C2 Pettemerduinen 2020 Vegetatierapport
Tekst van het document
Ecologie Graslanden met Kweek (16-1) komen voor op bemeste, matig vochtige bodems. De graslanden met Rood zwenkgras, Gewoon struisgras en Gewoon reukgras (16-2, 16-3 en 16-4) komen voor op matig voedselrijke, matig vochtige en enigszins zure standplaatsen. De vorm met Ruige zegge en Kropaar (16C-1 en 16C-2) wordt gevonden in jaarlijks gemaaide of extensief beweide graslanden of bermen.
Verspreiding Vegetaties gedomineerd door Kweek (16-1) zijn met name aanwezig in het westelijk deel van het Eerste Korfwater. De vegetatie van Rood zwenkgras (16-2) is aan één vlak toegekend in het Eerste Korfwater. Witbolgrasland met Gewoon struisgras en Rood zwenkgras (16-3) is een algemeen type in het Eerste Korfwater. Vegetaties met Gewoon reukgras (16-4) zijn tevens alleen in het Eerste Korfwater aangetroffen. De vegetatie met Ruige zegge (16C-1) is sporadisch aangetroffen in het Eerste Korfwater. Vegetaties van Kropaar (16C-2) zijn alleen aangetroffen in het uiterste noordoosten van de Pettemerduinen.
3.2.16
Vochtige soortenrijke graslanden De volgende vormen zijn onderscheiden: 16A-1
Vegetatie van Biezenknoppen, Zwarte zegge en Gewoon reukgras 16B-1 Vegetatie van Paddenrus met dotterbloemhooilandsoorten 16B1-1 Vegetatie van Grote ratelaar, Rietorchis en Zwarte zegge Kenmerken Type 16A-1 betreft een aan blauwgrasland verwante vegetatie met Biezenknoppen, Zwarte zegge en Gewoon reukgras. Type 16B-1 betreft een aan Dotterbloemhooiland verwante vegetatie van Paddenrus, met daarin Calthion-soorten als Grote ratelaar en
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
36
Rietorchis. Type 16B1-1 betreft een Dotterbloemhooilandvegetatie met Grote ratelaar, Rietorchis en Zwarte zegge. Opnamentabel Totaal 3 vormen met 3 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 16A-1 16A-c - RG Agrostis canina-[Junco-Molinion] - RG Moerasstruisgras-[Verbond van Biezenknoppen en Pijpestrootje] 16B-1 16B-e - RG Carex disticha-Juncus subnodulosus-[Calthion palustris] - RG Tweerijige zegge-Paddenrus-[Dotterbloemverbond] 16B1-1 16B1a - Ranunculo-Senecionetum aquatici typicum Associatie van Boterbloem en Waterkruiskruid, typische subassociatie Ecologie Vegetaties van het Junco-Molinion (16A-1) zijn gebonden aan vochtige tot natte, tamelijk voedselarme standplaatsen. Het grondwater staat een groot deel van het jaar dicht onder het maaiveld. Doordat regenwater enige tijd stagneert in de bovenlaag hebben de vegetaties een vrij zuur karakter. De Calthion-vegetaties groeien op plaatsen die een relatief stabiele waterstand hebben. In de winter kan inundatie voorkomen, maar meestal staat de bodem plas-dras en zijn de condities matig voedselrijk en licht zuur. Verspreiding De aan blauwgrasland verwante vegetaties met Biezenknoppen, Zwarte zegge en Gewoon reukgras (16A-1) zijn aangetroffen in het
Gevleugeld hertshooi wordt aangetroffen in de vegetaties van het Dotterbloemverbond (16B) en vochtige duinvalleien.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
37
centrale deel van het Eerste Korfwater. De vegetaties binnen het Dotterbloem-verbond waarin Paddenrus abundant aanwezig is (16B1), komt met een kleine oppervlakte voor in het Eerste Korfwater en de Noordelijke Preekvallei. De vegetatie van Grote ratelaar, Rietorchis en Zwarte zegge (16B1-1) is een schaars type en slechts éénmaal toegekend aan een vlak in het Eerste korfwater.
3.2.17
Dauwbraamruigten Er zijn geen vormen onderscheiden: 17A-1
Dauwbraamvegetatie met Duinriet en/of Helm
Kenmerken De vegetatie wordt gekenmerkt door de hoge bedeking van Dauwbraam, met daarbij Duinriet en/of Helm. Vanwege de aanwezigheid van duingraslandsoorten is een tweede vertaling toegevoegd naar 14/a. Opnamentabel Totaal 1 vorm met 2 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 17A-1 17A-a - RG Rubus caesius-[Trifolion medii/Rhamno-Prunetea] - RG Dauwbraam-[Marjolein-verbond/Klasse der doornstruwelen] 14/a - DG Rubus caesius-Rubus fruticosus s.l.-[KoelerioCorynephoretea] - DG Dauwbraam-Gewone braam-[Klasse der droge graslanden op zandgrond] Ecologie Dauwbraamruigten ontstaan met name op matig tot zeer voedselrijke en stikstofrijke plaatsen op zandgrond. Het betreft veelal droge en zonnige standplaatsen op kalkrijke grond. Verspreiding Dauwbraamruigten zijn met name aangetroffen langs de oostrand van de Pettemerduinen. Verder is het type met een flinke oppervlakte aanwezig ten westen van het Eerste Korfwater.
3.2.18
Heischrale graslanden De volgende vormen zijn onderscheiden: 19A-1 Vegetatie van Tandjesgras en Tormentil 19A3-1 Vegetatie van Gewoon vleugeltjesbloem, Tandjesgras en Tormentil Kenmerken De vegetaties worden gekenmerkt door de hoge bedekking van zowel Fijn schapengras en Tandjesgras. Type 19A-1 is verder ook Tormentil
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
38
aanwezig. Type 19A-1 is vertaald naar 19A-c vanwege de aanwezigheid van Tormentil en Tandjesgras, die laatste met een hoge bedekking. Type 19A3-1 onderscheidt zich door de aanwezighied van Hondsviooltje en Gewone vleugeltjesbloem. Type 19A3-1 is, ondanks afwezigheid van kensoort Veldgentiaan, vertaald naar de asscociatie vanwege de aanwezigheid van enkele verbonds-kensoorten, namelijk Hondsviooltje, Tandjesgras, en Stijve ogentroost, en ook de aanwezigheid van Gewone vleugeltjesbloem. Overigens heeft de kensoort Veldgentiaan binnen de vegetatie van Nederland een zeer lage trouwgraad (11%). Opnamentabel Totaal 2 vormen met 2 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 19A-1 19A-c - RG Viola canina-Danthonia decumbens-[NardoGalion saxatilis] - RG Hondsviooltje-Tandjesgras-[Verbond der heischrale graslanden] 19A3-1 19A3 - Botrychio-Polygaletum - Associatie van Maanvaren en Vleugeltjesbloem Ecologie Deze vegetaties komen gewoonlijk voor op tamelijk voedselarme, zandgronden, waarin een lemige fractie aanwezig is. Vaak betreft het overgangen tussen vochtige valleien en droog ontkalkt duingrasland of duinheide. Verspreiding Vegetaties met Tandjesgras en Tormentil (19A-1) zijn met name aangetroffen in het noordelijk deel van het Eerste Korfwater. Verder
Hondsviooltje komt, naast in heischraal grasland, ook voor in droog duingrasland en/of in pionierige zandige plaatsen op zuidhellingen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
39
is het type toegekend aan een vlak in de Noordelijke Preekvallei. De vegetatie met Gewone vleugeltjesbloem, Tandjesgras en Tormentil (19A3-1) is éénmaal toegekend aan een vlak in het Eerste Korfwater.
3.2.19
Kruipwilgstruwelen met wintergroen Er zijn geen vormen onderscheiden: 20-1 Kruipwilgstruweel met Rond wintergroen en/of Klein wintergroen Kenmerken De vegetatie wordt gekenmerkt door de hoge bedekking van Kruipwilg. Verder is naast Kraaihei ook Klein en/of Rond wintergroen aanwezig. Opnamentabel Totaal 1 vorm met 1 opname in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 20-1 20-a - RG Salix repens-Pyrola rotundifolia-[Calluno-Ulicetea] RG Kruipwilg-Wintergroen-[Klasse der droge heiden] Ecologie Droog Kruipwilgstruweel met wintergroen komt voor op kalkarm duinzand met een goed ontwikkelde humuslaag. Kruipwilg vormt veel moeilijk afbreekbaar humus, waardoor deze vrij soortenarme vegetaties zichzelf vaak gedurende langere tijd in stand kunnen houden. Meestal vindt er nog enige zandinstuiving plaats. Soortenrijkere vormen groeien meestal op een helling, waar zich minder humus op kan hopen. Verspreiding Kruipwilgstruweel met Klein en/of Rond wintergroen is aan enkele vlakken toegekend, verspreid in de Pettemerduinen. Het betreft een geringe oppervlakte.
