CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Onderzoeken bestemmingsplan

Oordeelsvormende vergadering 15 juni 2022, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststellen gecoördineerd bestemmingsplan 'Piet Ottstraat, Schagen en Melchiorstraat'22.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de wet: Ecologische Hoofdstructuur EHS Via de Wet Ruimtelijke Ordening wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) planologisch beschermd. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden. Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de zogenaamde ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de provinciale verordening moet dit ‘nee tenzij’-regime zo worden vastgelegd dat hieraan in alle bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen wordt voldaan. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘Bijzonder Provinciale Landschappen’ van de Provincie Noord-Holland.

Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-195

Melchiorstraat te Oudesluis

Zie hiervoor, Bijlage 1.2.1

Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing

Geen ontheffing nodig

Zie hiervoor, Bijlage 1.2.2 Geen ontheffing nodig

Zie hiervoor, Bijlage 1.2.3

Zie hiervoor, Bijlage 1.2.3 Geen ontheffing mogelijk

Ontheffing onder voorwaarden mogelijk

Bijlage 1.4.3 Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd. Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.

Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 3 te worden gevolgd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-195

Melchiorstraat te Oudesluis

Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van:  Een activiteitenplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.  Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen.

Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een activiteitenplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft voor het ‘natuur’ onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging of het stilleggen van werkzaamheden

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2021-195

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl

Natuurtoets Wnb Behorende bij werkzaamheid: bouw appartementen Wooncompagnie, Melchiorstraat Oudesluis Interne opdrachtgever: Hesther Bouma, Projectleider gebiedsontwikkeling, Projecten ruimte Opgesteld door: Pluk Bakker, Medewerker Natuur & ecologie, Openbare ruimte beleid en beheer Gecontroleerd door: Ilse de Leur – Dekker, Beleidsmedewerker Milieu, Taakveld Procedures Datum: 14 oktober 2021

Inhoud 1

2

Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1

Aanleiding ................................................................................................................................ 3

1.2

Beschrijving locatie .................................................................................................................. 3

1.3

Beschrijving werkzaamheden .................................................................................................. 5

Methode .......................................................................................................................................... 5 2.1

3

Methode soortenbescherming................................................................................................ 5

2.1.1

Methode literatuuronderzoek......................................................................................... 5

2.1.2

Methode veldbezoek ....................................................................................................... 5

2.2

Methode gebiedsbescherming ................................................................................................ 6

2.3

Methode houtopstandenbescherming ................................................................................... 6

Resultaten........................................................................................................................................ 6 3.1

Resultaten onderdeel soortenbescherming ............................................................................ 6

3.1.1

Literatuuronderzoek ........................................................................................................ 6

3.1.2

Veldonderzoek................................................................................................................. 6

3.1.3

Risico-analyse .................................................................................................................. 8

3.1.4

Effectbeoordeling en maatregelen.................................................................................. 9

3.2

Resultaten onderdeel gebiedsbescherming ............................................................................ 9

3.3

Resultaten onderdeel houtopstandenbescherming ............................................................. 10

4

Conclusie ....................................................................................................................................... 10

5

Bijlagen .......................................................................................................................................... 11

Bijlage I Lijst met soorten waarvoor de habitatgeschiktheid is ingeschat ............................................ 11 Bijlage II Habitateisen geïnventariseerde beschermde soorten ........................................................... 16 Vogels .................................................................................................................................................... 16 Vleermuizen .......................................................................................................................................... 16 Marterachtigen...................................................................................................................................... 16 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................................. 17 Reptielen en amfibieën ......................................................................................................................... 19 Insecten en ongewervelden .................................................................................................................. 20 Planten .................................................................................................................................................. 20 6

Bibliografie..................................................................................................................................... 21

1 Inleiding 1.1 Aanleiding

Er is een voornemen om op het terrein van een oud handbalveld in Oudesluis aan de Melchiorstraat, nieuwbouw te realiseren. Hiertoe moeten de verharding van het oude handbalveld, de bijbehorende hekwerken en lichtmasten, een bosplantsoensingel inclusief grote bomen, losse bomen, kruidige vegetatie en omliggende verharding verwijderd worden. Er bestaat een kans dat dit plan strijdig is met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). In dit rapport worden de uitkomsten van de toetsing van het plan aan de Wnb besproken. De drie onderdelen van de Wnb: soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstandenbescherming, worden achtereenvolgens behandeld.

1.2 Beschrijving locatie

De projectlocatie ligt in de woonkern Oudesluis tussen de bebouwing langs de Sportlaan en de voetbalvelden in, zoals te zien is op de luchtfoto (Slagboom en Peeters luchtfotografie, 2021) in Figuur 1. Fase 2 van het project (‘SII’ in Figuur 2) is bij dit onderzoek buiten beschouwing gelaten.

