningplichtig zijn. De bestaande bestemmingsplannen bieden voldoende inspiratie en input, maar worden niet letterlijk overgenomen. 3. Hoe willen we het regelen? De gemeente kiest voor een gebiedsgerichte systematiek waarbij activiteiten alleen worden gereguleerd in gebieden waar waarden beschermd moeten worden. Elke waarde krijgt zijn eigen aandachtsgebied, zoals archeologie, kabels en leidingen, groenstructuren, militair terrein, etc.

Binnen die aandachtsgebieden wordt vastgelegd welke activiteiten vergunningplichtig zijn en welke drempels daarbij gelden. Buiten deze gebieden wordt de activiteit in beginsel toegestaan zonder vergunning. Hiermee verdwijnt het versnipperde aanlegstelsel, maar blijft de bescherming van waardevolle gebieden volledig gewaarborgd. Het regeltype is een vergunningplicht met open normen, aangevuld met concrete drempels en objectieve criteria. Daarmee kunnen zowel initiatiefnemers als de gemeente beoordelen wanneer de vergunning nodig is en waarop beoordeeld wordt. Door aangesloten te blijven bij de logica van de bestaande beschermingsdoelen, wordt de regeling robuust, helder en handhaafbaar.

3.3.4.3 Kappen van bomen en vellen van houtopstanden Bomen en overige houtopstanden binnen de gemeente Schagen leveren een wezenlijke bijdrage aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zij zijn bepalend voor landschappelijke en cultuurhistorische waarden en vervullen een belangrijke functie voor natuur, milieu, gezondheid en klimaatadaptatie. Groen draagt bij aan biodiversiteit, vermindert hittestress, verbetert waterberging en levert een aantoonbaar positieve bijdrage aan de leefbaarheid van onze gemeente. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het noodzakelijk de bestaande regelgeving systematisch te herzien en juridisch te verankeren in het omgevingsplan. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De gemeente Schagen wil het kappen van bomen en het vellen van houtopstanden reguleren ter bescherming van landschappelijke-, cultuurhistorische-, natuur- en milieuwaarden. De gemeente streeft voorts naar een hoge kwaliteit en leefbaarheid van het openbaar gebied. Gelet op het toenemend zichtbare effect van klimaatverandering op lokale schaal (wateroverlast, hittestress), is het vergroten van de weerbaarheid tegen klimaatverandering ook een doel van de gemeente, zo blijkt uit onze omgevingsvisie. De wortels van bomen en struiken nemen overtollig water op en geven de bodem een bufferende werking. Groen heeft een verkoelend effect, zeker in een verder grijze omgeving. 2.

Wat moeten en kunnen we regelen?

Het vellen van een boom of houtopstand is een activiteit die de fysieke leefomgeving wijzigt en op grond van artikel 2.1, eerste lid, Omgevingswet en artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het omgevingsplan moet worden gereguleerd. De Omgevingswet introduceert de verplichting tot het aanwijzen van een bebouwingscontour houtkap. Binnen deze contour is de gemeente bevoegd gezag, tenzij uitzonderingen uit artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gelden. Buiten de contour is de provincie in beginsel bevoegd gezag, behalve voor categorieën houtopstanden die op grond van artikel 11.111 Bal zijn uitgezonderd of waarvoor aanvullende gemeentelijke beschermingsgronden gelden, zoals klimaatadaptieve, monumentale of cultuurhistorisch waardevolle bomen. De huidige dynamische Groene Kaart kan door de nieuwe systematiek niet zijn dynamische karakter behouden. Na vaststelling van het omgevingsplan kwalificeert iedere wijziging van een aanwijzing als een 55

planwijziging. Daarom worden de criteria voor aanwijzing en bescherming van houtopstanden rechtstreeks opgenomen worden in het omgevingsplan. De kaart wordt statisch vastgesteld, met in het plan vastgelegde objectief toetsbare eisen voor opname, wijziging of verwijdering. 3. Hoe willen we het regelen? De gemeente Schagen kiest voor beleidsneutrale voortzetting van de huidige regels met een thematisch aanpak. De bestaande vergunningplicht, aanvraagvereisten en toetsingscriteria blijven gelden maar worden opgenomen in het omgevingsplan. De ‘Groene Kaart’ waarop alle beschermde bomen en/of houtopstanden staan wordt in het omgevingsplan overgenomen op de kaart. Deze krijgt daarmee een statisch karakter en wordt periodiek geactualiseerd bij de herziening van het omgevingsplan. Er is een bebouwingscontour houtkap bepaald. Voor het afbakenen zijn vaste uitgangspunten gehanteerd. De gemeente Schagen wil de huidige vergunningplicht met bijbehorende aanvraagvereisten en toetsingscriteria behouden. We nemen de regels over uit de bomenverordening die van toepassing zijn op de Groene kaart en trekken de huidige verordening in.

