Bijlage 2. Quickscan De Lus
Tekst van het document
Notitie Quickscan Locatie De Lus, Schagen Opdrachtgever:
gemeente Schagen
Onderwerp:
Quickscan potentiële AZC-locatie
Datum:
19 augustus 2024
Auteur:
Tarnim Hassan / Jan-Ale van der Ploeg
Projectnummer:
P003070
1
Situatie 1.1
Inleiding
Op verzoek van het college van de gemeente Schagen is door BügelHajema Adviseurs onderzocht of een locatie geschikt is om te gebruiken voor een asielzoekerscentrum (AZC). Het gaat om een locatie op het bedrijventerrein Lagedijk te Schagen. Om duidelijkheid te krijgen over de haalbaarheid van de realisatie van een AZC op de betreffende locatie is een zogenaamde Quickscan opgesteld. In dit document is gekeken naar de uitvoerbaarheid van het voornemen vanuit het oogpunt van omgevingsaspecten. Het doel hierbij is te bezien of de locatie milieutechnisch voor een AZC mogelijk zou kunnen zijn alvorens verdere keuzes te maken. Allereerst wordt de locatie en het voornemen zelf besproken. Daarnaast wordt het geldende juridischplanologisch kader in kaart gebracht. Vervolgens wordt er aan de hand van een tabel gekeken naar de verschillende omgevingsaspecten. Ook is kort ingegaan op het geldend beleidskader vanuit de hogere overheden. Tot slot volgt een conclusie naar aanleiding van dit onderzoek.
1.2
Planlocatie en voornemen
De beoogde planlocatie voor het AZC is gelegen aan de rand van het bedrijventerrein Lagedijk aan De Lus. Het gebied bevindt zich in het noordwesten van Schagen. De oppervlakte is ruwweg 25.000 m2. De locatie bevindt zich aan het Noord-Hollands Kanaal, met ten noorden daarvan de N248. Navolgende afbeeldingen tonen globaal het plangebied.
Figuur 1: Planlocatie, globaal weergeven met rode kader (bron: Regels op de kaart)
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
2
De beoogde bebouwing bestaat uit in totaal 96 flexwoningen, verdeeld over twee blokken. De blokken betreffen 3-laagse bouw en zijn verplaatsbaar met gevels conform het permanent bouwbesluit. De flexwoningen kunnen één-, twee- of driekamerappartementen betreffen, en zijn geheel volledig zelfstandig te bewonen. Dit betekent met eigen sanitaire voorzieningen en keuken, inclusief apparatuur. Het gaat om een verplaatsbaar woonconcept waarmee snel in een tijdelijke behoefte voor woonruimte kan worden voorzien. De bebouwing is reeds in de fabriek geproduceerd, en staan in de opslag in afwachting van plaatsing. Het verplaatsbaar woonconcept is geschikt voor bijvoorbeeld noodopvang van asielzoekers. Onderstaande figuur geeft een impressie van de flexwoningen. De exacte indeling van de blokken in het projectgebied is nog niet bekend.
Figuur 2: Impressie flexwoningen (bron: Rijksvastgoedbedrijf)
De flexwoningen bestaan uit een mix van appartementen, te weten in blok 1: -
12 eenkamerappartementen;
-
24 tweekamerappartementen (1 of 2 persoons);
-
12 driekamerappartementen (voor kleine gezinnen);
En in blok 2: -
12 eenkamerappartementen;
-
18 tweekamerappartementen (1 of 2 persoons);
-
18 driekamerappartementen (voor kleine gezinnen).
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
3
In de directe nabijheid zuidwestelijk van het projectgebied is op 7 oktober 2022 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en het gebruiken van een tijdelijke migrantenhuisvesting voor de duur van maximaal 20 jaar, bedoeld voor het tijdelijk verblijven van ten hoogste 336 arbeidsmigranten.
1.3
Geldende planologisch-juridische situatie
Op de planlocatie geldt het omgevingsplan van de gemeente Schagen. Uit het tijdelijke gedeelte van het omgevingsplan geldt de ‘Beheersverordening bedrijventerrein Lagedijk’ (vastgesteld op 20 februari 2018), waarin het eerder geldende ‘Bestemmingsplan Bedrijventerrein Lagedijk’ (als vastgesteld op 27 november 2007) is gecontinueerd. De geldende bestemming ter plaatse van het projectgebied is ‘Bedrijventerrein’. In het gebied gelden de zoneaanduidingen 3, 4 en 5. Deze zoneaanduidingen verwijzen naar de categorieën in de bij de beheersverordening behorende lijst van toegelaten bedrijfstypen. Het gaat hierbij om toegestane bedrijvigheid variërend van milieucategorie 1 t/m 4.2.
Figuur 3: Uitsnede plankaart bestemmingsplan Bedrijventerrein Lagedijk die met de beheersverordening Bedrijventerrein Lagedijk is voortgezet, planlocatie globaal in het rode kader (bron: Regels op de kaart)
Het projectgebied omvat ook gronden die liggen binnen de aangeduide “grens beschermingszone waterkering”. De grens van deze aanduiding loopt in de lengte in het midden van het plangebied met een bepijlde streep. Verder gelden aangeduide hoogteregelingen 2 en 3 die zien op een maximum toegelaten bouwhoogte van 10 m respectievelijk 12 m, en valt het aangeduide “bouwvlak” samen met de
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
4
aangeduide “bestemmingsgrens”. Per bouwperceel mag niet meer dan een oppervlakte van 70% aan bouwwerken worden opgericht.
