CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Verkennend onderzoek natuur

Oordeelsvormende vergadering 16 april 2024, gemeente SchagenBij agendapunt: Gecoördineerde aanvraag Groteweg 25A 't Zand2.711 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bureau Aandacht Natuur

Notitie Wet Natuurbescherming herinrichting Groteweg 25A, ‘t Zand Bureau Aandacht Natuur, Merijn Volkers 21-12-2021 te Hippolytushoef

Inleiding Aan de Groteweg 25A te ’t Zand dient de bestemming van het erf te worden omgezet van agrarisch naar wonen en maa a zullen enkele schuren worden gesloopt om een woning m te bouwen. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is op de locatie een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het veldonderzoek hiertoe heeft plaatsgevonden op 20 december 2021. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen, is door Merijn Volkers van Bureau Aandacht Natuur een veldbezoek gebracht aan de projectlocatie. De locatie is overdag bezocht en is bedoeld om inzicht te krijgen in het voorkomen of mogelijk voorkomen van binnen de Wet Natuurbescherming beschermde planten- en diersoorten.

Figuur 1. Huidige loodsen aan de Groteweg 25A te ’t Zand.

Plangebied De projectlocatie bestaat uit verschillende aan elkaar gebouwde loodsen van de (voormalige) bloembollenkwekerij A. Verschoor & Zn aan de Groteweg 25A in ‘t Zand, gelegen ten noorden van Schagen. In verband met de bedrijfsbeëindiging is de eigenaar voornemens om een groot deel van de agrarische loodsen te slopen en hiervoor in de plaats een woning m te bouw . Hiertoe zal de bestemming worden gewijzigd van agrarisch naar wonen maa a . Daarbij zal de meest recente loods aan de achterzijde van het bedrijf als bijgebouw gehandhaafd worden. Dit betreft een vrij recente loods bestaande uit een metalen damwandconstructie. www.aandachtnatuur.nl

blad 1 van 6

Bureau Aandacht Natuur

In verband met de beoogde plannen heeft een ecologische inspectie plaatsgevonden. De inspectie heeft zich voornamelijk gericht op het onderdeel soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming. De betreffende locatie betreft een voormalige agrarisch erf aan de rand van ’t Zand in het intensief agrarische gebied voor de bloembollenteelt van de Zijpepolder. De locatie heeft geen betrekking op een beschermde houtopstanden zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. Verder is de projectlocatie niet gelegen in een Natura 2000 gebied of gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), een natuurverbinding of een weidevogelleefgebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreffen de Duinen Den Helder – Callantsoog en het Zwanenwater & Pettemerduinen en liggen op een minimale afstand van respectievelijk 2 en 3 kilometer van de projectlocatie. Gezien de relatief korte afstand tot genoemde Natura 2000 gebieden en stikstofgevoelige habitattypen, is een stikstofberekening in Aerius uitgevoerd voor de uiteindelijke gebruiksfase. Stikstofberekening Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Door bijvoorbeeld mest van landbouwbedrijven en uitstoot door industrie en auto's. Dit is schadelijk voor de natuurgebieden.

Per Natura 2000 gebied is in beheerplannen aangegeven welke habitattypen gevoelig zijn voor (overmatige) stikstofdepositie en welke afspraken hierover zijn vastgelegd. Alleen als de hoeveelheid laag genoeg is (onder de gestelde drempelwaarde van 0,0 kg/jr.), zijn nieuwe activiteiten met stikstofuitstoot mogelijk. Per 1 juli 2021 is een wijziging opgetreden in de wetgeving voor stikstofreductie en natuurverbetering. Dit betekent dat er een partiële vrijstelling geldt voor de volgende activiteiten: a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. De vrijstelling geldt alleen voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw en aanleg van werken en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase. Daarom is voor de gebruiksfase een stikstofdepositie-analyse uitgevoerd (bijlage 1). In de gebruiksfase zal er alleen sprake zijn van verkeersbewegingen van b die van en naar de nieuwe woning m rijden. De woning wordt gas- en haardloos opgeleverd, waardoor er geen sprake zal zijn van stikstofemissie van de woning zelf.