Figuur 1: De projectlocatie (geel omkaderd) vlakbij de Melchiorstraat in Oudesluis. Aangepast overgenomen uit shg_luchtfoto van Slagboom en Peeters luchtfotografie, 2021 (https://schagen.nedgraphics.nl).

Figuur 2: De projectlocatie: stedenbouwkundig schetsplan van de te bouwen appartementen en de aan te leggen parkeerplaatsen.

Figuur 3: Het te verwijderen en te sparen groen. Rood omlijnd zijn beplantingen die moeten worden verwijderd. Rode kruisjes zijn gezet door bomen die worden verwijderd. De groene stippen in het plangebied zijn te sparen bomen. Het groene vlak een te sparen bosplantsoensingel. Aangepast overgenomen uit shg_luchtfoto van Slagboom en Peeters luchtfotografie, 2021 (https://schagen.nedgraphics.nl).

1.3 Beschrijving werkzaamheden De werkzaamheden bestaan uit het rooien en afvoeren van de beplanting en bomen, zie Figuur 3. Daarnaast worden de verharding van het veld, de hekwerken, lichtmasten en het gras ten oosten en zuidoosten van het oude handbalveld (zie Figuur 3) verwijderd. De grond zal bouwrijp gemaakt worden. Hierbij wordt het te sparen groen (zie Figuur 3) ontzien. Er zal gegraven worden om aansluiting te zoeken met het riool en andere nutsvoorzieningen en om de funderingen te plaatsen, waarna de bouw van de appartementen en de aanleg van de parkeerplaatsen volgt. De ruimte binnen het projectgebied buiten de bebouwing/verharding zal worden ingericht met groen en eventueel met verharding en openbare verlichting.

2 Methode 2.1 Methode soortenbescherming

Middels literatuuronderzoek (NDFF) en veldbezoek wordt onderzocht welke beschermde soorten in de projectgebieden aangetroffen zijn en verwacht kunnen worden.

2.1.1 Methode literatuuronderzoek

Hierbij wordt aangehouden dat de waarnemingen van soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn niet ouder dan 3 jaar zijn. En dat de waarnemingen van overige beschermde soorten niet ouder dan 5 jaar zijn. Ook wordt aangegeven welke functies de habitatelementen voor de beschermde soorten vervullen. Er wordt uit de NDFF opgevraagd welke beschermde soorten er binnen het projectgebied zijn waargenomen en welke beschermde soorten er in een straal van 1 km zijn waargenomen. Voor de waarnemingen van vogels geldt dat ter plaatse zijnde individuen niet worden meegenomen: alle andere waarnemingen (zoals rustende, zingende of foeragerende individuen) worden wel in de resultaten meegenomen.

2.1.2 Methode veldbezoek

Voor het veldbezoek geldt dat de biotoopgeschiktheid is ingeschat voor de beschermde soorten die de afgelopen 20 jaar binnen de gemeentegrenzen van Schagen zijn waargenomen (NDFF, 2019). Hierbij zijn de soorten Bruinvis, Dikkopschildpad, Gewone zeehond, Grijze zeehond en Tuimelaar uitgesloten, gezien hun levenswijze (in en vlak aan zee). Verder zijn Knoflookpad en Platte schijfhoren uitgesloten. De Knoflookpadden die in het Zwanenwater bij Callantsoog zijn waargenomen, betreffen uitgezette dieren die heel lokaal voorkomen (Struijk, 2020). De enige waarneming van Platte schijfhoren volledig binnen de gemeentegrenzen berust waarschijnlijk op een fout. De soort zou aan de rand van het Noord-Hollands kanaal zijn aangetroffen, maar dit habitat is, onder andere gezien de mineralenrijkdom van het water en het gebrek aan waterplanten, ongeschikt. De beschermde soorten voor welke de habitatgeschiktheid is ingeschat tijdens het veldbezoek, zijn de volgende: Soortgroep Toelichting Vogels Alle soorten, onderverdeeld in vogels met of zonder jaarrond/terugkerend nestgebruik en onderverdeeld per ecologische vogelgroep Vleermuizen Alle soorten, onderverdeeld in gebouwbewonende en boombewonende soorten

Marterachtigen Grondgebonden zoogdieren Reptielen en amfibieën Insecten en ongewervelden Vissen Planten

Alle soorten Alle soorten Alle soorten, uitgezonderd Dikkopschildpad en Knoflookpad Alle soorten, uitgezonderd Platte schijfhoren Geen soorten binnen de gemeentegrenzen waargenomen in de afgelopen 20 jaar Alle soorten

De volledige lijst met soorten waarvoor de habitatgeschiktheid is ingeschat, is opgenomen in Bijlage I. De toelichting op de habitateisen van de soorten is opgenomen in Bijlage II.