3.2.20
Droge heiden De volgende vormen zijn onderscheiden: 20A1-1 Struikheivegetatie, soortenarme vorm 20A1-2 Struikheivegetatie, vorm met Grijs kronkelsteeltje 20A1-3 Struikheivegetatie, vorm met Gewone eikvaren 20A3-1 Struikheivegetatie, vorm met Kraaihei 20A3-2 Kraaiheivegetatie, soortenarm 20A3-3 Kraaiheivegetatie, vorm met Kruipwilg en Duinriet 20A3-4 Kraaiheivegetatie, vorm met Gewone eikvaren 20A3-5 Kraaiheivegetatie, vorm met Struikhei en Stekelbrem 20A3-6 Kraaiheivegetatie, vorm met Struikhei en Gewone dophei
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
40
Kenmerken De typen 20A1-1 t/m 20A1-4 bestaan uit door Struikhei gedomineerde heidevegetaties. Type 20A1-1 betreft een soortenarme vorm. Type 20A1-2 betreft een vorm met Grijs kronkelsteeltje. Type 20A1-3 betreft een vorm met Gewone eikvaren. In type 20A3-1 is Kraaihei aanwezig maar niet abundant. De overige heidevegetaties worden gekenmerkt door het abundante tot dominante voorkomen van Kraaihei. Type 20A3-2 betreft een soortenarme vorm. Type 20A3-3 betreft een typische vorm met Kruipwilg en Duinriet, type 20A3-4 betreft een vorm op noordhellingen waar Gewone eikvaren frequent in voor komt. De typen 20A3-5 en 20A3-6 worden gekenmerkt door de aanwezigheid van Struikhei en Stekelbrem (20A3-5) en Gewone dophei (20A3-6). Opnamentabel Totaal 9 vormen met 13 opnamen in Bijlage 4.
Vertaling lokaal type naar SBB-type 20A1-1 20A1e - Genisto anglicae-Callunetum inops - Associatie van Struikhei en Stekelbrem, soortenarme subassociatie 20A1-2 20A1e - Genisto anglicae-Callunetum inops - Associatie van Struikhei en Stekelbrem, soortenarme subassociatie 20A1-3 20A1e - Genisto anglicae-Callunetum inops - Associatie van Struikhei en Stekelbrem, soortenarme subassociatie 20A3-1 20A3a - Hieracio-Empetretum typicum - Associatie van Kraaihei, typische subassociatie 20A3-2 20A3d - Hieracio-Empetretum inops - Associatie van Kraaihei, soortenarme subassociatie 20A3-3 20A3d - Hieracio-Empetretum inops - Associatie van Kraaihei, soortenarme subassociatie 20A3-4 20A3c - Hieracio-Empetretum polypodietosum - Associatie van Kraaihei, subassociatie van Eikvaren en Schermhavikskruid 20A3-5 20A3a - Hieracio-Empetretum typicum - Associatie van Kraaihei, typische subassociatie 20A3-6 20A3a - Hieracio-Empetretum typicum - Associatie van Kraaihei, typische subassociatie Ecologie Struikheivegetaties komen voor op een tamelijk droge tot zeer droge en ontkalkte zandbodem. Heideplanten kennen een cyclische successie, waarbij de afzonderlijke planten een fase van groei, volwassenheid en degeneratie kennen. Afhankelijk van het stadium waarin de vegetatie verkeert, ontwikkelen zich de verschillende typen.
Bij een toenemende ouderdom van de heide, sluit de heidevegetatie zich en verdwijnen de korstmossen grotendeels. Ook een soort als Stekelbrem verdwijnt veelal in de oude dichte Struikheivegetaties. In de degeneratiefase, als de struiken door het eigen gewicht uiteenvallen, kan er weer licht op de bodem toetreden en kunnen zich,
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
41
afhankelijk van vochthuishouding en humusdikte, andere soorten vestigen. Op het strooisel van de open plekken ontwikkelen zich dikwijls dikke tapijten mossen of korstmossen. Kraaiheivegetaties komen voor op tamelijk vochtige, kalkarme en/of uitgeloogde bodems, soms in oude, ontkalkte duinvalleien, waarin zich een venige humuslaag heeft ontwikkeld. Na het plaggen van zure valleien kan de ontwikkeling naar vegetaties met Struikhei, Kraaihei en Gewone dophei in gang gezet worden. Verspreiding Soortenarme Struikheivegetaties (20A1-1) zijn met name aanwezig in de oostelijke helft van de Pettemerduinen, onder andere ten oosten van de Preekvalleien en ten zuiden van de Boerenslag. Struikheivegetaties met Grijs kronkelsteeltje (20A1-2) is aan enkele vlakken toegekend in met name het uiterste zuidoosten van de Pettemerduinen. De vorm met Gewone eikvaren (20A1-3) is met een flinke oppervlakte toegekend aan een groot aantal vlakken aan de binnenduinrand. Struikheivegetaties met Kraaihei (20A3-1) komen verspreid voor met name rond de Preekvallei en ten zuiden van de Boerenslag. Soortenarme Kraaiheivegetaties (20A3-2) bevinden zich met name rond de Preekhilvallei en ten zuidoosten van de Kleine Forsvallei. De vorm met Kruipwilg en Duinriet (20A3-3) komt zeer algemeen voor in met name het noordelijk deel van de Pettemerduinen.
Kraaiheivegetaties met Gewone eikvaren (20A3-4) zijn verspreid aanwezig in met name het noordelijke en centrale deel van de Pettemerduinen. Het type komt ook voor in de binnenduinrandzone. Kraaiheivegetaties met Struikhei en Stekelbrem (20A3-5) zijn met name aanwezig rond de Preekvalleien, in het Derde Korfwater en in het uiterste noordoosten
Bloeiende Struikheivegetatie met foeragerende Heivlinder (Rode Lijst-soort).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
42
van de Pettemerduinen. De vorm met Struikhei en Gewone dophei (20A3-6) komt verspreid voor rond de Preekvalleien en rond de Kleine Florsvallei.
3.2.21
Biestarwegrasvegetaties Er zijn geen vormen onderscheiden: 23A1-1 Vegetatie van Biestarwegras Kenmerken De zeer soortenarme vegetatie wordt gekarakteriseerd door dominantie van Biestarwegras. Opnamentabel Totaal 1 vorm met 1 opname in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 23A1-1 23A1 - Honckenyo-Agropyretum juncei - Biestarwegrasassociatie Ecologie Biestarwegrasvegetaties zijn gebonden aan zeer dynamische zones in de zeereep en markeren veelal de overgang tussen strand en zeeduinen. Biestarwegras brengt, net als Zeeraket en Stekend loogkruid, embryonale duinvorming opgang. Verspreiding Deze vegetaties zijn met een flinke oppervlakte aanwezig langs het gehele buitenste deel van de zeereepzone.
3.2.22
Helmvegetaties De volgende vormen zijn onderscheiden: 23B1-1 Helmvegetatie, soortenarme vorm 23B1-2 Helmvegetatie, vorm met Zandzegge en Duinzwenkgras 23B1-3 Helmvegetatie, vorm met Dauwbraam en bladmossen Kenmerken De vegetatie wordt gekenmerkt door de hog bedekking van Helm. Type 23B1-1 betreft een soortenarme vorm met naast Helm vaak wel Zeemelkdistel. Type 23B1-2 betreft een vorm met Zandzegge en Duinzwenkgras. Type 23B1-3 betreft een vorm met Dauwbraam en bladmossen als Bleek dikkopmos en Groot duinsterretje. Opnamentabel Totaal 3 vormen met 5 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 23B1-1 23B1c - Elymo-Ammophiletum inops - Associatie van Helm en Zandhaver, soortenarme subassociatie 23B1-2 23B1a - Elymo-Ammophiletum typicum - Associatie van Helm en Zandhaver, typische subassociatie
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
43
23B1-3 23B1a - Elymo-Ammophiletum typicum - Associatie van Helm en Zandhaver, typische subassociatie Ecologie Helmvegetaties ontwikkelen zich op plaatsen in de zeereep die al grotendeels zijn vastgelegd en in de achterliggende kalkrijke zeeduinen. Verspreiding De soortenarme vorm (23B1-1) is een zeer algemeen type dat langs de gehele westelijke zone in de zeereep voorkomt. De vorm met Zandzegge en Duinzwenkgras (23B1-2) komt veelvuldig voor in de zeereepzone. De vorm met Dauwbraam en bladmossen (23B1-3) is met name aangetroffen in het noordelijk deel van de zeereepzone van de Pettemerduinen en ter hoogte van het Eerste en Tweede Korfwater.