1.4
Aanleiding
1.4.1 Hoge instroom van asielzoekers Er is momenteel een aanzienlijke instroom van asielzoekers in Nederland, maar er zijn te weinig opvangplekken om hen allemaal onder te brengen. Hierdoor ontstaat een dringende behoefte aan extra opvanglocaties. Het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers (COA) zet zich in om door het hele land nieuwe opvangplekken te realiseren. Dit orgaan is verantwoordelijk voor het coördineren en beheren van de opvang van asielzoekers en werkt samen met diverse gemeenten en organisaties om voldoende voorzieningen beschikbaar te stellen. 1.4.2 Status van azc Van belang bij het bepalen van de haalbaarheid van een AZC is de functie die wordt toegewezen hieraan. Er bestaat een mogelijkheid om een AZC aan te duiden als woonfunctie of als logiesfunctie. Dit heeft consequenties voor het al dan niet hindergevoelig en kwetsbaar zijn van de gebouwen en locaties. Volgens de begripsbepalingen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is de definitie van een logiesfunctie: “gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen”; en de definitie van een woonfunctie: “gebruiksfunctie voor het wonen”. Een belangrijk verschil tussen de twee functies is dat het bij wonen gaat om een permanent verblijf, en bij logies om een tijdelijk verblijf.
Een harde grens in verblijfsduur is niet te geven, hoewel de provincie in haar Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 bijvoorbeeld bij logiesfuncties wel uitgaat van een ‘kort verblijf’ en daarbij een bewoningsduur van maximaal 6 maanden stelt. Daarnaast is bepalend of er sprake is van een hoofdverblijf. In de regel zijn AZC’s niet voor permanente bewoning bedoeld. Echter, de mensen in AZC’s hebben niet ergens anders hun hoofdverblijf. Derhalve kan niet uitgesloten worden dat er geen sprake is van een woonfunctie. Het is daarbij aan het bevoegd gezag om te bepalen, en daarin ook een duidelijke keuze te maken, of hier sprake is van het voornemen tot een woonfunctie. Daarbij is de aard van bewoning van belang (permanent of tijdelijk). Mocht met betrekking tot de oprichting van een AZC aan De Lus op bedrijventerrein Lagedijk sprake zijn van realisatie van een woonfunctie, dan kan er bij voorbaat geconcludeerd worden dat de locatie niet geschikt is voor permanente huisvesting. Dat kan gesteld worden op basis van de omliggende
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
5
(mogelijke) bedrijvigheid (maar ook beleidsmatig). De rest van het onderliggende stuk gaat daarom dan ook uit van de aanwijzing van een logiesfunctie aan het AZC.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
6
2
Omgevingsaspecten 2.1
Overzicht omgevingsaspecten
Allereerst is een tabel opgesteld waarin mogelijk relevante omgevingsaspecten staan beschreven. Hierbij komen de volgende punten per thema aan de orde: het toetsingskader, relevantie, en een stoplicht die aangeeft in hoeverre het aspect doorslaggevend is voor het voornemen (groen = meest kansrijk, oranje = het minst kansrijk/vergt nader onderzoek). Alle aspecten worden nader behandeld in de bijbehorende paragraaf. Tabel 1. Omgevingsaspecten
Thema
Onder-
Nader onder-
Uitvoerbaarheid
bouwing
zoek nodig
van planvoornemen
Geluid van wegen, spoorwegen en in-
X
Nee, tenzij
dustrieterreinen
Toelichting
Cumulatieve werking met geluid door activiteiten. Er is geen sprake van een geluidsgevoelig gebouw, maar er
Geluid door activi-
X
teiten
Nee, tenzij
moet wel aangetoond worden dat er sprake is van een aanvaardbaar (gezond) woon- en leefklimaat. De locatie bevindt zich binnen
Geur
X
Nee, tenzij
de richtafstand van nabije bedrijven met betrekking tot geur.
Omgevingsveiligheid
Trillingen
X
Geen bijzonderheden.
X
Geen bijzonderheden.
De onderzoeken die zijn geBodemkwaliteit
X
Luchtkwaliteit
X
Ja, mits
daan, moeten geverifieerd worden voor woonkwaliteit. Geen bijzonderheden Er moet onderzocht worden of
Natuur
X
Ja, mits
er beschermde soorten aanwezig zijn middels een
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
7
natuurtoets. Hieruit kan blijken wat nadere stappen moeten zijn. Daarnaast dient er een AERIUS-berekening (stikstof) te worden uitgevoerd. Waterbelangen
X
Ja, mits
X
Ja, mits
Verkeerseffecten
Afstemming en overeenstemming met HHNK noodzakelijk. Nog te bezien. Eveneens aandacht voor verkeersveiligheid nodig. Bij aanwijzen als bedrijventer-
Cultureel erfgoed
X
rein in het verleden al voldoende onderzocht. Er wordt geadviseerd om de
(Sociale) veiligheid
X
Ja, mits
(sociale) veiligheid van bewoners en overige aanwezigen te onderbouwen.
Er wordt gekeken naar het mogelijk maken van het voornemen op basis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als ‘etfal’). Hierbij zijn de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) leidend.
