CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

C2 Pettemerduinen 2020 Vegetatierapport

Oordeelsvormende vergadering 12 oktober 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststelling gecoördineerde bestemmingsplannen 'Pallas-Plot' en 'Partiële Herziening PALLAS-reactor, 2021'35.392 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

G&G-rapport 2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020 Kartering van vegetaties in de Pettemerduinen

M. Langbroek J. Diemeer T. van Trigt

2021

Opdrachtgever Gemeente Schagen en Arcadis Nederland B.V.

G&G-rapport 2020-216

Versie Concept Eindrapport

Datum 1 februari 2021 15 februari 2021

Gecontroleerd door:

R. Sikkes

Status uitgave:

Definitief

Rapport nr.:

2020-216

Datum uitgave:

15 februari 2021

Titel:

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

Samenstellers:

M. Langbroek J. Diemeer T. van Trigt

Project nr. Arcadis:

C05062.000669

Projectleider:

J.P.C. van der Goes

Naam en adres opdrachtgevers: Gemeente Schagen Postbus 8, 1740 AA Schagen Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 's-Hertogenbosch Akkoord voor uitgave:

Teamleider Bureau Van der Goes en Groot

Paraaf: © Gemeente Schagen Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is door Certiked gecertificeerd overeenkomstig de eisen van ISO 9001:2015, op basis van het Certiked Model 2015.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

3

Inhoudsopgave 1

Inleiding

7

1.1

Karteringsgebied ...................................................................................................... 7

1.2

Doel van de vegetatiekartering ............................................................................... 7

1.3

Gebiedsbeschrijving ................................................................................................. 8 1.3.1 Bodem ....................................................................................................................... 8 1.3.2 Hydrologie ................................................................................................................. 9 1.3.3 Natura 2000 .............................................................................................................10 1.3.4 Beheer ..................................................................................................................... 11

2

Materiaal en methoden 2.1

13

Methode vegetatiekarteringen ............................................................................. 13 2.1.1 Methodiek op hoofdlijnen....................................................................................... 13 2.1.2 Onderbouwen lokale typologie met vegetatie-opnamen ....................................... 13 2.1.3 Karteren van vegetatietypen ................................................................................... 14 2.1.4 Karteren van toevoegingen .....................................................................................15

2.2

Specificatie van de methode voor dit karteringsgebied ....................................... 16 2.2.1 Basisgegevens.......................................................................................................... 16 2.2.2 Periode uitvoering veldwerk ................................................................................... 16 2.2.3 Projectteam ............................................................................................................. 16

3

Resultaten kartering

19

3.1

Inleiding ................................................................................................................. 19

3.2

Beschrijving vegetatietypen .................................................................................. 19 3.2.1 Watervegetaties ...................................................................................................... 19 3.2.2 Helofytenvegetaties ................................................................................................ 20 3.2.3 Galigaanvegetaties .................................................................................................. 21 3.2.4 Duinvalleivegetaties rompgemeenschappen .......................................................... 22 3.2.5 Duinvalleivegetaties ................................................................................................23 3.2.6 Vochtige heidevegetaties ........................................................................................ 25 3.2.7 Overstromingsgraslandvegetaties...........................................................................26 3.2.8 Raaigrasweiden ....................................................................................................... 27 3.2.9 Kruipwilgstruwelen droog .......................................................................................27 3.2.10 Duingrasland............................................................................................................

28 3.2.11 Buntgrasvegetaties .................................................................................................. 30

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

4

3.2.12 Duinsterretjesvegetaties ........................................................................................ 32 3.2.13 Duinpaardenbloemgrasland ................................................................................... 32 3.2.14 Kalkrijk duingrasland............................................................................................... 33 3.2.15 Vochtige graslanden ............................................................................................... 34 3.2.16 Vochtige soortenrijke graslanden ........................................................................... 35 3.2.17 Dauwbraamruigten................................................................................................. 37 3.2.18 Heischrale graslanden............................................................................................. 37 3.2.19 Kruipwilgstruwelen met wintergroen..................................................................... 39 3.2.20 Droge heiden .......................................................................................................... 39 3.2.21 Biestarwegrasvegetaties......................................................................................... 42 3.2.22 Helmvegetaties .......................................................................................................

42 3.2.23 Zeerusvegetaties..................................................................................................... 43 3.2.24 Grauwe wilgenstruwelen ........................................................................................ 44 3.2.25 Overige struwelen .................................................................................................. 44 3.2.26 Duindoornstruwelen............................................................................................... 46 3.2.27 Droge naaldbossen ................................................................................................. 48 3.2.28 Droge loofbossen .................................................................................................... 48 3.2.29 Vochtige voedselrijke bossen ................................................................................. 49 3.2.30 Overige karteereenheden....................................................................................... 50

3.3

Vegetatie-opnamen ...............................................................................................52

3.4

Vegetatiekaart 1:3000............................................................................................52

3.5

Vereenvoudigde vegetatiekaart 1:10.000 .............................................................52

3.6

Toevoegingen en themakaarten ............................................................................52

3.7

Vergelijking met eerder uitgevoerde kartering .....................................................56

3.8

Foutendiscussie ......................................................................................................60

4

Conclusies en aanbevelingen

61

5

Literatuur

65

6

Bijlagen

67

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

5

Leeswijzer Dit rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 geeft de doelstellingen weer van de vegetatiekartering en een gebiedsbeschrijving. Hoofdstuk 2 beschrijft de gevolgde methodiek in algemene termen (paragraaf 0) en specifiek voor de hier gepresenteerde kartering (paragraaf 2.2). Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van de resultaten. Dit hoofdstuk bevat de typologie en informatie over aantal opnamen, toevoegingen en karteersoorten en verwijst sterk naar de bijlagen, waarin o.a. vegetatiekaarten, soortverspreidingskaarten, thematische kaarten en opnamentabel en thematische kaarten zijn opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat de conclusies en hierin worden aanbevelingen gedaan t.a.v. het beheer. Hoofdstuk 5 geeft een overzicht van de gebruikte literatuur.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

6

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

1

7

Inleiding 1.1

Karteringsgebied In 2020 verstrekten de Gemeente Schagen en Arcadis Nederland aan Van der Goes en Groot de opdracht tot het uitvoeren van een vegetatiekartering van object Pettemerduinen. Het betreft ca. 204 ha. Het object werd eerder op het voorkomen van vegetaties gekarteerd in 2004 (VAN DE SANDE & DAMM, 2005). In Bijlage 1 wordt een kaart weergegeven van het karteringsgebied en de in het rapport gebruikte toponiemen. Dit rapport beschrijft de resultaten van deze vegetatiekartering. Voor dit rapport is de opgestelde tussenrapportage gebruikt (DIEMEER & VAN TRIGT, 2020). De resultaten van de florakartering worden beschreven in een andere rapportage (LANGBROEK ET AL., 2021).

1.2

Doel van de vegetatiekartering Het doel van de kartering is het verkrijgen van een vlakdekkende vegetatiekaart. Deze vegetatiekartering verschaft informatie voor de beoordeling van de huidige kwaliteit van de aanwezig habitattypen in het kader van de Natura 2000-doelstellingen. De vegetatiekaart wordt mogelijk ook gebruikt voor het opstellen van toekomstige beheerplannen.

