CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting deel 2

Gemeenteraad 20 september 2022, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Midgard'19.826 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 3 Watertoets, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, 22 oktober 2020

/LQHNHYDQ+DOO $DQ 2QGHUZHUS

/LQHNHYDQ+ DOO 5($DQYXOOHQGZ DWHUWRHWVDGYLHV0 LJDUG7XLWMHQKRUQ

Van: Dubbeld, Mara <M.Dubbeld@hhnk.nl> Verzonden: maandag 9 november 2020 10:38 Aan: Kees-Jan Oudshoorn <kjoudshoorn@andbricks.nl> Onderwerp: 3949 - Aanvullend watertoetsadvies Migard, Tuitjenhorn Geachte meneer Oudshoorn, Voor het uitbreiden van het complex Midgard aan de Regenboog 50 in Tuitjenhorn, heeft het hoogheemraadschap op 22 oktober 2020 een aanvraag middels de digitale Watertoets van u ontvangen (bij ons geregistreerd onder kenmerk 20.0880735). Tevens heeft u per mail van 30 oktober 2020 nog aanvullende vragen gesteld met betrekking tot het beheer en onderhoud van het compensatiewater en capaciteit van de persleiding. Bij de digitale watertoets was een overzichtstekening toegevoegd ter illustratie van de wijzigingen. Hieruit heb ik opgemaakt dat er een toename aan woonbebouwing is en een toename aan parkeerplaatsen waarbij sprake is van een totale toename aan verharding van 3000m2. Mocht dit anders zijn en zou dit invloed hebben op de toename aan verharding dan hoor ik dit uiteraard graag. De conclusie uit de ingediende watertoets is dat de normale procedure gevolgd moet worden. Dit is gebaseerd op de toename aan verharding en de mate van compensatie hiervoor. Deze mail kunt u beschouwen als een aanvullend advies op de ontvangen digitale watertoets en vormt gezamenlijk het volledige advies van het hoogheemraadschap.

Ik zou u willen vragen om in het proces richting de realisatie van de ontwikkeling, rekening te houden met onderstaande punten in aanvulling op de informatie vanuit de digitale watertoets. Gebiedsbeschrijving Het plangebied is gelegen in peilgebied 03751-09 in de polder Geestmerambacht met een dynamisch peil van NAP 2,40 meter. Het gebied watert af via een aantal secundaire- en primaire waterlopen naar de Schermerboezem. Waterkwantiteit Verhardingstoename Binnen het werkgebied van het hoogheemraadschap is de afgelopen decennia door verstedelijking het areaal aan open water afgenomen. Om dit verschijnsel tegen te gaan is in 2003 de watertoets geïntroduceerd die ervoor moet zorgen dat de waterbelangen beter in ruimtelijke plannen worden meegenomen en dat ontwikkelingen ‘waterneutraal’ worden gerealiseerd. Een van de onderdelen van de watertoets is het beoordelen van de verhardingstoename. De voorgenomen plannen zorgen voor een substantiële toename van de oppervlakteverharding en extra bebouwing. Door deze toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via het rioolstelsel. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met wateroverlast als gevolg.

Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename zullen er in het desbetreffende peilgebied compenserende maatregelen getroffen moeten worden in de vorm van extra wateroppervlak. Overigens wordt er onder verhardingstoename verstaan, zowel de toename aan bebouwing als de toename aan verharding door bestrating. Compensatie open water Om de gevolgen van de verhardingstoename te compenseren berekent het hoogheemraadschap hoeveel extra waterberging er in het betreffende peilgebied gerealiseerd moet worden. In de digitale watertoets is aangegeven dat 

het hemelwater geïnfiltreerd zal worden in de ondergrond maar ook dat het wordt afgevoerd naar het hemelwateriool. Gezien de kleiige samenstelling van de bodem in dit gebied is dit niet geschikt om in te infiltreren en ga ik er dus vanuit dat het water middels een hemelwaterriool op het oppervlaktewater zal worden geloosd. Er zal dus watercompensatie gerealiseerd moeten worden. Op basis van de toegestane peilstijging, gemaalcapaciteit, drooglegging en de grondsoort is berekent dat de benodigde watercompensatie voor dit peilgebied 7% bedraagt. Dit betekent dat 7% van het extra oppervlak aan verharding (bestrating en bebouwing) dat versneld tot afvoer in het oppervlaktewater komt, gecompenseerd dient te worden in waterberging. De geplande uitbreiding betreft een toename aan verharding van 3000 m2. Mocht dit in praktijk anders zijn dan dient een aangepaste oppervlakte te worden aangevraagd maar kan wel gerekend worden met het percentage van 7%. Met een verhardingstoename in het plangebied van 3000 m2 betekent dat dat er minimaal 210 m² extra open water gegraven zal moeten worden. De compensatie dient bij voorkeur te gebeuren binnen het plangebied, maar in ieder geval binnen het peilgebied. In uw aanvullende mail heeft u aangegeven dat er in het ontwerp rekening is gehouden met 10% watercompensatie. Dit voldoet voor de hoeveelheid toename aan verharding.

Hierbij heeft u ook wat speling mocht de toename aan verharding in de verdere uitwerking nog toenemen. Voor de toename aan verhard oppervlak en de benodigde compensatie is een watervergunning nodig. Beheer en onderhoud In uw aanvullende mail vraagt u informatie over het beheer en onderhoud van de zuidelijke waterloop waar de watercompensatie bedacht is. Conform de legger wateren van HHNK, is in de huidige situatie de aanliggend eigenaar onderhoudsplichtig. Dit betekent dus dat Midgard momenteel onderhoudsplichtig is voor de helft van het water (tenzij dit in een watervergunning anders is vastgelegd) en dat voor het deel van de nieuwe watercompensatie ook zal zijn. Hierbij dient men rekening te houden dat, aangezien de aanliggend eigenaar van het zuidelijke perceel waarschijnlijk geen belangen heeft bij de extra watercompensatie, Midgard de extra watercompensatie mogelijk volledig zelf zal moeten onderhouden. Graag gaan we in overleg over hoe de compensatie exact zal worden ingevuld, dit aangezien er rekening gehouden moet worden met de onderhoudbaarheid van het water. Mocht het water namelijk breder worden dan zes meter dan zal dit moeilijk te onderhouden zijn vanaf de kant. Ook wordt geadviseerd om een obstakelvrije onderhoudsstrook van vijf meter langs het water aan te houden om zo het onderhoud rijdend vanaf de kant uit te kunnen voeren.