2.2 Methode gebiedsbescherming

Voor het onderdeel gebiedsbescherming wordt middels literatuuronderzoek bekeken of er effecten van het plan op beschermde natuurgebieden te verwachten zijn. Hiervoor worden onder andere de effectenindicator (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.-a) geraadpleegd, de website van AERIUS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, z.d.), de Omgevingsverordening van de provincie (Provincie Noord-Holland, z.d.-a) en het natuurbeheerplan van de provincie (Provincie Noord-Holland, z.d.-c).

2.3 Methode houtopstandenbescherming

Om inzicht te krijgen in de bescherming die er van toepassing is op eventuele houtopstanden, wordt ook de Omgevingsverordening van de provincie (Provincie Noord-Holland, z.d.-a) geraadpleegd. Daarnaast wordt de bijbehorende kaart (Provincie Noord-Holland, z.d.-b) bekeken. Ook worden de gemeentelijke houtopstandenverordening (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, z.d.) en de bijbehorende zogenaamde groene kaart (Gemeente Schagen, 2018) geraadpleegd.

3 Resultaten 3.1 Resultaten onderdeel soortenbescherming 3.1.1 Literatuuronderzoek

Uit de literatuur (NDFF) blijkt dat er een grote kolonie Huismussen is waargenomen binnen het projectgebied in 2021. Uit de omgeving zijn waarnemingen bekend van nationaal beschermde (maar door de provincie vrijgestelde) amfibieën: Kleine watersalamander en Gewone pad. Verder zijn er waarnemingen bekend van nationaal beschermde (maar door de provincie vrijgestelde) grondgebonden zoogdieren: Egel en Haas. Er is in de omgeving van het projectgebied een Ruige dwergvleermuis (Habitatrichtlijnsoort) waargenomen. Er zijn veel vooral territorium-indicerende waarnemingen bekend van allerlei bos- en struweelvogels, zoals Grote bonte specht en Zwartkop. Maar ook van aan Riet en water gebonden soorten zoals Kleine karekiet en Rietgors. Verder zijn er waarnemingen uit de omgeving van vogels van grazige vegetaties zoals Grutto, Kievit en Tureluur bekend. Ook van soorten, met nesten die jaarrond/terugkerend gebruikt worden zijn waarnemingen uit de omgeving bekend: Huismus en Steenuil.

3.1.2 Veldonderzoek

Er is een veldbezoek gebracht aan de locatie, waarvan hieronder de uitkomsten zijn opgenomen. Datum en tijdstip: 27 augustus 2021, 12.30 uur Weersomstandigheden: 17 °C, windkracht 2-3 Bft., half bewolkt Waargenomen beschermde soorten: Huismus gehoord, vlakbij het projectgebied

3.1.2.1 Resultaten veldonderzoek Vogels De te rooien beplanting met grote bomen heeft potentie als broedlocatie voor bos- en struweelvogels, zoals Merel en Houtduif. Het omliggende bosplantsoen (inclusief grote bomen), dat intact blijft, heeft dat ook. Nu er geen water of Riet in het projectgebied aanwezig is, worden er geen effecten op aan water en Riet gebonden vogelsoorten verwacht. Broedvogels van grazige vegetaties worden niet in het projectgebied verwacht: het ligt erg dicht bij de weg en de bebouwing en is omringd door schuilgelegenheid voor predatoren. Aan de noordwestkant van het projectgebied staat een grote bamboe- en wingerdstruik waarvan niet uit te sluiten is dat deze een essentiële rol speelt in het habitat van Huismus. Het overige te verwijderen groen speelt geen (essentiële) rol in het leefgebied van Huismus. Er zijn geen nesten van soorten als Ekster of Zwarte kraai in (de directe omgeving van) het projectgebied gezien, waardoor niet verwacht wordt dat er effecten zullen zijn op andere vogelsoorten met jaarrond/terugkerend nestgebruik. Effecten op algemene broedvogels en op Huismus zijn niet op voorhand uit te sluiten.

Figuur 4: Bamboe- en wingerdstruik die mogelijk essentiële rol speelt als slaapplaats in het leefgebied van de plaatselijke Huismussenkolonie.

3.1.2.2 Resultaten veldonderzoek Vleermuizen Het te verwijderen bosplantsoen kan dienst doen als foerageergebied voor vleermuizen. Ook biedt het beschutting en geleiding die vleermuizen nodig hebben op hun vliegroutes. Gezien het feit dat het te verwijderen bosplantsoen geen onderdeel uitmaakt van een doorlopend lijnvormig element en gezien het feit dat er veel alternatieve foerageergelegenheid in de buurt aanwezig is, is de verwachting dat het geen essentieel onderdeel uitmaakt van foerageergebied of vliegroute voor vleermuizen. Tijdens het veldbezoek zijn geen holtes of scheuren in bomen aangetroffen die mogelijk als verblijfplaats in gebruik zijn bij vleermuizen.