Zonering in de Pettemerduinen gezien vanaf de zeereep, met op de achtergrond de kernreactor op het ECN-terrein.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

8

1.3

Gebiedsbeschrijving De Pettemerduinen omvatten een ca. 275 ha groot duingebied, in eigendom en beheer van Staatsbosbeheer en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, gelegen in de gemeente Schagen. In totaal is ca. 66 ha verpacht aan ECN, waar sinds 1954 een kernreactor is gevestigd. Een stuk van 31 ha is in gebruik als militair oefenterrein. De noordwestgrens wordt gevormd door de Noordzee, het strand en de zeereep. De zuidgrens is de bebouwing van Petten, het Korfwater en de Spreeuwendijk. De zuidoostgrens is de Westerduinweg, de N502. De noordgrens is een denkbeeldige (voormalige) “Limietscheiding” met het Zwanenwater van Natuurmonumenten. De Pettemerduinen worden vaak in één adem genoemd met het Zwanenwater, en vormt inderdaad een landschappelijke eenheid met deze “grotere broer”. Beide gebieden zijn grotendeels gelegen op het voormalige Waddeneiland Callantsoog, ofwel ’t Oghe. Dit eiland werd in de 16e eeuw met een stuifdijk verbonden met het eiland Huisduinen, en middels de Hondsbossche zeewering met Kennemerland. Het achterliggende zeegat en waddengebied De Zijpe werd in 1575 ingepolderd. Een kaart met de ligging van het geïnventariseerde gebied is te vinden in Bijlage 1. Op deze kaart zijn ook de in dit rapport gebruikte gebiedsaanduidingen (toponiemen) aangegeven.

In de volgende paragrafen wordt de bodemgesteldheid, hydrologische situatie, Natura 2000 en huidige beheer van de Pettemerduinen beschreven.

1.3.1

Bodem Een bijzonder verschijnsel in de Nederlandse duinen is de zogenaamde “kalkgrens” bij Bergen aan Zee. Ten zuiden hiervan zijn de duinvormende zanden eertijds aangevoerd via de Rijn, en worden daarom (plantengeografisch) aangeduid als het Renodunaal district. Deze duinen zijn relatief kalkrijk, met uiteraard een daarbij horende kenmerkende vegetatie. De duinen noordwaarts van Bergen zijn echter gevormd door zanden van noordelijke herkomst, zijn relatief kalkarm en worden daarom tot een ander plantengeografisch district gerekend, namelijk het Waddendistrict. Hier komt bijvoorbeeld op grote schaal heide voor, wat in de Renodunale kustzone juist vrijwel geheel afwezig is. De bodemtypen omvatten in de basis kalkloze zandgronden, bestaande uit grof zand. Over het algemeen komen in het gebied duinvaaggronden voor, bestaande uit kalkloos en grof zand. De uitgestoven laagten liggen op kalkloze vlakvaaggronden, dit geldt voor enkele vochtige valleien. De zeereepzone wijkt hier van af, hier hebben zich na aanvoer van kalkrijke zanden uit de Noordzee in de loop der eeuwen meer kalkrijke duinen ontwikkeld. Het betreft kalkhoudende duinvaaggronden, de zogenaamde jonge duinen. Hierdoor is een duidelijke scheiding zichtbaar tussen de zeereep en het achterliggende duinlandschap.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

9

Kenmerkend voor de Pettemerduinen zijn de zeereep met helmduinen, de achterliggende kalkarme duingraslanden met mossen en korstmossen, de vochtige tot natte valleien, de duinheiden met Kraaihei, de laagstruwelen, de door de wind “geschoren” eikenbosjes en de aangeplante dennen- en eikenbossen aan de zuidoostkant.

1.3.2

Hydrologie Object Pettemerduinen is, tezamen met het Zwanenwater, een zeer gevarieerd duingebied, waarin kalkarm, kalkrijk, vochtig, droog en nat elkaar afwisselen. Deze gradiënten hebben er mede voor gezorgd dat zich hier interessante en botanisch waardevolle vegetaties hebben gevestigd. Daarbij speelt de kalkrijke kwel in de valleien een grote rol; zij zorgt voor de nodige buffering, waardoor de valleien niet verzuren, maar geschikt blijven voor typische soorten uit kalkrijke duinvalleien. Wanneer de valleien verzuren, door de toename van de invloed van regenwater en de afname van kalkrijke kwel, zullen zich hier vochtige dopheivegetaties ontwikkelen. De grondwatertrappen in het gebied wisselen sterk, wanneer men de verschillen tussen droge duinen en valleien bekijkt. In de droge duinen is over het algemeen sprake van grondwatertrap VIII, wat inhoudt dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) zich meer dan 140 cm onder het maaiveld bevindt. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) is over het algemeen meer dan 160 cm onder het maaiveld aanwezig. In de valleien daarentegen bevindt de GHG zich minder dan 40 cm onder het maaiveld, en de GLG kan maximaal zakken tot 120 cm onder het maaiveld, maar ligt vaak tussen de 80 en 120 cm onder het maaiveld.

Kleine poel in vochtige duinvallei.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

10

1.3.3

Natura 2000 Object Pettemerduinen valt, met uitzondering van het ECN-terrein, onder het beschermingsregime van Natura 2000 en is onderdeel van Natura 2000-gebied “Zwanenwater en Pettemerduinen”. Deze beide terreinen zijn aangewezen voor de Habitatrichtlijn. Het Zwanenwater is tevens aangewezen als Vogelrichtlijngebied, voor soorten als Roerdomp, Lepelaar en Tapuit. Verder is het gebied aangewezen als belangrijk bolwerk voor Groenknolorchis. Uit het voorkomen van een aantal Habitattypen kan afgeleid worden dat een groot deel daarvan botanisch gezien waardevolle vegetaties betreft. Dit zijn met name de habitattypen Vochtige duinvalleien (H2180), Grijze duinen (H2130), Duinheiden (H2140,H2150), Galigaanmoerasen (H7210) en Blauwgraslanden (H6410)). De complete lijst met aangewezen habitattypen wordt getoond in Tabel 1. Overigens moet men zich bij het zien van de tabel realiseren dat deze typen voorkomen in het volledige Natura 2000-gebied Zwanenwater en Pettemerduinen.

Aanwezige Habitattypen in Natura 2000-gebied Zwanenwater en Pettemerduinen. Habitattype H2110 H2120 H2130A H2130B H2140A H2140B H2150 H2160 H2170 H2180A H2180B H2180C H2190A H2190B H2190C H2190D H6230 H6410 H7210

Naam Embryonale duinen Witte duinen Grijze duinen, kalkrijk Grijze duinen, kalkarm Duinheiden met Kraaihei, vochtig Duinheiden met Kraaihei, droog Duinheiden met struikhei Duindoornstruwelen Kruipwilgstruwelen Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied, droog Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied, vochtig Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied, binnenduinrand Vochtige duinvalleien, open water Vochtige duinvalleien, kalkrijk Vochtige duinvalleien, ontkalkt Vochtige duinvalleien, hoge moerasplanten Heischrale graslanden Blauwgraslanden Galigaanmoerassen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

1.3.4

11

Beheer In de Pettemerduinen vindt voornamelijk beheer plaats door middel van extensieve begrazing. Dit vindt plaats middels een kudde Galloway-runderen, die zowel de droge duingraslanden als de vochtige duinvalleien begrazen. Aanvullend worden de vochtige duinvalleien gemaaid. Daarnaast zijn in het verleden enkele plagwerkzaamheden uitgevoerd in verruigde vochtige duinvalleien. De resultaten daarvan zijn zeer wenselijk, omdat op die manier het pionierstadium wordt gehandhaafd en de invloed van kalkrijke kwel op de vegetatiesamenstelling het grootste is. Enkele valleien die in het verleden zijn geplagd, zijn de Florsvallei, een natte duinvallei die in 2003 is aangepakt, en de Preekvallei, die in 2002 deels is afgeplagd. In het deel ten noordoosten van het ECN-terrein wordt al jaren geen beheer gevoerd, waardoor hier flinke verruiging heeft plaatsgevonden.

Extensieve begrazing door Galloway-runderen in de Pettemerduinen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

12

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

2

13

Materiaal en methoden 2.1

Methode vegetatiekarteringen In deze paragraaf wordt de gebruikte methode voor de totstandkoming van deze vegetatiekarting beknopt besproken. Voor de uitgebreide wetenschappelijke onderbouwing wordt verwezen naar Bijlage 8. Daarin wordt de methodiek grondig uiteengezet, maar aangaande deze kartering is de beknopte versie in onderstaande paragrafen voldoende.