3.3.5 Sloop activiteiten stolpen en karakteristieken bouwwerken Stolpen en karakteristieken bouwwerken hebben cultuurhistorische waarden en behoeven bescherming. Hiermee willen we het landelijke en dorpse karakter beschermen en leefbare en veilige kernen behouden. Het slopen van deze bouwwerken kan overal in de gemeente voorkomen. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? We willen regels stellen over het slopen van stolpen en karakteristieke bouwwerken om de cultuurhistorische waarden van deze bouwwerken te beschermen. Met de activiteit ‘slopen’ willen we bij stolpen en karakteristieke bouwwerken de volgende doelen bereiken: 1. Het beschermen van het landelijke en dorpse karakter; 2. Het vinden en behouden van balans tussen reuring, rust en ruimte; 3. Het behoud van leefbare, kindvriendelijke en veilige kernen; 4. Het beschermen van cultuurhistorische waarden; 5. Het behoud van voorzieningen. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De vergunningplicht voor het slopen van bouwwerken moet zien op stolpen en andere karakteristieke bouwwerken. De locaties van deze stolpen en andere karakteristieke bouwwerken wordt bepaald aan de hand van de cultuurhistorische elementenkaart. 3. Hoe willen we het regelen? We nemen een vergunningplicht op voor het slopen van vanuit cultuurhistorie waardevolle stolpen en karakteristieke bouwwerken.

Het werkingsgebied voor deze vergunningplicht bestaat uit de stolpen voorzien van het beschermingsniveau ‘Waarde cultuurhistorie’ op de Cultuurhistorische elementenkaart en de beeldbepalende panden op de Totaalkaart Erfgoed. Een uitzondering op de vergunningplicht geldt als het gaat om werken en werkzaamheden ten behoeve van het normale onderhoud of die al in uitvoering zijn op het moment dat deze vergunningplicht gaat gelden. De vergunning wordt alleen verleend als: • De karakteristieke hoofdvorm van het bouwwerk niet langer aanwezig is en de sloopwerkzaamheden noodzakelijk zijn om de karakteristieke hoofdvorm te herstellen; • Het redelijkerwijs niet mogelijk is de karakteristieke hoofdvorm te handhaven; of • De sloopwerkzaamheden zien op delen van het bouwwerk die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken, en door sloop van deze delen van het bouwwerk geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt. Voor de activiteit slopen in een gebied met archeologische waarden wordt verwezen naar het aandachtsgebied archeologie.

56

4. Milieu & mba's 4.1 Milieubelastende activiteiten Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst de milieubelastende activiteiten aan, waarvoor rijksregels gelden: de bruidsschatregels. Bij de activiteiten die onder de Omgevingswet van rijksregels naar lokale regels verhuizen, gaat het vooral om lokale vraagstukken. Denk aan geur, horeca of lozingen van huishoudens. De gemeente kan aanvullend regels stellen, maar omdat het uitgangspunt is om beleidsneutraal over te gaan naar het omgevingsplan, maakt de gemeente daar geen gebruik van. De gemeente stelt wel vast in het omgevingsplan dat de activiteiten die in het Bal worden aangewezen ook gelden voor beroep en bedrijf aan huis. Dat betekent dat de regels voor bijvoorbeeld geluid en geur ook voor deze activiteiten gelden. De omzetting van regels over milieubelastende activiteiten uit de bruidsschat naar het omgevingsplan gebeurt in een apart traject. De bruidsschat regels blijven tot die tijd van toepassing.

