Bijlage 2 - Verkennend en nader onderzoek natuur
Tekst van het document
Toetsing Wet Natuurbescherming
Herinrichting Zuiderweg 4-6 te Schagen
Bureau Aandacht Natuur
Toetsing Wet Natuurbescherming Herinrichting Zuiderweg 4-6 te Schagen 3 juli 2020, Hippolytushoef
Opdrachtgever: AMB Advies Korte Bosweg 55 1756 CA ‘t Zand Tel: 06-29148106 e-mail: info@ambadvies.nl
Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 0227-595576 Mob: 06-24818383 e-mail: aandachtnatuur@kpnmail.nl www.aandachtnatuur.nl
Bureau Aandacht Natuur
Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 3 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 6 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 6 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 7 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 7 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 7 3. Resultaten……………………………..………..…………..………………….. blz. 9 3.1 Flora…………………………….……………………………...……………...... blz. 9 3.2 Vogels………………………………………………………………………...... blz. 9 3.3 Vleermuizen..………….……………………………………………………...... blz. 10 3.3 Overige (grondgebonden) zoogdieren......………………………………...... blz. 11 3.4 Amfibieën…………….……………………………………………………….... blz. 11 3.5 Overige beschermde soorten.……………………………………................. blz. 12 4. Conclusies en advies……………..……………………………………………blz. 13 4.1 Gebiedsbescherming………………...……………………………………...... blz. 13 4.2 Soortbescherming...………………….……………………………………...... blz. 13 4.3 Houtopstanden………………………..……………………………………...... blz. 15 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 16 Bijlage 1: Wet Natuurbescherming Bijlage 2: Vleermuiswaarnemingen per veldronde
1
Bureau Aandacht Natuur
1. Inleiding In opdracht van AMB Advies heeft een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden aan de Zuiderweg 4-6 te Schagen. De initiatiefnemer is voornemens om het (voormalige) bedrijfsterrein van Oudshoorn BV plus bijbehorende bedrijfswoning opnieuw in te richten voor woningbouw. In verband met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten op of rond het erf, heeft op 5 juni 20190 een verkennende onderzoek (quickscan) in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Naar aanleiding van de quickscan heeft in het najaar van 2019 en de zomer van 2020 een vleermuisonderzoek aan de (bedrijfs)woning en directe omgeving plaatsgevonden. De bevindingen van dit veldonderzoek aangevuld met literatuurgegevens worden hieronder verder besproken. 1.1 Aanleiding en doel In verband met de voorgenomen herinrichting van het terrein aan de Zuiderweg 4 en 6 te Schagen, heeft een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Het onderzoek is uitgevoerd door dhr. M. Volkers, dhr. M. van der Lee en dhr. M. de Jong van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of de projectlocatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten.
De uitkomsten van dit onderzoek zullen worden meegenomen in de plannen voor de herstructurering en mede bepalend zijn voor het verdere plan van aanpak en de beoogde functies.Doel van het onderzoek is om vast te stellen of de beoogde locatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten.
Figuur 1. Ligging van het plangebied aan de Zuiderweg 4-6 te Schagen
2
Bureau Aandacht Natuur
1.2 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtopstanden. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuurbescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen.
Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep.
Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht. Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. 3
Bureau Aandacht Natuur
Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het nemen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt. Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen. Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen.
Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het nemen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. 1
De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”
4
Bureau Aandacht Natuur
Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de Provincies en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is in dit geval het bevoegd gezag. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is.
Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing.
5
Bureau Aandacht Natuur
2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving De projectlocatie bestaat uit een bedrijfsterrein van Oudshoorn Schagen BV en bijbehorende (bedrijfs)woning aan de Zuiderweg 4-6 te Schagen. Het terrein is gelegen langs het spoor, aan de westzijde van het bedrijventerrein De Witte Paal, aan de zuidzijde van Schagen. Het bedrijfsterrein wordt aan de zuidzijde omringd door een brede sloot en is alleen toegankelijk vanaf de Zuiderweg. Het bedrijfsterrein is grotendeels verhard met asfalt en bevat aan de voorzijde een ruime parkeerplaats en een laag kantoorgebouw. Achter het kantoor is een dubbele loods aanwezig en staat er aan de westzijde een lange, open wagenloods. Het kantoor betreft een laag gebouw, rondom voorzien van raampartijen en een laag piramidedak met een bitumen dak bekleding. Het gebouw bevat deels gemetselde muren, welke niet zijn voorzien van open stootvoegen. De dakrand is afgewerkt met trespa panelen. De achterliggende loodsen zijn grotendeels opgebouwd uit een staalconstructie met metalen damwanden en een asbest dak. De achterste loods bevat halfhoge gemetselde muren. Ook hierin zijn geen open stootvoegen of andere (spouw)ventilatie aanwezig. De wagenloods bestaat eveneens uit een stalen constructie en is zowel aan de wanden als voor het dak bekleed met een stalen profielplaten.