2.1.1

Methodiek op hoofdlijnen De methodiek van deze vegetatiekartering is gebaseerd op het Protocol Vegetatiekartering 2.5 (BIJ12, 2017), die gebruikt wordt voor monitoring in het kader van Natura 2000 en de basis vormt voor de beheerevaluatie en het opzetten van habitatkaarten. De kartering bestaat uit een gedetailleerde vegetatiekartering met een van tevoren opgestelde typologie met daaraan gekoppeld een kartering van vooraf geselecteerde aandachtsoorten en toevoegingen voor aanvullende indicaties. Voor het opstellen van deze typologie is de typologie van de voorgaande vegetatiekartering gebruikt (VAN DE SANDE & DAMM, 2005) en de typologie van recent door Van der Goes en Groot uitgevoerde vegetatiekarteringen in vergelijkbare gebieden, zoals Duinen van Texel (VAN DE VONDERVOORT ET AL., 2019). De typologie is op enkele punten aangepast en uitgebreid voor de lokale situatie in de Pettemerduinen. De onderscheiden lokale vegetatietypen zijn gerelateerd aan de landelijke catalogus van Staatsbosbeheer (SCHIPPER 2002) en de Revisie van de Vegetatie van Nederland. Bij het opstellen van de lokale typologie is zoveel mogelijk rekening gehouden met de vertaalbaarheid naar habitattypen, zodat de lokale typen eenduidig naar habitattypen te vertalen zijn. De lokale typologie is onderbouwd met een serie vegetatieopnamen.

De digitale verwerking is volgens de ‘Digitale Standaard’ van Staatsbosbeheer (SCHIPPER & VAN DEN BOOM, 2005).

2.1.2

Onderbouwen lokale typologie met vegetatie-opnamen Vegetatie-opnamen spelen een belangrijke rol bij het vegetatiekarteren. Ze leveren het feitenmateriaal dat noodzakelijk is voor de inhoud en afgrenzing van lokale typen. Dit kan gebruikt worden bij beoordeling en heroverweging van keuzes die in de loop van het karteerproces worden gemaakt. De opnamen dienen zowel representatief te zijn voor het lokale type dat de opname representeert, als voor het vlak waarin de opname gemaakt is. Er is gestreefd naar een goede geografische spreiding van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

14

opnamen over het karteergebied. Om deze reden zijn zelden meer opnamen in éénzelfde vegetatievlak gemaakt. De voorgeschreven bedekkingsschaal is de (verfijnde) schaal van Braun-Blanquet, deze schaal is gehanteerd.

Schaal van BraunBlanquet.

2.1.3

Code r + 1 2m 2a 2b 3 4 5

Aantal individuen Zeer weinig (1-2) Weinig (2-20) Talrijk (20-100) Zeer talrijk (>100) Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig Willekeurig

Bedekking <5% <5% <5% <5% 5-12½ % 12½-25 % 25-50 % 50-75 % 75-100 %

Karteren van vegetatietypen Een vegetatietype wordt onderscheiden op grond van haar volledige soortensamenstelling (kenmerkende en begeleidende soorten). Bij de herkenning wordt een hiërarchische werkwijze gevolgd. In eerste instantie wordt vastgesteld welke soortgroepen overwegend voorkomen in de samenstelling van een vegetatie, waarna de hoofdeenheid (het ‘type’ of de ‘gemeenschap’) bepaald wordt. Daarna wordt binnen zo’n type door een proces van vergelijken en afwegen van soortgroepen het lagere hiërarchische niveau bepaald (de ‘vormen’). Binnen vegetaties spelen kensoorten een belangrijke rol om te bepalen met welke gemeenschap men te maken heeft. Daarnaast zijn kenmerkende begeleidende soorten aanwezig, naast constante soorten. De minimum afmeting van een vlak is 25 bij 25 meter (10 bij 50 meter voor langwerpige vlakken). Het karteren van kleinere vlakken heeft weinig zin, omdat deze vlakken zo klein zijn, dat ze op een geprinte vegetatiekaart moeilijk terug te vinden zijn. Slechts bij uitzondering (waardevolle vegetaties en kwalificerende habitattypen) worden kleinere vlakken onderscheiden. Het karteren van complexen (meerdere typen per vegetatievlak) wordt indien mogelijk vermeden. De belangrijkste reden hiervoor is, dat karteren van complexen het kaartbeeld vertroebelt.

Complexen worden met percentages genoteerd, in principe afgerond op tientallen procenten, maar met als laagste waarde 5%. Vegetatietypen die in minder dan 5% van het vlak voorkomen worden in principe niet genoteerd, tenzij het bijzondere typen betreft, of de karteerder het om andere redenen van belang vond om dit type te noteren (bijvoorbeeld lokale zeldzaamheid, of een type dat specifiek beheer vereist).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

2.1.4

15

Karteren van toevoegingen Het overzicht van gebruikte toevoegingen volgt in onderstaande opsomming. Voor het kaartmateriaal, zie Bijlage 6. Toevoegingen van soorten zijn gekarteerd in percentages (met afronding op tientallen) en later voor het kaartbeeld en in de database met bedekkingsklassen:

Bedekkingsklassen voor het karteren van toevoegingen.

Code 1 2 3 4

Bedekking vlak 1-5% 5-25% 25-50% 50-100%

In het karteringsgebied zijn de volgende toevoegingen gekarteerd:  Akkerdistel  Amerikaanse vogelkers  Bezemkruiskruid  Korstmossen  Duindoorn  Duinriet  Gewone braam  Grijs kronkelsteeltje  Grote brandnetel  Bedekking haarmos  Opslag loofhoutsoorten  Opslag naaldhoutsoorten  Pitrus Toevoegingen worden gebruikt om per vegetatievlak een storingssoort of overig karakteristiek aan te geven, mits de toevoeging minstens 1% van het vlak bedekt. Duinriet kan bijvoorbeeld vaak voorkomen in open duingrasland, maar bij een te lage bedekking (minder dan 1%) wordt geen toevoeging op het vlak gezet. Ditzelfde geldt voor korstmossen, die op veel vlakken met minder dan 1% bedekking voorkomt. Het toekennen van een toevoeging gebeurt dus alleen wanneer óf karakteristiek óf storingssoort in voldoende mate aanwezig is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

16

2.2

Specificatie van de methode voor dit karteringsgebied In deze paragraaf worden kengetallen, methodische aspecten en andere onderwerpen behandeld, die specifiek voor dit gebied gelden.

2.2.1

Basisgegevens Het gekarteerde oppervlak van Pettemerduinen bedraagt in totaal ca. 204 ha. De gebruikte luchtfoto’s (true-colour) zijn aangeleverd door de provincies van Nederland, in dit geval de provincie Noord-Holland. De gebruikte karteerschaal is 1:5000. Informatie van eerdere vegetatie- en soortkarteringen komen uit de oude karteringen, uitgevoerde karteringen in vergelijkbare gebieden (vegetatiekartering Duinen van Texel) en de NDFF. Voor de naamgeving van soorten is gebruik gemaakt van DUISTERMAAT ET AL., 2020 (vaatplanten), SIEBEL & DURING, 2006 (mossen), APTROOT ET AL., 2004 (korstmossen), VAN RAAM, 2003 (kranswieren). De naamgeving is echter in de TurboVeg-bestanden niet geactualiseerd. Hiervoor zijn geen correcties uitgevoerd, ook niet in opnamentabellen en in soortentabellen. De consequentie hiervan is dat enkele soorten met een verouderde naam in TurboVeg aanwezig zijn.