Al deze onderdelen zullen vastgelegd worden in de te verlenen watervergunning. Mocht het handig zijn om hier vooraf afstemming over te hebben dan kan dit uiteraard. Grondwater Het plan voorziet in het realiseren van nieuwe bebouwing. Het is aannemelijk dat bij het bouwrijp maken van de locatie, bronbemaling zal worden toegepast. Afhankelijk van de te bemalen hoeveelheid is een watervergunning of een melding in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Het onttrokken grondwater zal ook moeten worden afgevoerd. Het hoogheemraadschap is net als voor de onttrekking van het grondwater ook aanspreekpunt als het gaat om het lozen van het onttrokken grondwater op het oppervlaktewater. Voor het retour bemalen van het onttrokken water is de provincie aanspreekpunt. Voor de eventuele lozing van het bemalingswater op het riool dient de initiatiefnemer nadere afspraken te maken met de rioolbeheerder, de gemeente. Persleiding De locatie is gelegen nabij een persleiding. In uw aanvullende mail verzocht u of hier nog aanpassingen aan plaats dienen te vinden in verband met de uitbreiding van bezetting van de locatie (uit de gegevens ga ik uit van een toename van 31 bewoners, toename van personeel was mij niet duidelijk). Deze vraag heb ik nog voorgelegd aan de betreffende collega. Zodra ik hier duidelijkheid over heb laat ik u dat uiteraard nog weten.

Ik ga er vanuit dat de uitbreiding op het terrein geen invloed heeft op de ligging van de persleiding. Bijgaand een uitsnede uit ons geografische systeem waarop u grofweg de persleiding kunt zien liggen (noordzijde van de locatie, donderblauwe lijn). Mocht dit wel zo zijn dan hoor ik dat uiteraard graag. 

Vergunningen en ontheffingen Voor werkzaamheden in, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen, alsmede voor het doen van lozingen op het oppervlaktewater en het realiseren van verhardingstoenames groter dan 800 m2 is een watervergunning nodig. De watervergunning is in werking getreden met het van kracht worden van de Waterwet op 22 december 2009. Meer informatie over de Waterwet kun je vinden op: www.hhnk.nl. Tevens kan hier via het Omgevingsloket een aanvraag om een watervergunning worden gedaan. Voor een voorspoedige afhandeling van de aanvraag adviseren wij om het formulier zo volledig mogelijk in te vullen. Voor vragen betreffende het indienen van een aanvraag watervergunning kan contact worden opgenomen met het cluster Vergunningen via telefoonnummer 072 – 582 8282. Wij adviseren om ruim voordat de initiatiefnemer van plan is met de werkzaamheden te beginnen contact met hen op te nemen. Tot slot Mocht de inhoud van het plan wijzigen, dan wordt het op prijs gesteld als u ons een geactualiseerde versie zou kunnen toesturen. Mochten er nog vragen zijn met betrekking tot dit aanvullende advies dan hoor ik dit uiteraard graag. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Voor eventuele vragen en toekomstige correspondentie kunt u contact met mij opnemen via onderstaande gegevens.

Met vriendelijke groet, Mara Dubbeld regioadviseur Noordkop Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Bezoekadres: Stationsplein 136, 1703 WC Heerhugowaard Postadres: Postbus 250, 1700 AG Heerhugowaard t 072 - 582 8417 | m 06 – 10 62 37 38 w hhnk.nl Werkdagen: maandag t/m vrijdag



datum 22-10-2020 dossiercode 20201022-12-24578 Project: Midgard Tuitjehorn Gemeente: Schagen Aanvrager: Peolple and Bricks Organisatie: Vastgoed

Geachte heer/mevrouw Peolple and Bricks, Voor het plan Midgard Tuitjehornheeft u advies aangevraagd in het kader van de watertoets op www.dewatertoets.nl. Met de gegevens die u heeft opgegeven is bepaald dat bepaalde aspecten van het plan een zodanige invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap dat de normale proceduremoet worden gevolgd. Dit betekent dat wij in overleg met u willen bespreken hoe in uw plan rekening kan worden gehouden deze waterhuishoudkundige belangen. Om het watertoetsproces zo vlot mogelijk te laten verlopen, sturen wij u als bijlage een automatisch gegenereerd conceptwateradvies. Dit conceptadvies is in twee delen opgesplitst. In het eerste deel van het conceptadvies geven wij aan over welke onderwerpen nader overleg met het hoogheemraadschap noodzakelijk is. Het tweede deel van het conceptadvies bevat de onderwerpen die slechts een beperkte invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap en die ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen. Dit tweede deel van het advies kunt u gebruiken om alvast een eerste aanzet te geven tot de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing. Wij nemen binnen drie weken contact met u op om nadere afspraken te maken en advies te geven over de nog openstaande waterbelangen.

Als u eerder een afspraak wilt maken, dan kunt u contact met ons opnemen via ons algemene nummer 072 582 8282 en vragen naar de contactpersoon voor de gemeente waarin uw plan zich bevindt. Naast het bijgevoegde conceptadvies kunt u op onze website meer informatie vinden over de watertoets in het algemeen: https://www.hhnk.nl/watertoets/. LET OP:Het (concept)wateradvies is geen aanvraag voor een Watervergunning. Onze conclusie en wateradvies mogen alleen gebruikt worden tijdens de (ruimtelijke) planvormingfase. U dient zelf na te gaan welke vergunningen nodig zijn om het plan te realiseren. Bij het hoogheemraadschap dient u wellicht een Watervergunning aan te vragen of een melding te doen. Meer informatie over de Watervergunning vindt u op https://www.hhnk.nl/vergunningen. Met vriendelijke groet, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Postbus 250 1700 AG HEERHUGOWAARD T 072 582 8282 F 072 582 7010 E info@hhnk.nl W www.hhnk.nl

CONCEPT Wateradvies Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) heeft u Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevraagd een reactie te geven op het plan Midgard Tuitjehorn. Uit de ingediende gegevens is gebleken dat er voor één of meerdere wateraspecten nader overleg noodzakelijk is met het hoogheemraadschap. Deze aspecten benoemen wij in het eerste deel van dit concept wateradvies. In het tweede deel komen de onderwerpen aan bod die slechts een beperkte invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap en die hierdoor ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen. Dit deel van het advies kunt u gebruiken om alvast een eerste aanzet te geven tot de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. DEEL I Hieronder vindt u de aspecten waarover nader contact met het hoogheemraadschap noodzakelijk is:

U heeft aangegeven dat de verhardingstoename ten gevolge van uw plan meer dan 2000 m2 bedraagt.Een dusdanige toename van het verharde oppervlak heeft negatieve gevolgen voor het watersysteem. Het hemelwater stroomt versneld af en komt direct tot afvoer. Compensatie in de vorm van waterberging of infiltratie is noodzakelijk om deze negatieve effecten op te heffen. Bij een verhardingstoename van meer dan 2000 m2 berekent het hoogheemraadschap aan de hand van diverse plangebiedkenmerken een specifiek compensatiepercentage. U heeft aangegeven dat het plan een algehele herziening van een bestemmingsplan, een structuurvisie, masterplan, herstructureringsplan, tracébesluit, landinrichtingsplan of grootschalige wegreconstructie is.Het hoogheemraadschap wil bij dergelijke grootschalige plannen altijd betrokken worden. Het hoogheemraadschap verkent binnen dergelijke plannen graag zijn eigen doelen, belangen en eventuele samenwerkingsmogelijkheden. Wij nemen binnen drie weken contact met u op om nadere afspraken te maken en te komen tot advies over bovenstaande waterbelangen. DEEL II Dit tweede deel van het advies kunt u direct gebruiken om een aanzet te maken voor de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing.