3.1.2.3 Resultaten veldonderzoek Marterachtigen Op basis van verspreidingsinformatie en het aanwezige habitat wordt niet verwacht dat Boommarter of Steenmarter gebruik zullen maken van de projectlocatie. Het is niet uit te sluiten dat er eens een kleine marterachtige zoals Wezel of Hermelijn langs het bosplantsoen komt. Er zijn echter geen potentiële verblijfplaatsen, zoals takkenrillen of grondholen aangetroffen. Dit in combinatie met het feit dat de strook bosplantsoen geen onderdeel is van een doorlopende groenstructuur en het feit dat er veel alternatief in de buurt aanwezig is, maakt dat de inschatting is dat het projectgebied geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van marterachtigen. 3.1.2.4 Resultaten veldonderzoek Grondgebonden zoogdieren Voor Waterspitsmuis is het projectgebied niet geschikt, omdat niet aan de habitateisen van de soort wordt voldaan. Het is waarschijnlijk dat enkele vrijgestelde muizensoorten zoals Rosse woelmuis en Bosmuis gebruik maken van het bosplantsoen in het project gebied. Er wordt regelmatig snoeiafval in het bosplantsoen gedeponeerd. Hopen snoeiafval kunnen dienen als winterverblijfplaats voor Egel. Voor de overige beschermde zoogdieren geldt dat ze op basis van verspreiding en habitatgeschiktheid niet verwacht worden in of rond het projectgebied.

3.1.2.5 Resultaten veldonderzoek Reptielen en amfibieën Voor Zandhagedis en Rugstreeppad geldt dat het projectgebied niet geschikt is, omdat niet aan de habitateisen van de soorten wordt voldaan. Het is waarschijnlijk dat enkele vrijgestelde amfibieënsoorten, zoals Kleine watersalamander en Gewone pad het bosplantsoen gebruiken om in te overwinteren. 3.1.2.6 Resultaten veldonderzoek Insecten en ongewervelden Voor Gevlekte witsnuitlibel en Duinparelmoervlinder geldt dat hun verspreiding zich vooral tot de duinen beperkt. Geschikt habitat voor deze soorten is op de projectlocatie niet aanwezig. Ook voor Bruine eikenpage en Grote vos geldt dat er geen geschikt habitat op de projectlocatie aanwezig is. Effecten op beschermde insectensoorten worden dan ook niet verwacht. 3.1.2.7 Resultaten veldonderzoek Planten Voor Groenknolorchis geldt dat de verspreiding zich vooral tot de duinen beperkt. Een geschikte groeiplaats voor deze soort is op de projectlocatie niet aanwezig. Ook voor Grote leeuwenklauw en Glad biggenkruid geldt dat er geen geschikte groeiplaats aanwezig is op de projectlocatie. Effecten op beschermde plantensoorten worden dan ook niet verwacht.

3.1.3 Risico-analyse Het risico bestaat dat bij de werkzaamheden broedvogels worden gedood, verstoord, voortplantingsplaatsen/rustplaatsen worden vernield en eieren worden beschadigd (art. 3.1.1, 3.1.2, 3.1.3 en 3.1.4 Wnb) in het te verwijderen bosplantsoen of dat er broedvogels worden verstoord die in het omliggende bosplantsoen of in omliggende bomen broeden. Ook bestaat het risico dat vleermuizen worden verstoord tijdens het foerageren door de werkzaamheden (art. 3.5.2 Wnb). Er is geen sprake van een in de wet genoemd belang dat effecten op beschermde soorten legitimeert. Ook bestaat het risico dat algemene en vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden gedood, verstoord of dat hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen worden vernield. Hierop is de zorgplicht van toepassing.

De effecten op beschermde soorten moeten voorkomen worden. De effecten op vrijgestelde soorten kunnen beperkt worden.

3.1.4 Effectbeoordeling en maatregelen 3.1.4.1 Effectbeoordeling en maatregelen Broedvogels Door buiten de soortspecifieke broedperiode te werken, kunnen effecten op broedvogels voorkomen worden. Door het werk te starten voor de broedperiode en het werk niet te onderbreken, kan voorkomen worden dat er zich broedvogels vestigen in het te verwijderen bosplantsoen en de te verwijderen bomen. Er moet ook rekening gehouden worden met de kans op vestiging van broedvogels in het omliggende bosplantsoen in de omliggende bomen. Ten aanzien van de Huismus geldt dat de bamboe- en wingerdstruik, zie Figuur 4, behouden moet blijven, omdat deze mogelijk een essentieel onderdeel uitmaakt van hun leefomgeving. Als deze struik niet behouden kan blijven, is er aanvullend onderzoek nodig en afhankelijk van de uitkomst daarvan eventueel mitigerende maatregelen. 3.1.4.2 Effectbeoordeling en maatregelen Vleermuizen Door overdag te werken wordt voorkomen dat vleermuizen hinder ondervinden van licht in de nacht. 3.1.4.3

Effectbeoordeling en maatregelen Vrijgestelde soorten (grondgebonden zoogdieren en amfibieën) Om invulling te geven aan de zorgplicht, zou de beste periode om het plantsoen en de bomen te rooien, het najaar zijn. De vogels moeten klaar zijn met broeden en de winterrust van eventueel aanwezige (vrijgestelde) grondgebonden zoogdieren en amfibieën is dan nog zo min mogelijk aangevangen.