2.2.2

Periode uitvoering veldwerk Er heeft voor de vegetatiekartering geen specifieke voorjaarsronde plaatsgevonden om daadwerkelijk vegetaties te karteren. Wel is voor de flora-inventarisatie een vroege ronde uitgevoerd. Deze floragegevens zijn tijdens een later bezoek wel gebruikt ten behoeve van de vegetatiekartering. Alle vegetatietypen zijn zoveel mogelijk in een geschikt stadium van ontwikkeling gekarteerd. Het veldwerk voor de kartering is uitgevoerd in week 25 en week 28 t/m 38. In de digitaal opgeleverde resultaten is per vlak de bezoekdatum aangegeven.

2.2.3

Projectteam Projectleider voor deze vegetatiekartering was Dirk van der Goes. Hij onderhield contact met de opdrachtgever, Hans Hollander. De projectleider zag toe op de correcte uitvoering tijdens de verwerking van de gegevens en bij het samenstellen van de eindrapportage. De luchtfoto-interpretatie en het maken van de veldkaarten werd voornamelijk uitgevoerd door Thijs Damen en Robin van Schie, het feitelijke karteerwerk werd verricht door Jaco Diemeer, Hans van der Goes en Thijs van Trigt. Het gros van de verzamelde gegevens is gedigitaliseerd en verwerkt door Dirk van der Goes. De kranswieren

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

17

zijn (na)gedetermineerd door Jan-Jaap Spaargaren. De determinatie van moeilijk te determineren mossen en korstmossen is gecontroleerd door Klaas van Dort.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

18

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

3

19

Resultaten kartering 3.1

Inleiding In dit hoofdstuk worden de resultaten van het karteerwerk gepresenteerd in de vorm van kaarten en tabellen.

3.2

Beschrijving vegetatietypen De opgestelde typologie is op de in §0 beschreven wijze tot stand gekomen. In Bijlage 2 staat een overzicht van deze typen, met de oppervlakte, de vertaling van het lokale type naar de landelijke catalogus van Staatsbosbeheer en het aantal opnamen per type. Hieronder volgt een beschrijving van de vegetatietypen die in het gebied zijn gekarteerd. Eerst wordt daarbij de hoofdgroep genoemd; daarna de onderscheiden vormen en lokale typen. Vervolgens worden de syntaxonomie (indien noodzakelijk), ecologie en verspreiding van de typen binnen een hoofdgroep kort besproken.

3.2.1

Watervegetaties Er zijn geen vormen onderscheiden: 05-1 Vegetatie van Drijvend fonteinkruid 06B2-1 Vegetatie van Kleinste egelskop Kenmerken Type 05-1 wordt gekenmerkt door de hoge bedekking van de naamgevende soort. Verder zijn enkele soorten van klasse 8 aanwezig, zoals Riet en Gewone waterbies. Type 06B2-1 betreft een

Duinpoel met de vegetatie van Drijvend fonteinkruid.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

20

vegetatie waarin Kleinste egelskop abundant tot dominant aanwezig is. Opnamentabel Totaal 1 vorm met 1 opname in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 05-1 05-a - RG Potamogeton natans-[Potametea] - RG Drijvend fonteinkruid-[Fonteinkruid-klasse] 06B2-1 06B2 - Sparganietum minimi - Associatie van Kleinste egelskop Ecologie De vegetatie is kenmerkend voor tamelijk hard en voedselrijk, zoet water. Kleinste egelskop komt voor in basenrijk en stikstofarm water op een zandbodem. Verspreiding Verspreid in het gebied komen kleine oppervlakten van de vegetatie met Drijvend fonteinkruid voor, onder andere ten westen van het Bosmeertje en ten zuiden van Boerenslag. De vegetatie van Kleinste egelskop is alleen aangetroffen in een kleine poel ten oosten van het Bosmeertje.

3.2.2

Helofytenvegetaties De volgende vormen zijn onderscheiden: 08-1 Vegetatie van Grote lisdodde 08-2 Vegetatie van Riet (soortenarm) 08B2-1 Vegetatie van Ruwe bies Kenmerken De vegetaties worden gekenmerkt door de hoge bedekking van de naamgevende soort. In type 08B2-1 hebben, naast Ruwe bies, ook Fioringras en Heen een hoog aandeel in de vegetatie. Opnamentabel Totaal 3 vormen met 3 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 08-1 08-d - RG Typha latifolia-[Phragmitetea] - RG Grote Lisdodde-[Riet-klasse] 08-2 08-f - RG Phragmites australis-[Phragmitetea] - RG Riet[Riet-klasse] 08B2-1 08B2b - Alismato-Scirpetum maritimi scirpetetosum tabernaemontani - Associatie van Heen en Grote waterweegbree, subassociatie van Ruwe bies Ecologie De vegetatie van Grote lisdodde groeit op plaatsen met een modderige bodem, die een groot deel van het jaar onder water staat. Het type is gewoonlijk gebonden aan luwe plaatsen in poelen en

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

21

ondiepe watergangen, waar het zowel lijnvormig als vlakvormend kan voorkomen. Rietvegetaties ontstaan meestal aan oevers of in ondiep water onder voedselrijke omstandigheden. Het groeit op alle typen bodems en is bovendien goed bestand tegen brakwater. Gewoonlijk overheerst in het begin Riet (08-2) en pas na enige tijd vestigen zich andere soorten en gaat deze vegetatie over in soortenrijkere typen. De vegetatie van Ruwe bies is een karakteristieke gemeenschap van (zwak) brakke moerassen in het westelijke kustgebied en aangrenzende polders. De gemeenschap groeit in ondiepe tot diepe, (matig) voedselrijke wateren met een hoog chloridegehalte. In het binnenland komt de soort echter ook in zoete milieus voor. Verspreiding Vegetaties van Grote lisdodde (08-1) komen sporadisch voor in het Eerste Korfwater en ten oosten van het Bosmeertje. Soortenarme rietvegetaties (08-2) zijn met name aangetroffen in het Eerste Korfwater en het Bosmeertje. De vegetatie van Ruwe bies (08B2-1) betreft een schaars voorkomend type in onder andere het Eerste Korfwater en de Preekvallei.

3.2.3

Galigaanvegetaties Er zijn geen vormen onderscheiden: 08C5-1 Vegetatie van Galigaan met duinvalleisoorten Kenmerken Deze vegetatie wordt gekenmerkt door het dominante voorkomen van Galigaan. Verder zijn Gewoon puntmos en Gewone waternavel met hoge bedekkingen aanwezig.

Galigaan komt veelvuldig voor in enkele vochtige valleien in de Pettemerduinen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

22

Opnamentabel Totaal 1 vorm met 1 opname in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 08C5-1 08C5b - Cladietum marisci inops - Galigaan-associatie, verarmde subassociatie Ecologie De associatie van Galigaan komt voor in matig voeselrijk tot voedselrijke, zoet tot zwak brak, basisch tot hoogstens zwak zuur, diep, zuurstofrijk water. De gemeenschap is gebaat bij langdurige inundantie. Gewoonlijk is de groeiplaats onderhevig aan kwel. De bodem bestaat uit calciumrijk, fosfaatarm, venig zand of veen met een ondergrond van zand. Galigaanmoeras kan zonder beheer zeer lang stand houden. Verspreiding Vegetaties van Galigaan zijn met name aanwezig in de Kleine Florsvallei, ten zuiden van de Boerenslag, het Tweede Korfwater en de Noordelijke Preekvallei.