3.2.23
Zeerusvegetaties Er zijn geen vormen onderscheiden: 26-1
Vegetatie van Zeerus met Kruipwilg
Kenmerken De vegetatie wordt gekenmerkt door de hoge bedekking van Zeerus en Kruipwilg. Vanwege de hoge bedekking van Zeerus wordt het type in eerste plaats vertaald naar de RG Zeerus-Zilt torkruid in de Zeeaster-klasse (26-e). Vanwege de aanwezigheid van Kruipwilg wordt een tweede vertaling toegevoegd naar 09/a. Verder zijn Dauwbraam, Duinriet en Watermunt in de vegetatie aanwezig. Overige soorten van zilte omstandigheden (naast de naamgevende soort) worden niet in de vegetatie aangetroffen. Opnamentabel Totaal 1 vorm met 1 opname in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 26-1 26-e - RG Oenanthe lachenalli-Juncus maritimus-[Asteretea tripolii] - RG Zeerus-Zilt torkruid-[Zeeaster-klasse] 09/a - DG Salix species-[Parvocaricetea] - DG Wilg-[Klasse der kleine Zeggen] Ecologie De vegetatie met Zeerus wordt aangetroffen op drogere en zilte plaatsen met een lager zoutgehalte dan de milieus waar slijkgras- en zeekraalvegetaties worden aangetroffen. In duinvalleien betreft het een relict van oude, zilte valleien, of er is sprake van verzilting van vochtige duinvalleien. Verspreiding Het type is met een kleine oppervlakte toegekend aan enkele vlakken in de Noordelijke Preekvallei en het Derde Korfwater.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
44
3.2.24
Grauwe wilgenstruwelen De volgende vormen zijn onderscheiden: 36A2-1 Grauwe wilgenstruweel, vorm met Riet en Dauwbraam 36A2-2 Grauwe wilgenstruweel, vorm met Gewone wederik en Hoge cyperzegge 36A2-3 Grauwe wilgenstruweel, vorm met Hennegras 36A2-4 Grauwe wilgenstruweel, vorm met Gewone waternavel en Watermunt 36A2-5 Grauwe wilgenstruweel, vorm met Duinriet en Kruipwilg Kenmerken De verschillende vormen worden gedomineerd door Grauwe wilg. De vormen zijn onderscheiden op basis van dominantie van de naamgevende soort(en). Opnamentabel Totaal 5 vormen met 5 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 36A2-1 36A2 - Salicetum cinereae - Associatie van Grauwe wilg 36A2-2 36A2 - Salicetum cinereae - Associatie van Grauwe wilg 36A2-3 36A2 - Salicetum cinereae - Associatie van Grauwe wilg 36A2-4 36A2 - Salicetum cinereae - Associatie van Grauwe wilg 36A2-5 36A2 - Salicetum cinereae - Associatie van Grauwe wilg Ecologie Grauwe wilgenstruwelen ontstaan meestal vanuit langdurig onbeheerde moerassen en duinvalleien met een goed ontwikkelde strooisellaag. Vormen met kleine zeggensoorten hebben doorgaans betrekking tot de meer voedselarme, zuurdere varianten van Grauwe wilgenstruweel. Op voedselrijke vochtige plaatsen heersen helofyten en ruigtesoorten in de ondergoei. Verspreiding Grauwe wilgstruwelen komen verspreid in de Pettemerduinen voor.
De vorm met Riet en Dauwbraam (36A2-1) is met name aangetroffen in het noordelijk deel. De vorm met Gewone wederik en Hoge cyperzegge (36A2-2) betreft een flink oppervlakte ten zuiden van de Boerenslag. De vorm met Hennegras (36A2-3) betreft een kleine oppervlakte in het Eerste Korfwater. De vorm met Gewone waternavel en Watermunt (36A2-4) is met name toegekend ten zuiden van de Boerenslag. De vorm met Duinriet en Kruipwilg (36A2-5) is een algemeen voorkomend type in het Eerste Korfwater, rond het Bosmeertje en ten zuiden van de Boerenslag.
3.2.25
Overige struwelen De volgende vormen zijn onderscheiden: 37-1
Van der Goes en Groot
Rimpelroosstruweel ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
45
37-2 37B-1 37B-2
Vlierstruweel Ligusterstruweel met Sporkehout Eiken-berkenstruweel, vorm met Eenstijlige meidoorn en Hondsdraf 37B-3 Struweel van Ratelpopulier 42A-1 Struweel van Amerikaanse vogelkers en Zomereik met Gewone eikvaren Kenmerken De verschillende struwelen worden gekenmerkt door de hoge bedekking van de naamgevende soort. Type 37-1 betreft struweel gedomineerd door Rimpelroos. Type 37-2 betreft soortenarm Vlierstruweel. Type 37B-1 betreft Ligusterstruweel met Sporkehout, type 37B-2 betreft Eiken-berkenstruweel met Eenstijlige meidoorn en Hondsdraf. Type 37B-3 omvat struweel van Ratelpopulier en type 42A-1 betreft struweel waarin Amerikaanse vogelkers minsten codominant is. Opnamentabel Totaal 6 vormen met 5 opnamen in Bijlage 4.
Vertaling lokaal type naar SBB-type 37-1 37-b - RG Crataegus monogyna-Prunus spinosa-Rosa canina[Rhamno-Prunetea] - RG Eenstijlige meidoorn-SleedoornHondsroos-[Klasse der doornstruwelen] 37-2 37-a - RG Sambucus nigra-Urtica dioica-[Rhamno-Prunetea] RG Gewone vlier-Brandnetel-[Klasse der doornstruwelen] 37B-1 37B-f - RG Ligustrum vulgare-[Berberidion vulgaris] - RG Wilde liguster-[Liguster-verbond] 37B-2 37B-a - RG Betula pubescens-Calamagrostis epigejos[Berberidion vulgaris/Querco-Fagetea] - RG Zachte berkDuinriet-[Ligusterverbond/Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond] 37B-3 37B-a - RG Betula pubescens-Calamagrostis epigejos[Berberidion vulgaris/Querco-Fagetea] - RG Zachte berkDuinriet-[Ligusterverbond/Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond] 42A-1 42A/a - DG Prunus serotina-[Quercion roboris] - DG Amerikaanse vogelkers-[Zomereik-verbond] Ecologie Over het algemeen komen alle typen voor onder matig voedselrijke tot zeer voedselrijke omstandigheden op zandgrond. Rimpelroosstruweel ontwikkelt zich op zonnige, vaak verstoorde plaatsen in droog duin. De soort is oorspronkelijk een sierplant, welke zich vanuit de kustdorpen verspreid heeft naar aangrenzende duingebieden. De soort verdraagt zout en kan zelfs tot in de zeereep voorkomen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
46
Verspreiding Rimpelroosstruweel (37-1) is met een flinke oppervlakte aangetroffen, met name det noordwesten van het Eerste Korfwater. Vlierstruweel (37-2) is aan één vlak toegekend in de zeereep ter hoogte van het Derde Korfwater. Ligusterstruweel met Sporkehout (37B-1) is met een kleine oppervlakte aanwezig in het noordoosten van het Eerste Korfwater. Eiken-berkenstruweel met Eenstijlige meidoorn en Hondsdraf (37B-2) is met name toegekend aan enkele vlakken in het uiterste noordoosten van de Pettemerduinen. Ratelpopulierstruweel (37B-3) is met een beperkte oppervlakte toegekend aan enkele vlakken in het noordoosten van de Pettemerduinen. Struweel van Amerikaanse vogelkers (42A-1) is met een flinke oppervlakte aanwezig in het zuidoostelijk deel van de Pettemerduinen.