3.2 Resultaten onderdeel gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en ook niet van Bijzonder Provinciaal Landschap (Provincie Noord-Holland, z.d.-c). Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, bevindt zich op ongeveer 5,7 km afstand van het projectgebied (Provincie Noord-Holland, z.d.-c), zie Figuur 5.

Figuur 5: Kaart met afstandsmeting vanaf het projectgebied tot Natura 2000. Ook is te zien waar NNN gebieden zijn gesitueerd ten opzichte van het projectgebied. Overgenomen uit Natuurbeheerplannen van provincie Noord-Holland, z.d. (https://geoapps.noord-holland.nl/GeoWebP/index.html?viewer=nbp).

Effecten, behalve stikstofneerslag, op Natura2000-gebieden zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Met het inwerking treden van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering zijn tijdelijke emissies zoals sloop,- bouw-, aanlegactiviteiten vrijgesteld voor het aspect stikstof (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2021). Nu het (oude) handbalveld verdwijnt, kunnen de verkeersbewegingen die bij de handbalsport hoorden gesaldeerd worden met de nieuwe bewegingen voor het corporatiehotel, welke gasloos wordt uitgevoerd. Dit in combinatie met de grote afstand tot Natura2000-gebieden (circa 5,7 km), maakt dat er niet verwacht wordt dat de verkeersbewegingen negatieve effecten hebben op de stikstofgevoelige N2000-gebieden. Er hoeft geen AERIUS-berekening te worden uitgevoerd.

3.3 Resultaten onderdeel houtopstandenbescherming Op het te rooien bosplantsoen en de te rooien bomen is geen Provinciale houtopstandenverordening van toepassing, maar wel de gemeentelijke boomverordening (Gemeente Schagen, 2018). Er dient dus een kapvergunning aangevraagd te worden bij de gemeente.

4 Conclusie

Het plan veroorzaakt op voorhand geen strijdigheid met de Wnb. Door de in paragraaf 3.1.4 genoemde maatregelen op te volgen, kunnen effecten op beschermde soorten voorkomen worden en kan de zorgplicht ingevuld worden. De werkzaamheden kunnen, voor zover ze onder de gedragscode soortbescherming gemeenten vallen, onder deze gedragscode worden uitgevoerd. Zorgvuldig handelen moet uitgewerkt worden in een ecologisch werkprotocol. Er is geen AERIUS-berekening nodig. Er is wel een gemeentelijke kapvergunning nodig.

5 Aanbevelingen Biodiversiteit(sbehoud) is een voorwaarde voor de leefbaarheid van de aarde. De natuur biedt allerlei ecosysteemdiensten zoals bestuiving, natuurlijke plaagbestrijding en CO2-vastlegging. Gezien de locatie en de aard van de geplande bebouwing, is het project zeer kansrijk voor de toepassing van natuurinclusieve maatregelen. Er is en blijft geschikt foerageerhabitat aanwezig voor vleermuizen. Gebouwbewonende soorten zoals Laatvlieger en Gewone dwergvleermuis hebben er baat bij als de spouw op een goede manier toegankelijk wordt gemaakt. Ze gebruiken de spouwmuur als (vaste) rust- en voortplantingsplaats. Hier ligt een uitgesproken kans om een toegankelijke spouw voor Meervleermuizen (waarvan er minder op de wereld zijn dan van olifanten) te realiseren. Het is bekend dat deze soort in de buurt van het projectgebied vliegt. Het project leent zich er ook goed voor om neststenen voor Gierzwaluw in muren te verwerken. Huismussen kunnen ook gebruik maken van die neststenen, maar die stellen ook eisen aan het leefgebied vlakbij die neststenen. Als met deze eisen (vooral schuil- en foerageergelegenheid in de vorm van doornige struiken) rekening wordt gehouden bij de inrichting van het openbaar gebied, heeft het project ook potentie om als leefgebied voor Huismussen te fungeren. Een kruidenrijke inrichting bevordert de potentie voor insecten.

