Bijlage 1 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Sloop en nieuwbouw Hogebrugweg 4 in Waarland Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming
Opdrachtgever: DNS planvorming B.V.
Groot Eco Advies 2022-019
Concept
16-03-2022
Definitief
24-03-2022
2
Inhoudsopgave 1 2 3 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 5 6
Inleiding Natuurwetgeving en -beleid Werkwijze Beschermde soorten en effectbeoordeling Flora Vogels Amfibieën, reptielen en vissen Zoogdieren Ongewervelden Gebiedsbescherming Conclusies
Literatuurlijst
4 5 9 10 12 12 13 13 13 14 17 18
3
1 Inleiding Aan de Hogebrugweg 4 in Waarland wordt een woning gesloopt om plaats te maken voor 2 woningen. In het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning dienen eventuele effecten van de werkzaamheden getoetst te worden aan de natuurwetgeving.
Luchtfoto met daarop de ligging van de locatie (rood) Groot Eco Advies heeft in opdracht van DNS Planvorming B.V. op 28 februari 2022 een veldbezoek afgelegd om de situatie ter plaatse te beoordelen. In deze rapportage worden de resultaten van het veldbezoek weergegeven en de eventuele effecten van de ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving.
Toetsing Wet natuurbescherming De toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming heeft concreet de volgende twee oogmerken: • Aannemelijk maken dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet worden aangetast. Het begrip ‘natuurlijke kenmerken’ moet worden gerelateerd aan de instandhoudings-doelstellingen voor het gebied: ze hebben te maken met de ecologische functies. • Aannemelijk maken dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten, niet optreedt. De Wet natuurbescherming beschermt ook een aantal aangewezen dier- en plantensoorten. Bij ruimtelijke ingrepen dient te worden beoordeeld of er sprake is van negatieve effecten op beschermde dier- en plantensoorten. 4
Toetsing NNN en weidevogelleefgebied De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van (inter-) nationaal belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen. Voormalig staatssecretaris Dijksma introduceerde in 2014 de term NatuurNetwerk Nederland (NNN) om de term 'Ecologische Hoofdstructuur' (EHS) te vervangen. De NNN-toetsing dient om vast te stellen of de plannen het ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de ‘wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS’ in de weg staan. De toetsing heeft als oogmerk: • Aannemelijk te maken dat geen significant negatief effect optreedt op deze kenmerken. Belangrijke criteria waar deze toetsing op toespitst zijn ‘kwaliteit’, ‘areaal’ en ‘samenhang’ van het NNN-gebied.
5
2 Natuurwetgeving en -beleid Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn de oude Boswet, Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet samengevoegd tot één Natuurwet. Uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan. In de praktijk betekent dit dat bij een ruimtelijke ingreep of voorgenomen activiteit bekeken moet worden of er sprake is van effecten of beschermde dieren en planten (soortenbescherming) en in bepaalde gevallen op natuurgebieden (gebiedsbescherming). Gebiedsbescherming Ligt een locatie waar een ruimtelijke ingreep of voorgenomen activiteit plaats vindt in of in de buurt van een Natura 2000 gebied dan is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Afhankelijk van de aard van de activiteit en de te beschermen waarden van (het) betreffende Natura 2000-gebied(en) dient beoordeeld te worden of en welke effecten er (mogelijk) aanwezig zijn. Soortbescherming Om te bepalen of een ontheffing nodig is of dat er gebruik kan worden gemaakt van een vrijstelling wordt het stappenschema op pagina 7 doorlopen. Met de Wet natuurbescherming is de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen in principe bij de provincie komen te liggen.