2.2
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein
2.2.1 Toetsingskader De instructieregels uit het Bkl over geluid gaan ook over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen. Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels, zoals aangewezen geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Geluidaandachtsgebied Rondom een industrieterrein, weg of spoorweg wordt een begrenzing aangebracht. Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen en hoeft het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer te worden getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. Deze
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
8
zone heet onder de Omgevingswet een geluidaandachtsgebied. Het geluidaandachtsgebied is een gebied (locatie) langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden Lden, zoals bedoeld in navolgende tabel. Tabel 2: Standaardwaarden geluid Geluidsbronsoort
Standaardwaarde
Provinciale wegen
50 Lden
Rijkswegen Gemeentewegen
53 Lden
Waterschapswegen Lokale spoorwegen
55 Lden
Hoofdspoorwegen Industrieterreinen
50 Lden 40 Lnight
De ligging van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door de geluidsbelasting vanwege de desbetreffende bron. Hoe die geluidbelasting moet worden bepaald, is voorgeschreven in het Bkl en in de Omgevingsregeling. De instructieregels voor het omgevingsplan hebben betrekking op het geluidaandachtsgebied van: a.
wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds;
b.
lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en
c.
verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaar-gemiddelde (dit wordt bij een aanstaande wijziging van de Omgevingswet naar 2.500 motorvoertuigen verhoogd).
Een gebouw zonder woonfunctie, is door het Bkl niet aangewezen als geluidgevoelig gebouw. Het is dus aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe zij omgaat met andere gebouwen en locaties dan geluidsgevoelige gebouwen. 2.2.2 Consequenties voor het voornemen In het geval dat er sprake is van een logiesfunctie, is er niet direct sprake van een noodzaak voor een akoestisch onderzoek in het kader van het Bkl. Echter is het aannemelijk dat de geluidsbelasting ter plaatse van invloed is op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit komt voort uit de aanwezigheid van de provinciale weg de N248 (zie navolgende afbeelding).
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
9
Figuur 4: Locatie plangebied ten opzichte van geluid van wegverkeer, rode kader geeft plangebied weer (bron: Atlas Leefomgeving)
Het is aan het bevoegd gezag om te motiveren of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij is een akoestisch onderzoek raadzaam om inzichtelijk te maken wat de geluidbelasting ter plaatse is.
2.3
Geluid van (bedrijfs)activiteiten
2.3.1 Toetsingskader Een AZC is een geluidgevoelig gebouw wanneer het de status van een woonfunctie heeft. In het geval van logiesfunctie is een AZC geen geluidgevoelig gebouw. Er wordt van uitgegaan dat de opvanglocatie niet voorziet in geluidgevoelige gebouwen, en dat er daarom geen toetsing hoeft plaats te vinden aan de standaardwaarden voor geluid uit het Bkl. Wel dient een beoordeling plaats te vinden of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd. 2.3.2 Consequenties voor het voornemen De planlocatie ligt op een geluidgezoneerd bedrijventerrein. Op dit bedrijventerrein is in het kader van ‘Bedrijven en milieuzonering’ bedrijvigheid tot en met milieucategorie 5.1 toegestaan, verdeeld over 5 zones. Te weten: -
zone 1, vergelijkbaar met de huidige milieucategorie 1
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
10
-
zone 2, vergelijkbaar met de huidige milieucategorie 2
-
zone 3, vergelijkbaar met de huidige milieucategorie 3.1 en 3.2
-
zone 4, vergelijkbaar met de huidige milieucategorie 4.1 en 4.2
-
zone 5, vergelijkbaar met de huidige categorie 5.1
De planlocatie bevindt zich formeel in de zones 3, 4 en 5. Echter, er is in 2019 besloten een herziening door te voeren voor het bestemmingsplan Bedrijventerrein Lagedijk.1 Hierin is onder andere als uitgangspunt genomen dat bij De Lus geen milieucategorie 5 meer wordt toegestaan, en milieucategorie 4 wordt beperkt. Onlangs is echter door het college besloten het ontwerp bestemmingsplan niet verder in procedure te brengen. Reden daarvoor is dat het ingezette bestemmingsplantraject inmiddels is ingehaald door nieuw beleid en nieuwe wetgeving. Hierdoor voldoet het ontwerp bestemmingsplan niet meer aan de nieuwste inzichten en zou eigenlijk weer bijgesteld moeten worden. Om verschillende redenen is dit niet meer opportuun geacht. Het ontwerp is ingetrokken, en totdat over enkele jaren het gebied in een definitief Omgevingsplan Schagen opgaat, blijft de huidige planologische regeling van de beheersverordening Bedrijventerrein Lagedijk van kracht. In de raadsinformatiememo hierover van 7 mei 2024 is aangegeven dat ongewenste ontwikkelingen in het gebied niet worden verwacht. Aangenomen wordt dan ook dat er zich geen nieuwe bedrijven gaan vestigen in de hoogste milieucategorieën. Desalniettemin is er sprake van bestaande bedrijven in de directe omgeving van de planlocatie. Nader onderzoek moet uitwijzen wat de geluidsbelasting op het AZC wordt vanwege deze bedrijven.
Het zwaarste bestaande bedrijf is hierbij de asfaltcentrale ten zuidoosten van de locatie (Ooms Producten b.v., De Langeloop 8). De richtafstand voor geluid is hierbij 200 m. De locatie bevindt zich gedeeltelijk binnen deze afstand. Daarnaast bevindt zich een overslagplaats ten zuidoosten van de locatie (Spaansen Loswal, De Langeloop 6). De richtafstand voor geluid hiervan is 300 m. De locatie bevindt zich gedeeltelijk binnen deze afstand. Het voornemen maakt geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk in het geval van een logiesfunctie. Wel moet aangetoond worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd. Nader onderzoek naar geluid van activiteiten is nodig. Hierbij moet het akoestisch onderzoek aantonen dat het geluid van (bedrijfs)activiteiten samen met het cumulatieve effect van het wegverkeer (N248) niet onevenredig afbreuk doet aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
1
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2019-4405.pdf
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
11
2.4
Geur
2.4.1 Toetsingskader Er zijn instructieregels van het Rijk over geur met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze zijn terug te vinden in het Bkl. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies. Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan, die gelden voor de volgende activiteiten: −
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf;
−
geur door het houden van fokteven van nertsen;
−
geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval;
−
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken.