3.2.26
Duindoornstruwelen De volgende vormen zijn onderscheiden: 37B-4 37B-5 37B-6
Duindoornstruweel, vorm met duingraslandsoorten Duindoornstruweel, vorm met Duinriet Duindoornstruweel, vorm met Gewone eikvaren en Wilde kamperfoelie 37B-7 Duindoornstruweel, vorm met Zeemelkdistel en Bitterzoet 37B1-1 Duindoornstruweel, vorm met Gewone vlier Kenmerken De verschillende vormen worden allen gekenmerkt door dominantie van Duindoorn. Vorm 37B-4 heeft een vrij open karakter, met een grazige ondergroei van diverse duingraslandsoorten. Vorm 37B-5 is vrij ruig met in de kruidlaag een hoog aandeel Duinriet en soms ook Duinroos. Bij vorm 37B-6 wordt de kruidlaag gedomineerd door Gewone eikvaren en Wilde kamperfoelie. Type 37B-7 betreft een vorm met Zeemelkdistel en Bitterzoet. De vorm 37B1-1 wordt gekenmerkt door het frequente tot co-dominante voorkomen van Gewone vlier. De soort is regelmatig in het struweel aanwezig en komt maximaal abundant voor. Opnamentabel Totaal 5 vormen met 4 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 37B-4 37B-d - RG Hippophae rhamnoides-Cladonia-[Berberidion vulgaris] - RG Duindoorn-korstmossen-[Liguster-verbond] 37B-5 37B-e - RG Hippophae rhamnoides-Calamagrostis epigejos[Berberidion vulgaris] - RG Duindoorn-Duinriet-[Ligusterverbond] 37B-6 37B-e - RG Hippophae rhamnoides-Calamagrostis epigejos[Berberidion vulgaris] - RG Duindoorn-Duinriet-[Ligusterverbond] Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
47
37B-7
37B-c - RG Hippophae rhamnoides-Sonchus arvensis[Berberidion vulgaris] - RG Duindoorn-Akkermelkdistel[Liguster-verbond] 37B1-1 37B1 - Hippophao-Sambucetum - Associatie van Duindoorn en Vlier Ecologie Duindoornstruwelen komen voornamelijk voor in droge en vochtige, kalkhoudende duinen, met name in de zeeduinen. De subassociatie met Gewone vlier is een stikstofminnende gemeenschap die vooral groeit op voor de wind beschutte duinhellingen en in matig vochtige duinvalleien. De bodem is matig tot zeer kalk- en nitraatrijk. Duindoorn geeft via wortelknolletjes stikstof af aan de bodem. Daarnaast vindt er verrrijking plaats door uitwerpselen van de vele trekvogels die foerageren op de besdragende struiken. De rompgemeenschappen zijn gewoonlijk meer gebonden aan het middenduin en kunnen zich ontwikkelen uit duingrasland. Het type met Zeemelkdistel en Bitterzoet (37B-7) is met name in en direct achter de zeereep aan te treffen. Verspreiding De vorm met duingraslandsoorten (37B-4) is met een kleine oppervlakte aanwezig. De vorm met Duinriet (37B-5) is lokaal met flinke oppervlakte aanwezig, onder andere in het Derde Korfwater en langs de noordrand van het ECN-terrein. De vorm met Gewone eikvaren en Wilde kamperfoelie (37B-6) is met een kleine oppervlakte aanwezig, onder andere ten westen van het Eerste Korfwater. De vorm met Zeemelkdistel en Bitterzoet (37B-7) is
Dicht Duindoornstruweel direct achter de zeereepzone.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
48
sporadisch toegekend, ten westen van het Bosmeertje. Duindoornstruweel met Gewone vlier (37B1-1) is aan enkele vlakken toegekend, met name in het zuidewestelijk deel van de Pettemerduinen.
3.2.27
Droge naaldbossen De volgende vormen zijn onderscheiden: 41A-1 41A-2 41A-3
Overig naaldbos, zonder ondergroei Dennenbos, vorm met Amerikaanse vogelkers, Gewone eikvaren en Zomereik Dennenbos, vorm met Zandzegge, Duinriet en Zomereik
Kenmerken De verschillende vormen worden gedomineerd door Zwarte den. De verschillende vormen worden onderscheiden op basis van dominantie van de naamgevende soort in de ondergroei. Type 41A-1 betreft een naaldbostype zonder ondergroei. Opnamentabel Totaal 3 vormen met 3 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 41A-1 41A/c - DG Carex arenaria-Calamagrostis epigejos-[DicranoPinion] - DG Zandzegge-Duinriet-[Verbond der naaldbossen] 41A-2 41A/c - DG Carex arenaria-Calamagrostis epigejos-[DicranoPinion] - DG Zandzegge-Duinriet-[Verbond der naaldbossen] 41A-3 41A/c - DG Carex arenaria-Calamagrostis epigejos-[DicranoPinion] - DG Zandzegge-Duinriet-[Verbond der naaldbossen] Ecologie De verschillende vormen van dennenbos zijn ontstaan vanuit opstanden die in het verleden zijn aangeplant. Mosrijke en kruidenarme gemeenschappen hebben betrekking tot doorgaans vrij donkere, voedselarme bossen. Verspreiding De vorm zonder ondergroei (41A-1) is toegekend aan een flink aantal vlakken ten oosten van het Bosmeertje en ten westen van het ECNterrein. De vorm met Amerikaanse vogelkers (41A-2) betreft een type dat met name is toegekend aan vlakken in het zuidoostelijke deel van de Pettemerduinen. De vorm met Zandzegge, Duinriet en Zomereik (41A-3) is toegekend aan een flink aantal vlakken in met name het zuidoostelijk en noordelijk deel van de Pettemerduinen.
3.2.28
Droge loofbossen De volgende vormen zijn onderscheiden: 42A-2 42A-3 42A-4
Van der Goes en Groot
Esdoornbos met Amerikaanse vogelkers en braam Eikenbos, vorm met Amerikaanse vogelkers en Gewone eikvaren Eikenbos, vorm met Zandzegge en Gewone eikvaren
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020 42A-5
49
Amerikaanse eikenbos, vorm met Gewone esdoorn
Kenmerken De typen worden gekenmerkt door een boomlaag waarin Gewone esdoorn (42A-2), Zomereik (42A-3 en 4) of Amerikaanse eik (42A-5) dominant is. De ondergroeit wordt bij de meeste bostypen bepaald door het abundante tot co-dominante voorkomen van Amerikaanse vogelkers. Type 42A-4 betreft een vorm met Zandzegge en Gewone eikvaren. Opnamentabel Totaal 4 vormen met 5 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 42A-2 42A/a - DG Prunus serotina-[Quercion roboris] - DG Amerikaanse vogelkers-[Zomereik-verbond] 42A-3 42A/a - DG Prunus serotina-[Quercion roboris] - DG Amerikaanse vogelkers-[Zomereik-verbond] 42A-4 42A-c - RG Quercus robur-Dicranum scoparium-[Quercion roboris] - RG Zomereik-Gaffeltandmos-[Zomereik-verbond] 42A-5 42A/b - DG Quercus rubra-[Quercion roboris] - DG Amerikaanse eik-[Zomereik-verbond] Ecologie Over het algemeen worden de typen aangetroffen op een zandige, matig voedselrijke bodem. De vormen met Gewone eikvaren hebben met name betrekking tot geaccidenteerde dennenbossen met een noordelijk of oostelijke expositie. Verspreiding Esdoornbos met Amerikaanse vogelkers en braam (42A-2) is met een klein oppervlakte aanwezig in het zuidoostelijk deel van de Pettemerduinen. Eikenbos met Amerikaanse vogelkers en Gewone eikvaren (42A-3) is met een flink oppervlakte aanwezig in het bosgebied in het zuidoosten van de Pettemerduinen.
Eikenbos met Zandzegge en Gewone eikvaren is met een kleinere oppervlakte aanwezig in het zuidelijk deel van de Pettemerduinen. Amerikaans eikenbos is aan enkele vlakken toegekend in het bosgebied ten zuiden van het ECN-terrein.
3.2.29
Vochtige voedselrijke bossen De volgende vormen zijn onderscheiden: 43-1 43-2 43B-1 43B-2
Van der Goes en Groot
Zwarte populierenbos met Duinriet en Dauwbraam Populierenbos met Duinriet Berkenbos met braam en vochtminnende soorten Berken-eikenbos, vorm met Zwarte els en vochtminnende soorten
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
50
43B-3
Berken-eikenbos, vorm met Duinriet, braam en vochtminnende soorten Kenmerken De typen worden gekenmerkt door de hoge beddekking van de naamgevende soorten. Opnamentabel Totaal 5 vormen met 5 opnamen in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 43-1 43-i - RG Calamagrostis epigejos-[Querco-Fagetea] - RG Duinriet-[Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond] 43-2 43-i - RG Calamagrostis epigejos-[Querco-Fagetea] - RG Duinriet-[Klasse der eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond] 43B-1 43B-b - RG Betula pubescens-Calamagrostis epigejos-Mentha aquatica-[Berberidion vulgaris/Circaeo-Alnion] - RG Zachte berk-Duinriet-Watermunt-[Liguster-verbond/Verbond van Els en Es] 43B-2 43B-b - RG Betula pubescens-Calamagrostis epigejos-Mentha aquatica-[Berberidion vulgaris/Circaeo-Alnion] - RG Zachte berk-Duinriet-Watermunt-[Liguster-verbond/Verbond van Els en Es] 43B-3 43B-b - RG Betula pubescens-Calamagrostis epigejos-Mentha aquatica-[Berberidion vulgaris/Circaeo-Alnion] - RG Zachte berk-Duinriet-Watermunt-[Liguster-verbond/Verbond van Els en Es] Ecologie De gemeenschappen zijn gebonden aan matig vochtige standplaatsen waar de bodem sterk is verrijkt. Verspreiding Zwarte populierenbos met Duinriet en Dauwbraam (43-1) is aan een enkel vlak toegekend in het noordoosten van de Pettemerduinen.