4.1.1 Bedrijven- en milieuzonering Onder de Omgevingswet worden ruimte en milieu geïntegreerd in het omgevingsplan en bij buitenplanse omgevingsvergunningen (BOPA). Om de ruimte en milieu te integreren zijn drie methodieken mogelijk. Deze zijn: 1. De huidige systematiek uit bestemmingsplannen op basis van de handreiking Bedrijven en Milieuzonering van de VNG (2009: Deze systematiek werkt met milieucategorieen (1 t/m 6) en richtafstanden tussen bedrijven en woningen. De systematiek kenmerkt zich door richtafstanden behorend bij de bedrijfscategorie, gemeten vanaf de perceelgrens van het bedrijf tot de gevel van de woning. Het bedrijf kan door middel van zijn categorie en de afstand tot de dichtstbijzijnde woning inzicht krijgen of deze inpasbaar is op een locatie. Binnen de oude systematiek bestaan er twee soorten woongebieden: rustig woongebied en gemengd gebied. Een rustige woonwijk krijgt meer bescherming dan een gemengd gebied, waar functiemenging plaatsvindt. 2. De nieuwe systematiek Bedrijven- en milieuzonering van de VNG van 2024: Deze systematiek werkt met zones “beperkt, basis, verruimd” en past inwaartse zonering toe. Lichtere bedrijven aan de rand, zwaardere in het midden. Bedrijven moeten aantonen dat ze voldoen aan normen van de zone waar zij zich in bevinden.

Dit geldt ook voor bestaande bedrijven, die krijgen een overgangstraject van 10 jaar om aan te tonen dat wordt voldaan aan de grenswaarden van de zone. Vergelijkbaar met de oude systematiek zijn er ook twee soorten woongebieden: rustig woongebied en gemengd gebied. Hierbij is er voor het rustig woongebied een 5 dB(A) strengere grenswaarde dan de algemene regels van de bruidsschat. 3. Geen systematiek de standaardregel uit de bruidschat, op dit moment geldend op basis van het tijdelijke omgevingsplan: De standaardregels uit het Omgevingsplan (50 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woning) zijn in principe de enige regels in deze situatie. Dit zorgt ervoor dat regie op het vestigen van bedrijven op een locatie wordt vrijgegeven, de gemeente heeft hierdoor geen invloed meer op wat voor bedrijven zich mogen vestigen op een bepaalde locatie. Ook zijn er ruimtelijke aspecten die onder de ETFAL-toets vallen die niet meer worden meegenomen. Deze dienen op een andere wijze in het omgevingsplan opgenomen worden als voor deze systematiek wordt gekozen. Dit betreft bijvoorbeeld stemgeluid van activiteiten zoals sport, scholen en horeca. De ruimtelijke bewijslast kan hierdoor verschuiven naar handhaving als het bedrijf zich heeft gevestigd en overlast geeft.

De gemeente heeft in Q1 t/m Q3 doormiddel van een pilot samen met de omgevingsdienst onderzocht welke systematiek milieuzonering wordt aangeraden voor het integreren van milieu- en ruimtelijke regels.

57

De nieuwe systematiek (ad 2) heeft voordelen, maar deze wegen niet op tegen de nadelen. De nieuwe systematiek is: a) namelijk niet geschikt voor het bestemmen van bestaande terreinen, b) legt de onderzoekslast bij bedrijven binnen de overgangstermijn van 10 jaar, c) is juridisch onzeker; en d) geeft risico op planschade. Geen systematiek waar alleen wordt uitgegaan van de bruidsschatsregels (ad 3) maakt het planologisch regelen van functies niet mogelijk. De huidige systematiek uit bestemmingsplannen is bekend en tot op heden juridisch stevig. De methode is wel verouderd. Op dit moment wordt geadviseerd de systematiek op huidige systematiek uit de bestemmingsplannen op basis van de handreiking Bedrijven en Milieuzonering van 2009 in combinatie met de bruidsschatsregels te gebruiken om de bestaande bedrijventerreinen te bestemmen en de nieuwe systematiek te gebruiken voor nieuwe terreinen. Verder wordt geadviseerd de richtafstandenlijst te actualiseren. Bij de wijziging van de kernen gaan we uit van de huidige systematiek op basis van handreiking van 2009 als aanvulling op de bruidsschat. De huidige systematiek gaat voornamelijk gelden voor de bedrijfsterreinen en andere bedrijven op locaties in de woon- en centrumgebieden. Buiten de bedrijventerreinen is 50 dB(A) de standaardwaarde voor milieubelastende activiteiten.

Binnen de bedrijventerreinen is 55 dB(A) de standaardwaarde voor milieubelastende activiteiten. Wanneer in de toekomst een programma voor de ontwikkeling van de bedrijventerreinen wordt gerealiseerd, zien we een mogelijkheid om de nieuwe systematiek Bedrijven en Milieuzonering van de VNG van 2024 of een variant hierop op de hand te nemen en verder te ontwikkelen voor bestaande bedrijventerreinen.