Voor andere activiteiten moet een ruimtelijk besluit ervoor zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld. 2.4.2 Consequenties voor het voornemen In het geval van een logiesfunctie is een ACZ geen geurgevoelig gebouw. Er zal echter wel een acceptabel woon- en leefklimaat moeten worden gegarandeerd vanwege de langdurige aard van het verblijf. Voor het aspect geur is de nabijgelegen asfaltcentrale de zwaarste bron (Ooms Producten B.V., De Langeloop 8). Bij de productie van asfalt kan geurhinder optreden. Mogelijke bronnen zijn: de schoorsteen, de bitumenopslag, de vrachtwagens en asfaltvoorraadsilo’s, de menger, de ophaalbaan en de overstortpunten. Voor deze geurbronnen geldt een richtafstand van 100 m. De gemeten afstand is kleiner dan de richtafstand voor een gedeelte van de locatie. Er moet in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onderzocht worden wat de geurbelasting is op de locatie van het voornemen als gevolg van de nabije bedrijfsvoering.
2.5
Omgevingsveiligheid
2.5.1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. In deze paragraaf wordt ook gesproken over plaatsgebonden risico en groepsrisico.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
12
Hierin worden de grens- en standaardwaarden en aandachtsgebieden rond (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties besproken. PLAATSGEBONDEN RISICO Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). GROEPSRISICO Bij het groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Naast vorengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn de volgende aspecten van belang:
-
beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen;
-
veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;
-
veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten;
-
veiligheid rond luchthavens.
Het voornemen maakt kwetsbare gebouwen mogelijk. Namelijk een logiesfunctie (bijlage VI, b van het Bkl). 2.5.2 Consequenties voor het voornemen Er is sprake van het mogelijk maken van kwetsbare gebouwen in de vorm van een AZC. In dit kader is de Signaleringskaart EV geraadpleegd om te onderzoeken of in de nabijheid van het projectgebied activiteiten zijn gelegen die een risico voor de omgevingsveiligheid kunnen veroorzaken. Op navolgende afbeelding zijn de verschillende risicobronnen weergeven.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
13
Figuur 5: Uitsnede Signaleringskaart EV (bron: ev-signaleringskaart.nl)
TRANSPORTROUTES Er bevinden zich geen wegen, sporen of waterwegen in de buurt waarover gevaarlijke goederen getransporteerd mogen worden. Daarmee vormen transportroutes geen belemmering voor het voornemen wat betreft omgevingsveiligheid. BUISLEIDINGEN Op 450 m afstand van het plangebied bevindt zich een buisleiding. Er wordt aardgas door de buisleiding vervoert. De buisleiding heeft een PR-8 contour van ongeveer 173 m en een brandaandachtsgebied van 430 m. Het plangebied bevindt zich buiten de invloedsfeer van deze leiding. Daarmee vormen buisleidingen geen belemmeringen voor het voornemen wat betreft omgevingsveiligheid. OVERIGE RISICOBRONNEN Op ongeveer 700 m bevindt zich een brandstofopslag van het bedrijf SuperTank. Het voornemen bevindt zich ver buiten de invloedsferen van de risicobron. Daarmee vormen overige risicobronnen geen belemmeringen voor het voornemen wat betreft omgevingsveiligheid.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
14
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het voornemen.
2.6
Trillingen
2.6.1 Toetsingskader Er moet rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. AZC’s zijn geen trillinggevoelige gebouwen wanneer aangemerkt als logiesfunctie. 2.6.2 Consequenties voor het voornemen Een AZC wordt bij aanwijzing voor een logiesfunctie niet als trillinggevoelig gebouw aangemerkt. Daarnaast zijn er geen bronnen van trilling in de nabijheid, zoals spoorweginfrastructuur. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het voornemen.
2.7
Bodemkwaliteit
2.7.1 Toetsingskader Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeenten moeten: 1.
de waarde vaststellen waarboven maatregelen nodig zijn bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties (artikel 5.89i en artikel 5.89j van het Bkl)
2.
aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van die waarde (artikel 5.89k Bkl)
3.
een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn (artikel 5.89l Bkl)
4.
een bepaling opnemen over de ingebruikname (artikel 5.89m Bkl)
De regels voor ruimtelijke bouwactiviteiten staan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit geldt ook voor de gemeente Schagen. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bevat ook regels over bouwen op verontreinigde bodem. De regels die van belang zijn voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie omvatten de volgende elementen: •
Er geldt een verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
15
•
Verplichting voor de initiatiefnemer om voorafgaand bodemonderzoek uit te voeren. Het bodemonderzoek is onderdeel van de indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
•
Beoordelingsregel: bepalen of de bodemkwaliteit voldoende is of dat de waarde 'toelaatbare kwaliteit' overschreden wordt. De bodemkwaliteit is onvoldoende als bij een omvang van minimaal 25 m3 de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt overschreden. Het volumecriterium van 25 m3 geldt niet voor asbest.
•
Beoordelingsregel: bij onvoldoende kwaliteit is een sanering van de bodem nodig of zijn andere beschermende maatregelen nodig.
•
Verplicht aan de vergunning te verbinden voorschrift: een informatieplicht voor de initiatiefnemer om de gemeente voordat het gebouw in gebruik genomen wordt te informeren na voltooiing van de sanering of het treffen van de beschermende maatregelen.