In verband met de toename van een vrijstaande woning, is uitgegaan van de gemiddelde kencijfers van CROW-publicatie 381 en dient gerekend te worden met 8,6 verkeersbewegingen per etmaal (per vrijstaande woning). Ten behoeve van de realisatie van het beschreven planvoornemen is een stikstofdepositieanalyse uitgevoerd, zie bijlage 1. Hieruit blijkt dat de stikstofemissie op de planlocatie door het planvoornemen toeneemt met 0,6 kg NOx en 0,1 kg NH3 per jaar. Met het programma Aerius is de nieuwe situatie doorgerekend. Hieruit blijkt dat er geen projectbijdrage wordt geleverd op de stikstofdepositie binnen Natura 2000 gebieden door de beoogde herinrichting. Aan de hand van de gehanteerde inzet zijn er binnen Natura 2000 gebieden geen rekenresultaten hoger dan de 0,00 mol/ha/j, zie de Aerius-berekening in de bijlage. Soortbescherming Voor bovengenoemde projectlocatie heeft een verkennend veldonderzoek plaatsgevonden. Aan de hand hiervan kan per soortgroep het volgende worden geconcludeerd:

www.aandachtnatuur.nl

blad 2 van 6

Bureau Aandacht Natuur

Flora Op de projectlocatie zijn geen vegetatietypen waargenomen waarbij verwacht wordt beschermde soorten voorkomen. De projectlocatie bestaat uit soortenarme terreintypen, zoals bebouwing en een betonverharding. De te slopen loodsen zijn grotendeels opgebouwd uit metalen wandplaten en asbest dakplaten, waardoor van beschermde muurflora geen sprake is. Met uitzondering van enkele algemene (on)kruiden langs de betonverhardingen zoals akkermelkdistel, klein kruiskruid, gewone paardenbloem en straatgras, zijn er geen wilde plantensoorten aangetroffen. Gezien de ligging en het gebruik van het erf, wordt dan ook niet verwacht dat beschermde plantensoorten voorkomen. Rondom de schuren is een betonverharding aanwezig, alleen aan de noordwestzijde is langs de loods een kort gemaaide grasstrook aanwezig. Tevens zijn er geen beschermde plantensoorten bekend (FLORON/NDFF, 2021) uit het betreffende uurhok (5x5km) waarbinnen het betreffende erf zich bevindt. Vogels Met uitzondering van enkele algemene vogelsoorten als kauw, houtduif en koolmees in de directe omgeving van het plangebied, zijn er geen vogelsoorten op of rond het erf waargenomen. De loodsen zijn van buitenaf niet toegankelijk en ook bij een interne inspectie van de schuren zijn er geen oude vogelnesten in de loodsen aangetroffen.

Aan de achterzijde, aan de meest recente loods is een torenvalkkast aangebracht, welke reeds enkele jaren succesvol wordt bebroed. Op de locatie zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. De bomen op aangrenzende erven zijn niet onderhevig aan de plannen en bevatten geen (mogelijke) nesten van jaarrond beschermde soorten zoals buizerd, sperwer of ransuil. Ook in de te slopen schuur zijn geen nesten of sporen (braakballen/ uitwerpselen) aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van gebouw bewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaats, zoals kerkuil of huismus. In verband met de aanwezigheid van een asbest dakplaten kunnen ook andere gebouw bewonende soorten als gierzwaluw worden uitgesloten in de te slopen loodsen.

Figuur 2. Interne situatie van te verwijderen loodsen aan de Groteweg 25A te ’t Zand.