3.2.4

Duinvalleivegetaties rompgemeenschappen De volgende vormen zijn onderscheiden: 09-1 09-2

Kruipwilgstruweel, vorm met Gewone wederik, Gele lis en Duinriet Kruipwilgstruweel, vorm met soorten van het kleine zeggenmoeras

Kenmerken Beide typen worden gekenmerkt door een hoge bedekking van Kruipwilg. Type 09-1 betreft een vorm met Gewone wederik, Gele lis en Duinriet. Vanwege de frequente aanwezigheid van Tweerijige zegge wordt voor type 09-1 een tweede vertaling toegevoegd naar 08C-d. Type 09-2 betreft een vorm met soorte van het kleine zeggenmoeras, zoals Gewone waternavel. Vanwege de aanwezigheid van Drienervige zegge wordt een tweede vertaling toegevoegd naar de associatie van Drienervige zegge (09A1). Opnamentabel Totaal 2 vormen met 2 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 09-1 09/a - DG Salix species-[Parvocaricetea] - DG Wilg-[Klasse der kleine Zeggen] 08C-d - RG Carex disticha-[Magnocaricion] - RG Tweerijige zegge-[Verbond der grote Zeggen] 09-2 09/a - DG Salix species-[Parvocaricetea] - DG Wilg-[Klasse der kleine Zeggen]

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

23

09A1 - Caricetum trinervi-nigrae - Associatie van Drienervige zegge en Zwarte zegge

Ecologie Kruipwilgstruwelen ontwikkelen zich gewoonlijk op relatief vochtige, matig voedselrijke, al dan niet kalkrijke bodem in vochtige valleien.

Verspreiding De vorm met Gewone wederik, Gele lis en Duinriet (09-1) is aangetroffen ten zuiden van de Boerenslag en bij het Bosmeertje. De vorm met soorten van Kleine zeggenmoeras (09-2) werd met name aangetroffen in het Tweede en Derde Korfwater.

3.2.5

Duinvalleivegetaties De volgende vormen zijn onderscheiden: 09A1-1 Vegetatie met Drienervige zegge en Kruipwilg 09C3-1 Kruipwilgvegetatie, vorm met Moeraswespenorchis en Rond wintergroen 09C3-2 Kruipwilgvegetatie, vorm met Knopbies, Moeraswespenorchis en Drienervige zegge 09C3-3 Knopbiesvegetatie, vorm met Moeraswespenorchis, Gewone dophei en Tormentil 09C3-4 Knopbiesvegetatie, vorm met Tormentil, Blauwe zegge en Parnassia 09C3-5 Knopbiesvegetatie, soortenarme pioniervorm Kenmerken De typen 09A1-1, 09C3-1 en 09C3-2 worden gekenmerkt door de relatief hoge bedekking van Kruipwilg. In type 09A1-1 is Drienervige zegge frequent aanwezig, met daarbij ook Zwarte zegge en Gewone

Vochtige duinvallei met onder andere Knopbies en Stijve moerasweegbree.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

24

waternavel. Vanwege de hoge bedekking van Kruipwilg in de kruidlaag wordt een tweede vertaling toegevoegd naar 09/a. De typen 09C3-1 en 09C3-2 kennen beide een hoge bedekking van Moeraswespenorchis en associatie-kensoort Duinrus komt frequent in de vegetatie voor. Type 09C3-1 wordt gekenmerkt door de hoge bedekking van Rond wintergroen, type 09C3-2 onderscheidt zich door het voorkomen van Drienervige zegge. Vanwege de hoge bedekking van deze associatie-kensoort wordt de vegetatie tevens vertaald naar 09A1. De vorm met Rond wintergroen (09C3-1) wordt vertaald naar 09C3a, vanwege de aanwezigheid van Duinrus (associatie-kensoort), Moeraswespenorchis en Zeegroene zegge. In 09C3-2 heeft Knopbies tevens een flink aandeel in de vegetatie. Type 09C3-3 wordt gekenmerkt door het voorkomen van Gewone dophei en Tormentil. Dit type binnen de vochtige duinvalleien schuurt aan tegen vochtige heidevegetaties. Vanwege de hoge bedekking van Gewone dophei wordt een tweede vertaling toegevoegd naar 11A3c. Type 09C3-4 betreft een vorm met Tormentil, Blauwe zegge en Parnassia, type 09C3-5 betreft een soortenarme pioniervorm waarin Knopbies dominant voorkomt. Opnamentabel Totaal 6 vormen met 8 opnamen in Bijlage 4.

Vertaling lokaal type naar SBB-type 09A1-1 09A1 - Caricetum trinervi-nigrae - Associatie van Drienervige zegge en Zwarte zegge 09/a - DG Salix species-[Parvocaricetea] - DG Wilg-[Klasse der kleine Zeggen] 09C3-1 09C3a - Junco baltici-Schoenetum nigricantis typicum Knopbies-associatie, typische subassociatie 09C3-2 09C3a - Junco baltici-Schoenetum nigricantis typicum Knopbies-associatie, typische subassociatie 09A1 - Caricetum trinervi-nigrae - Associatie van Drienervige zegge en Zwarte zegge 09C3-3 09C3c - Junco baltici-Schoenetum nigricantis inops Knopbies-associatie, soortenarme subassociatie 11A3c - Empetro-Ericetum typicum - Associatie van Kraaihei en Gewone Dophei, typische subassociatie 09C3-4 09C3c - Junco baltici-Schoenetum nigricantis inops Knopbies-associatie, soortenarme subassociatie 09C3-5 09C3c - Junco baltici-Schoenetum nigricantis inops Knopbies-associatie, soortenarme subassociatie Ecologie Knopbiesvegetaties komen voor in ontzilte, natte, kalkrijke, voedselarme duinvalleien, zowel primaire als secundaire valleien. In secundaire valleien wordt de vegetatie alleen aangetroffen op kalkrijk zand, of wanneer kalkrijke kwel toestroomt. De waterstand staat ‘s winters boven het maaiveld en kan ‘s zomers relatief diep

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

25

wegzakken. De vormen 09C3-3 en 09C3-4 zijn enigszins afwijkend en komen voor in valleien met heischrale microgradiënten. Verspreiding De vegetatie met Drienervige zegge en Kruipwilg (09A1-1) is aangetroffen in het noorden van de Kleine Florsvallei. De duinvalleivegetatie met Moeraswespenorchis en Rond wintergroen (09C3-1) is met een kleine oppervlakte aanwezig in het Derde Korfwater. Kruipwilgvegetaties met Knopbies, Moeraswespenorchis en Drienervige zegge (09C3-2) zijn aangetroffen in het Tweede Korfwater, Derde Korfwater en ten noorden van de Boerenslag. Knopbiesvegetatie met Moeraswespenorchis, Gewone dophei en Tormentil (09C3-3) is alleen toegekend aan een vlak in het Derde Korfwater. De vorm met Tormentil, Blauwe zegge en Parnassia (09C34) is alleen toegekend in de Kleine Florsvallei. De soortenarme pioniervorm (09C3-5) is met name aangetroffen in de Kleine Florsvallei en de Zuidelijke Preekvallei.

3.2.6

Vochtige heidevegetaties De volgende vormen zijn onderscheiden: 11A3-1 Dopheivegetatie, vorm met Tormentil, Duinrus en Stekelbrem 11A3-2 Dopheivegetatie, vorm met Kraaihei, Tormentil en Duinrus 11A3-3 Dopheivegetatie, vorm pionierstadium met Struikhei, Stekelbrem en Heidekartelblad Kenmerken De vormen worden allen gekenmerkt door het abundante tot codominante voorkomen van Gewone dophei. Type 11A3-1 betreft een vorm waarin Tormentil, Gewone waternavel en Duinrus met een flinke bedekking kunnen voorkomen. Verder komt in dit type Stekelbrem voor. Type 11A3-2 wordt onderscheiden door de aanwezigheid van Kraaihei. Verder zijn in dit type ook Tormentil en Duinrus aanwezig. Type 11A3-3 betreft een pioniervorm zonder Kraaihei, met onder andere Struikhei en Heidekartelblad. Opnamentabel Totaal 3 vormen met 5 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 11A3-1 11A3c - Empetro-Ericetum typicum - Associatie van Kraaihei en Gewone Dophei, typische subassociatie 11A3-2 11A3c - Empetro-Ericetum typicum - Associatie van Kraaihei en Gewone Dophei, typische subassociatie 11A3-3 11A3c - Empetro-Ericetum typicum - Associatie van Kraaihei en Gewone Dophei, typische subassociatie