2.7.2 Consequenties voor het voornemen Met het voornemen worden gebouwen gerealiseerd die de bodem raken en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Daarmee is er sprake van een voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit gevoelig gebouw. Hierom is de website Bodemloket.nl geraadpleegd om te kijken of er onderzoeken zijn geweest naar de staat van de bodem ter plaatse. Recentelijk, in 2018 en 2019 is er een verkennend onderzoek en aanvullend rapport geweest door Grondslag (nummer 29575). De bodem is ter plaatse voldoende onderzocht, maar de resultaten hiervan zullen opgevraagd moeten worden bij de omgevingsdienst Noord-Holland Noord om te verifiëren of de bodem van voldoende kwaliteit is voor een logiesfunctie.
2.8
Luchtkwaliteit
2.8.1 Toetsingskader Het Bkl geeft in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. AANDACHTSGEBIEDEN Er zijn aandachtgebieden aangewezen in het Bkl waarin de luchtkwaliteit getoetst moet worden. NIET IN BETEKENENDE MATE (NIBM) Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
16
bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. 2.8.2 Consequenties voor het voornemen Het plangebied bevindt zich buiten de aandachtsgebieden en het gaat om een project die niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.
2.9
Natuur
2.9.1 Toetsingskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. 2.9.2 Consequenties voor het voornemen De planlocatie ligt op een afstand van circa 5 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Zwanenwater & Pettemerduinen. Naast de locatie ligt een weidevogelleefgebied en loopt een ecologische verbindingszone. Het projectgebied zelf betreft onbebouwde grond. Een onderzoek moet uitwijzen of er op de planlocatie beschermde soorten aanwezig zijn en of er een relatie (en mogelijk negatief effect) tussen het planvoornemen en de omliggende natuurwaarden bestaat. Naast een inventarisatie van relevante natuurwaarden is ook een zogenoemde stikstofberekening noodzakelijk om de effecten van het planvoornemen op beschermde, stikstofgevoelige, natuurgebieden in de wijde omtrek te onderzoeken.
Gezien de huidige bestemming en gelet op het planvoornemen (flexwoningen die elders reeds zijn gerealiseerd in de fabriek) worden er echter geen belemmeringen verwacht.
2.10 Waterbelang 2.10.1 Toetsingskader Artikel 5.37 Bkl stelt dat in een ruimtelijk besluit rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels zoals gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Bij de
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
17
uitvoering van de digitale watertoets komt het naleven van instructieregels aan de orde. Het waterschap in kwestie is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). 2.10.2 Consequenties voor het voornemen Er is geen oppervlaktewater in het projectgebied aanwezig. Aangrenzend in de groene omzoming van het nieuwe bedrijventerrein ligt een watergang. De beoogde gebouwen en bijbehorende erfverharding overschrijden naar alle waarschijnlijkheid de ondergrens die het HHNK bij verhardingstoename voor watercompensatie hanteert. Een digitale watertoets moet worden doorlopen om het HHNK te informeren over het voornemen. Hoogstwaarschijnlijk heeft voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Lagedijk, waar de planlocatie onderdeel van uitmaakt, al in eerder stadium afstemming met het hoogheemraadschap plaatsgevonden. Informatie over eerdere afspraken en eventueel uitgevoerde compensatie kan in het overleg worden betrokken. Naderhand moet blijken of aanvullende watercompensatie noodzakelijk is. Daarnaast bevindt het plangebied zich deels binnen de zonering van een regionale waterkering. Samen met de waterbeheerder en/of het HHNK moet eveneens nader bestudeerd worden wat het effect is van het voornemen op de waterkering.
2.11 Cultureel erfgoed 2.11.1 Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden om daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn een aantal beginselen ten aanzien van de bescherming geformuleerd. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd. Dit betreft archeologische monumenten en beschermde rijksmonumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 2.11.2 Consequenties voor het voornemen ARCHEOLOGIE De gemeente Schagen heeft in 2023 haar Erfgoedverordening Schagen 2022 vastgesteld. Tot de verordening behoort de Beleidskaart Archeologie 2022. Wanneer in de gemeente een nieuwe ontwikkeling plaatsvindt, kan met de archeologische beleidskaart worden nagegaan wat de archeologische verwachtingswaarde van het gebied is en of er een noodzaak is tot het verrichten van archeologisch onderzoek voor de specifieke locatie.
Onderstaande afbeelding geeft de archeologische beleidskaart weer.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
18
Figuur 6: Uitsnede Archeologische beleidskaart
Uit deze kaart blijkt dat de planlocatie in een vrijgegeven gebied ligt. Dit houdt in dat er geen archeologische verwachtingen zijn op de locatie en de grond zonder archeologisch onderzoek geroerd mag worden. CULTUURHISTORIE Op de Cultuurhistorische Elementenkaart zijn er eveneens geen bijzonderheden te vinden ter plaatse van het voornemen. Met betrekking tot archeologie en cultuurhistorie worden gelet op voorgaande geen belemmeringen verwacht.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
19
2.12 Verkeerseffecten 2.12.1 Toetsingskader Voor een opvanglocatie worden zowel in de CROW-publicatie als in Nota Parkeernormen Schagen 2016 geen parkeernormen genoemd. Ook kan een opvanglocatie niet goed worden vergeleken met CROWnormen voor andere functies. Omdat een specifieke parkeernorm voor een opvanglocatie ontbreekt dient er op basis van de concrete uitwerking van het planvoornemen een schatting te worden gemaakt voor de hoeveelheid parkeervoorzieningen en de mogelijke verkeersgeneratie. 2.12.2 Consequenties voor het voornemen PARKEREN Het COA heeft in het verleden de parkeerbehoefte geschat van andere locaties. De parkeerbehoefte is ingeschat op basis van het daadwerkelijke te verwachten gebruik voor de opvanglocatie. De parkeerbehoefte is in hoofdzaak afkomstig van medewerkers van COA en ondersteunende diensten, leveranciers en eventuele bezoekers. Deze personen zijn niet allemaal tegelijk aanwezig. Het COA heeft daarom een eigen parkeernorm opgesteld. Het uitgangspunt van de parkeernorm voor opvanglocaties is 1 parkeerplaats per 10 opvangplekken en is vastgelegd in het ruimtelijk PvE 2.6 van het COA. De parkeernorm is tot stand gekomen aan de hand van het functioneren van het aantal parkeerplekken bij bestaande opvanglocaties. Bij reeds bestaande locaties wordt gemonitord of er voldoende/teveel parkeerplekken aanwezig zijn ten behoeve van het aantal personen.
