Brief aan provincie mbt Denneweg
Tekst van het document
de depositie in dit geval geen significant negatieve gevolgen heeft. Als u van mening bent dat er wel significante gevolgen kunnen zijn, dan horen wij graag de ecologische tegenargumenten van u. Er wordt wel terecht door u gesteld dat de stikstofberekening niet is uitgevoerd met de laatste versie van AERIUS Calculator. De oorspronkelijke berekening is uitgevoerd op 25 februari 2020. Het bestemmingsplan is vastgesteld op 27 oktober 2020. Terwijl de stukken al in het besluitvormingstraject zaten, is er op 15 oktober 2020 een nieuwe versie van AERIUS gelanceerd. Wij hebben inmiddels een nieuwe berekening gemaakt: de depositie in de aanlegfase komt nu uit op 0,46 mol/ha/jaar in plaats van 0,42 mol. De depositie in de gebruiksfase is hetzelfde: 0,04 mol/ha/jaar. Voor de conclusies maakt het geen verschil: ook een tijdelijke depositie van 0,46 mol/ha/jaar levert o.i. geen significant negatief effect op. Uw opmerking dat de plantoets niet is gebaseerd op een (project- en gebiedsspecifieke) ecologische onderbouwing, begrijpen wij niet goed. Zoals gezegd staat er in het bestemmingsplan en de nota zienswijzen een degelijke ecologische onderbouwing, waarbij ook gewezen is op de staat van de habitattypen in het betrokken Natura 2000-gebied.
Zoals u weet is ook de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van mening dat tijdelijke stikstofdepositie ten gevolge van bouwactiviteiten geen negatief effect heeft op Natura 2000gebieden. Zoals bekend komt er middels de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in samenhang met het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering een vrijstelling van de Wnb-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door bouwactiviteiten. De minister acht de vrijstelling verdedigbaar gezien de kenmerken van de stikstofemissies die vrijkomen in de bouwfase. Deze emissies zijn al onderdeel van de landelijke achtergronddepositie, projecten vinden steeds plaats op andere locaties, de emissies zijn slechts tijdelijk van aard, er is daardoor geen sprake van een structurele belasting, het merendeel van de deposities wordt opgenomen en het totaal van emissies tijdens de bouwfase maakt slechts een klein gedeelte uit van de totale stikstofdeken boven Nederland. De minister acht daarbij van belang dat de bouw een continu proces is waarbij het bouwvolume over het geheel genomen min of meer gelijk blijft. Er is sprake van een “diffuus gelijkmatige deken over Nederland” die substantieel gereduceerd wordt door de autonome daling van emissies als gevolg van reeds vastgesteld beleid en een robuust structureel pakket aan bronmaatregelen.
Dit is precies de redenering zoals opgenomen in de toelichting bij het bestemmingsplan en in de nota zienswijzen. Daarom bevreemdt het ons dat u suggereert wij een loopje zouden nemen met de wet. Ook lopen wij niet vooruit op toekomstige wetgeving. Uit de Wnb volgt dat er pas een vergunningplicht geldt indien er sprake kan zijn van significante gevolgen. Met de minister zijn wij van oordeel dat significante gevolgen ten gevolge van tijdelijke bouwactiviteiten zijn uitgesloten. In die zin is de door de minister voorgestelde vrijstelling eigenlijk niet eens nodig, want er geldt al geen vergunningplicht. Een activiteit heeft een significant gevolg of niet. Dit is een feitelijk ecologisch gegeven en is niet afhankelijk van de vraag of er wetgeving over die activiteit bestaat. Anders gezegd: een juridisch instrument (vrijstelling) heeft geen invloed op de ecologische effecten van een activiteit. Men moet puur kijken naar de activiteit zelf en de gevolgen daarvan voor de natuur. Wij zijn van oordeel dat het bouwplan in kwestie geen significant negatieve gevolgen kan hebben. Uw opmerking dat wij het landelijke SSRS een achterhaald systeem zouden vinden, begrijpen wij niet. Dit hebben wij nooit gesteld. Wel is het zo dat er met de hierboven genoemde vrijstelling van de vergunningplicht uit de Wnb het SSRS niet langer nodig is voor stikstofdepositie in de bouwfase.
U stelt dat u het bevoegd gezag bent op grond van de Wnb. Deze stelling behoeft nuancering. Uit het systeem van de Wet natuurbescherming, de Wet ruimtelijke ordening en de (aanhaakplicht uit de) Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vloeit voort dat bij een aanvraag om een bestemmingsplanherziening of een omgevingsvergunning in eerste instantie de gemeente beoordeelt of het bouwplan in kwestie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als dat
Bij beantwoording ons kenmerk vermelden.
Pagina 2 van 3
het geval is, dan is toestemming nodig van gedeputeerde staten in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen of een Wnb-vergunning. Als er geen significante gevolgen zijn, dan is geen toestemming nodig en komt de provincie er niet aan te pas. Zoals gezegd waren en zijn wij van oordeel dat er in casu geen significante gevolgen kunnen zijn. Wij hebben overigens de initiatiefnemer volledig geïnformeerd over onze lijn en de gesprekken daarover met u. Uw oordeel dat onze handelswijze bestuurlijk ongepast zou zijn, vinden wij dan ook onbegrijpelijk. Daarbij: het bestemmingsplan heeft vanaf 29 april 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegen voor zienswijzen. De provincie heeft geen zienswijzen ingediend m.b.t. de ecologische paragraaf. Dit terwijl bij de provincie bekend was welke ecologische redenering de gemeente hanteerde. Dit is nl. besproken tijdens een ambtelijk overleg op 6 april 2020 tussen dhr. M. Mooij (gemeente), mevr. E. Snijders-Storm (provincie) en dhr. K. Vrolijk (Omgevingsdienst). Wij mochten dus aannemen dat de provincie het eens was met de ecologische argumentatie. Tot slot: wij zijn het met u eens dat de toestemming voor ontwikkelingen moet plaatsvinden binnen de wettelijke kaders. Hoe die kaders eruitzien, daarover gaan wij graag het gesprek met u aan.
Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen
Powered by TCPDF (www.tcpdf.org)
De heer N.H. Swellengrebel gemeentesecretaris
Mevrouw M.J.P. van Kampen-Nouwen burgemeester
Bij beantwoording ons kenmerk vermelden.
Pagina 3 van 3