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

26

Ecologie Vochtige heidevegetaties komen voor in zure, primaire of secundaire duinvalleien met een hoge grondwaterstand. Vaak betreft het overgangen van duinheide naar duinvalleivegetaties. Daarnaast kunnen de vegetaties zich ontwikkelen in vochtige slenken waar zich ondiep in de bodem een slecht doorlatende laag bevindt, waardoor regenwater stagneert. De (lokale) grondwaterstand ligt gewoonlijk tot enkele decimeters boven, en ‘s zomers net onder het maaiveld. Verspreiding Dopheivegetaties met Tormentil, Duinrus en Stekelbrem (11A3-1) zijn onder andere toegekend aan vlakken in het Tweede Korfwater en de Noordelijke en Zuidelijke Preekvallei. De vorm met Kraaihei, Tormentil en Duinrus (11A3-2) is een schaars type en is lokaal aangetroffen in de Kleine Florasvallei en de Zuidelijke Preekvallei. De pioniervorm met Struikhei, Stekelbrem en Heidekartelblad (11A3-3) is alleen aangetroffen in de Kleine Florsvallei.

3.2.7

Overstromingsgraslandvegetaties Er zijn geen vormen onderscheiden: 12B-1 Vegetatie met Gewone waterbies, Egelboterbloem en Zwarte zegge Kenmerken De vegetatie wordt gekenmerkt door typische overstromingsgraslandsoorten als Fioringras, Gewone waterbies en Zilverschoon, die met een flinke bedekking in de vegetatie voorkomen. Verder zijn enkele soorten van het Parvocaricetea aanwezig, zoals Zwarte zegge en Egelboterbloem. Vanwege de aanwezigheid van soorten van het klein zeggenmoeras wordt een tweede vertaling toegevoegd naar type 09-l (rompgemeenschap van Gewone waterbies binnen de klasse der kleine zeggen). Opnamentabel Totaal 1 vorm met 1 opname in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 12B-1 12B-h - RG Eleocharis palustris-[Phragmitetea/LolioPotentillion anserinae] - RG Gewone waterbies-[Rietklasse/Zilverschoon-verbond] 09-l - RG Eleocharis palustris-[Parvocaricetea] - RG Gewone waterbies-[Klasse der kleine Zeggen] Ecologie Deze vegetatie komt voor op natte tot vochtige standplaatsen, zowel in voedselarme als in voedselrijke milieus. De vegetatie kan zowel onder relatief zure als basische omstandigheden gedijen. De openheid van de standplaatsen is een voorwaarde voor de vestiging van Gewone waterbies.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

27

Verspreiding Het type is aangetroffen in de Kleine Florsvallei, de Noordelijke Preekvallei en het Eerste Korfwater.

3.2.8

Raaigrasweiden Er zijn geen vormen onderscheiden: 12A1-1 Vegetatie van Engels raaigras met Tengere rus Kenmerken De vegetatie wordt gekenmerkt door de abundante aanwezigheid van Engels raaigras, met daarbij typische tredplanten en akkerkruiden als Grote weegbree en Gewoon varkensgras. Verder is Tengere rus in de vegetatie aanwezig. Opnamentabel Totaal 1 vorm met 1 opname in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 12A1-1 12A1b - Plantagini-Lolietum perennis juncetosum tenuis Associatie van Engels raaigras en Grote weegbree, subassociatie van Tengere rus Ecologie Het type komt tot ontwikkeling in voedselrijke, vochtige graslanden met sterk verdichte bodem. Vaak betreft het sterk betreden zones rond damhekken en veelbelopen, grazige paden. Verspreiding Het type is aangetroffen langs de oevers van het Bosmeertje.

3.2.9

Kruipwilgstruwelen droog De volgende vormen zijn onderscheiden: 14-2 14-3

Kruipwilgstruweel, vorm met Dauwbraam en Duinriet Kruipwilgstruweel, vorm met Wilde kamperfoelie en Gewone eikvaren Kenmerken Beide typen worden gekenmerkt door een laag struweel van Kruiwpilg. Type 14-2 wordt gekenmerkt door het abundante tot codominante voorkomen van Dauwbraam en Duinriet. Type 14-8 betreft een ruigere vorm, waarin onder ander Wilde kamperfoelie en Gewone eikvaren wordt aangetroffen. Opnamentabel Totaal 2 vormen met 4 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 14-2 14-l - RG Salix species-[Koelerio-Corynephoretea] - RG Wilg[Klasse der droge graslanden op zandgrond] 14-3 14-l - RG Salix species-[Koelerio-Corynephoretea] - RG Wilg[Klasse der droge graslanden op zandgrond]

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

28

Ecologie Droog kruipwilgstruweel komt gewoonlijk voor op matig tot droog, kalkarm tot geheel ontkalkt duinzand met een goed ontwikkelde humuslaag. Meestal vindt er nog enige zandinstuiving plaats. Kruipwilg vormt veel, moeilijk afbreekbaar humus, waardoor deze vrij soortenarme vegetaties zichzelf gedurende langere tijd in stand kunnen houden. Echter, doordat Kruipwilg meestal geen gesloten bestanden vormt, is er nog enige ruimte voor duingraslandsoorten. Bij Kruipwilgvegetaties in stabiele milieus, waar langdurige strooiselophoping plaatsvindt, kan het Kruipwilgstruweel verruigen en zich ontwikkelen tot vorm 14-3. Verspreiding De vorm met Dauwbraam en Duinriet (14-2) is een zeer algemeen type in de gehele strook open duin van de Pettemerduinen. De vorm met Wilde kamperfoelie en Gewone eikvaren (14-3) is aangetroffen in het noordelijk deel van de Pettemerduinen, met name bij de Kleine Florsvallei.

3.2.10

Duingrasland De volgende vormen zijn onderscheiden: 14-1 14-4 14-5 14-6 14-7 14-8 14-9 14-10 14D-1

Vegetatie van Duinriet Vegetatie van Duinroosje Vegetatie van Gewone eikvaren Vegetatie van Helm met duingraslandsoorten Vegetatie van Zandzegge, typische vorm Vegetatie van Zandzegge, vorm met korstmossen en bladmossen Vegetatie van Fijn schapengras en Groot klauwtjesmos Vegetatie van Grijs kronkelsteeltje Vegetatie met Geel walstro en Fijn schapengras

Kenmerken Type 14-1 betreft een relatief soortenarme Duinrietvegetatie. In type 14-4 is Duinroos, samen met Gewone eikvaren, co-dominant tot dominant aanwezig. Type 14-5 betreft een vegetatie waarin Gewone eikvaren de dominante bedekker is. Type 14-6 betreft een vegetatie gedomineerd door Helm, met daarbij soorten van duingrasland, zoals Schapenzuring en Gewoon biggenkruid. De typen 14-7 en 14-8 worden gekenmerkt door de hoge bedekking van Zandzegge. Type 14-8 betreft een vorm met korstmossen en bladmossen, zoals Sierlijk rendiermos en Gevorkt heidestaartje. Type 14-9 betreft een vegetate waarin Fijn schapengras en Groot klauwtjesmos allebei minstens abundant voorkomen. Type 14-10 betreft een door Grijs kronkelsteeltje gedomineerde vegetatie. Type 14D-1 betreft een vegetatie waarin Geel walstro en Fijn schapengras allebei minstens abundant voorkomen. Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