4.2 Geur De gemeente wil geurhinder beperken om de gezondheid en het welzijn van inwoners te beschermen. Hoewel geur niet expliciet is uitgewerkt in de Omgevingsvisie Schagen, kan geurhinder ontstaan door diverse activiteiten, zoals veehouderijen, afvalverwerking, voedingsmiddelenindustrie en andere agrarische of industriële processen. Het is wenselijk om deze activiteiten te reguleren via de bruidsschat en de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het Omgevingsplan Kernen worden geen extra voorschriften opgesteld boven de al geldende geurregels. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? We willen geurhinder voor omwonenden beperken en de gezondheid en het welzijn van mensen beschermen. Het voorkomen van geurhinder is niet expliciet uitgewerkt in de inhoud van de Omgevingsvisie Schagen. Geurhinder kan ondervonden worden van activiteiten bij veehouderijen, afvalverwerking, voedingsmiddelenindustrie, het slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of, uitsnijden van vlees, vis of organen, andere agrarische activiteiten (o.a. opslaan van dierlijke meststoffen en vaste mest), en het verwerken van polyesterhars. Het is wenselijk de activiteiten te reguleren op basis van de Bruidsschat, met in achtneming van de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Naast samenhang met wonen en bedrijven is geurhinder een aandachtspunt bij bestaande en nieuwe recreatiemogelijkheden voor bewoners. Nadere beleidsinkadering moet niet. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De gemeente heeft beleidsruimte om activiteiten in het omgevingsplan te reguleren. Zo kunnen bepaalde activiteiten binnen kernen worden uitgesloten en kan een geurcontour rond bedrijven worden vastgesteld. De bruidsschat bevat bestaande regels om geurhinder door milieubelastende activiteiten te voorkomen en biedt gemeenten de mogelijkheid om eigen regels te ontwikkelen. Mogelijke gemeentelijke beleidskaders zijn de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de huidige regels uit de bruidsschat.

58

3. Hoe willen we het regelen? Regels kunnen thematisch worden omgezet, waarbij omgevingswaarden een geschikt regeltype vormen. Bestaande geurverordening, geurcontouren en bestaande regels bruidsschat worden overgenomen.

4.3 Geluid De nadruk bij het reguleren van geluidhinder ligt op gezondheid, leefkwaliteit en balans tussen rust en levendigheid. De visie zoekt balans tussen rust en reuring: ontwikkelingen moeten passen bij het gebied. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De omgevingsvisie gaat voor het aspect geluid op het beperken van geluidhinder en het beschermen van de gezondheid om zo een goede en evenwichtige leefomgeving te waarborgen. In de Omgevingsvisie van Schagen staat dat rust belangrijk wordt gevonden, maar dat dit in balans moet zijn met levendigheid (“rust en reuring”). Ontwikkelingen moeten daarom passen bij het karakter van het gebied en rekening houden met omwonenden en stilteplekken. • • • •

Belangen: bescherming van gezondheid, beperking van geluidhinder bij activiteiten, verkeer en evenementen. Activiteiten: milieubelastende activiteiten, evenementen, bouwactiviteiten en andere bronnen van geluid in geluidaandachtsgebieden. Regulering: het is wenselijk om deze activiteiten te reguleren via de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Samenhang: er is een duidelijke relatie met geluidsgevoelige functies zoals woningen, scholen en ziekenhuizen.

Beleidskader: bij ontwikkelingen in geluidaandachtsgebieden (zoals bij spoorwegen of industrieterreinen) is er standaardbeleid van de omgevingsdienst in ontwikkeling. Dit beleid geeft richting aan het realiseren van een gezond woon- en leefklimaat bij woningen met een geluidsbelasting boven de standaardwaarde. Dit kan bijvoorbeeld door maatregelen aan de bron (stiller asfalt), bij overdracht (geluidschermen) of aan de ontvanger (geluidluwe gevels). • Standaardbeleid van de omgevingsdienst richt zich op een gezond woon- en leefklimaat. • Maatregelen kunnen aan de bron, bij de overdracht of bij de ontvanger worden genomen (bijv. stiller asfalt, geluidschermen, geluidluwe gevels). • Gemeente Schagen kiest voor een beleidsneutrale aanpak: bestaande grenswaarden blijven grotendeels behouden. • Na onderzoek voor een keuze uit milieu zonering systematieken wordt geadviseerd om de bestaande systematiek (vng 2009) aan te passen aan de omgevingswet en op te nemen in het omgevingsplan. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) biedt beleidsruimte om in het omgevingsplan gebiedsgericht verschillende geluidsgrenswaarden vast te stellen. Dit geldt met name voor gebieden waar wonen niet de hoofdfunctie is, zoals bedrijventerreinen, industrieterreinen, horecagebieden, stiltegebieden, agrarische gebieden, sportvelden met lawaaisporten en evenementenlocaties.