De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO), het Besluit Ruimtelijke Ordening (BRO) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.

Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die u op onze website kunt vinden (https://www.hhnk.nl/keur/). Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. U heeft aangegeven dat er binnen het plan geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat we voor de nieuwe ontwikkeling adviseren om een gescheiden stelsel aan te leggen.

Wij adviseren om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Persleiding Uw plangebied bevindt zich binnen de signaleringszone van een rioolpersleiding van het hoogheemraadschap. Dit houdt in dat beperkingen kunnen gelden ten aanzien van eventuele (bouw)werkzaamheden. Het is binnen deze zone niet zonder overleg toegestaan om objecten te plaatsen of werkzaamheden uit te voeren die een risico vormen voor het functioneren van de rioolpersleiding, zoals: - het planten van bomen en/of diepwortelende beplanting - het uitvoeren van zware transporten; - het opstellen van materieel op het tracé van de leiding; - de opslag van (zwaar) materiaal; - het werken aan- en/of realiseren van werken boven het tracé van de leiding; - het graven of heien nabij de leiding. Indien er wel sprake is van dergelijke werkzaamheden, of wanneer er andere activiteiten worden uitgevoerd die op enige wijze schade zouden kunnen toebrengen aan de rioolpersleiding, dient u vroegtijdig contact op te nemen met het hoogheemraadschap. Tot Slot

De initiatiefnemer van het plan is zelf verantwoordelijk voor de regeling, financiering en de realisatie van alle maatregelen die voortvloeien uit het plan. Mocht de inhoud van het plan wijzigen, dan verzoeken wij u vriendelijk ons een geactualiseerde versie toe te sturen. Ook ontvangen wij graag een exemplaar van het definitieve en goedgekeurde plan. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn, dan kunt u contact opnemen via 072 - 582 8282 en vragen naar de contactpersoon voor uw gemeente. www.dewatertoets.nl

Geachte heer/mevrouw Peolple and Bricks, U heeft een digitale watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl. De toets is uitgevoerd op een ruimtelijke ontwikkeling in het beheergebied van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In de bijlage vindt u de documentatie die bij de toets hoort. Wij verzoeken u de bijlagen goed door te nemen. Naast een samenvatting van de toets, treft u één van de volgende documenten aan afhankelijk van de procedure die u heeft doorlopen:

• • •

paragraaf geen waterschapsbelang standaard waterparagraaf korte procedure uitgangspuntennotitie normale procedure

De volgende bestanden zijn aangemaakt bij deze toets: Toetsresultaat

download

Samenvatting download Geupload bestand download Plandata Gisdata

download download

Mocht u vragen hebben over deze toets dan kunt u contact opnemen met het waterschap telefonisch 072-5828282 of via de email info@hhnk.nl. met vriendelijke groet, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier postbus: Postbus 250 postcode: 1700 AG plaats: Heerhugowaard telefoon: 072-5828282 email: info@hhnk.nl

Disclaimer De informatie in dit e-mail bericht (inclusief informatie in bijlagen) is uitsluitend bestemd voor het gebruik door de geadresseerde. Indien u deze e-mail per ongeluk ontvangt, verzoeken wij u vriendelijk contact op te nemen met de opsteller daarvan, het bericht te vernietigen en de inhoud daarvan niet te gebruiken of aan derden te openbaren.

datum 22-10-2020 dossiercode 20201022-12-24578 Gegevens aanvrager: Peolple and Bricks Vastgoed Tolnasingel 3 2411PV Bodegraven 0651758116 kjoudshoorn@andbricks.nl Gegevens project: Aanpassing bestemmingsplan Midgard te Tuitjehorn in opdracht van de Raphaelstichting Regenboog 50 1747GW Tuitjehorn Gegevens plangebied: Heeft u een beperkingsgebied geraakt? nee Welke gemeente omvat het grootste deel van het door u getekende plangebied? Schagen Basisvragen: Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? nee Vervolgvragen: Neemt in het plan het verharde oppervlak van verharding en bestrating toe met meer dan 2000 m2? ja Maakt het plan deel uit van een groter plan dat in ontwikkeling is of wordt genomen? nee Heeft het plan een tijdelijke of permanente verandering van het oppervlaktewaterpeil tot gevolg? nee Is er in of rondom het plangebied sprake van (grond)wateroverlast? (Vraag andere partijen (particulieren) als u het antwoord niet weet) nee Betreft het plan een algehele herziening van een bestemmingsplan, een structuurvisie, masterplan, herstructureringsplan, tracébesluit, landinrichtingsplan of grootschalige wegreconstructie? ja Aanvullende vragen (normale procedure) Neemt door het plan de hoeveelheid verharding toe met een hoeveelheid tussen de 800 en 2000 m2? ja

Hieronder kunt u in m2 aangeven met welke hoeveelheid de verharding toeneemt. Indien er geen toename is, vult u 0 in. ca. 3000m2 m2 Hoe wordt in het plan het afvalwater en het hemelwater behandeld? Via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerdVia een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd via een hemelwaterriool Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor verontreinigingen kunnen afspoelen en het oppervlaktewater mogelijk belast wordt? nee Is er in of grenzend aan het plangebied oppervlaktewater aanwezig? ja Worden er in het plan wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem aangebracht of vinden er werkzaamheden plaats binnen 5 meter van een waterloop? nee Is er sprake van een tijdelijke of permanente grondwateronttrekking en/of -lozing? nee

Afbeelding plangebied en eventueel geraakte kaartlagen www.dewatertoets.nl

Ontsluiting en parkeren Ontsluiting terrein (Voet)padenstructuur

Parkeernorm verpleeg- en verzorgingstehuis 0,6 pp per wooneenheid (60% bezoekersparkeren) Aangezien bewoners niet kunnen of mogen autorijden hebben zij geen auto’s, waardoor alleen het personeel en het bezoekersdeel overblijft. Voorstel is te rekenen met 0,4 pp per wooneenheid. Bestaand te slopen 25 x 0,6 = 15,0 pp Nieuw te bouwen 56 x 0,6 = 33,6 pp Toe te voegen parkeerplaatsen 33,6 - 15,0 = 18,6 = 19 pp