De bedrijfswoning staat enigszins apart, aan de noordwestzijde van het bedrijf. Rond de woning is een siertuin aanwezig, met rondom enkele terrassen en een gazon aan de voorzijde. Naar de Zuiderweg toe is de woning afgeschermd door een bomensingel. De woning bestaat uit een gemetselde gevel met een zadeldak vanaf de eerste verdieping. De gevel is op enkele plaatsen voorzien van open stootvoegen. De puntgevels aan de voor- en achterzijde zijn deels voorzien van een inwendig balkon en hebben een houten gevelbetimmering. Op het zadeldak liggen dakpannen van het type snelleggers en is aan de puntgevel voorzien van overstekende hoekpannen. Verder bevindt zich aan de zuidzijde een dakkapel en bevat de dakgoot een houten omlijsting.
Figuur 2. Voorzijde van het bedrijfsterrein met het kantoorgebouw van Oudshoorn Schagen BV
6
Bureau Aandacht Natuur
Met de voorgenomen herinrichting zal de bestaande bebouwing worden gesloopt en het terrein opnieuw worden ingericht. Ten behoeve van de quickscan Wet Natuurbescherming wordt er vanuit gegaan dat alle bestaande terreintypen zullen verdwijnen.
Figuur 3. Bedrijfsloodsen van Oudshoorn Schagen BV
2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen Het bedrijfsterrein aan de Zuiderweg 4-6 te Schagen is niet gelegen in of direct aan de rand van een Natura 2000 gebied of aangewezen als weidevogelleefgebied, (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een natuurverbinding. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreft het Zwanenwater & Pettemerduinen. De minimale afstand vanaf de projectlocatie tot aan de rand van dit Natura 2000 gebied bedraagt circa 7,5 kilometer. De projectlocatie is gelegen in de bebouwde kom van Schagen, gelegen tussen het centrum en bedrijventerrein te Schagen. Gezien de ligging en het huidige gebruik van de projectlocatie, bevat het terrein en directe omgeving geen elementen die de specifieke waarden van het Natura 2000 gebied versterken en hebben dan ook geen functie voor in de Natura 2000 gebied aangewezen habitattypen en/of habitat- en vogelrichtlijnsoorten. 2.3 Houtopstanden Met de herinrichting van het erf zullen mogelijk bomen en struiken uit de tuin worden verwijderd. De aanwezige bomen maken onderdeel uit van een erfbeplanting en zijn gelegen in de bebouwde kom (Boswet), waarmee er geen sprake is van een beschermde houtopstanden zoals bedoeld binnen de Wet Natuurbescherming. 2.4 Methode Op 5 juni 2019 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan het hierboven beschreven projectgebied.
Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van de projectlocatie. Verder is op basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen.
7
Bureau Aandacht Natuur
Aan de hand van het verkennend onderzoek is beoordeeld dat de (bedrijfs)woning binnen het plangebied mogelijkheden biedt als verblijfplaats voor vleermuizen. In dit kader heeft in het najaar van 2019 en de zomer van 2020 een vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Het doel van het vleermuisonderzoek is om vast te stellen of de betreffende woning wordt gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats door vleermuizen en of de omliggende beplanting en waterelementen een vliegroute vormen voor vleermuizen. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat maart 2017 is geactualiseerd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus (waarbij Bureau Aandacht Natuur is aangesloten). Hiertoe zijn twee veldrondes uitgevoerd in de paarperiode (15 augustus tot 1 oktober) van 2019 en drie veldrondes in de kraamperiode (15 mei tot 15 juli) van 2020, zie tabel 1. Aangezien het één woning betrof, welke rondom overzichtelijk is, zijn de inventarisatierondes zijn uitgevoerd door één persoon met een ruime ervaring op het gebied van vleermuizen. Tabel 1. Weersomstandigheden en data veldonderzoek Datum Zonsondergang/ Start einde temperatuur zonsopkomst
wind
bijzonderheden
28-08-‘19 23-09-‘19 15-05-‘20 20-06-‘20 25-06-‘20
0-1 bf 2 bf 2 bf 3-4 bf 3 bf
geen geen geen geen geen
20:35 uur 19:35 uur 21:28 uur 22:04 uur 05:20 uur
20:30 uur 20:45 uur 21:15 uur 21:50 uur 3:10 uur
22:40 uur 22:45 uur 23:20 uur 0:05 uur 5:20 uur
21°C 15°C 10°C 18oC 19oC
Voor het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector (Pettersson D240X, eventueel in combinatie met een Pettersson D100). Hiermee kunnen de ultrasone geluiden, die vleermuizen tijdens het vliegen uitzenden, voor het menselijk gehoor hoorbaar gemaakt worden. Indien noodzakelijk, is gebruik gemaakt van opnameapparatuur. Bij twijfel is het geluid opgenomen en geanalyseerd in het hiervoor speciaal ontworpen computerprogramma Batsound.