De parkeernorm 1:10 blijkt in de praktijk te volstaan bij de bestaande opvanglocaties van het COA. Wanneer blijkt dat deze norm te hoog of te laag is, wordt deze door het COA aangepast. In andere gevallen van opvanglocaties heeft het COA in het verleden een parkeernotitie toegevoegd aan een motivering. Dit wordt in dit geval ook geadviseerd. Met het aantal te plaatsen flexwoningen van 94 stuks zou er voldoende ruimte nog bestaan om de parkeerbehoefte goed op het eigen terrein op te lossen. De totale hoeveelheid parkeervoorzieningen is nog afhankelijk van het maximaal aantal op te vangen personen. VERKEERSAFWIKKELING EN -GENERATIE Het bedrijventerrein Lagedijk is voor gemotoriseerd verkeer goed ontsloten. Gezien de aard en omvang van de opvanglocatie wordt verwacht dat de verkeersafwikkeling wat dat betreft dan ook goed op te lossen is en dus ook te onderbouwen is. Echter, zijn de verkeersmogelijkheden voor fietsers en voetgangers beperkt tot niet aanwezig. Verkeersgeneratie wordt met name verwacht van personeel en bezoek. Asielzoekers hebben doorgaans geen beschikking tot een auto. Gezien de ligging van de locatie ten opzichte van de diverse gebiedsontsluitingswegen in de omgeving kan worden aangenomen dat de verkeersgeneratie geen belemmering vormt voor de huidige weginfrastructuur wat betreft gemotoriseerd verkeer.
Voor de personen die verblijven zijn er echter qua voet- en fietsinfrastructuur beperkte voorzieningen in het gebied. Het is raadzaam om omwille van de verkeersveiligheid nader te bestuderen of het mogelijk is maatregelen te treffen.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
20
2.13 Sociale veiligheid 2.13.1 Toetsingskader Naast een aantrekkelijke en aanpasbare fysieke leefomgeving moet een leefomgeving ook (sociaal) veilig in het gebruik zijn. Het gaat erom dat mensen zich veilig voelen en dat ook zoveel mogelijk daadwerkelijk zijn. Factoren die kunnen bijdragen aan (het gevoel van) meer veiligheid zijn onder andere: •
informeel toezicht op de openbare ruimte;
•
persoonlijke controle over de ('eigen') omgeving;
•
het imago van het (totale) gebied.
2.13.2 Consequenties voor het voornemen Het COA heeft in andere gevallen veel maatregelen getroffen in het leefbaar houden van de omgeving in en rond opvanglocaties. Voorbeelden van maatregelen die kunnen bijdragen aan (sociale) veiligheid zijn: •
24/7 beveiliging en toegangsbeheer op de locatie;
•
7 dagen per week aanwezigheid van COA-medewerkers op de locatie;
•
huisregels hanteren en toezien op naleving;
•
eventuele signalen over spanningen tussen bewoners oppakken;
•
dagbesteding verzorgen (de jongeren zijn leerplichtig en gaan naar school);
•
informeren over gedragsregels in Nederland;
•
wanneer nodig opschalen naar of assistentie vragen aan politie;
•
deelname aan structureel omwonendenoverleg en structureel veiligheidsoverleg met gemeente, politie en indien nodig andere betrokkenen;
•
24/7 bereikbaarheid voor omwonenden.
Alhoewel het aspect sociale veiligheid niet is geborgd in een wettelijk kader, wordt er (mee gelet op actuele rechtszaken en ontstane jurisprudentie rondom dit thema onder de Omgevingswet) wel geadviseerd om dit op voorhand te regelen.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
21
3
Relevant beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief op 2050 met ambities waarmee de langetermijnvisie in beeld wordt gebracht. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn feitelijk het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven, samenkomend in vier prioriteiten: 1.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2.
een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
3.
sterke en gezonde steden en regio’s;
4.
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij decentrale overheden. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes: 1.
slimme combinaties maken waar dat mogelijk is;
2.
de kenmerken van het gebied centraal stellen;
3.
niet uitstellen of doorschuiven.