De bruidsschat (overgangsregels van het Rijk naar gemeenten) bevat bepalingen over geluid door activiteiten, windturbines en buitenschietbanen. Het gemeentelijk beleidskader voor het vaststellen van hogere waarden sluit aan bij het standaardbeleid van de omgevingsdienst en vormt het nieuwe hogere waarden beleid/programma. 3. Hoe willen we het regelen? Voor geluid zijn de meeste regels thematisch. Als er specifieke gebieden zijn met aparte grenswaarde zoals bijvoorbeeld: Bedrijventerreinen, horeca en evenemententerreinen dan is dat gebiedsgericht. Regeltype: • Wonen opa: Activiteit niet regelen 59

• • • •

Wonen Bopa: Activiteit toestaan onder algemene regels, verder uitgewerkte algemene regels + ETFAL MBA opa: Activiteit toestaan onder algemene regels, informatieplicht (er moeten gegevens en bescheiden worden ingediend MBA Bopa: Activiteit toestaan onder algemene regels, verder uitgewerkte algemene regels + ETFAL Vergunningplichtige MBA IPPC (geluidsgezoneerd): activiteit verbieden zonder omgevingsvergunning

Gebiedsgerichte invulling: • Bedrijventerreinen: +5 dB(A) toegestaan voor (bedrijfs)woningen. • Industrieterreinen: mogelijkheid tot geluidsproductieplafonds of dezonering. • Stiltegebieden: volgen provinciale regels. • Horecagebieden: ruimte voor hogere waarden om levendigheid mogelijk te maken. • Agrarische gebieden: mogelijkheid voor strengere norm, maar niet toegepast (beleidsneutraliteit). • Evenementenlocaties: specifieke waarden per locatie via evenementenbeleid. • Lawaaisporten aanduiden waar deze wel en niet mogen plaatsvinden

4.4 Trillingen De regels over trillingen zijn bedoeld om de gezondheid en het welzijn van mensen te beschermen en om schade aan gebouwen te voorkomen. Trillingen kunnen namelijk de kwaliteit van de leefomgeving aantasten. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? Volgens de Omgevingswet moet het omgevingsplan zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij ook het aspect trillingen wordt meegenomen. Het Rijk stuurt dit aan via instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het beleid richt zich concreet op het voorkomen of beperken van trillinghinder en het beschermen van de gezondheid in relatie tot activiteiten en verkeer. Trillingen ontstaan vooral bij bedrijfsmatige processen en (spoor)wegverkeer. Het is verplicht om in het omgevingsplan regels over trillingen op te nemen (volgens het Bkl). Er is een logische samenhang met trilling gevoelige functies, zoals wonen. Een apart beleid of programma voor trillingen is niet nodig. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? Wat moet: De instructieregels BKL en regels bruidsschat overnemen in het omgevingsplan.

Wat kan beleidsruimte in het omgevingsplan: Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) biedt gemeenten beleidsruimte om hogere grenswaarden voor trillingen toe te staan bij woningen op bedrijventerreinen. Volgens artikel 5.88 Bkl mogen de grenswaarden uit tabellen 5.87 en 5.87a worden verhoogd met een factor 1,8. De omgevingsdienst wil dit gebruiken om aan te sluiten bij de hogere waarde van geluid op bedrijventerreinen. Bruidsschat: De bruidsschat regelt het toepassingsbereik, de normering en de eerbiedigende werking van bestaande regels Gemeentelijke beleidskaders: Belangrijke gemeentelijke beleidsdocument is de Omgevingsvisie waarin de gemeente haar beleid en uitvoering voor de fysieke leefomgeving vastlegt. 3. Hoe willen we het regelen? Thematische omzetting van de regels is van toepassing. Het regeltype betreft een omgevingswaarde Activiteit wonen in de buurt van het spoor en Trilling veroorzakende activiteiten dienen aan te tonen dat wordt voldaan aan omgevingsplanregels (BKL en BS).