8
Bureau Aandacht Natuur
3. Resultaten Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van een aantal vogelsoorten geen beschermde soorten aangetroffen. Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie. 3.1 Flora Binnen het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Het erf bestaat voornamelijk uit bebouwing en een asfaltverharding. Aan de randen van het terrein en tussen de (half) verharding zijn soorten aanwezig als riet, Robertskruid, gewone berenklauw, kleine klaver, varkensgras, perzikkruid, rode klaver, gewone paardenbloem, kruipende boterbloem ,haagwinde, ridderzuring, krulzuring, heermoes, grote brandnetel en harig wilgenroosje. Rondom het kantoorgebouw zijn enkel plantsoenen met sierheesters aanwezig en de siertuin rond het woonhuis is grotendeels voorzien van sierplanten en -heesters. De singel aan de noordzijde van het erf bestaat uit Hollandse iep, gewone es, walnoot, éénstijlige meidoorn, enkele soorten naaldbomen en een aantal coniferen en sierheesters in de border. Vegetaties met eventueel beschermde plantensoorten zijn dan ook niet aangetroffen op het erf. Van muurplanten in de gemetselde gevels van de bebouwing is geen sprake.
Beschermde plantensoorten worden gezien de aanwezige terreintypen en het gebruik van het terrein niet verwacht. 3.2 Vogels Met betrekking tot vogels zijn tijdens het veldonderzoek verschillende vogelsoorten zoals kauw, merel, koolmees, Turkse tortel, houtduif, grote bonte specht en roodborst op en rond het terrein waargenomen. Genoemde soorten kunnen als broeden op en rond het terrein aanwezig zijn. In de nok van de wagenloods zijn enkele (oude) nesten van houtduif en/of merel aangetroffen, als ook een nest van kauw achter een kapotte dijklijst.
Figuur 4. Nesten in nok van de wagenloods en nest van kauw onder dakoverstek
9
Bureau Aandacht Natuur
Op het terrein of in/aan de bebouwing zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Sporen die wijzen op de aanwezigheid van kerkuil of steenuil (uitwerpselen /braakballen) in de loodsen, en specifiek de toegankelijke wagenloods, zijn niet aangetroffen. Ook in de singel zijn geen (mogelijke) nestlocaties van roofvogels of uilen aangetroffen of sporen die wijzen op hun aanwezigheid (braakballen/ uitwerpselen). Het pannendak is deels geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor huismus en/of gierzwaluw, maar zijn niet aangetroffen in of nabij de projectlocatie. Echter is het pannendak opgebouwd uit goed aanééngesloten snelleggers en op en in de omgeving van het plangebied geen activiteit van huismus waargenomen. Met betrekking tot gierzwaluw is de woning erg solitair gelegen en te veel ingesloten door bomen en bosschages. Aangezien gierzwaluw semi-kolonievogels betreffen en beperkte aanvliegmogelijkheden hebben, wordt niet verwacht dat het woonhuis een nestlocatie vormt voor huiszwaluwen. 3.3 Vleermuizen Ten behoeve van de herinrichting van het terrein heeft een vleermuisonderzoek plaatsgevonden.
De (bedrijfs)woning is mogelijk geschikt als vast rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen vanwege de aanwezigheid van overstekende hoekpannen, een aantal open stootvoegen en een gevelbetimmering. Geschikte holtes in bomen rond het erf zijn niet aangetroffen. De bedrijfsgebouwen zijn gezien de gebruikte bouwmaterialen en constructies (stalen damwand, trespa aftimmering en asbest daken) niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
Figuur 5. Huidige bedrijfswoning op de projectlocatie
Met onderzoek zijn vier soorten vleermuizen geconstateerd binnen en in de omgeving van het plangebied en betreffen gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en watervleermuis. Genoemde soorten zijn uitsluitend foeragerend dan wel passerend waargenomen, zie bijlage 2 voor de activiteit van vleermuizen per veldronde op de projectlocatie.