Bestaand parkeren

P

Uitbreiding parkeren

plein

16 wooneenheden

16 wooneenheden

Bijlage 4 Quickscan flora en fauna Midgard Tuitjenhorn, Aveco de Bondt, 18 februari 2019

Quickscan flora en fauna

Aveco de Bondt bezoekadres

Quickscan flora en fauna Midgard Tuitjenhorn

postbus

2674

postcode

3800 GE Amersfoort

telefoon

(0)88 18 66 010

telefax

(0)343 52 31 96

e-mail

amersfoort@avecodebondt.nl

internet

projectnaam Quickscan flora en fauna Midgard Tuitjenhorn projectnummer 182861 projectleider ing. A. Ponsen referentie APN/182861 opdrachtgever Vollmer & Partners Postadres Arnhemseweg 6 3817 CH Amersfoort contactpersoon Mevr. L. Van Hall status Definitief versie 01 aantal pagina's 31 datum 18 februari 2019 auteur ing. A. Ponsen

paraaf gecontroleerd ing. S. Verhaegh

Podium 9

www.avecodebondt.nl

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

6

INLEIDING

3

1.1

Doel

4

1.2

Leeswijzer

4

WETTELIJK KADER: WET NATUURBESCHERMING

5

2.1

Soortbescherming

5

2.2

Gebiedsbescherming

8

2.3

Houtopstanden

8

HET PLANGEBIED

10

3.1

Huidige situatie

10

3.2

Toekomstige situatie

12

ONDERZOEKSRESULTATEN

14

4.1

Onderzoeksmethode

14

4.2

Soortbescherming

14

4.3

Houtopstanden

22

TOETSING WET NATUURBESCHERMING

23

5.1

Soortbescherming

23

5.2

Gebiedsbescherming

27

5.3

Zorgplicht

27

CONCLUSIE

28

6.1

Soortbescherming

28

6.2

Zorgplicht

29

6.3

Gebiedsbescherming

30

BRONNEN

31

BIJLAGE 1

1

INLEIDING

In opdracht van Vollmer & Partners heeft de vakgroep Ecologie van Aveco de Bondt een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het plangebied de Midgard te Tuitjenhorn. Het plangebied is gelegen aan de zuidkant van Tuitjenhorn (provincie Noord-Holland). In afbeelding 1 is de topografische ligging van het plangebied weergeven.

Afbeelding 1: Topografische ligging van het perceel de Midgard te Tuitjenhorn (kaart: Aveco de Bondt, 2019).

De aanleiding van het onderzoek is wijziging van het bestemmingsplan van het plangebied de Midgard te Tuitjenhorn (Gemeente Schagen). Voorafgaand aan de realisatie van een beoogde ontwikkeling dient te worden nagegaan of binnen en in de nabijheid van het plangebied streng beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast. De eerste stap die plaatsvindt wordt om de haalbaarheid aan te tonen is het uitvoeren van een quickscan flora en fauna. Voorliggende quickscan flora en fauna beschrijft in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland de effecten van de ingreep op soortenbescherming en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op houtopstanden. Uit deze quickscan blijkt of de plannen (mogelijk) leiden tot aantasting van beschermde soorten en/of gebieden en of vervolgstappen noodzakelijk zijn, zoals naderonderzoek, een ontheffing en/of een vergunning.

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

3 van 31

1.1

Doel

De quickscan flora en fauna heeft meerdere doelen: •

vaststellen van (mogelijk aanwezige) beschermde flora en fauna;

•

vaststellen of er nader onderzoek uitgevoerd moet worden naar beschermde flora en fauna;

•

bepalen wat de effecten zijn van de ingreep op beschermde flora en fauna;

•

vaststellen of er nader onderzoek gedaan moet worden naar de effecten op beschermde gebieden;

•

indien negatieve effecten op beschermde flora en fauna en/of beschermde gebieden te verwachten zijn, dient te worden bepaald of in het kader van de Wet natuurbescherming een ontheffing (soortbescherming) of vergunning (gebiedsbescherming) nodig is.

1.2

Leeswijzer

De quickscan flora en fauna bestaat uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk beschrijft de inleiding en leeswijzer. In hoofdstuk 2 wordt het wettelijke kader besproken en vormt de relevante regelgeving voor het beoordelingskader waarbinnen de effecten van de ruimtelijke ingreep op de mogelijk aanwezige beschermde flora en fauna worden getoetst. Hoofdstuk 3 beschrijft het plangebied met de huidige ligging en de toekomstige ingrepen. Hoofdstuk 4 bestaat uit de onderzoeksmethode, de resultaten en de effectenbeoordeling van de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 5 vormt de toetsing van de ingreep aan de vigerende wetgeving. Tot slot staat er in hoofdstuk 6 een samenvatting van de toetsing en de noodzakelijk vervolgstappen.

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

4 van 31

2

WETTELIJK KADER: WET NATUURBESCHERMING

De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. Deze wet beoogt de bescherming van in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving waarbij onderscheid wordt gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. In onderstaande paragrafen wordt een globale toelichting gegeven met betrekking tot de achtergrond van deze nationale wetgeving waaraan voorgenomen ruimtelijk plannen en ingrepen worden getoetst.

2.1

Soortbescherming

Zorgplicht De Wet natuurbescherming gaat uit van de ‘zorgplicht’ (art 1.11 Wnb). De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Indien specifieke maatregelen dienen te worden uitgevoerd zal dit in onderhavig rapport worden toegelicht. Tabel 2: Zorgplicht Wet natuurbescherming § 1.3. Beschermingsmaatregelen algemeen

1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

2.

De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:

art 1.11

lid

a.

dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,

b.

indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of

c.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Verbodsbepalingen Op grond van de Wnb is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te beschadigen of te plukken. Beschermde inheemse dieren mogen niet worden gedood, verstoord, verwond, gevangen en bemachtigd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden (zie tabel ll.).

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

5 van 31

Voor de nationaal beschermde soorten heeft elke provincie een lijst opgesteld met soorten die in desbetreffende provincie zijn vrijgesteld. Tabel 2: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming § 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

2. art 3.1

lid

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3.

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

4.

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

5.

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

§ 3.2 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

art 3.5

2.

Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

3.

Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te

lid

rapen. 4.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

§ 3.3 Beschermingsregime andere soorten 1.

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

art 3.10

lid

b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

c.

vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

6 van 31

Vogels Alle broedvogels in Nederland zijn gedurende het broedseizoen beschermd (art 3.1 en 3.5 Wnb) en in sommige gevallen ook buiten deze periode. Hierbij wordt door het bevoegd gezag onderscheid gemaakt tussen soorten uit de beschermingscategorie 1 t/m 4: jaarrond beschermde nesten (verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken), categorie 5: niet-jaarrond beschermde vogelnesten (verblijfplaatsen van vogels die regelmatig naar hun verblijf terugkeren en over voldoende flexibiliteit beschikken en ‘overige soorten’ (vogels die jaarlijks een nieuw nest maken dat alleen in het broedseizoen beschermd is). Na gelang de beschermingsstatus van het nest dienen maatregelen te worden getroffen om de functie van de nestlocatie te behouden. Tabel 3: Bescherming categorieën broedvogels Categorie

Jaarrond beschermd

1

ja

Omschrijving Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer

2

ja

honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en

3

ja

die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).