Gelet op de beperkte omvang en tijdelijkheid van de voorgenomen ontwikkeling voor realisatie van een tijdelijk AZC worden er gezien het hoge abstractieniveau van de NOVI geen nationale belangen geraakt. 3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB’s) Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a.
de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s;
b.
de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit);
c.
de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
22
De hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels (met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) bevat, zijn: •
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
•
beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
•
beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
•
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl);
•
het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
•
het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen, en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
•
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Een aantal van deze hoofdonderwerpen komen aan bod in deze quickscan. De relevante instructieregels zijn reeds meegenomen in de toetsing aan de milieu- en omgevingsaspecten in voorgaand hoofdstuk 2. Hiernavolgend is nog ingegaan op de instructieregel met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking. Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel die ten doel heeft het zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. De instructieregel is verankerd in artikel 5.129g Bkl en is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. De Laddertoets hoeft alleen uitgevoerd te worden als de stedelijke ontwikkeling ‘nieuw’ is. Volgens de instructieregel moet in een omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling beoordeeld worden of er behoefte is aan die stedelijke ontwikkeling en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. In artikel 5.129g van het Bkl is geen ondergrens opgenomen voor wat aangeduid kan worden als stedelijke ontwikkelingsproject. Dit is verder ingevuld in de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State.
Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat een tijdelijke opvanglocatie
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
23
voor asielzoekers geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft2. Verder kan worden beargumenteerd dat door het tijdelijke karakter van de voorgenomen ontwikkeling van de flexwoningen op langere termijn ook geen blijvende effecten bestaan op de beschikbare ruimte voor bedrijventerrein binnen de gemeente. Het gaat immers niet om de toevoeging van permanente bebouwing. De tijdelijke opvanglocatie zorg voor een efficiënt gebruik van reeds lange tijd braakliggend terrein op bedrijventerrein Lagedijk op de locatie aan De Lus. 3.1.2 Spreidingswet Op 1 februari 2024 is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (kortweg: de Spreidingswet) in werking getreden. Gemeenten hebben met deze wet een wettelijke taak gekregen in de opvang van asielzoekers. Het doel van de Spreidingswet is te komen tot voldoende opvangplekken en een evenwichtiger verdeling van asielzoekers over provincies en gemeenten. De raming van het benodigd aantal opvangplekken vindt plaats in een cyclus van 2 jaar. Voor 1 februari 2024 is vastgesteld dat er 96.000 opvangplekken nodig zijn voor asielzoekers voor de komende twee jaar, waarvan 8.140 voor Alleenstaande Minderjarige Vluchtelingen (AMV’s). Deze opvangplekken worden (indicatief) verdeeld over de gemeenten op basis van het inwoneraantal en de sociaaleconomische score van een gemeente.
Gemeente Schagen dient op grond van de Spreidingswet 276 opvangplaatsen voor asielzoekers te realiseren, waarvan 23 geschikt ten behoeve van de opvang van AMV’s. Door de aantallen van de gemeenten in de provincie bij elkaar op te tellen, ontstaat de provinciale opvangopgave. Gemeenten bespreken aan de regionale en provinciale regietafels (RRT’s en PRT’s) hoe zij gezamenlijk die opgave gaan invullen. Voor 1 november 2024 brengt de commissaris van de Koning (CdK) verslag uit aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De staatssecretaris neemt voor 1 januari 2025 een besluit over de verdeling van de opgave over de gemeenten (overeenkomstig het provinciale plan bij een sluitende verdeling; bij een tekort aan opvangplaatsen, kan de staatssecretaris zelf gemeenten aanwijzen en daarmee verplichten om asielzoekers op te gaan vangen). Gemeenten hebben tot 1 juli 2025 de tijd om de opvangplaatsen te realiseren. Na 2 jaar start de cyclus weer opnieuw met het ramen van de hoeveelheid opvangplekken.
2
Uit jurisprudentie is gebleken dat in specifieke gevallen een AZC mogelijkerwijs gezien kan worden als stedelijke ontwik-
keling. Dit is vooral afhankelijk van de duur van de opvang en de omvang van het aantal op te vangen personen. In een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26-04-2016 werd de tijdelijke opvang van 500 personen in Balk voor de duur van 5 jaar niet gekwalificeerd als een stedelijk ontwikkelingsproject (Rb. Noord-Nederland 26 april 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:20141, r.o. 5.4.5)
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
24
3.1 Provinciaal beleid 3.1.2 Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 De uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet hebben zich voor de provincie vertaald in een andere, nieuwe manier van werken. De provincie heeft het opstellen van de omgevingsverordening dan ook als kans gezien om dingen anders aan te pakken, in de geest van de Omgevingswet. De regels van de omgevingsverordening zijn daarom op een vernieuwende manier opgesteld; meer gericht op het 'hoe' (hoe tot een goede fysieke leefomgeving te komen) in plaats van op het 'wat' (verbodsbepalingen en uitzonderingen daarop). Het gaat meer om het doel dan om het middel, waarbij kwalitatieve normen de plaats innemen van kwantitatieve. De omgevingsverordening is in samenspraak met provinciale partners ontwikkeld. De provincie geeft aan met de omgevingsverordening een groot vertrouwen in initiatiefnemers en andere overheden te hebben en is daarom terughoudend met het opstellen van regels. Het provinciale doel (alsmede uitdaging) is uiteindelijk een eenvoudiger, duidelijker en meer integraal systeem van provinciale regels. Met meer ruimte voor lokaal en regionaal maatwerk en bestuurlijke afwegingsruimte. Inmiddels is de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 van kracht die op 1 januari 2024 in werking is getreden, als opvolger van de eerdere omgevingsverordening uit 2020.