10
Bureau Aandacht Natuur
Van ruige dwergvleermuis is in het najaar (paarperiode) een enkel foeragerend dier aangetroffen aan de westzijde van de erfbeplanting rond het woonhuis. Tevens zijn in deze periode circa 4-5 foeragerende gewone dwergvleermuizen rond de woning aanwezig en zijn op 28 augustus drie passerende laatvliegers waargenomen. Van twee laatvliegers is geconstateerd dat deze, vrij kort achter elkaar de watergang naar het zuiden volgde. De derde betreft een losse waarneming van een voorbij vliegend dier. Van gewone dwergvleermuis is tijdens beide veldrondes één exemplaar waargenomen die kort een werfroep (in vlucht) liet horen. Van ruige dwergvleermuis is geen werfroep geconstateerd. Gezien de korte waarnemingen van een werfroep en het feit dat er geen dieren zijn waargenomen die een binding (uit-, aan of invliegen) vertoonden met de woning, kan er vanuit worden gegaan dat er geen sprake is van een paarverblijfplaats in de (bedrijfs) woning aan de Zuiderweg 4. Tijdens de kraamperiode is er eveneens sprake van een vrij groot aantal foeragerende gewone dwergvleermuizen aan de westzijde van de woning. Het betreft circa 5-8 foeragerende dieren tegelijkertijd, maar betreft mogelijk een groter aantal dieren die komen foerageren en doorvliegen langs de watergang in zuidelijk richting.
Tevens is op 15 mei een vliegroute van 15 tot 20 (30) watervleermuizen geconstateerd over de watergang ten zuiden van de woning. Eind juni is tijdens de avondronde nog een enkele passerende watervleermuis waargenomen. Verder zijn er op en rond het erf enkele passerende laatvliegers waargenomen. Van in- of uitvliegende vleermuizen aan de woning is geen sprake, waarmee een verblijfplaats van (één van de) genoemde soorten in de woning kan worden uitgesloten. 3.4 Overige (grondgebonden) Zoogdieren Op of rond de projectlocatie zijn geen andere zoogdieren dan vleermuizen aangetroffen. Verwacht wordt dat het terrein het leefgebied vormt voor enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdieren zoals huisspitsmuis, veldmuis en egel. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. Gezien de aanwezige terreintypen en het gebruik van de locatie, wordt niet verwacht dat overige zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdieren voorkomen op of rondom de projectlocatie. In de nabije omgeving van Schagen is het voorkomen van de beschermde soorten wezel, hermelijn en bunzing bekend. Ook steenmarter is aan een opmars begonnen in Noord-Holland.
Met betrekking tot deze marterachtigen zijn echter geen (mogelijke) sporen gevonden die wijzen op hun aanwezigheid. Het is mogelijk dat de groenstrook langs het spoor en de slootkanten rondom het terrein onderdeel uitmaken van het leefgebied van genoemde soorten, maar gezien de bedrijvigheid rond de loodsen en de aanwezigheid van een asfaltverharding op het overgrote deel van het terrein, wordt niet verwacht dat verblijfplaatsen van dergelijke soorten binnen de projectlocatie aanwezig zijn. 3.5 Amfibieën Gezien de aanwezigheid van een sloot rondom het perceel, is het mogelijk dat enkele algemeen voorkomende amfibieën, zoals gewone pad of bruine kikker, worden aangetroffen op en rond de projectlocatie. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. Met uitzondering van de voorliggende sloot, zijn op de projectlocatie echter geen waterelementen aanwezig. Aangezien de sloot niet onderhevig is aan de 11
Bureau Aandacht Natuur
herinrichting, wordt eventueel voortplantingshabitat van amfibieën niet verstoord of verwijderd. Naast de aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibieën, is tevens het voorkomen van de strikt beschermde soort rugstreeppad (tabel 3) bekend uit de kop van NoordHolland. Betreffende soort komt in Noord-Holland vrij algemeen voor, maar lijkt te ontbreken in het uurhok (5x5km) waarbinnen de planlocatie valt (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Aangezien waterelementen niet onderhevig zijn aan de plannen en geschikt leefgebied voor rugstreeppad ontbreekt op de projectlocatie, wordt niet verwacht dat rugstreeppad voorkomt op of in de directe omgeving van het plangebied. Andere in de Wet Natuurbescherming aangewezen beschermde amfibieën komen aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens (Creemers & van Delft, 2009) niet voor in dit deel van Zuid-Holland. 3.6 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie. Overige beschermde soorten (vissen, reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.