4

ja ja, indien zwaarwegende

5

feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen

‘overige soorten’

Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (voorbeeld: spreeuw, oeverzwaluw, boerenzwaluw, ijsvogel).

nee, alleen gedurende het

Soorten die jaarlijks gebruik maken van een nieuw nest (voorbeeld: merel, ringmus, houtduif).

broedseizoen

Gedragscode Binnen de Wnb bestaat de mogelijkheid om na gelang de voorgenomen activiteit en de ter plaatse aanwezige soorten, door middel van een goedgekeurde gedragscode een vrijstelling te verkrijgen van de verbodsbepalingen uit art 3.1, 3.5 en 3.10 Wnb. Een ontheffing is dan niet noodzakelijk. Wel dient aantoonbaar te worden gewerkt conform de betreffende gedragscode en is de zorgplicht van kracht.

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

7 van 31

2.2

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Anders dan bij gebieds- en soortbescherming is de status van het NNN niet verankerd in de natuurwetgeving, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (Provincies). Voor NNN-gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de natuurdoelen. Voor ruimtelijke ingrepen in of nabij het NNN geldt het ‘’nee, tenzij’’ principe.

Dit houdt in dat ingrepen waarbij de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN significant worden aangetast, in principe niet zijn toegestaan, tenzij het een groot openbaar belang dient én er geen alternatieven zijn buiten het gebied dat deel uitmaakt van de NNN. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht.

2.3

Houtopstanden

De Wnb stelt dat wanneer bos wordt gekapt, dit binnen drie jaar na de kap dient te worden herplant. Wanneer dat niet op dezelfde plaats kan, dan dient dat elders (compensatie) plaats te vinden. Onder houtopstanden vallen: -

alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen, maar die niet op erven of in tuinen staan;

-

alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are;

-

bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat, uitgezonderd populieren en wilgen.

Voordat een perceel bos dat onder de Wnb valt wordt gekapt, dient een kapmelding te worden gedaan. Een kapmelding moet minstens één maand voor de kap worden gedaan. Binnen één jaar na melding moet de kap worden uitgevoerd. In sommige gemeenten volstaat een kapmelding niet altijd en is een kapvergunning vereist, die door de gemeente wordt afgegeven. Gemeenten leggen in de bomenverordening vast welke bomen zonder vergunning mogen worden gekapt en voor welke bomen een meldings- of

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

8 van 31

vergunningsplicht geldt. Verder worden de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vastgesteld.

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

9 van 31

3

HET PLANGEBIED

3.1

Huidige situatie

Het plangebied ligt in Tuitjenhorn (gemeente Schagen, provincie Noord-Holland) en wordt in het noorden begrensd door de Regenboog en aan de zuidkant door landbouwgronden. Zowel aan de oostzijde als de westzijde van het plangebied bevindt zich een watergang die het plangebied scheidt van sportvelden en bebouwing met aangrenzende tuinen. De onderstaande afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer.

Afbeelding 2: Luchtfoto met globale begrenzing van het plangebied de Midgard te Tuitjenhorn (Aveco de Bondt, 2019).

Het plangebied bestaat uit een groene omgeving met diverse gebouwen welke gebruikt worden als woongelegenheden en dagbesteding voor mensen met een verstandelijke beperking. De meeste bebouwing bevindt zich rondom een plein, centraal gelegen in het plangebied. De bebouwing heeft meerdere verdiepingen en een pannen dak. De overige bebouwing bestaat uit een bouwlaag met een platdak, met daarop bitumen. Aan de westkant van het plein staan bestaan de woningen uit hout, alle andere woningen bestaan uit stenen bebouwing. Daarnaast staan er binnen het plangebied enkele schuurtjes verspreid. Deze bestaan uit houtenplanken en hebben een pannendak. Het plangebied is relatief groen met veel vegetatie en kleine houtwallen. Daarnaast is er een vijver aanwezig met daarom heen een wilgenbosje. In het zuidoosten van het plangebied is een dierenweide en een stilteplek gelegen. In het zuidwesten bevindt zich een moestuin en een kleine boomgaard. Ten zuiden van het plangebied langs de sloot zijn enkele ondiepe poeltjes aanwezig. Om een globale indruk te geven van het plangebied zijn onderstaand enkele impressiefoto’s opgenomen.

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

10 van 31

Afbeelding 3: Impressiefoto’s plangebied van het perceel aan de Midgard te Tuitjenhorn (Aveco de Bondt, 2019).

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

11 van 31

3.2

Toekomstige situatie

Met het de wijziging van het bestemmingsplan zal het terrein heringericht worden. De exacte herinrichting is op moment van opstellen van de quickscan flora en fauna nog onduidelijk. In ieder geval worden de volgende werkzaamheden voorzien: • Het kappen van bomen; • Het dempen van een vijver; • Renovatie van bebouwing; • Sloop van bebouwing; • Realisatie van nieuwbouw. Wel is duidelijk welke bebouwing gesloopt wordt, het betreft de panden ten noordwesten en ten noordoosten van het plangebied (afbeelding 4). Afbeelding 5 geeft de toekomstige situatie weer zoals staat beschreven in de visie staat beschreven (Vollmer & Partners, 2018).

Afbeelding 4: De te slopen bebouwing binnen het plangebied de Midgard te Tuitjenhorn (Vollmer & Partners, 2018).

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

12 van 31

Afbeelding 5: De toekomstige situatie van het plangebied de Midgard te Tuitjenhorn (Vollmer & Partners, 2018).

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

13 van 31

4

ONDERZOEKSRESULTATEN

Dit hoofdstuk beschrijft de methode en resultaten van de quickscan flora en fauna. Uit dit hoofdstuk blijkt welke potenties het plangebied heeft als leefgebied voor strikt beschermde soorten. Verder maakt dit hoofdstuk duidelijk of er beschermde natuurgebieden of houtopstanden aanwezig zijn.