Hoofdstuk 6 van de Omgevingsverordening NH2022 bevat de instructieregels voor gemeenten. Deze gaan over nieuwe stedelijke ontwikkelingen voor het gehele provinciale grondgebied en kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied. Omdat het planvoornemen juist van tijdelijk aard is om een bijdrage te leveren in de crisisnoodopvang van asielzoekers hoeft niet te worden gesproken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, en kan in principe worden betoogd dat de Omgevingsverordening NH2022 niet belemmerend werkt. Het is daarentegen wel goed om notie te nemen van artikel 6.28 van de Omgevingsverordening NH2022 met betrekking tot subparagraaf 6.2.2.5 ‘Logiesactiviteiten op bedrijventerreinen’ met betrekking tot artikel 6.28 ‘Logiesactiviteiten werknemers bedrijventerrein’, aangezien deze beleidslijn wat betreft het bieden van logies voor asielzoekers ook zou kunnen worden doorgetrokken. De provincie Noord-Holland heeft zich beleidsmatig op het standpunt gesteld dat huisvesting van werknemers (arbeidsmigranten) op bedrijventerrein in beginsel niet wordt toegestaan, omdat de bedrijventerreinen hier niet voor bedoeld en bestemd zijn, en het daarom doorgaans ongewenst en oneigenlijk gebruik van bedrijventerrein betreft.
Verdere toelichting hierop vanuit de provincie is dat (tijdelijke) bewoning op bedrijventerrein vaak de bedrijfsvoering dan wel uitbreidingsmogelijkheden door bedrijven beperkt. Verder is er op bedrijventerrein over het algemeen geen aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat onder meer vanwege de milieuhinder vanuit de gevestigde bedrijven. Het doorgaans verder verwijderd zijn van voorzieningen in de kern en de relatieve afzondering zijn ook argumenten om
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
25
huisvesting op bedrijventerrein in beginsel niet toe te staan. Tot slot kan het gebruik van ruimte op bedrijventerreinen voor (tijdelijke) woon- en verblijfbestemmingen leiden tot een compensatiebehoefte voor het verlies aan bedrijfsruimte. Die ruimte wordt dan gezocht in de al schaarse beschikbare open ruimte waarmee feitelijk alleen verplaatsing van functies in de hand wordt gewerkt. Deze beleidslijn is in de verordenend voorgeschreven regels als volgt geformuleerd: Art. 6.28, lid 1: Een omgevingsplan kan alleen logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers op een bedrijventerrein mogelijk maken, indien: -
de logiesactiviteiten zien op kort verblijf3;
-
op de locatie kan worden voorzien in een aanvaardbaar leef-/verblijfklimaat, mede gelet op de situering van de logiesactiviteiten op het bedrijventerrein en de aanwezigheid van stedelijke voorzieningen in de nabij omgeving;
-
omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd;
-
en de logiesactiviteit4 worden toegestaan voor een periode van maximaal 10 jaar.
Art. 6.28, lid 2: In het omgevingsplan wordt in de toelichting gemotiveerd dat: a.
wordt voorzien in een regionale behoefte aan logiesplekken ten behoeve van werknemers; en,
b.
de locatie van de logiesactiviteiten niet benodigd is voor het bedrijventerrein.
Gelet op deze ingezette beleidslijn van de provincie in haar omgevingsverordening op dit onderdeel is het dan ook verstandig om de beleidsmatige mogelijkheden voor vestiging van een AZC aan De Lus op bedrijventerrein Lagedijk nader met de provincie te gaan afstemmen. Verder is het gelet op de ligging van het voornemen in de beschermingszone van de regionale waterkering relevant. In paragraaf 6.2.11 ‘Regionale waterkeringen’ is in artikel 6.85 ‘Beperkingengebied regionale waterkering’ geregeld dat niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorzien. Daarvan kan worden afgeweken als daarover tussen gemeente, waterbeheerder en provincie overeenstemming is bereikt.
3
Kort verblijf: “een verblijf met een duur van maximaal zes maanden”.
4
Logiesactiviteit: “in gebruik hebben of houden van een bouwwerk ten behoeve van bedrijfsmatig tijdelijk verblijf of verschaffen
van tijdelijk onderdak aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben”.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
26
4
Samenvatting en conclusie Deze quickscan onderzoekt de geschiktheid van een locatie aan De Lus op bedrijventerrein Lagedijk in Schagen voor de vestiging van een asielzoekerscentrum (AZC). De voorgestelde ontwikkeling omvat 96 flexwoningen, bedoeld voor tijdelijke bewoning, zoals crisisnoodopvang van asielzoekers. De locatie bevindt zich aan de noordwestelijke rand van het bedrijventerrein, grenzend aan het Noord-Hollands Kanaal en de N248. Dit roept specifieke aandachtspunten op met betrekking tot de omgevingsaspecten. Allereerst is het noodzakelijk te bepalen of het AZC een woonfunctie of logiesfunctie betreft. Indien het AZC een woonfunctie heeft, zal het niet mogelijk zijn om het op deze locatie te realiseren zonder nader onderzoek naar onder andere de geluidsoverlast en milieubelasting, gezien de nabijheid van de N248 en vooral de omliggende activiteiten. Voor een logiesfunctie zijn de mogelijkheden ruimer, maar ook hier zullen aanvullende onderzoeken vereist zijn. De uitkomsten van deze onderzoeken moeten aantonen dat de locatie geschikt is en dat er geen onoverkomelijke belemmeringen zijn met betrekking tot de waterkering, geluidshinder, en de impact op de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
Indien blijkt dat de milieutechnische en beleidsmatige randvoorwaarden voldoende waarborg bieden, kan het bedrijventerrein aan De Lus als een potentieel geschikte locatie voor het AZC worden beschouwd. Verdere onderzoeken en afstemming met betrokken partijen zullen uiteindelijk bepalen of de vestiging van het AZC op deze locatie haalbaar is.
datum 19-08-2024
projectnummer P003070
27