Populierenbos met Duinriet (43-2) komt met een klein oppervlakte voor in het Eerste Korfwater. Berkenbos met bramen en vochtminnende soorten (43B-1) is alleen aangetroffen in het uiterste noordoosten. Berken-eikenbos, vorm met Zwarte els en vochtminnende soorten (43B-2) betreft een klein oppervlakte ten noordoosten van het Bosmeertje. De vorm met Duinriet (43B-3) is toegekend aan enkele vlakken in het uiterste noordoosten van de Pettemerduinen en ten oosten van het Bosmeertje.
3.2.30
Overige karteereenheden De volgende vormen zijn onderscheiden: 50A-1 50C-1
Van der Goes en Groot
Vegetatieloos water Kaal zand
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020 300-1 300-2
51
Olijfwilgenstruweel met Dauwbraam Pad, weg, niet gekarteerd
Kenmerken N.v.t. Opnamentabel Totaal 4 vormen met 1 opname in Bijlage 4. Vertaling lokaal type naar SBB-type 50A-1 50A - water (minder dan 5% begroeid) - water (minder dan 5% begroeid) 50C-1 50C - zand (minder dan 5% begroeid) - zand (minder dan 5% begroeid) 300-1 43-g - RG Rubus fruticosus s.l.-Rubus caesius-[QuercoFagetea] - RG Gewone braam-Dauwbraam-[Klasse der eikenen beukenbossen op voedselrijke grond] 300-2 300 - NVT (niet gekarteerd) - NVT (niet gekarteerd) Ecologie N.v.t. Verspreiding In het Eerste Korfwater en het Bosmeertje komen vegetatieloze wateren voor. Het Olijfwilgenstruweel met Dauwbraam is aangetroffen in het uiterste noordoosten van het gebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
52
3.3
Vegetatie-opnamen De vegetatieopnamen zijn op de in §2.1.2 beschreven methode tot stand gekomen. Van de meeste gekarteerde typen is tenminste één opname gemaakt. Van veel voorkomende typen zijn verspreid over het gebied opnamen gemaakt. Ter ondersteuning van de typologie zijn in totaal 122 opnamen gemaakt. In Bijlage 3 worden de opnamelocaties weergegeven en staan de tabellen van de vegetatieopnamen, op dezelfde wijze gerangschikt als de typologie.
3.4
Vegetatiekaart 1:3000 De vegetatiekaart 1:3.000 vindt men in Bijlage 5 en bestaat uit zeven deelkaarten. De kleur in de legenda geeft het hoofdtype aan. Alle lokale Staatsbosbeheertypen staan als label in het vlak genoteerd. Bij vegetatiecomplexen is arcering toegepast. Het label in het vlak bestaat in dat geval uit de code van de relevante gekarteerde vegetatietypen die een bedekking hadden van minimaal 30%.
3.5
Vereenvoudigde vegetatiekaart 1:10.000 In Bijlage 4 is een vereenvoudigde vegetatiekaart 1:10.000 weergegeven (twee deelkaarten). Op deze kaart zijn alleen de vereenvoudigde vegetatie-eenheden weergegeven. De vegetatie met de hoogste bedekking bepaalt de kleur van de vlakken op deze kaart. Met behulp van deze kaart krijgt men snel een overzicht van de hoofdindeling van de vegetatie van het gebied.
3.6
Toevoegingen en themakaarten Voor alle toevoegingen zijn aparte kaarten gemaakt (zie Bijlage 6). Deze kaarten hebben een schaal van 1:10.000. Alleen deelkaarten waar de desbetreffende toevoeging daadwerkelijk is aangetroffen zijn opgenomen in de bijlage. Hieronder worden de toevoegingen kort besproken. Akkerdistel Bedekking van Akkerdistel is in het gebied nauwelijks aan de orde. Het betreft één vlak in het Eerste Korfwater. Amerikaanse vogelkers Bedekking van Amerikaanse vogelkers, waarbij bedekkingen boven de 25% liggen, komen met name voor in het bosgebied ten oosten van het Eerste Korfwater, Bosmeertje en Zuidelijke Preekvallei. In het gedeelte ten noorden van het ECN-terrein komen voornamelijk bedekkingen van minder dan 5% voor. In het open duin zijn verder met name vlakken aanwezig waarop de soort met minder dan 5% voorkomt.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
53
Bezemkruiskruid Met name in het noordelijk deel van het gebied is Bezemkruiskruid met lage bedekkingen aanwezig, vooral direct ten noorden van het ECN-terrein. De soort komt nergens in problematisch hoge dichtheden voor, dat wil zeggen dat de soort (nog) niet dominant voorkomt. Korstmosbedekking Verspreid in het gehele gebied bevindt zich een flink aantal vlakken waarop de bedekking van korstmossen meer dan 25% bedraagt. Over het algemeen betreft het de zone van het midden- en binnenduin. Over grote oppervlakten komen korstmossen met een bedekking van minder dan 5% voor. Duindoorn Toevoeging van Duindoorn is verspreid toegekend aan vlakken direct achter de zeereep. De toevoeging is gebruikt voor open duin, maar ook aan struwelen toegekend. Met name in de zuidelijke helft van het gebied komen enkele vlakken voor waarop Duindoorn meer dan 25% bedekt (Duindoornstruwelen). Duinriet Voor wat betreft Duinriet geldt dat de soort lokaal met hoge bedekkingen voorkomt. Dit is met name het geval grenzend aan het ECN-terrein. Hier komen enkele flinke vlakken voor waarop Duinriet meer dan 50% bedekt. Verder is Duinriet verspreid in het gehele gebied, in wisselende dichtheden aanwezig. Rond de Kleine Florsvallei betreft het lokaal bedekkingen tussen de 25 en 50%.
In de zuidelijk helft betreft het over het algemeen vlakken waarop de soort minder dan 25% bedekt, met uitzondering van enkele vlakken in het Derde Korfwater. Het betreft niet alleen open duingrasland, maar ook bossen, waarin de soort met forse bedekkingen aanwezig kan zijn. Gewone braam Gewone braam is vrijwel nergens in problematisch hoge dichtheden aanwezig, dat wil zeggen dat de soort (nog) niet dominant voorkomt. Het aantal vlakken waar de soort met meer dan 25% bedekking voorkomt is zeer laag en deze zijn allen gelegen in en rond het bosgebied ten oosten van het Eerste Korfwater en Bosmeertje. In het gedeelte ten noorden van het ECN-terrein komen met name vlakken voor waarop Gewone braam minder dan 5% bedekt. Grijs kronkelsteeltje Voor wat betreft Grijs kronkelsteeltje bevinden de hoogste dichtheden (meer dan 25%) zich in het noordelijk deel van de Pettemerduinen, ten zuiden van de Florsvallei. Daarnaast zijn kleine vlakken met dergelijke percentages aanwezig ten westen van het ECN-terrein en direct ten zuiden van het ECN-terrein, oostelijk van de Preekvalleien. Over het algemeen is Grijs kronkelsteeltje met name
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
54
aanwezig in het binnenduin, maar hier en daar is de soort ook aanwezig in het middenduin, zij het met bedekkingen van minder dan 5%. Grote brandnetel Grote brandnetel komt nergens met noemenswaardig hoge dichtheden voor. Het betreft slechts een handvol vlakken waar de soort minder dan 25% bedekt. Bedekking haarmos De bedekking van haarmossen is op een aantal vlakken in het noordelijk deel van de Pettemerduinen met lage bedekkingen aanwezig. Het betreft over het algemeen vlakken waarop de soort minder dan 25% bedekt. Opslag loofhout Opslag van loofhout is aan een flink aantal vlakken toegekend, maar vrijwel nergens met hoge percentages. Alleen in het uiterste zuidoosten van de Pettemerduinen is opslag van loofhout met meer dan 50% bedekking toegekend. Het overgrote deel betreft vlakken met lage bedekkingen van minder dan 5%.. Opslag naaldhout Opslag van naaldhoutsoorten is verspreid in de Pettemerduinen aanwezig, maar het betreft vrijwel overal lage bedekkingen van minder dan 5%. Pitrus Pitrus is vrijwel nergens met problematisch hoge dichtheden aanwezig, waarin de soort dominant aanwezig is. Vrijwel alle soorten worden uit deze vegetaties verdrongen. De soort is alleen aanwezig
Naaldbossen in de Pettemerduinen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
55
in het zuidelijk deel van de Pettemerduinen, met name in het Eerste Korfwater, maar het betreft lage percentages (minder dan 5%).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
56
3.7
Vergelijking met eerder uitgevoerde kartering In dit hoofdstuk wordt een vergelijking gemaakt met de oude vegetatiekartering van 2004. Daarbij dient men rekening te houden met verschillen in interpretatie van karteerders, of inzichten die in de jaren veranderen. Deze zorgen in de meeste gevallen voor grotere verschillen, dan dat verschillen ontstaan door natuurlijke successie of beheeringrepen. In de Pettemerduinen lijkt dit grotendeels het geval te zijn, maar er zijn wel verschuivingen te benoemen. Daarbij wordt met name gefocust op de vegetatiegroepen als geheel, bijvoorbeeld de oppervlakte vochtige heide, duinheide of grauwe wilgenstruweel. Op deze manier zijn enkele zinnige uitspraken te doen aangaande de vergelijking met de oude kartering. Vochtige vegetaties en duinvalleien Net als tijdens de vorige kartering werd ook nu de vegetatie van Kleinste egelskop aangetroffen (06B2-1). Binnen klasse 8 lijken de vegetaties matig toe te nemen, met name soortenarm riet is in oppervlakte toegenomen. Binnen de vochtige duinvalleien (09A1 en 09C3) lijkt een matige toename in oppervlakte te zijn. De typen zijn gezamenlijk met ca. 0,7 ha toegenomen (van 2,46 naar 3,16 ha). Binnen de vochtige Kruipwilgstruwelen lijkt een afname in oppervlakte zichtbaar, waarschijnlijk vanwege maaibeheer van de vochtige duinvalleien.