29

Opnamentabel Totaal 9 vormen met 18 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 14-1 14-k - RG Calamagrostis epigejos-[KoelerioCorynephoretea/Festuco-Brometea] - RG Duinriet-[Klasse der droge graslanden op zandgrond/Klasse der droge, kalkminnende graslanden] 14-4 14-m - RG Rosa pimpinellifolia-[KoelerioCorynephoretea/Festuco-Brometea] - RG Duinroosje-[Klasse der droge graslanden op zandgrond/Klasse der droge, kalkminnende graslanden] 14-5 14-r - RG Rumex acetosella-[Koelerio-Corynephoretea] - RG Schapezuring-[Klasse der droge graslanden op zandgrond] 14-6 14-i - RG Ammophila arenaria-Carex arenaria-[KoelerioCorynephoretea/Ammophiletea] - RG Helm-Zandzegge[Klasse der droge graslanden op zandgrond/Helm-klasse] 14-7 14-o - RG Carex arenaria-[Koelerio-Corynephoretea] - RG Zandzegge-[Klasse der droge graslanden op zandgrond] 14-8 14-j - RG Carex arenaria-Coelocaulon aculeatum-[KoelerioCorynephoretea] - RG Zandzegge-Kraakloof-[Klasse der droge graslanden op zandgrond] 14-9 14-g - RG Dicranum scoparium-[Koelerio-Corynephoretea] RG Gewoon gaffeltandmos-[Klasse der droge graslanden op zandgrond] 14-10 14/b - DG Campylopus introflexus-[Koelerio-Corynephoretea] - DG Grijs kronkelsteeltje-[Klasse der droge graslanden op zandgrond] 14D-1 14D-d - RG Galium verum-Festuca filiformis-[PlantaginiFestucion] - RG Geel walstro-Fijn schapegras-[Verbond van Gewoon struisgras] Ecologie

Vegetaties gedomineerd door Duinriet (14-1) komen met name tot ontwikkeling op plaatsen waar de begrazing van de oorspronkelijke vegetatie is gestopt en evenmin overstuiving plaatsvindt. Ook kan Duinriet sterk reageren op waterstandschommelingen in valleien. Tevens profiteert Duinriet sterk van toegenomen stikstofdepositie, waardoor versneld vergrassing plaatsvindt. De vegetatie van Duinroosje (14-4) komt voor op enigszins kalkhoudende bodem, die oppervlakkig uitgeloogd mag zijn. Afhankelijk van ligging en expositie is de soortensamenstelling binnen deze vegetatie nogal variabel. Er vindt weinig of geen overstuiving plaats en er hebben gedurende langere tijd geen verstoringen van de bodem plaatsgevonden. Vegetatie van Gewone eikvaren (14-5) is gebonden aan luwe, ietwat vochtige noordhellingen. De vegetaties van Zandzegge (14-7, 14-8) worden aangetroffen op plaatsen waar nog nauwelijks overstuiving met zand plaatsvindt, maar waar de voedselrijkdom van de bodem hoog genoeg is om Zandzegge tot een grote biomassaproductie te Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

30

stimuleren. Deze vorm kan langere tijd blijven bestaan en wordt nauwelijks beïnvloed door beweiding, doordat het door grazers veelal gemeden wordt. Vegetaties met Fijn schapengras en Groot klauwtjesmos (14-9) komen voor in oudere, ontkalte duinen, op plaatsen die in de zomer sterk uitdrogen (zuidhellingen). Zandzegge heeft zich tijdens de stuivende periode gevestigd en is in de vegetatie nu een relict. Na het vastleggen van het zand heeft de mosvegetatie zich ontwikkeld. Vegetatie met Geel walstro (14D-1) komt voor op droge zandgronden in de duinen die ten minste oppervlakkig ontkalkt zijn. Geel walstro blijft in deze vegetatie bestaan door zijn diepgroeiend wortelgestel. Verspreiding Vegetaties van Duinriet (14-1) zijn met name aangetroffen in het Eerste Korfwater en ter hoogte van het ECN-terrein. Vegetaties van Duinroosje (14-4) zijn met name aangetroffen rond de Boerenslag en ten noorden van het Derde Korfwater. Vegetatie van Gewone eikvaren (14-5) is een schaars type en komt met een kleine oppervlakte voor ten noordwesten van het Eerste Korfwater. Vegetaties met Helm met duingraslandsoorten (14-6) zijn verspreid in het gehele karteringsgebied toegekend. Soortenarme vegetaties met Zandzegge (14-7) zijn onder andere aangetroffen in Eerste Korfwater en ten zuiden van de Boerenslag. De vorm met korstmossen en bladmossen (14-8) is een zeer algemeen type in de open duinzone.

De vegetatie met Fijn schapengras en Groot klauwtjesmos (14-9) is een algemeen vegetatietype, onder andere rond de Kleine Florsvallei en rond de Zuidelijke Preekvallei. Soortenarme vegetaties gedomineerd door Grijs kronkelsteeltje (14-10) zijn aangetroffen langs de binnenduinrandzone, met name grenzend aan het ECNterrein. De vegetatie met Geel walstro en Fijn schapengras (14D-1) is een algemeen voorkomend type in de zuidelijke helft van de Pettemerduinen, met name ten westen van Eerste Korfwater en ten noordoosten van het Bosmeertje.

3.2.11

Buntgrasvegetaties De volgende vormen zijn onderscheiden: 14-11 Vegetatie van Buntgras (pioniervorm) 14A2-1 Duin-buntgrasvegetatie, typische vorm 14A2-2 Duin-buntgrasvegetatie, vorm met bladmossen Kenmerken De vegetatie wordt gekenmerkt door het frequente voorkomen van Buntgras, waarbinnen verschillende vormen zijn aan te wijzen. Type 14-11 betreft een pioniervorm. Type 14A2-2 bestaat uit vorm waarin bladmossen dominant in de vegetatie aanwezig zijn. Dit zijn met name Zandhaarmos en Groot klauwtjesmos. De typische vorm (14A2-

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

31

1) is relatief soortenrijk en hierin zijn Zandblauwtje en Zandhoornbloem aanwezig. Opnamentabel Totaal 3 vormen met 6 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 14-11 14-c - RG Corynephorus canescens-[KoelerioCorynephoretea] - RG Buntgras-[Klasse der droge graslanden op zandgrond] 14A2-1 14A2a - Violo-Corynephoretum typicum - Duin-Buntgrasassociatie, typische subassociatie 14A2-2 14A2b - Violo-Corynephoretum koelerietosum - DuinBuntgras-associatie, subassociatie van Fakkelgras Ecologie Duin-buntgrasvegetatie ontwikkelt zich op plaatsen waar de toplaag van het zand is uitgeloogd. Onder de aan de oppervlakte groeiende mossen en korstmossen wortelen de kruiden in het ondiep gelegen kalkhoudend zand. Verspreiding De pioniervorm (14-11) betreft een type dat op enkele locaties in het centrale deel van de Pettemerduinen is aangetroffen. De typische vorm (14A2-1) is met name aanwezig ten westen van het Eerste Korfwater en in het centrale deel van de Pettemerduinen. De vorm met bladmossen (14A2-2) is een zeer algemeen type in vrijwel de gehele Pettemerduinen. Het type ontbreekt in het zuidoostelijk deel.