Zoogdieren Verwacht wordt dat de projectlocatie het leefgebied vormt voor enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdieren zoals veldmuis, huisspitsmuis, egel en haas. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming.

www.aandachtnatuur.nl

blad 3 van 6

Bureau Aandacht Natuur

Met betrekking tot de zwaarder beschermde soorten is het mogelijk dat vleermuizen en kleine marterachtigen als hermelijn, wezel of bunzing voorkomen in de omgeving van de projectlocatie. Tevens is de steenmarter bezig aan een opmars in Noord-Holland, maar lijkt op basis van de huidige verspreidingsgegevens (telmee.nl/NDFF) vooralsnog te ontbreken in de uurhokken rond ‘t Zand (gemeente Schagen). Voor genoemde soorten geldt de bovengenoemde vrijstelling niet. Gezien de aanwezige terreinkenmerken wordt niet verwacht dat de projectlocatie een belangrijke functie zal hebben ten aanzien van vleermuizen en/of (kleine) marterachtigen. Ten behoeve van vleermuizen ontbreken (potentieel) geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen. Bomen (met holtes) zijn niet aanwezig op de projectlocatie en de aanwezige schuren betreffen enkelwandige loodsen, grotendeels bestaande uit stalen wand- en dakplaten en zijn daarmee niet geschikt als vaste rust en verblijfplaats voor vleermuizen. De oudste schuur aan de voorzijde van het erf betreft wel een stenen muur, maar betreft een halfsteensmuur zonder openingen die toegankelijk zijn voor vleermuizen. De dakranden bestaan uit asbest hoekprofielen en kunststofgoten. Eventuele ramen/openingen in de stenen gevels zijn afgedicht met metalen golfplaten en bevatten geen ruimtes geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.

Aan de achterzijde van loodsen is eveneens een overstek aanwezig ten behoeve van de aanzuiging van de ventilatoren voor het drogen van de bloembollen, maar zijn dichtgezet met houten platen. Daarbij is de opgaande erfbeplanting niet onderhevig aan de beoogde herinrichting en wordt niet verwacht dat een eventueel (geschikt) foerageergebied wordt aangetast of verwijderd. Verder ligt de projectlocatie aan de rand van de bebouwde kom en zijn er geen doorlopende groenstructuren zoals bomenrijen of singels aanwezig langs de projectlocatie, waardoor niet wordt verwacht dat een vliegroute van vleermuizen wordt verstoord of onderbroken met de voorgenomen ingreep. Ook ten aanzien van kleine marterachtigen zijn er in en rond de loods geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van deze soorten. Rond de loodsen ontbreken groenstructuren. Tevens zijn er in de gevels geen openingen aanwezig die toegang bieden tot kruip- of tussenruimtes, waarmee niet wordt verwacht dat de projectlocatie een functie heeft voor kleine marterachtigen.

Figuur 3. Loodsen niet geschikt als verblijfplaats voor marterachtigen en vleermuizen.

Amfibieën Met het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen en met uitzondering van de wegsloot aan de voorzijde van het erf, ontbreken er waterelementen op of rond de projectlocatie. Naast de aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibieën, is het voorkomen van de strikt beschermde soort rugstreeppad bekend uit de uurhok gegevens waarbinnen de planlocatie valt (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Geschikt leefgebied voor rugstreeppad, zoals voortplantingswateren (ondiepe sloten of plassen) ontbreken binnen het plangebied. Tevens www.aandachtnatuur.nl

blad 4 van 6

Bureau Aandacht Natuur

ontbreken open zanderige terreintypen waar de soort zich gedurende dag of voor de overwintering kan ingraven. Met betrekking tot de beoogde plannen wordt dan ook niet verwacht dat leefgebied of exemplaren van rugstreeppad worden verstoord of zullen verdwijnen. Overige beschermde soorten Overige beschermde soorten (reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden tevens op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied. Conclusies en advies soortbescherming Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. Gezien de aanwezige terreintypen, wordt niet verwacht dat beschermde plantensoorten aanwezig zijn. Een ontheffingsaanvraag of nader onderzoek naar beschermde plantensoorten in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen1 uitgevoerd mogen worden. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan.

Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Mogelijke nestlocaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op of rond de projectlocatie. Met de voorgenomen ontwikkeling van het projectgebied wordt dan ook niet verwacht dat nesten of het leefgebied van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats worden verstoord. Een nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming ten aanzien van jaarrond beschermde vogelsoorten is dan ook niet aan de orde. Met uitzondering van vleermuizen worden uitsluitend algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten verwacht binnen de planlocatie. Van potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is op de projectlocatie geen sprake. Lijnvormige structuren van en naar (groen)gebieden in de omgeving zijn niet aanwezig binnen of langs het plangebied.