6 Bijlagen Bijlage I Lijst met soorten waarvoor de habitatgeschiktheid is ingeschat Soortgroep Vogels

Soort Aalscholver Appelvink Baardman Bergeend Bergfluiter Blauwborst Blauwe kiekendief Blauwe reiger Blonde ruiter Boerenzwaluw Bontbekplevier Bonte vliegenvanger Boomkruiper Boomleeuwerik Boompieper Boomvalk* Bosrietzanger Bosuil Braamsluiper Brandgans Brilduiker Bruine kiekendief Buizerd* Casarca Cetti's Zanger Dodaars Dwerggans Ekster Europese kanarie Fazant Fitis Fluiter Fuut Gaai Geelgors Gekraagde roodstaart Gele kwikstaart Geoorde fuut Gierzwaluw* Glanskop Goudhaan Goudplevier Goudvink Grasmus Graspieper Graszanger

Opmerking

Terugkerend nestgebruik

Terugkerend nestgebruik

Terugkerend nestgebruik

Grauwe fitis Grauwe gans Grauwe klauwier Grauwe vliegenvanger Groene specht Groenling Grote bonte specht Grote Canadese gans Grote karekiet Grote lijster Grote mantelmeeuw Grote stern Grote zaagbek Grote zilverreiger Grutto Havik* Heggenmus Holenduif Houtduif Houtsnip Huismus* Huiszwaluw IJsvogel Kauw Keep Kemphaan Kerkuil* Kievit Kleine barmsijs Kleine karekiet Kleine mantelmeeuw Kleine plevier Kleine zilverreiger Kleinst waterhoen Kluut Kneu Knobbelzwaan Koekoek Kokmeeuw Kolgans Koolmees Koperwiek Krakeend Krooneend Kuifeend Kuifmees Kwartel Kwartelkoning Lachstern Lepelaar

Terugkerend nestgebruik

Jaarrond nestgebruik

Terugkerend nestgebruik

Matkop Meerkoet Merel Nachtegaal Oeverloper Oeverzwaluw Paapje Patrijs Pijlstaart Pimpelmees Porseleinhoen Putter Ransuil* Regenwulp Rietgors Rietzanger Ringmus Roerdomp Roodborst Roodborsttapuit Roodmus Rotgans Roze pelikaan Scholekster Sijs Slobeend Smient Snor Sperwer* Spotvogel Spreeuw Sprinkhaanzanger Staartmees Steenloper steenuil (s.l.)* Steltkluut Stormmeeuw Tafeleend Tapuit Tjiftjaf Torenvalk Tuinfluiter Tureluur Turkse tortel Veldleeuwerik Veldrietzanger Vink Visdief Vuurgoudhaan Waterhoen

Terugkerend nestgebruik

Terugkerend nestgebruik

Jaarrond nestgebruik

Waterral Waterrietzanger Watersnip Wielewaal Wilde eend Winterkoning Wintertaling Witgat Witte kwikstaart Wulp Zanglijster Zilvermeeuw Zomertaling Zomertortel Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwartkop Zwartkopmeeuw Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Tweekleurige vleermuis Rosse vleermuis Watervleermuis Bosvleermuis Gewone grootoorvleermuis Ruige dwergvleermuis

Marterachtigen

Boommarter Bunzing Hermelijn Steenmarter Wezel

Grondgebonden zoogdieren

Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Gewone bosspitsmuis Huisspitsmuis Rosse woelmuis Veldmuis Waterspitsmuis Woelrat Egel Haas Konijn Ree

Verblijf Gebouwbewonend Gebouwbewonend Gebouwbewonend Gebouwbewonend Gebouwbewonend Boombewonend Beide Beide Beide Beide

Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort

Jachthabitat Landschapselementen Landschapselementen Open landschap Open water Open landschap Open landschap Beschut water Landschapselementen Bomen Landschapselementen

Reptielen en amfibieën

Vos Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Rugstreeppad Zandhagedis

Insecten en ongewervelden

Gevlekte witsnuitlibel Duinparelmoervlinder Grote vos Bruine eikenpage

Planten

Groenknolorchis Grote leeuwenklauw Glad biggenkruid

Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort Vrijgestelde soort

Bijlage II Habitateisen geïnventariseerde beschermde soorten Vogels In dit onderzoek wordt de indeling in ecologische vogelgroepen van Sierdsema aangehouden (Sierdsema, 1995). De indeling naar hoofdecotopen is hieronder opgenomen in Tabel 1. Broeden en rusten doen vogels voornamelijk in het ecotoop dat omschreven is in de vogelgroepnaam. Tabel 1: Indeling van vogelgroepen naar hoofdecotopen.