12
Bureau Aandacht Natuur
4. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de beschermde soorten uit het Flora- en faunaonderzoek verder beschreven. Per onderdeel van de Wet Natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 4.1 Gebiedsbescherming Gezien de ligging van de projectlocatie nabij het centrum van Schagen en de minimale afstand van circa 7,5 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, zijn er geen negatieve effecten te verwachten op Natura 2000 gebieden. De projectlocatie en de directe omgeving bevatten geen elementen die de specifieke waarden van het Natura 2000 gebied versterken en hebben dan ook geen functie voor de daarin aanwezige kwalificerende vogelsoorten, habitattypen en habitatsoorten. Ook met betrekking tot externe effecten door uitstoot van stikstof, wordt gezien de afstand niet verwacht dat de nieuwbouw een negatief effect heeft op stikstofgevoelige habitattypen. Daarbij zal op de locatie het huidige bedrijf en daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen (met zwaar verkeer) verdwijnen en plaats maken voor woon- en werkverkeer. Na de aanlegfase zal dit een vermindering betekenen van het aantal verkeersbewegingen van met name zwaar verkeer op de betreffende locatie. De nieuwbouwwijk zal verder met duurzame woningen worden opgeleverd, waardoor van uitstoot door middel van cv-ketels niet meer aan de orde is.
Een nadere berekening ten behoeve van de stikstofuitstoot en de effecten hiervan op Natura 2000 gebieden is ten behoeve van de voorgestane planontwikkeling dan ook niet aan de orde. Tevens vinden de beoogde plannen niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een natuurverbinding of weidevogelleefgebied. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde. 4.2 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van, binnen de Wet Natuurbescherming, beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Vogels Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen
13
Bureau Aandacht Natuur
buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Met uitzondering van het pannendak op het woonhuis, zijn (mogelijke) jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels of sporen die wijzen op hun aanwezigheid niet aangetroffen op het terrein. Gezien het type dak en de afwezigheid van huismussen op de projectlocatie en in de omgeving, wordt niet verwacht dat er nestlocaties van huismus op het erf aanwezig zijn. Tevens bevat het dak beperkte mogelijkheden als nestlocatie voor gierzwaluwen. Vanwege de geïsoleerde ligging ten opzichte van andere pannendaken en de aanwezigheid van hoge bomen rond het woonhuis, wordt niet verwacht dat gierzwaluwen nestelen op de projectlocatie. Ook andere jaarrond beschermde vogelsoorten of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op of rond de projectlocatie.
Met de voorgenomen herinrichting wordt dan ook niet verwacht dat nesten of het leefgebied van andere vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats worden verstoord. Nader onderzoek of de aanvraag tot ontheffing ten behoeve van vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels is niet noodzakelijk. Vleermuizen Met het vleermuisonderzoek zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de bedrijfswoning op de projectlocatie. De loodsen en het kantoorgebouw vormen gezien de bouwstijl en het materiaalgebruik (stalen wandprofielen, trespa en asbest) geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. Ook in bomen rond de bedrijfswoning zijn geen holtes aangetroffen die geschikt zijn als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Echter vormt de watergang aan de westzijde van het plangebied een belangrijke vliegroute voor watervleermuis. Tevens vormt de erfbeplanting aan de westzijde van het woonhuis onderdeel van een foerageergebied/vliegroute voor gewone dwergvleermuis. Ook deze volgt deels de watergang langs de projectlocatie naar het zuiden. Voor de verdere ontwikkeling van het plangebied, is het dan ook van groot belang dat de watergang aan de westzijde van het plangebied gehandhaafd blijft en een luwe, onverlichte structuur vormt.
Met de inrichting dient de oever te worden ontzien van verlichting en indien nodig, mocht er worden gekozen voor een toegangsweg/oprit/parkeerplaatsen, te voorzien van een opgaande beplanting of een natuurlijke oeverzone met een rietkraag. Indien de watergang wordt onderbroken of onderhevig zal zijn aan verlichting is er sprake van verstoring van een vliegroute van watervleermuis en gewone dwergvleermuis en is een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk. Overige (grondgebonden) zoogdieren Met uitzondering van vleermuizen, worden uitsluitend enkele algemeen voorkomende (grondgebonden) zoogdieren verwacht binnen de projectlocatie. Met betrekking tot de algemeen voorkomende soorten geldt een algehele vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en bestendig beheer. Andere, zwaar beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt,
2
In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.