4.5 Lucht De regels over luchtkwaliteit zijn bedoeld om luchthinder te beperken, de volksgezondheid te beschermen en een goede leefomgeving te waarborgen. Het gaat hierbij vooral om belangen zoals het

60

beschermen van mens en milieu tegen schadelijke luchtvervuiling en het behouden van een goede omgevingskwaliteit. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De activiteiten die onder deze regels vallen, zijn onder andere de aanleg van (snel)wegen, tunnelbuizen, andere infrastructuur zoals spoor- en vaarwegen, en activiteiten of bedrijven die invloed hebben op verkeersintensiteit of emissies in aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Algemene mba hoeven niet te voldoen aan regels Bkl want Schagen is geen aandachtsgebied. Wel gelden er best beschikbare technieken en de zorgplicht. Gemeente Schagen en de kernen zijn echter geen officieel aangewezen aandachtgebied voor luchtkwaliteit en in het nieuwe omgevingsplan worden (snel)wegen en tunnelbuizen niet mogelijk gemaakt. De gemeente kan wel maatwerkregels stellen voor luchtemissies, zoals bij houtstook, maar deze vallen nu onder de specifieke zorgplicht uit de bruidsschat. Er is samenhang met regels over geur en de plaatsing van gevoelige bestemmingen. Nieuwe gevoelige functies moeten zorgvuldig worden afgewogen. Nadere beleidsuitwerking is niet nodig, omdat de toetsing aan een evenwichtige toedeling van functies en de Bkl-instructieregels altijd al verplicht is. 2.

Wat moeten en kunnen we regelen? Het BKL stelt de kaders, aangezien gemeente Schagen niet in een aangewezen aandacht gebied ligt wordt het niet noodzakelijk geacht om de waarden in het Bkl aan te passen. 3. Hoe willen we het regelen? Thematisch of gebiedsgericht • Luchtkwaliteit wordt thematisch geregeld via het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). • Geurcontouren voor IPPC-bedrijven (zoals een RWZI) worden gebiedsgericht vastgesteld. Regeltypes/ regelkwalificaties • Voor luchtkwaliteit gelden omgevingswaarden als norm. • Voor IPPC-bedrijven geldt: activiteit verboden zonder omgevingsvergunning. • Voor aanleg van tunnels en snelwegen: activiteit verboden zonder omgevingsvergunning. • Voor parkeergarages: idem (vergunningsplicht). • Voor niet-vergunning plichtige bedrijven: ETFAL-toets bij vestiging. • Voor woningen: activiteit is toegestaan onder algemene regels, met informatieplicht (o.a. gebruik van de NIBM-tool).

4.6 Bodem De bodem is de grond van ons bestaan. Een goede bodemkwaliteit is dan ook belangrijk. In de Omgevingsvisie zijn geen concrete ambities over het waarborgen van een veilige en schone bodem ter bescherming van de volksgezondheid vastgesteld. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De omgevingsvisie benadrukt bodemkwaliteit in relatie tot klimaatadaptatie en volksgezondheid. Beleidsvoorstellen ter uitwerking van deze visie zijn in voorbereiding. Doel is een bodem die geschikt is voor de functies landbouw/natuur, wonen en industrie, met behoud en verbetering van de milieu hygiënische kwaliteit. Bodemverontreiniging door menselijke activiteiten moet worden voorkomen. Bouwactiviteiten op bodemgevoelige locaties vereisen risicobeoordeling en toepassing van instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Nadere beleidsmatige inkadering is nodig voor het vaststellen van toelaatbare bodemwaarden. Deze wordt meegenomen in de actualisatie van het gemeentelijk bodembeleid, vastgelegd in de nota Bodembeheer. Tijdens het actualiseren van het gemeentelijk bodembeleid (nota Bodembeheer) wordt hier aandacht aan besteed. Ten aanzien van kleinschalige activiteiten die buiten het toepassingsbereik van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vallen, is een notitie met aandachtspunten opgesteld.