4.1

Onderzoeksmethode

Bij het opstellen van de quickscan flora en fauna is gebruik gemaakt van de meest recente landelijke en provinciale archief- en verspreidingsgegevens en het NDFF. In de bijlage zijn de geraadpleegde bronnen weergegeven. Door middel van een literatuuronderzoek is bepaald welke beschermde gebieden en soorten er in de omgeving van het plangebied voorkomen en welke flora en fauna mogelijk in het plangebied aanwezig is. Aanvullend is de aanwezigheid van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten onderzocht door middel van een eenmalig veldbezoek op locatie. Op 4 januari 2019 heeft ing. A. Ponsen, ecoloog van Aveco de Bondt, het plangebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van het aanwezige habitat en de geschiktheid ervan te beoordelen voor de mogelijk voorkomende beschermde soorten. Het eenmalige veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie. Niet alle soortgroepen zijn gedurende het hele jaar actief of aanwezig. Bovendien zijn meerdere veldbezoeken noodzakelijk voor een volledig onderzoek naar bepaalde soortgroepen, zoals vleermuizen. De quickscan is de eerste stap in het proces om de haalbaarheid van het plan op het gebied van flora en fauna te onderzoeken. Bij aanwezigheid van specifieke habitatkenmerken is hier extra aandacht aan besteed tijdens het veldbezoek.

4.2

4.2.1

Soortbescherming

Vaatplanten

Op grond van literatuurgegevens (NDFF, 2019) komt in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde soort vaatplant voor: grote leeuwenklauw. De grote leeuwenklauw komt voor op 1,4 kilometer ten westen van het plangebied. De soort heeft een voorkeur voor zonnige open plaatsen, op vochtige tot vrij droge kalkhoudende gronden en is te vinden in bermen langs onverharde wegen, graanakkers, rivieroeverwallen en sloothellingen (Floron, 2019). Dergelijk habitat is binnen het plangebied niet aanwezig waardoor de aanwezigheid van grote leeuwenklauw kan worden uitgesloten. Beschermde plantensoorten stellen doorgaans specifieke eisen aan de standplaats, voedselarme en/of kalkrijke situaties, kwelsystemen, enz. Geschikte groeiomstandigheden zijn binnen het

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

14 van 31

plangebied niet aanwezig waardoor de aanwezigheid van overige beschermde vaatplanten wordt uitgesloten.

4.2.2

Vleermuizen

Volgens landelijke verspreidingsgegevens (Broekhuizen et al., 2016; NDFF, 2019) komen in de omgeving van het plangebied diverse beschermde soorten vleermuizen voor. Dit zijn de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis. Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen in gebouwen en in bomen. Daarnaast gebruiken vleermuizen open water en opgaande beplanting als foerageergebied en worden lijnvormige landschapselementen, zoals watergangen en bomenrijen, gebruikt als vliegroute. De mogelijke aanwezigheid van deze leefgebied functies wordt in het kader van de voorgenomen ingreep binnen het plangebied nader toegelicht. Verblijfplaatsen in bebouwing binnen het plangebied Gebouwbewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis worden onder andere aangetroffen in spouwmuren, op zolders, achter (gevel)betimmering en dakbeschot. De aanwezige bebouwing binnen het plangebied is potentieel geschikt voor vleermuizen om in te verblijven. De huizen zijn voorzien van stootvoegen die een soort als gewone dwergvleermuis toegang kan verschaffen tot de achtergelegen open spouwmuur en andere verborgen ruimtes. Daarnaast zijn door de aanwezige hoekpannen diverse mogelijkheden voor laatvlieger om onder de pannen te kruipen of tussen het dakbeschot.

Tevens is bij diverse panden betimmering aanwezig waarachter vleermuizen kunnen wegkruipen. Op basis van de geschiktheid van de bebouwing is de aanwezigheid van een kraam-, zomer-, paar- en of winterverblijf voor soorten als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger niet uit te sluiten.

Afbeelding 6: Potentiele toegangsmogelijkheden voor vleermuizen (Aveco de Bondt, 2019).

Verblijfplaatsen in bomen binnen het plangebied In bomen kunnen vleermuizen als rosse vleermuis, watervleermuis, ruige dwergvleermuis, Brandt’s vleermuis en Baardvleermuis worden aangetroffen achter loshangende schors en in boomholten. De aanwezige bomen binnen het plangebied zijn gecontroleerd op mogelijke holtes. In de bomen die zich binnen het plangebied bevinden zijn holtes waargenomen. Hierdoor kunnen

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

15 van 31

verblijfplaatsen van boombewonende soorten vleermuizen binnen het plangebied niet worden uitgesloten.

Afbeelding 7: Potentiele verblijfplaatsen van boombewonende soorten vleermuizen (Aveco de Bondt, 2019).

Verblijfplaatsen buiten het plangebied De aanwezige bomen rond het plangebied zijn gecontroleerd op mogelijke holtes. Hierbij zijn holtes waargenomen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten vleermuizen in de bomen rondom het plangebied kan hierdoor niet worden uitgesloten. De bebouwing rondom het plangebied is geschikt voor vleermuizen. Diverse woningen hebben overhangende hoekpannen en open stootvoegen, die gebouwbewonende soorten toegang kunnen verlenen tot de bebouwing. Aanwezigheid van een verblijfplaats in omliggende woningen kan niet worden uitgesloten. Foerageergebied Opgaande beplanting en beschutte waterrijke delen zijn potentieel foerageergebied voor vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis. In dergelijke gebieden zijn veel insecten (voedsel) te vinden. Foerageergebieden zijn beschermd als door het (tijdelijke) verlies ervan verblijfplaatsen in de directe omgeving worden aangetast. Het plangebied is relatief groen en heeft opgaande beplanting en waterrijke delen. Het plangebied zou een mogelijkheid dienst kunnen doen als foerageergebied. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen soortgelijke gebieden met opgaande begroeiing en oppervlaktewater. Het plangebied zou mogelijk dienst kunnen doen als essentieel foerageergebied.

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

16 van 31

Vliegroutes Landschappelijke structuren zoals watergangen, boomsingels en lanen worden door vleermuizen veelal gebruikt om zich binnen het landschap te oriënteren op weg van verblijfplaats naar belangrijk foerageergebied en terug. Ook worden deze elementen door sommige soorten gebruikt als migratieroute van zomerverblijven naar winterverblijven. Vliegroutes zijn beschermd wanneer bij verstoring van een dergelijke route dit een indirect gevolg heeft voor een verblijfplaats in de omgeving. De mate van belangrijkheid van een vliegroute houdt verband met de aanwezigheid van alternatieve routes, afstand tot (belangrijk) foerageergebied, het seizoen, weersomstandigheden en lokaal voedselaanbod. De bomenrijen langs de sloten en de sloten met opgaande begroeiing binnen het plangebied kunnen in theorie dienen als verbinding tussen de bebouwde kom, waar zich verblijfplaatsen kunnen bevinden en het buitengebied om te foerageren.