14
Bureau Aandacht Natuur
worden niet verwacht op de projectlocatie. Met betrekking tot beschermde (grondgebonden) zoogdieren is een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Amfibieën Met betrekking tot amfibieën zijn uitsluitend enkele algemeen voorkomende beschermde soorten te verwachten binnen de projectlocatie. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Echter geldt voor deze soorten te allen tijde de zorgplicht zoals bedoelt in de Wet Natuurbescherming. Gezien de voorgenomen plannen, wordt echter niet verwacht dat de werkzaamheden een effect zullen hebben op de (lokale) populatie van algemeen voorkomende amfibieën. Ondanks het vrij algemeen voorkomen van rugstreeppad in de kop van Noord-Holland, kan aan de hand recente verspreidingsgegevens en de aanwezige terreintypen de soort worden uitgesloten binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag ten aanzien van de zwaar beschermde soort rugstreeppad is dan ook niet noodzakelijk. Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk.
Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). 4.3 Houtopstanden Houtopstanden, die vallen onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming, zijn niet aanwezig binnen de projectlocatie. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde.
15
Bureau Aandacht Natuur
Literatuurlijst •
• • • • • •
•
•
• • • • • • • • • • •
Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie NoordHolland, Haarlem. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2017, maart 2017 Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Hoogeboom D., Ruitenbeek W, Visbeen F., Wondergem J., 2014, Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren 1989-2014, Landschap Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Springeruit Drukwerk Scharringa C.J.G., Ruitenbeek W., en Zomerdijk P., 2010, Atlas van de NoordHollandse broedvogels 2005-2009, Springeruit Drukwerk.
Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009).
Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. www.ravon.nl www.floron.nl www.wilde-planten.nl www.telmee.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ 16
Bureau Aandacht Natuur
Bijlage 1. Wet Natuurbescherming
Bureau Aandacht Natuur
Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de weten regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.
34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.
Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. •
Natura 2000-beheerplannen
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. •
Cumulatieve effecten
Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. •
Beschermd Natuurmonument
Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.
Bureau Aandacht Natuur
Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.
Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd: 80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen 39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3) bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6) Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht. •
Beschermingsregime Vogels
Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1
1
Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort.
Bureau Aandacht Natuur
Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. •
Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten
Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
2 In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.
Bureau Aandacht Natuur
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Beschermingsregime “andere” beschermde soorten
Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, in het algemeen belang van de betreffende soort. •
Mitigatie en compensatie
Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn: het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode het gebruik maken van andere werkapparatuur of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd
Bureau Aandacht Natuur
Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. •
Vrijstelling
Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.
Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11). Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.
Bescherming Houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit tevoren te worden gemeld/aangevraagd en is de initiatiefnemer verplicht om hetzelfde areaal te herplanten3. De aanvraag dient als onderdeel van de omgevingsvergunning bij de betreffende gemeente te worden ingediend. Tevens is mogelijk om de aanvraag seperaat bij de provincie in te dienen. De provincie bepaalt welke gegevens bij een aanvraag/melding moeten worden aangeleverd.
3
De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000doel.
Bureau Aandacht Natuur
Ontheffing, vrijstelling en/of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig op de in de wet gestelde verbodsbepalingen. Voor handelingen of activiteiten is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig indien: Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen; Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffingsaanvraag worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning (zoals activiteiten uit de Waterwet, mijnbouwwet etc.) geldt dat een aparte ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd moet worden (naast een mogelijke watervergunning, ontgrondingsvergunning etc.). Als sprake is van een handeling met gevolgen voor beschermde soorten of gebieden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, is het tevens mogelijk dat de initiatiefnemer eerst apart een ontheffing en/of vergunning onder de Wet Natuurbescherming aanvraagt en daarna de omgevingsvergunning.
De gemeente is het bevoegd gezag voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie (of in bijzondere gevallen door het Rijk) aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Indien (vooraf) een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd wordt / moet worden, is de desbetreffende provincie het bevoegd gezag. De provincie zal vervolgens de aangeleverde gegevens toetsen en bepalen of een vergunning, ontheffing dan wel vrijstelling kan worden afgegeven en onder welke voorwaarden.