Deze aandachtspunten vormen de basis voor nadere regels die worden opgenomen in het Omgevingsplan. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? Voor vergunningsvrije bouwactiviteiten met een functiewijziging naar gevoeliger gebruik geldt een aanvullende onderzoekplicht. In het omgevingsplan zullen bodemkwaliteitswaarden worden vastgesteld voor bodemgevoelige bouwlocaties, gebaseerd op de bruidsschat van het Rijk, aangevuld met extra

61

parameters zoals PFAS en vanadium. Het gemeentelijke bodembeleid uit de Nota bodembeheer wordt geactualiseerd en omgezet naar maatwerk volgens de Omgevingswet. 3. Hoe willen we het regelen? De omzetting van bodemregels gebeurt thematisch en integraal voor de hele gemeente, gelijktijdig met de herziening van verhuisgebied 3. Het vaststellen van het regeltype voor bodem volgt later, bij de uitwerking van het buitengebied.

4.7 Licht De regels rond lichthinder zijn bedoeld om de gezondheid van mens en natuur te beschermen en de kwaliteit van de leefomgeving te bewaken, met name de donkerte. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De Richtlijn Lichthinder van de NSVV geeft hiervoor grenswaarden, afhankelijk van het type gebied (bijvoorbeeld woongebied of natuurgebied). De Omgevingsvisie richt zich op een gezonde en veilige leefomgeving, waarin een balans wordt gezocht tussen lichtgevoelige functies (zoals wonen en natuur) en lichtproducerende activiteiten. Er worden echter geen specifieke ambities genoemd over lichthinder of donkerte. Slagschaduw van windturbines wordt ook gezien als een vorm van lichthinder. De regels zijn van toepassing op milieubelastende activiteiten die licht veroorzaken, zoals evenementen, bouwactiviteiten, sportveldverlichting en windturbines (Slagschaduw). Het is wenselijk deze activiteiten te reguleren in het omgevingsplan, met behulp van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De activiteiten worden geregeld via de richtlijn lichthinder. Vanuit het omgevingsplan dient hiernaar worden verwezen. Voor slagschaduw zijn er instructieregels § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines. Er bestaat samenhang met functies als wonen en natuur, waar donkerte essentieel is voor natuurdoelen en leefkwaliteit.

Er is geen extra beleid nodig, maar het omgevingsplan moet wel verwijzen naar de actuele versie van de NSVV-richtlijn voor grenswaarden en meetmethoden. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De richtlijn Lichthinder maakt het mogelijk om gebieden aan te wijzen waar verlichting beperkt of juist toegestaan is. Natuurgebieden aanwijzen als E1-gebieden, waar kunstmatige verlichting zoveel mogelijk wordt geweerd. Verlichting gebruikende gebieden vallen onder E4-gebieden. De richtlijn maakt het mogelijk om E-zones (E1 t/m E4) aan te wijzen:

• • • •

E1: donkere gebieden zoals Natura 2000 en NNN – verlichting moet zoveel mogelijk worden voorkomen. E2: Gebieden met een lage omgevingshelderheid In het algemeen buitenstedelijke en landelijke (woon)gebieden E3: Gebieden met een gemiddelde omgevingshelderheid In het algemeen stedelijke (woon)gebieden E4: gebieden waar veel licht toegestaan en functioneel is, zoals industrie, bedrijventerreinen, sportvelden en nachthoreca.

Wat regelt de bruidsschat en wat is het doel? De bruidsschat vult een leemte in de regelgeving op. Lichthinder wordt nu vooral geregeld via de zorgplicht. Details zoals definities, grenswaarden en meetmethoden worden vastgelegd via de richtlijn Lichthinder. 3. Hoe willen we het regelen? Door thematische of gebiedsgerichte omzetting van regels Thematisch voor de verwijzing naar de richtlijn lichthinder maar de aanwijzing van de E-zones voor bescherming tegen licht. Het gebruik van licht is gebiedsgericht. Activiteit toestaan onder algemene regels: Alleen specifieke zorgplicht.

62

4.8 Spuitzonering Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op nabijgelegen agrarische percelen leiden tot gezondheidsrisico’s voor toekomstige bewoners of andere gevoelige functies. Om een zorgvuldige en evenwichtige toedeling van functies aan locaties te waarborgen, is het noodzakelijk om een planologisch toetsingskader vast te leggen. De jurisprudentie hanteert daarbij een richtafstand van 50 meter. Door deze afstand in het omgevingsplan op te nemen ontstaat duidelijkheid voor initiatiefnemers, agrariërs en het bevoegd gezag. Tegelijkertijd blijft ruimte bestaan voor maatwerk wanneer een locatie-specifieke onderbouwing aantoont dat een kleinere afstand verantwoord is. 1. Wat willen we waar regelen en waarom? De spuitvrije zone heeft als doel de gezondheid van gebruikers van nieuwe gevoelige functies – zoals woningen, tuinen, scholen of zorgvoorzieningen – te beschermen tegen verwaaiende spuitnevel van gewasbeschermingsmiddelen. Ook voorkomt de zone dat agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt door de toevoeging van nieuwe spuitgevoelige functies in de directe nabijheid van hun percelen. Het gaat om activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast op landbouwgrond.