Een mogelijke verstoring van vliegroutes van vleermuizen is met het planvoornemen niet aan de orde. Uiteraard is het mogelijk dat het perceel onderdeel uitmaakt van het foerageergebied van vleermuizen. Aangezien bomen en singels op de planlocatie zelf ontbreken en aanliggende erven niet onderhevig zijn aan de beoogde plannen, wordt niet verwacht dat belangrijk foerageergebied van vleermuizen verloren gaat. De schuren zijn verder niet geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Met de voorgenomen sloop en nieuwbouw, wordt niet verwacht dat er negatieve effecten optreden met betrekking tot vleermuizen. Een ontheffing of nader onderzoek naar vleermuizen is dan ook niet noodzakelijk. Gezien de aanwezige terreintypen en het ontbreken van groenstructuren op en rond de projectlocatie word niet verwacht dat het plangebied van belang is voor (kleine) marterachtigen. Een nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming voor kleine marterachtigen dan wel steenmarter is in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de sloop en nieuwbouw niet noodzakelijk. 1 In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli. www.aandachtnatuur.nl

blad 5 van 6

Bureau Aandacht Natuur

Met betrekking tot amfibieën zijn enkele algemeen voorkomende beschermde soorten te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Echter geldt voor deze soorten te allen tijde de zorgplicht zoals bedoelt in de Wet Natuurbescherming. Gezien de voorgenomen plannen en het ontbreken van voortplantingswater, wordt niet verwacht dat de werkzaamheden een effect zullen hebben op de (lokale) populatie van algemeen voorkomende amfibieën. Verder is aan de hand recente verspreidingsgegevens bekend dat de beschermde rugstreeppad voorkomt in het uurhok waarbinnen de projectlocatie is gelegen. In de huidige situatie ontbreekt geschikt leefgebied voor deze soort, waarmee een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot rugstreeppad in het kader van de voorgenomen plannen niet noodzakelijk is. Echter is het mogelijk dat tijdens de nieuwbouw geschikt leefgebied ontstaat voor rugstreeppad. De rugstreeppad is een zogeheten pionierssoort en is als zodanig in staat om in korte tijd nieuw ontstaan geschikt leefgebied te koloniseren. Geschikt leefgebied bestaat uit zanderige, onbegroeide terreindelen met ondiepe, tijdelijke wateren (plassen en sporen). Bouwterreinen in ontwikkeling kunnen aan deze voorwaarden voldoen.

Indien genoemde soort wordt aangetroffen, kan het alsnog noodzakelijk zijn een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen. Gezien de ligging ten opzichte van het duingebied (overwinteringsgebied rugstreeppad) wordt aanbevolen om het bouwrijp maken van het terrein uit te voeren buiten de voortplantingsperiode van rugstreeppad (april t/m half augustus), dan wel een amfibiescherm te plaatsen rondom het plangebied om vestiging van de soort tijdens de bouwfase te voorkomen. Met uitzondering van enkele algemeen voorkomende soorten, waarvoor binnen de Wet Natuurbescherming een vrijstelling geldt m.b.t. ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer, wordt niet verwacht dat andere beschermde soorten voorkomen op de betreffende locatie. Nader onderzoek of de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming met betrekking tot overige beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om ontheffing aan te vragen voor deze soort(en).

Tot slot Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat aanvullend onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet noodzakelijk is. Met inachtneming van de algemene zorgplicht is een ontheffing van de Wet Natuurbescherming op voorhand niet nodig. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening. Op voorhand kan in redelijkheid worden gesteld dat natuurwet en -regelgeving de uitvoerbaarheid van het ruimtelijke plan niet in de weg staat.

Bijlage: Stikstofberekening AERIUS_bijlage_20211220172630_RvJkt35ChgCY www.aandachtnatuur.nl

blad 6 van 6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14696097/1