Mogelijkerwijs komt de toegenomen oppervlakte binnen 09C3-vegetaties voort uit het maaien van rompgemeenschappen van Kruipwilg. Wanneer de oppervlakte van zowel de rompgemeenschappen van Kruipwilg als de associaties bij
Vegetatie van Kleinste egelskop (06B2-1).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
57
elkaar worden opgeteld, blijft de totale oppervlakte vrijwel gelijk (om en nabij de 6,2 ha). Vochtige heiden Binnen de vochtige heiden (klasse 11) lijkt een verschuiving zichtbaar, het type met onder andere Heidekartelblad (11A3-3) lijkt in oppervlakte afgenomen (ca. 0,26 ha). Het type lijkt overgegaan in de typische vorm (11A3-1), dit type is ten opzichte van vroeger matig toegenomen. De totale oppervlakte van de vochtige heiden lijkt echter gelijk gebleven. Tijdens beide karteringen schommelt de totale oppervlakte rond 1,4 ha (1,37 ha in 2004, 1,43 ha in 2020). Droge duingraslanden De totale oppervlakte van Duinriet-vegetaties lijkt te zijn toegenomen met ca. 0,3 ha. De vegetatie van Grijs kronkelsteeltje lijkt afgenomen. Deze ontwikkeling volgt de over het algemeen geaccepteerde constatering dat dichte matten van Grijs kronkelsteeltje na verloop van tijd (meerdere jaren) open breken, waardoor er ruimte ontstaat voor overige soorten. Vaak komen hier Duin-buntgras-vegetaties uit voort, al dan niet met veel bladmossen. De afname van de vegetatie is in dit geval positief; het type is met ca. 1,5 ha afgenomen. Droge kruipwilgvegetaties in klasse 14 (14-2, 14-3) lijken sterk toegenomen, met ca. 3,8 ha ten opzichte van de oude kartering . Het betreft mogelijk verdere verruiging van duingrasland. Duinroosjevegetatie (14-4) lijkt in oppervlakte achteruit gegaan.
Droge ontkalkte duingraslanden, zoals vegetaties met Gewoon struisgras en Gewoon biggenkruid (14-6), Zandzeggevegetaties (14-7) en vegetaties met zandzegge en korstmossen (14-8), lijken in totaliteit vrijwel gelijk gebleven. Binnen de vegetaties zijn wel enkele verschuivingen zichtbaar. In 2020 betreft het met name zandzeggevegetaties met korstmossen (14-j), terwijl in het verleden met name Zandzeggevegetaties zonder korstmossen (14-o) zijn toegekend. Dit heeft vrijwel zeker te maken met interpretatieverschillen tussen karteerders. Duin-buntgras-vegetaties lijken sterk te zijn toegenomen, maar mogelijk is een groot deel in het verleden benoemd als overig kalkarm duingrasland. Binnen de Duinsterretjesvegetaties lijken vrijwel geen oppervlakten gewijzigd te zijn. In 2004 werd ca. 10 ha gekarteerd, in 2020 betrof dit ca. 9,3 ha., maar mogelijk zijn vanwege flinke verstuivingen enkele vlakken overstoven geraakt. De verschillen binnen 14D-d zijn grotendeels ontstaan door interpretatieverschillen. Het duinpaardenbloemgrasland lijkt te zijn toegenomen en de vegetaties met Wondklaver (15A2) zijn niet eerder onderscheiden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
58
Blauwgrasland, Dauwbraamruigte en Heischraal grasland De oppervlakte aan blauwgrasland lijkt gelijk te zijn gebleven. In 2004 werd een totale oppervlakte van ca. 0,42 ha als blauwgrasland-rompgemeenschap benoemd, in 2020 betrof dit ca. 0,43 ha. Dauwbraamruigten binnen klasse 17 lijken te zijn afgenomen, mogelijkerwijs omdat de ruigten zijn overgegaan in struweel of bos, of omdat beheermaatregelen ervoor hebben gezorgd dat de vegetatie is teruggezet naar duingrasland. Heischraal grasland binnen klasse 19 lijkt niet eerder te zijn toegekend, maar mogelijk betreft dit interpretatieverschillen. Droge heide Binnen de droge heiden (20), al dan niet met Kraaihei, lijkt in totaal een afname in oppervlakte waarneembaar. Dit is echter te verklaren vanwege de karteerschaal van vlakken en de mate van nauwkeurigheid. Het is aannemelijk dat er in 2020 meer vegetaties in mozaïek zijn toegekend, waardoor vlakken niet geheel als heide worden bestempeld. Dit werkt door in de totale oppervlakte. De aanname is dat droge heiden in oppervlakte gelijk zijn gebleven. Binnen de heiden met Kraaihei (20A3) blijkt een afname zichtbaar, de door Struikhei gedomineerde vegetaties (20A1) lijken daarentegen te zijn toegenomen.
Zeereepvegetaties Zeereepvegetaties (klasse 23) lijken in omvang vrijwel gelijk gebleven, al is door een afwijkende karteergrens nu ook een grote oppervlakte aan Biestarwegras-vegetaties (23A1-1) toegekend aan de buitenzijde van de zeereep.
Spaanse ruiter lijkt te zijn toegenomen in de Kleine Florsvallei.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
59
Struwelen en bossen De oppervlakte aan Grauwe wilgstruwelen is vrijwel gelijk gebleven (in 2004 ca. 5,5 ha, in 2020 ca. 5,3 ha).De struwelen binnen klasse 37 (zonder Duindoornstruweel) lijken in oppervlakte iets afgenomen, maar Duindoornstruweel lijkt echter flink toegenomen (van ca. 0,75 naar ca. 1,9 ha). Naaldbos is in oppervlakte vrijwel hetzelfde gebleven en voor de loofbossen geldt dat door grensverschillen tussen karteringen geen vergelijking mogelijk is. Droog loofbos met Amerikaanse vogelkers lijkt flink te zijn toegenomen. In 2004 werd ca. 8 ha toegekend, in 2020 betrof de oppervlakte van bossen met Amerikaanse vogelkers ca. 11,9 ha.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
60
3.8
Foutendiscussie Tijdens een onderzoek als dit kunnen door verschillende factoren fouten ontstaan in de resultaten. In deze paragraaf zal worden aangegeven wat de mogelijke foutenbronnen zijn geweest en hoe hier mee is omgegaan. Een aantal fouten is het gevolg van tikfouten bij het invoeren van de gegevens in een digitaal bestand. Door het gebruik van vaste procedures, zoals digitaal ‘stippen’ in het veld en de inzet van ervaren krachten zijn dergelijke fouten zoveel mogelijk voorkomen. Door het uitvoeren van een aantal specifieke ‘queries’ in het digitale invoerbestand en door diverse controles uit te laten voeren door een veldwerker konden ook fouten in ingevoerde waarnemingen opgespoord en verbeterd worden. Complexen van verschillende vegetatietypen zijn terughoudend toegekend. Het is mogelijk dat door de tijd van het jaar waarin het veldwerk werd uitgevoerd of door de weersomstandigheden bepaalde soorten zijn onderschat en dat daarom seizoensafhankelijk verschillende typen kunnen zijn toegekend. De in Pettemerduinen aanwezige vegetatietypen zijn echter gedurende het hele groeiseizoen zeer goed herkenbaar, zodat niet kan worden verwacht dat bovengenoemde seizoenseffecten hier een rol spelen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
4
61
Conclusies en aanbevelingen In het karteringsgebied zijn in 2020 een groot aantal bijzondere vegetaties aangetroffen. De Pettemerduinen kennen een rijke afwisseling in droog, vochtig, nat, kalkarm en kalkrijk. Door deze verschillen in standplaatsfactoren komen tal van bijzondere vegetatietypen in dit relatief kleine duingebied voor. Van west naar oost, van strand tot Westerduinweg, volgen de vegetaties een min of meer opeenvolgend patroon. In de zeereep domineren zeereepvegetaties (23), het betreft vrijwel overal de soortenarme vorm met Helm en Zeemelkdistel (23B1-1). Soorten als Zeewolfsmelk en Blauwe zeedistel komen slechts spaarzaam voor. Deze vegetaties maken evenwel onderdeel uit van Habitattype 2120. Meer landinwaarts bevindt zich van noord naar zuid een brede strook duingrasland, met voornamelijk vegetaties binnen klasse 14. Het gaat hier met name om de Duin-buntgras-associatie, associatie 14A2b, die in de Pettemerduinen over grote oppervlakten voorkomt. Het aspect wordt bepaald door lage, schrale grassen als Buntgras, Smal fakkelgras en Fijn schapengras, en vooral door de abundante moslaag, met soorten als Groot klauwtjesmos, Groot duinsterretje en vooral korstmossen zoals Sierlijk en Open rendiermos, Zomersneeuw, Vals rendiermos, Gevorkt heidestaartje en, spaarzamer, Kraakloof, Varkenspootje en Girafje.