Omdat woningen en andere gevoelige functies als kwetsbaar worden beschouwd, is het wenselijk om deze bescherming vast te leggen in het omgevingsplan. De samenhang is evident: op locaties waar landbouw en nieuwe gevoelige functies elkaar raken, ontstaat een ruimtelijk vraagstuk dat moet worden opgelost. Nadere beleidsinkadering is beperkt nodig. De jurisprudentie biedt een heldere richtafstand van 50 meter, en de RVO-handreiking ‘Aanpak spuitvrije zone bij nieuwbouwprojecten’ ondersteunt de mogelijkheid van locatie-specifieke afwegingen. 2. Wat moeten en kunnen we regelen? De Omgevingswet geeft gemeenten volledige beleidsruimte om regels op te nemen over de ruimtelijke inpassing van gevoelige functies in relatie tot agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Uit vaste rechtspraak volgt dat een afstand van 50 meter als uitgangspunt noodzakelijk is om een evenwichtige toedeling van functies te kunnen motiveren. Wanneer een ontwikkeling niet aan deze afstand voldoet, kan een kleinere afstand alleen worden toegestaan als een locatie-specifieke onderbouwing overtuigend laat zien dat de gezondheid van bewoners voldoende geborgd blijft en de agrariër niet in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. De bruidsschat bevat hiervoor geen regels, waardoor het volledig aan de gemeente is om dit beleidsmatig vorm te geven.

Als gemeentelijk kader bestaat een interne notitie over spuitvrije zones waarin de 50 meter als standaard wordt gehanteerd, met ruimte voor maatwerk op basis van locatiespecifieke omstandigheden. 3. Hoe willen we het regelen? De spuitvrije zone wordt thematisch opgenomen in het omgevingsplan, zodat deze voor de gehele gemeente uniform geldt. De planregel beschrijft dat binnen 50 meter van een agrarisch perceel waarop gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast, nieuwe gevoelige functies alleen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning. Voor die vergunning moet een locatie-specifieke onderbouwing worden ingediend die aantoont dat de ontwikkeling ondanks een kortere afstand toch verantwoord is. Het regeltype is in beginsel een gesloten norm: 50 meter is de standaard, maar de regel geeft expliciet ruimte om hiervan gemotiveerd af te wijken. Daarmee ontstaat een helder en juridisch houdbaar toetsingskader dat zowel agrariërs als initiatiefnemers rechtszekerheid biedt, terwijl maatwerk mogelijk blijft waar de situatie dat toelaat.

63

5. Participatie & Communicatie Participatie onder de Omgevingswet De Omgevingswet vraagt een nieuwe manier van werken. Overheid en samenleving moeten meer samenwerken en elkaar vertrouwen. De gemeente geeft meer ruimte aan inwoners en organisaties om mee te denken en mee te doen. Wat is participatie? Participatie betekent dat belanghebbenden – zoals inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden – in een vroeg stadium worden betrokken bij besluiten over plannen of projecten. Participatie bij het omgevingsplan Vanuit de Omgevingswet is participatie voor het omgevingsplan verplicht, maar de vorm mag de gemeente zelf kiezen. Volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit moet de gemeente uitleggen: • hoe inwoners, bedrijven, organisaties en andere overheden zijn betrokken; • en wat de gemeente heeft gedaan met de inbreng uit die participatie. Voordat de gemeente begint met het maken van het omgevingsplan, moet zij dit officieel aankondigen (kennisgeving). In deze kennisgeving staat dat er een nieuw omgevingsplan wordt gemaakt en hoe participatie daarbij een plek krijgt. Bij iedere wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente aangeven hoe participatie is georganiseerd en hoe de resultaten zijn verwerkt. Daarvoor is een participatieplan opgesteld. Hierin staat hoe de gemeente participatie organiseert tijdens het proces om te komen tot een omgevingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16422877/1