4.2.3

Grondgebonden zoogdieren

Volgens verspreidingsgegevens (Broekhuizen et al., 2016; NDFF, 2019) komen in de directe omgeving van het plangebied de ‘kleine marterachtigen’ bunzing, hermelijn en wezel voor. Bunzing De bunzing komt voor in kleinschalige landschappen met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit varieert van sloten met overhangende begroeiing tot akkerranden en houtwallen. (Broekhuizen et al., 2016). Hermelijn De hermelijn komt voor in kleinschalige en structuurrijke landschappen met veel overgangen en natuurlijke elementen. Daarnaast is er een duidelijke binding met vochtige en natte terreinen en wateroppervlakte zoals veenweide. (Broekhuizen et al. 2016). Wezel De wezel komt voor in diverse biotopen zoals duinen, akkerlanden, weilanden en bossen maar geeft de voorkeur aan droge natuur-en cultuurlandschappen. Voor de wezel is het belangrijk dat in het landschap voldoende schuilmogelijkheden zijn en dat er voldoende voedsel aanwezig is. (Zoogdiervereniging, 2019). De ‘kleine marterachtigen’ stellen specifieke habitateisen aan hun leefgebied zoals kleinschalige landschapselementen waarin verschillende dekking biedende structuren aanwezig zijn of natte terreinen zoals rietland. Deze specifieke habitateisen zijn binnen het plangebied aanwezig waardoor de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en wezel niet kan worden uitgesloten.

Overige grondgebonden zoogdieren Andere beschermde grondgebonden zoogdieren komen op basis van bekende verspreidingsgegevens niet voor binnen het plangebied of in de directe omgeving. Daarnaast gelden voor deze soorten doorgaans specifieke habitateisen die binnen het plangebied

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

17 van 31

ontbreken. Het voorkomen van overige beschermde soorten grondgebonden zoogdieren in het plangebied kan daarmee met voldoende zekerheid worden uitgesloten.

4.2.4

Broedvogels

Algemeen voorkomende broedvogels kunnen overal tot broeden komen, van een open akker (kievit), naar een slootkant (meerkoet), in een klein struikje (winterkoninkje), tot bomen (houtduif) en gebouwen (spreeuw). Deze soorten zijn alleen beschermd op het moment waarop ze een nest hebben met eieren en jongen. Van enkele vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd. Deze jaarrond beschermde soorten broeden doorgaans in bomen (o.a. ransuil, buizerd) en in gebouwen (huismus, gierzwaluw). Tijdens het veldbezoek zijn de volgende soorten vogels aangetroffen in het plangebied: ekster, groenling, grote bonte specht, groene specht, houtduif, kauw, kraai, koolmees, meerkoet, merel, pimpelmees, roodborstje, Turkse tortel, vink, waterhoen, wilde eend en winterkoninkje. Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Huismus en gierzwaluw Uit recente broedvogelgegevens (NDFF, 2019) is het voorkomen van huismus en gierzwaluw in de omgeving van het plangebied bekend. De aanwezige bebouwing heeft een pannen dak, echter zijn er door vogelschoot dat onder alle daken is aangebracht geen toegangsmogelijkheden voor de huismus tot onder de eerste rijen dakpannen. De kopse kanten van de bebouwing bevatten openingen bij de nok en is geschikt voor de gierzwaluw om gebruik van te maken als nestlocatie. Ook zijn er krijtstrepen (uitwerpselen) aangetroffen bij enkele nokgevels.

Op basis van de verspreidingsgegevens en de potentie van de bebouwing is de aanwezigheid van een vaste rustof verblijfplaats van gierzwaluw niet uit te sluiten.

Afbeelding 8: Vogelschroot in de dakgoot (links) en krijtstrepen die zijn aangetroffen bij de nok (rechts) (Aveco de Bondt, 2019).

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

18 van 31

Roofvogels en uilen Uit de omgeving van het plangebied zijn meerdere waarnemingen bekend van buizerd, boomvalk havik, ransuil, slechtvalk, sperwer en steenuil (NDFF, 2019). Daarnaast is er door de hovenier, dhr. Vlaar, melding gemaakt van de aanwezigheid van sperwer. Reeds enkele jaren zou er op het terrein een nestlocatie van de sperwer aanwezig zijn. Op basis van deze betrouwbare melding en de aanwezigheid van enkele potentieel geschikte nesten binnen het plangebied, kan de aanwezigheid van nestlocaties van sperwer niet worden uitgesloten. Daarnaast zijn binnen het plangebied geschikte landschapselementen voor de steenuil aanwezig, welke in de directe omgeving voorkomt. Het plangebied is vrij kleinschalig met diverse houtwallen, kleine akkers, ruigtes en een dierenweide. Als broedlocatie kunnen de aanwezige knotwilgen of andere bomen met holtes, maar ook toegankelijke schuurtjes gebruikt worden. Op basis van het geschikte habitat en de aanwezigheid van de soort in de omgeving kan de aanwezigheid van steenuil niet worden uitgesloten. De aanwezigheid van andere soorten (roof)vogels met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht. Niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5 en overige soorten) Soorten waarvan het nest valt onder beschermingscategorie 5 betreffen voor een groot deel holtebroeders zoals koolmees, pimpelmees, spreeuw en boomkruiper.

De aanwezige bebouwing bomen en nestkasten die zich bevinden in het terrein zijn potentieel geschikt als nestplaats voor dergelijke soorten. Nesten uit categorie 5 kunnen wel een jaarrond beschermde status hebben wanneer sprake is van zwaar wegende feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. In onderhavige situatie is dit niet aan de orde aangezien in de omgeving van het plangebied voldoende alternatieven aanwezig zijn waar de soort gebruik van kan maken bij het (tijdelijk) verdwijnen van de betreffende nestlocatie. Door de aanwezigheid van opgaande begroeiing zijn er broedmogelijkheden voor ‘algemene’ soorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd en niet valt onder beschermingscategorie 5.

4.2.5

Amfibieën

Volgens landelijke verspreidingsgegevens (NDFF, 2019) komen in de omgeving van het plangebied geen beschermde soorten amfibieën voor. Binnen het plangebied bevinden zich een vijver en enkele poelen met aangrenzende ruigtes en houtwallen die potentieel voortplantings- en leefgebied vormen voor de rugstreeppad. Vijf kilometer ten zuidwesten van het plangebied, in het Natura 2000-gebied de Schoorlse Duinen zijn meerdere waarnemingen gedaan van de rugstreeppad (NDFF, 2019). Binnen de Schoorlse Duinen is bekend dat er een grote populatie rugstreeppadden voorkomt. De rugstreeppad komt voornamelijk voor in duin- en heide gebieden, maar kan ook voorkomen in de meer (kleinschaligere) agrarische landschappen. Ondanks dat de soort relatief grote afstanden af kan leggen, opzoek naar nieuw leefgebied wordt de

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

19 van 31

aanwezigheid onwaarschijnlijk geacht. In het gebied tussen het plangebied en de Schoorlse Duinen is weinig tot geen geschikt habitat voor de soort aanwezig. Ook is het landschap moeilijk te doorkruizen voor de soort door onder andere de aanwezigheid van grote wateren en provinciale wegen. Daarnaast wordt de rugstreeppad makkelijk waargenomen door het verreikende geluid dat de soort produceert gedurende het voortplantingsseizoen. Aangenomen mag worden dat wanneer de soort meer voorkomt buiten de Schoorlse Duinen, richting het plangebied de soort niet ongehoord blijft. Op basis van bovenstaande wordt het voorkomen van de soort in de directe omgeving van het plangebied zo onwaarschijnlijk geacht dat de aanwezigheid van de rugstreeppad kan worden uitgesloten.