Helaas treedt in deze vegetatie lokaal ook behoorlijk veel Grijs kronkelsteeltje op. Bovengenoemde vegetaties maken onderdeel uit van Habitattype 2130 “grijze duinen”. Dit is een prioritair habitattype, dat wil zeggen dat Nederland voor dit type in Europa een extra grote verantwoordelijkheid heeft, gezien de relatief grote oppervlakte ervan binnen onze landsgrenzen. Voor dit type geldt in de beheerplannen doorgaans een herstel- of uitbreidingsopgave, die soms zelfs ten koste van andere Habitattypen als Duindoornstruweel (H2160) mag gaan. Verspreid tussen de duingraslanden liggen vochtige tot natte valleien, die in het verleden nooit zijn beïnvloed door waterwinning, met een rijke flora en vegetatie (vochtige duinvalleien). Deze behoren met name tot klasse 9 en 11, soms met een inslag van klasse 19. Bijzonder is ook de hoge presentie van Stekelbrem, een lokale specialiteit in de Pettemerduinen. Noemenswaardig is verder de vegetatie van Kleinste egelskop, die met een kleine oppervlakte in het gebied is aangetroffen in een kleine poel ten oosten van het Bosmeertje. In een aantal van de natste valleien, maar vooral in de twee geplagde valleien, de Florsvallei en de Preekvallei, komt plaatselijk abundant Galigaan voor (08C5-1), een zeldzaam, maar soortenarm type.
Een deel van de duinvalleien is grotendeels met Kruipwilg begroeid, met daartussen plaatselijk algemeen Rond wintergroen, en op enkele plekken ook Klein wintergroen (20-1).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
62
In de wat minder laag gelegen valleien, en vooral op noordhellingen, komen vegetaties voor uit klasse 20. De dominante soort is Kraaihei. Vooral de Associatie van eikvaren en Kraaihei (20A3-4) treedt hier sterk op de voorgrond. Bovengenoemde typen zijn samen met de al eerder genoemde vochtige heiden onderdeel van Habitattype 2140. Ook dit is een prioritair type, dat in Nederland alleen voorkomt in de duinen ten noorden van Bergen. Verspreid door het duingebied, maar vooral aan de zuidoostkant, komen eikenbossen voor van het type berken-eikenbos (klasse 42). Gewone eikvaren komt hierin met een opvallend hoge presentie voor, mogelijk als gevolg van successie vanuit Kraaiheidevegetaties met Gewone eikvaren (20A3-4). Dit type maakt onderdeel uit van Habitattype 2180 (duinbossen). Het algehele beeld van de Pettemerduinen, is dat het een zeer gevarieerd duingebied is. Van vergrassing is in het gebied over het algemeen weinig sprake. De extensieve begrazing met enkele Galloway ’s is hier van geringe invloed. Rimpelroos is in de Pettemerduinen een plaagsoort, waar bij voorkeur op korte termijn, tegen opgetreden zou moeten worden. Als dit achterwege wordt gelaten, kunnen de duingraslanden langzamerhand worden “opgeslokt”.
Amerikaanse vogelkers is in het open duin in mindere mate een probleem, het zijn veelal laag blijvende exemplaren, die eventueel met vrijwilligers nog eenvoudig uit te steken zijn. In de bossen is de soort een plaag. Hoewel de soort een grotere bedreiging is voor de duingraslanden dan voor de bossen zelf, zou deze ook hier bestreden moeten worden om de aanvoer van zaden naar het open duin te beperken. De vochtige en natte duinvalleien, vooral die in het Tweede en Derde Korfwater, zijn momenteel deels aan het verruigen met Duinriet, Kruipwilg en Duindoorn. De extensieve begrazing lijkt hier niet het antwoord op te zijn. Concurrentiekrachtige soorten als Knopbies, Zeerus, Galigaan, Duinrus en Drienervige zegge houden het onder deze condities echter geruime tijd vol. Kwetsbare soorten als orchideeën, Heidekartelblad en Klein wintergroen lijken hier afgenomen of verdwenen; zij stellen meer eisen aan het habitat en zullen bij verruiging verdwijnen. Een hernieuwd ingesteld maaibeheer, zoals dat in het verleden plaatsvond (mond. med. F. Erinkveld) zou deze trend nog kunnen keren. De Preekvallei is in 2002 deels geplagd. In dit natte valleitje komen bijzonderheden voor als Galigaan, Knopbies, Zeerus, Dwergzegge en Drienervige zegge. De in het verleden geplagde valleien vormen in feite een goed voorbeeld van hoe de vegetatie zich kan herstellen na menselijk ingrijpen.
In het algemeen geldt dat het stilzetten, of liefst terugzetten van de successie, de rijkste natuurwaarde oplevert. Het regelmatig in ruimte en tijd creëren van nieuwe pionier omstandigheden, bijvoorbeeld door middel van kleinschalig plaggen,
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
63
is hiervoor een beproefde maatregel. Er wordt daarom aangeraden de verruiging in enkele valleien middels de bekende beheermaatregelen, zoals die zijn uitgevoerd in de Preekvallei en de Florsvallei, te bestrijden. Extensieve begrazing alleen is daarvoor niet voldoende, zeker niet met een vrij lage dichtheid aan grazers. De bossen bestaan voor een deel uit aangeplante Zwarte dennen met een zeer monotone ondergroei en geringe natuurwaarde. Landschappelijk zijn ze waarschijnlijk van groot belang voor de recreatie. Zowel deze bossen als de inheemse eikenbossen hebben een hoge presentie van Amerikaanse vogelkers in de ondergroei. Tegen deze plaagsoort helpen slechts zeer ingrijpende maatregelen. Een deel van de graslanden op het Eerste korfwater zijn begin september gemaaid. Op zichzelf een goede maatregel, alleen is dit uitgevoerd met een zware maai-zuigcombinatie, hetgeen over het algemeen wordt beschouwd als ongeschikt in het natuurbeheer vanwege bodemverdichting. In het deel ten noordoosten van het ECN-terrein lijkt het beheer al een tijdje gestopt te zijn. Door het achterwege laten van maaien of begrazen, lijken de hier aanwezige valleien te verruigen, maar hier bevinden zich nog altijd wel concurrentiekrachtige soorten als Knopbies, Galigaan en Rond wintergroen. Herstelbeheer lijkt hier de aangewezen maatregel.