Bloeiend Zandblauwtje, een soort die af en toe opduikt in droog duingrasland, ook in Duin-buntgrasvegetaties.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

32

3.2.12

Duinsterretjesvegetaties De volgende vormen zijn onderscheiden: 14B1-1 Duinsterretjesvegetatie, vorm met Bleek dikkopmos 14B1-2 Duinsterretjesvegetatie, typische vorm 14B1-3 Duinsterretjesvegetatie, vorm met korstmossen Kenmerken De vegetaties kenmerken zich door de abundante aanwezigheid van Groot duinsterretje, met daarbij typische soorten als Gewone reigersbek en Muurpeper. Type 14B1-3 bestaat uit een korstmosrijke vorm, type 14B1-1 wordt gekenmerkt door hoge abundantie van Bleek dikkopmos. Opnamentabel Totaal 3 vormen met 6 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 14B1-1 14B1c - Phleo-Tortuletum ruraliformis brachythecietosum Duinsterretjes-associatie, subassociatie van Bleek dikkopmos 14B1-2 14B1a - Phleo-Tortuletum ruraliformis typicum Duinsterretjes-associatie, typische subassociatie 14B1-3 14B1b - Phleo-Tortuletum ruraliformis cladonietosum Duinsterretjes-associatie, subassociatie van Cladonia Ecologie De typische vorm van Duinsterretjesvegetatie wordt gevonden op droge, zonnige plaatsen op kalkhoudende tot kalkrijke zandbodems, die ‘s zomers sterk kunnen opwarmen. De vorm met korstmossen (14B1-3) groeit op plaatsen waar een oppervlakkige ontkalking heeft plaatsgevonden. Het kalkminnende Geel walstro en Smal fakkelgras, die beiden vrij diep wortelen, kunnen zich handhaven, zonder een grote invloed op de vegetatie uit te oefenen.

Duinsterretjesvegetaties met Bleek dikkopmos (14B1-1) komen voor op plaatsen waar nog overstuiving met kalkrijk zand plaatsvindt, vaak op of direct achter de zeereep. Afhankelijk van de mate van overstuiving is de mosvegetatie ijl tot vrijwel gesloten. Verspreiding De vorm met Bleek dikkopmos (14B1-1) is met een kleine oppervlakte aanwezig in het noordelijk deel van de Pettemerduinen. De typische vorm (14B1-2) is een algemeen type in de gehele duinstrook direct achter de zeereep. De vorm met korstmossen (14B1-3) is met name aangetroffen in het centrale deel van de Pettemerduinen.

3.2.13

Duinpaardenbloemgrasland De volgende vormen zijn onderscheiden: 14E1-1 Duinpaardenbloemgrasland, vorm met korstmossen 14E1-2 Duinpaardenbloemgrasland, vorm met Smalle weegbree

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

33

Kenmerken In beide typen kent Smal fakkelgras een hoog aandeel, waarmee het zich onderscheidt van de rompgemeenschappen binnen de duingraslanden in de Pettemerduinen. Type 14E1-1 betreft een vorm met een hoge korstmosbedekking door met name Vals rendiermos. Daarnaast is Wondklaver in dit type aanwezig. Differentiërende soorten ten opzichte van 14E1-1 zijn verder Gewoon reukgras, Zandpaardenbloem en Duinkruiskruid. Type14E1-2 betreft een vorm waarin Smalle weegbree een hoog aandeel heeft. Verder zijn Gewoon biggenkruid, Duizendblad en Gewone rolklaver differentiërende soorten voor 14E1c. Opnamentabel Totaal 2 vormen met 4 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 14E1-1 14E1b - Taraxaco-Galietum veri cladonietosum - DuinPaardebloem-associatie, subassociatie van Cladonia 14E1-2 14E1c - Taraxaco-Galietum veri plantaginetosum - DuinPaardebloem-associatie, subassociatie van Smalle weegbree Ecologie De Duinpaardenbloemvegetaties komen voor op droge kalkhoudende zandbodem. Zowel begrazing als betreding houden deze vegetaties in stand. De vorm met veel Smalle weegbree (14E1-2) komt voor op plaatsen waar door verstoring een iets voedselrijkere situatie is ontstaan. Verspreiding De vorm met korstmossen (14E1-1) is met een kleine oppervlakte aanwezig ten westen van het Eerste Korfwater en ter hoogte van het ECN-terrein.

De vorm met Smalle weegbree (14E1-2) is met name aanwezig ten zuidwesten van het Eerste Korfwater en ten noorden van het Bosmeertje.

3.2.14

Kalkrijk duingrasland Er zijn geen vormen onderscheiden: 15A2-1 Vegetatie met Wondklaver, Smal fakkelgras en Muurpeper Kenmerken De vegetatie wordt gekenmerkt door een dichte moslaag van Groot klauwtjesmos, met daarbij Smal fakkelgras, Wondklaver en Peen. Het frequente voorkomen van associatiekensoort Wondklaver zorgt voor een vertaling naar het Anthyllido-Silenetum sedetosum (15A2a, subassociatie van Muurpeper). Het betreft echter een vrij arme variant ten opzichte van de gangbare gemeenschappen die binnen deze associatie in Nederland voorkomen. Opnamentabel Totaal 1 vorm met 1 opname in Bijlage 4.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020

34

Vertaling lokaal type naar SBB-type 15A2-1 15A2a - Anthyllido-Silenetum sedetosum - Associatie van Wondklaver en Nachtsilene, subassociatie van Muurpeper Ecologie Deze kalkrijke duingraslandvegetaties komen voor op droge kalkhoudende zandbodem en kennen een inslag van het zeedorpenlandschap. Deze duinen zijn gevormd onder eeuwenoude invloeden van kleinschalige menselijke invloeden zoals betreding, kleinschalige bemesting (hondenuitwerpselen) of landgebruik (aardappelakkertjes, netten boeten etc.). Zowel begrazing als beperkte betreding en verrijking houden deze vegetaties in stand. Verspreiding De vegetatie is alleen aangetroffen in het uiterste zuidwesten van de Pettemerduinen.

3.2.15

Vochtige graslanden De volgende vormen zijn onderscheiden: 16-1 16-2 16-3 16-4 16C-1 16C-2

Vegetatie van Kweek Vegetatie van Rood zwenkgras Witbolgrasland met Gewoon struisgras en Rood zwenkgras Vegetatie met Gewoon reukgras, Gewoon struisgras en Rood zwenkgras Vegetatie van Ruige zegge Vegetatie van Kropaar

Kenmerken De vegetaties worden gekenmerkt door de hoge bedekking van de naamgevende soorten. Type 16-1 betrefte een soortenarme vegetatie van Kweek. Type 16-2 betreft een vegetatie waarin Rood zwenkgras abundant tot co-dominant voorkomt. Voor type 16-3 zijn Gewoon struisgras en Roodzwenkgras beide co-dominant. Type 16-4 wordt gekarakteriseerd door het frequente tot abundante voorkomen van Gewoon reukgras, Gewoon struisgras en Rood zwenkgras. Type 16C-1 betreft een vegetatie waarin Ruige zegge dominant is. Type 16C-2 betreft een vegetatie van Kropaar. Opnamentabel Totaal 6 vormen met 5 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 16-1 16/c - DG Elymus repens-[Molinio-Arrhenatheretea] - DG Kweek-[Klasse der vochtige graslanden] 16-2 16-g - RG Plantago lanceolata-Ranunculus repens-Festuca rubra-[Molinio-Arrhenatheretea] - RG Smalle weegbreeKruipende boterbloem-Rood zwenkgras-[Klasse der vochtige graslanden]

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2020-216

Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020 16-3

16-4

16C-1 16C-2

35

16-i - RG Agrostis capillaris-Hypochaeris radicata-[KoelerioCorynephoretea/ Molinio-Arrhenatheretea] - RG Gewoon struisgras-Gewoon biggekruid-[Klasse der droge graslanden op zandgrond/Klasse der vochtige graslanden] 16-i - RG Agrostis capillaris-Hypochaeris radicata-[KoelerioCorynephoretea/ Molinio-Arrhenatheretea] - RG Gewoon struisgras-Gewoon biggekruid-[Klasse der droge graslanden op zandgrond/Klasse der vochtige graslanden] 16C-f - RG Dactylis glomerata-Arrhenatherum elatius[Arrhenatherion elatioris] - RG Glanshaver-Kropaar[Glanshaver-verbond] 16C-f - RG Dactylis glomerata-Arrhenatherum elatius[Arrhenatherion elatioris] - RG Glanshaver-Kropaar[Glanshaver-verbond]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14683083/1