4.2.6

Reptielen

Volgens landelijke verspreidingsgegevens (NDFF, 2019) komen in de omgeving van het plangebied geen beschermde soorten reptielen voor. Binnen het plangebied bevinden zich echter waterrijke habitats en structuurrijke vegetaties met voldoende schuilplaatsen mogelijkheden, die potentieel leefgebied vormen voor de ringslang. Daarnaast bevinden zich diverse mesthopen en composthopen op het terrein die zouden kunnen dienen als nestplaats voor de ringslang. De dichtstbijzijnde waarneming van een ringslang ligt op 24 kilometer ten zuidoosten van het plangebied nabij Ethersheim (NDFF, 2019). Gezien de ringslang een relatief honkvaste soort is en een grote afstanden aflegt is het voorkomen van de soort erg onwaarschijnlijk. Het tussenliggende gebied, uitgezonderd enkele natuurgebieden, is zeer beperkt geschikt als leefgebied. Daarnaast ontbreken waarnemingen uit potentieel geschikte gebieden voor de soort. Op basis van bovenstaande wordt het voorkomen van de soort in de directe omgeving van het plangebied zo onwaarschijnlijk geacht dat de aanwezigheid van de ringslang kan worden uitgesloten.

4.2.7

Vissen

Volgens landelijke verspreidingsgegevens (NDFF, 2019) komen in de omgeving van het plangebied geen beschermde vissoorten voor. Beschermde soorten vissen stellen doorgaans specifieke eisen aan het habitat zoals wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei of diepe snelstromende wateren met een bodem bestaande uit grof grind en stenen. Deze habitatkenmerken zijn niet in het plangebied aanwezig. Gezien de verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat binnen het plangebied worden beschermde soorten vissen binnen het plangebied uitgesloten.

4.2.8

Vlinders en Libellen

Beschermde soorten vlinders en libellen stellen specifieke eisen aan het habitat waaronder de aanwezigheid van waardplanten en komen doorgaans alleen voor in natuurterreinen. In het plangebied is dergelijk habitat niet aanwezig en ontbreken waardplanten van beschermde vlinders en libellen. De dichtstbijzijnde waarnemingen van de beschermde vlinder, bruine eikenpage ligt op meer dan 5 kilometer afstand (NDFF, 2019). De bruine eikenpage komt voor op de zandgronden met eiken bomen en geeft de voorkeur aan bosranden, open bospaden,

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

20 van 31

eikenhakhout, kapvlakten in eikenbossen en jonge eikenaanplant. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat voor de bruine eikenpage aanwezig. Door afwezigheid van geschikt habitat binnen het plangebied is het op basis van de habitatkarakteristieken de aanwezigheid van de bruine eikenpage binnen het plangebied uitgesloten. Daarnaast zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde vlinders en libellen in de directe omgeving. Het is daardoor niet aannemelijk dat dergelijke soorten voorkomen in het plangebied.

4.2.9

Overige soorten

Van de overige beschermde soorten insecten, slakken en weekdieren komt alleen de platte schijfhoorn voor in de directe omgeving (NDFF, 2019). De platte schijfhoorn komt voor in schone stromende wateren met veel vegetatie. Een dergelijk watersysteem ontbreekt binnen het plangebied, waardoor de aanwezigheid van de platte schijfhoorn binnen het plangebied uitgesloten wordt. Andere beschermde soorten insecten, slakken en weekdieren worden gezien de verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat binnen het plangebied uitgesloten.

4.2.10 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit of ligt niet in een gebied dat beschermd is in het kader van de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied ligt ongeveer 5,0 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Het betreft het Natura 2000-gebied de Schoorlse Duinen. Gebieden behorend tot het NNN liggen op ongeveer 2,5 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. De onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van de beschermde natuurgebieden weer.

Afbeelding 9: Ligging plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebieden en het NNN (geel).

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

21 van 31

4.3

Houtopstanden

Het plangebied ligt binnen de ‘bebouwde kom Boswet’ van de Gemeente Schagen waardoor aanwezige opstanden geen deel uitmaken van beschermde houtopstanden.

datum

23 januari 2019

referentie

APN/182861

pagina

22 van 31

5

TOETSING WET NATUURBESCHERMING

In dit hoofdstuk wordt bepaald of de plannen mogelijk leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zoals genoemd in hoofdstuk 2. Hierbij worden de resultaten van de quickscan (hoofdstuk 4) getoetst aan de ingrepen die gepland zijn (hoofdstuk 3). Uit dit hoofdstuk volgt de conclusie of er al dan niet vervolgwerkzaamheden nodig zijn. Denk daarbij aan een nader onderzoek om de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten aan te tonen, een voortoets om effecten op beschermde natuurgebieden te onderzoeken of het aanvragen van een ontheffing / vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.1

5.1.1

Soortbescherming

Vleermuizen

Verblijfplaatsen in bebouwing binnen het plangebied Op basis van de geschiktheid van de diverse gebouwen is de aanwezigheid van een kraam-, zomer, paar- en of (massa)winterverblijf voor soorten als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger niet uit te sluiten. Naast de sloop van twee gebouwen worden er gebouwen gerenoveerd. Omdat het onduidelijk is welke gebouwen het exact betreft zijn in afbeelding 10 de gebouwen weergeven die geschikt zijn als verblijfsfunctie voor vleermuizen. Wanneer er ingrijpende werkzaamheden zoals vernieuwing van het dak, spouwmuur isolatie, renovatie van de gevel, andere grote ingrepen of sloop van deze gebouwen aan de orde is, dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek dient uitsluitsel te geven of de werkzaamheden raakvlak hebben met beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Hierbij worden aanwezige soorten en verblijfplaatsen in kaart gebracht. Voor de te slopen bebouwing, zoals weergeven in afbeelding 4, is in ieder geval een nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen noodzakelijk. Verblijfplaatsen in bomen binnen het plangebied Op basis van de geschiktheid van de bebouwing is de aanwezigheid van een kraam-, zomer-, paaren of (massa)winterverblijf voor boom bewonende soorten vleermuizen niet uit te sluiten. Voor de geplande werkzaamheden moeten er bomen worden gekapt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14679107/1