Bloeiend Rond wintergroen tussen de Kruipwilgvegetaties.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
64
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
5
65
Literatuur APTROOT, A., C.M. VAN HERK, L.B. SPARRIUS & J.L. SPIER, 2004. Checklist van de Nederlandse korstmossen en korstmosparasieten. Buxbaumiella 68: 17-55. DEN HELD, J.J. & A.J. DEN HELD 1979. Beknopte handleiding voor vegetatiekundig onderzoek. Wetenschappelijke Mededelingen van de K.N.N.V. nr. 97. Kon. Ned. Natuurhistorische Ver., Hoogwoud. DIEMEER, J. & T. VAN TRIGT, 2020. Verslag veldwerk Pettemerduinen, 2020. Van der Goes en Groot, Kwintsheul, in opdracht van gemeente Schagen en Arcadis Nederland B.V. DUISTERMAAT, L., 2020. HEUKELS’ FLORA VAN NEDERLAND. 24E DRUK. WOLTERS-NOORDHOFF, GRONINGEN. FLORON, 2006. HANDLEIDING INVENTARISATIEPROJECTEN FLORON. FLORON, LEIDEN. HENNEKENS, S.M., N.A.C. SMITS & J.H.J. SCHAMINÉE, 2010. SynBioSys Nederland versie 2. Alterra, Wageningen UR. JANSSEN J., P. VAN DER MOLEN, M. SCHERPHUIS, A. APTROOT, D. BAL, J. BERGWERFF, W. BIJKERK, H. BOLL, M. BRONGERS, P. BREMER, M. COURBOIS, T. DAMM, H. EVERTS, S. DE GOEIJ, H. VAN DER HAGEN, A. VAN HEERDEN, J. HOLTLAND, M. HORSTHUIS, H. INBERG, G. JACOBUSSE, M. JONGMAN, H. KIVIT, J. VAN DER LINDEN, B. OOSTERBAAN, K. ROOD, M. SIMMELINK, J. SLURINK, M. VAN TIL, M. VAN TWEEL, N. DE VRIES & M. VAN ZUIJEN, 2017. Een landelijk protocol voor vegetatiekarteringen. Vakblad natuur bos landschap 139: 28-30. LANGBROEK, M., D.J. VAN DER GOES, J. DIEMEER & T. VAN TRIGT, 2021. Florakartering Pettemerduinen, 2020.
Kartering van SNLsoorten, Rode Lijstsoorten en typische habitatsoorten. G&GRapport 2020-2015 Van der Goes en Groot, Kwintsheul, in opdracht van gemeente Schagen en Arcadis Nederland B.V. LEYS, H.N., 1980. Handleiding ten behoeve van vegetatiekarteringen. Wetenschappelijke Mededelingen van de K.N.N.V. nr. 130, Amsterdam. SANDE, J.C.P.M. VAN DER & T. DAMM, 2005. Basisvegetatiekartering Pettemerduinen. Vegetatie- en soortenkartering in 2004, inclusief ECN-terrein en GCO-terrein. G&G-Rapport 2005-2. Van der Goes en Groot, Alkmaar, in opdracht van Staatsbosbeheer, ECN en GCO. SCHAMINÉE, J.H.J., A.H.F. STORTELDER & E.J. WEEDA, 1996. De vegetatie van Nederland. Deel 3: Plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden. Opulus Press, Uppsala/Leiden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
66
SCHAMINÉE, J.H.J., A.H.F. STORTELDER & V. WESTHOFF, 1995A. De vegetatie van Nederland. Deel 1: Grondslagen, methoden en toepassingen. Opulus Press, Uppsala/Leiden. SCHAMINÉE, J.H.J., E.J. WEEDA & V. WESTHOFF, 1995B. De vegetatie van Nederland. Deel 2: Plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden. Opulus Press, Uppsala/Leiden. SCHAMINÉE, J.H.J., E.J. WEEDA & V. WESTHOFF, 1998. De vegetatie van Nederland. Deel 4: Plantengemeenschappen van de kust en van binnenlandse pioniermilieus. Opulus Press, Uppsala/ Leiden. SCHAMINÉE J.H.J, R. HAVEMAN, P.W.F.M. HOMMEL, J.A.M. JANSSEN, I. DE RONDE, P.C. SCHIPPER, E.J. WEEDA, K.W. VAN DORT & D. BAL, 2017. Revisie Vegetatie van Nederland. Stratiotes 50/51. Plantensociologische Kring Nederland. Uitgeverij WesterlaanPublisher, Lichtenvoorde. SCHIPPER, P.C., 2002. Catalogi Vegetatietypen en Terreincondities. In: Staatsbosbeheer, 2005. Catalogi Bedrijfssturing, versie 5. Staatsbosbeheer, Driebergen. SIEBEL, H.N. & H.J. DURING, 2006. Beknopte mosflora van Nederland en België. KNNV Uitgeverij, Utrecht. STORTELDER, A.H.F., SCHAMINÉE, J.H.J. & P.W.F.M. HOMMEL, 1999. De vegetatie van Nederland. Deel 5: Plantengemeenschappen van ruigten, struwelen en bossen. Opulus Press, Uppsala/ Leiden. VAN DER MEIJDEN, R., B. ODÉ, C.L.G. GROEN, J.P.M. WITTE & D. BAL, 2000.
Bedreigde en kwetsbare vaatplanten in Nederland: basisrapport met voorstel voor de Rode Lijst. Gorteria 26: 85-208. VAN RAAM, J.C., 2003. Standaardlijst der Nederlandse Characeae per februari 2003. Nieuwsbrief Kranswieren 7 (12): 23. VAN TONGEREN, O.F.R., 1995. Programma Associa, Gebruikershandleiding en voorwaarden. Data-Analyse Ecologie, Arnhem/Diever, NL. VAN DE VONDERVOORT, T., M. LANGBROEK & D.J. VAN DER GOES, 2019. Vegetatie- en plantensoortenkartering Duinen van Texel, 20172018. G&G-Rapport 2019-02 Van der Goes en Groot, Kwintsheul, in opdracht van Staatsbosbeheer. WEEDA, E.J., 1985, 1987, 1988, 1991, 1994. Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties. Deel 1, 2, 3, 4 en 5. IVN, VARA en VEWIN, Amsterdam. WERF, S. VAN DER, 1991. BOSGEMEENSCHAPPEN. NATUURBEHEER IN NEDERLAND 5. PUDOC, WAGENINGEN. WESTHOFF V. & A.J DEN HELD, 1969. Plantengemeenschappen in Nederland. Thieme, Zutphen. WWW.SYNBIOSYS.ALTERRA.NL/SBBCATALOGUS
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
67
6
Bijlagen
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Kaart karteringsgebied en toponiemen Tabel Vegetatietypologie, vertaling, oppervlakte Locaties vegetatieopnamen en opnamentabellen Vereenvoudigde vegetatiekaart 1:10.000 Vegetatiekaart 1:3000 Themakaarten Overzicht digitale producten Wetenschappelijke verantwoording vegetatiekarteren Uitklaplegenda
Bijlage 9
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
Bijlage 1 Kaart karteringsgebied en toponiemen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
±
2020
Kleine Florsvallei Boerenslag
ECN-terrein
Derde Korfwater
Tweede Korfwater
Noordelijke Preekvallei
Zuidelijke Preekvallei
Bosmeertje
Eerste Korfwater
© Kadaster Nederland
Kaart karteringsgebied en toponiemen Pettemerduinen
0
0,6
km
Vegetatiekartering Pettemerduinen 2020
Bijlage 2 Tabel Vegetatietypologie, vertaling, oppervlakte
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2020-216
Bijlage 2. Tabel Vegetatietypologie, vertaling, oppervlakte
Lokaal type Naam Watervegetaties 05-1 Vegetatie van Drijvend fonteinkruid 06B2-1 Vegetatie van Kleinste egelskop Helofytenvegetaties 08-1 Vegetatie van Grote lisdodde 08-2 Vegetatie van Riet (soortenarm) 08B2-1 Vegetatie van Ruwe bies Galigaanvegetaties 08C5-1 Vegetatie van Galigaan met duinvalleisoorten Duinvalleivegetaties rompgemenschappen 09-1 Kruipwilgstruweel, vorm met Gewone wederik, Gele lis en Duinriet 09-2 Kruipwilgstruweel, vorm met soorten van het kleine zeggenmoerassen Duinvalleivegetaties 09A1-1 Vegetatie met Drienervige zegge en Kruipwilg 09C3-1 Kruipwilgvegetatie, vorm met Moeraswespenorchis en Rond wintergroen 09C3-2 Kruipwilgvegetatie, vorm met Knopbies, Moeraswespenorchis en Drienervige zegge 09C3-3 Knopbiesvegetatie, vorm met Moeraswespenorchis, Gewone dophei en Tormentil 09C3-4 Knopbiesvegetatie, vorm met Tormentil, Blauwe zegge en Parnassia 09C3-5 Knopbiesvegetatie, soortenarme pioniervorm Vochtige heidevegetaties 11A3-1 Dopheivegetatie, vorm met Tormentil, Duinrus en Stekelbrem 11A3-2 Dopheivegetatie, vorm met Kraaihei, Tormentil en Duinrus 11A3-3 Dopheivegetatie, vorm pionierstadium met Struikhei, Stekelbrem en Heidekartelblad Overstromingsgraslandvegetaties 12B-1 Vegetatie met Gewone waterbies, Egelboterbloem en Zwarte zegge Raaigrasweiden 12A1-1 Vegetatie van Engels raaigras met Tengere rus Kruipwilgstruwelen droog 14-2 Kruipwilgstruweel, vorm met