Ecologische vogelgroepen Vogels van open water Vogels van riet- en andere verlandingsvegetaties Vogels van pioniervegetaties, ruigten en akkers Vogels van heidevegetaties (dwergstruiken) Vogels van grazige vegetaties Vogels van struiken en struwelen, heggen Vogels van boomgroepen, open bos en bosranden, opgaande lijnvormige begroeiingen Vogels van opgaand gesloten bos Vogels van bebouwing

Vleermuizen Voortplanten en veiligheid zoeken, doen vleermuizen in holtes in bomen, in gebouwen of in allebei. De voorkeur verschilt per soort. In gebouwen verblijven vleermuizen bijvoorbeeld in spouwmuren of achter het dakbeschot, maar ze maken ook gebruik van kelders en zolders (Vleermuiswerkgroep Nederland, z.d.). In bijlage I is de voorkeur per soort aangegeven. Voedsel zoeken doen de meeste vleermuizen langs landschapselementen zoals bosranden, bomenrijen, vijvers, oevers en vaarten (Zoogdiervereniging, z.d.-a). Laatvlieger, tweekleurige vleermuis en rosse vleermuis vliegen en jagen ook iets verder van die elementen af. Meervleermuis en watervleermuis zijn sterk georiënteerd op respectievelijk open en beschutte waterpartijen voor het foerageren. De gewone grootoorvleermuis is in de jacht (en het verplaatsen) erg op bomen gericht (Zoogdiervereniging, z.d.-a). Ook deze soortspecifieke voorkeuren zijn in bijlage I aangegeven. Verplaatsen doen vleermuizen veelal langs de eerder genoemde landschapselementen. Voor verbindingen wordt de mate ingeschat waarin de lijnvormige landschapselementen waarvan veel soorten afhankelijk zijn, aanwezig zijn. Veel soorten vleermuizen mijden open ruimtes (Verboom, 1995).

Marterachtigen

Boommarter De Boommarter is een typische bosbewoner. Nesten zitten vaak in holtes van bomen en soms in gebouwen aan de rand van het bos. Rusten doen ze ook wel in konijnen- en vossenholen of onder takkenbossen of tussen boomwortels. Ze eten onder andere insecten, vogels en eieren en kleine zoogdieren (Zoogdiervereniging, z.d.-b). Boommarters verplaatsen zich bij voorkeur langs dekking (opgaande begroeiing) (Van der Lans, Tonckens, Van der Ziel, & Mulder, 2006). Bunzing Bunzings komen in allerlei landschapstypen voor, maar geven de voorkeur aan kleinschalig landschap met voldoende dekking en water in de buurt. Verblijven/rusten en voortplanten doen ze bijvoorbeeld in oude konijnenholen of vossenburchten. Soms graven ze zelf een hol, dat op het hol van een bruine rat lijkt. Ze eten zoogdieren, vogels en eieren, amfibieën, insecten en vruchten. De bunzing komt ook voor in vrij open landschappen (weidegebieden met sloten) (Zoogdiervereniging, z.d.-c).

Hermelijn De hermelijn komt in allerlei landschapstypen voor, als er maar voldoende dekking aanwezig is. Voortplanten doen ze vaak in oude mollennesten of konijnenholen. Verblijven/rusten doen ze ook wel onder andere onder houtstapels of in schuurtjes. Ze eten kleine zoogdieren, vogels en eieren. Verplaatsen doen ze vooral langs lijnvormige elementen die dekking geven zoals hagen, oeverlijnen etc. (Zoogdiervereniging, z.d.-d). Steenmarter De steenmarter komt voor in stenige biotopen zoals steengroeven, rotshellingen en gebouwen. Ze geven de voorkeur aan kleinschalig agrarisch landschap: bij de bijbehorende landschapselementen zoals heggen en bosjes zoekt hij zijn voedsel. Voortplanten doen ze in kieren of nissen in gebouwen. Verblijven doen ze ook onder takkenbossen of in boomholen. Ze eten kleine zoogdieren, vogels, eieren, insecten, amfibieën, maar ook vruchten en bessen (Zoogdiervereniging, z.d.-e). Ook steenmarters verplaatsen zich graag langs dekking. Wezel De wezel komt in allerlei landschapstypen voor, als er maar voldoende dekking aanwezig is. Voortplanten doen ze vaak in oude holen van muizen, ratten of konijnen. Ze verblijven/rusten ook onder houtstapels of in schuurtjes. Ze eten vooral woelmuizen, maar ook andere kleine zoogdieren, vogels, eieren, insecten en amfibieën (Zoogdiervereniging, z.d.-f).

Verplaatsen doen ze vooral langs lijnvormige elementen die dekking geven zoals hagen, oeverlijnen etc. (Bouwens, 2017).

Grondgebonden zoogdieren

Bosmuis De bosmuis komt voor in bossen en open terreinen, mits er genoeg dekking aanwezig is en het niet te nat is. Om in te verblijven/rusten en voort te planten, graaft de bosmuis een hol. Ze eten voornamelijk zaden van grassen, bessen en noten, maar ook spinnen, slakken en insecten (Zoogdiervereniging, z.d.-g). Dwergmuis De dwergmuis is niet kieskeurig qua landschapstype. De aanwezigheid van hoog opgaande dichte vegetatie is wel voorwaardelijk voor het voorkomen van de soort. Ze weven nesten op enige hoogte in de vegetatie om in te verblijven/rusten en in voort te planten. Dwergmuizen eten onder andere zaden, graden, vruchten en bessen, maar ook insecten (Zoogdiervereniging, z.d.-i). Dwergspitsmuis Dwergspitsmuizen komen voor waar bodem bedekkende vegetatie aanwezig is en de bodem koel blijft. In uitgestrekte bossen en poldergebieden ontbreken ze. Dwergspitsmuizen verblijven/rusten vaak in gangen van andere kleine zoogdieren. Het nest waar ze zich voortplanten, is een bal van gras die zich meestal boven de grond bevindt. Ze eten voornamelijk dierlijk voedsel zoals insecten, spinnen en pissebedden (Zoogdiervereniging, z.d.-l). Gewone bosspitsmuis De gewone bosspitsmuis komt voor in graslanden en bossen met bodem bedekkende vegetatie. Hij ontbreekt in moerassen en zandige gebieden met een losse bodem. Verblijven/rusten en voortplanten doen ze in oude holen van andere muizen.

Ze foerageren in strooisellagen naar insecten, pissebedden, slakken, spinnen en wormen. Ook eten ze zaden van naaldbomen en ander plantaardig materiaal (Zoogdiervereniging, z.d.-m).

Huisspitsmuis De huisspitsmuis komt voor in open tot halfopen gebieden zoals weilanden, tuinen en bermen (Natuurpunt, z.d.-d). Voor de voortplanting maken ze gebruik van zelfgebouwde nesten in bijvoorbeeld takkenstapels. Verblijven/rusten doen ze ook wel in gangen van muizen of mollen. Huisspitsmuizen eten onder andere insecten, spinnen, pissebedden, slakken en wormen, maar ook gewervelden zoals hagedissen of jonge muizen (Zoogdiervereniging, z.d.-n). Rosse woelmuis De rosse woelmuis komt in vrijwel het hele land voor. De soort is sterk gebonden aan dekking en waagt zich zelden in open gebieden zonder beschutting. Ze leven bij voorkeur is gemengd loofbos met een struik- en kruidlaag. Verblijven/rusten en voortplanten doen ze in een hol onder de grond. Rosse woelmuizen eten bijvoorbeeld zachte zaden, vlezige vruchten, bladeren en boomschors, maar ook gras, insecten en wormen (Zoogdiervereniging, z.d.-j). Veldmuis De veldmuis geeft de voorkeur aan drogere gebieden met kort gras. Verblijven/rusten en voortplanten doen ze in holen onder de grond, soms in oude mollengangen. Ze eten voornamelijk plantaardig voedsel zoals grassen, zaden, wortels, vruchten en mos, maar ook spinnen en wormen (Zoogdiervereniging, z.d.-k). Waterspitsmuis Waterspitsmuis is een zichtjager en is dan ook afhankelijk van helder water met goed begroeide oevers (dekking) (Ten Haaf & Bakker, 2016).

Voor de voortplanting en om in de verblijven/rusten, maken ze nesten van bijvoorbeeld gras, bast en mos in holtes of in holen aan de oever. Waterspitsmuizen eten onder andere insecten, kreeftachtigen, waterslakken, maar ook vissen en amfibieën (Zoogdiervereniging, z.d.-h). Woelrat Woelrat leeft vooral in de buurt van schoon stilstaand zoet water, met hoge steile begroeide oevers. Ze graven zeer uitgebreide gangenstelsels om in te verblijven en zich in voort te planten. Het menu bestaat voor 95% uit delen van planten zoals stengels van kruiden, grassen en zeggen en wortels (Zoogdiervereniging, z.d.-t). Egel Egels komen daar voor waar ondergroei is, zoals in tuinen en parken en bij bosranden. Voortplanten doen ze vaak onder compost-, takken- of puinhopen. Verblijven/rusten doen ze ook wel onder dicht struikgewas, in holtes onder boomwortels of in konijnenholen. Ze eten insecten, regenwormen en slakken (Zoogdiervereniging, z.d.-o). Haas De haas is van oorsprong een steppebewoner en is daarom op open velden, akkers en weiden te vinden, maar komt ook in bijvoorbeeld open bos en op heideterrein voor. Verblijven/rusten en voortplanten doen ze in legers (ondiepe kuilen). Hazen eten grassen, kruiden en akkerbouwproducten (Zoogdiervereniging, z.d.-p). Konijn Konijnen geven de voorkeur aan zandige bodems waar ze makkelijk een hol kunnen graven.

In open polderlandschap ontbreekt het konijn vaak. Verblijven/rusten en voortplanten doen ze in het hol. Ze eten grassen, kruiden en loten van jonge bomen en struiken (Zoogdiervereniging, z.d.-q).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14680497/1