Ook gemeenten hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van de Wet natuurbescherming. Is er sprake van een locatie gebonden activiteit met gevolgen voor wettelijk beschermde dier- en plantensoorten, moet ofwel een natuurtoets deel uitmaken van de procedure bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning, ofwel er wordt voorafgaand aan de activiteit apart een ontheffing aangevraagd. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de aanvraag voor een omgevingsvergunning volledig is, of dat de aanvrager apart ontheffing heeft aangevraagd. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af. Beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: 1. Soorten van de Vogelrichtlijn; 2. Soorten van de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern en het verdrag van Bonn; 3. Andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels zijn beschermd. Daarnaast zijn ongeveer 230 andere soorten beschermd.
6
Stroomschema soortenbescherming
Om af te wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria te worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling; 2. Tegenover de afwijking van het verbod moet een in de wet genoemd belang staan; 3. De ingreep doet geen afbreuk aan de instandhouding van de soort.
7
Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten. In de wet zijn vormen van vrijstelling opgenomen, zoals de gedragscode, een programmatische aanpak of via de provinciale omgevingsverordening. Verbodsbepalingen
8
3 Werkwijze De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht door middel van een bronnenstudie en een veldbezoek.
Bureaustudie Voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en (waar mogelijk) regionale bronnen met betrekking tot de verspreiding van beschermde planten en diersoorten.
Veldonderzoek Het veldbezoek is op 28 februari 2022 door J. Groot uitgevoerd. De weersomstandigheden tijdens het bezoek waren redelijk: zonnig, onbewolkt en 9 graden boven nul. Het veldbezoek was verkennend van aard, waarbij op basis van de summiere resultaten van de bureaustudie en de aanwezige terreintypen het voorkomen van beschermde planten en diersoorten is vastgesteld, of op basis van jarenlange velddeskundigheid is ingeschat.
9
4 Beschermde soorten en effectbeoordeling Voorgenomen werkzaamheden op de locatie • Sloop woning • Nieuwbouw twee woningen.
Achterzijde woning
10
Zijkant woning
Te kappen boom 11
4.1 Flora Op de locatie zijn geen beschermde plantensoorten of muurplanten waargenomen. Voor beschermde plantensoorten en muurplanten zijn geen geschikte groeiplaatsen aangetroffen.
4.2 Vogels De woning is niet geschikt voor de jaarrond beschermde Gierzwaluw. Er zijn geen invliegopeningen voor deze soort aanwezig. Hoewel de Huismus tijdens het bezoek niet werd waargenomen is de woning wel voor deze soort geschikt. Gericht veldonderzoek in de periode 1 april- 15 mei (twee bezoeken) kan uitwijzen of de soort al dan niet ter plaatse broedt. Effecten van sloop van dit pand op de Huismus is niet op voorhand uit te sluiten. Voor uilen is de woning niet geschikt. De tuin is door de zeer beperkte omvang niet geschikt voor jaarrond beschermde broedvogels om te broeden. Wel zullen enkele algemene struweelvogels als Merel, Roodborst en Koolmees in de tuin kunnen broeden. Onder de aanwezige te kappen boom werden geen braakballen van uilen aangetroffen. De boom is ongeschikt voor broedvogels.
4.3 Amfibieën, reptielen en vissen Wateren ontbreken in het plangebied. Effecten op amfibieën, reptielen en vissen zijn uitgesloten.
4.4 Zoogdieren In de ijle boom zijn geen geschikte invliegmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig. De woning heeft geen geschikte invliegopeningen en het dak is goed gesloten. Achter het gevelhout is geen ruimte voor vleermuizen om weg te kruipen. De platen sluiten strak op de muur aan. In de muren zijn geen geschikte invliegopeningen aangetroffen. Effecten op vleermuizen kunnen worden uitgesloten.
12
Voor andere beschermde zoogdieren als muizen, Egel en de kleine marters Bunzing, Wezel en Hermelijn zijn op in de tuin geen potenties in de vorm van omgevallen bomen, takkenhopen en braamstruwelen aanwezig. Effecten op deze soorten kunnen dan ook op voorhand worden uitgesloten.
4.5 Ongewervelden Voor ongewervelden als beschermde vlinders en libellen ontbreekt geschikt leefgebied. 13
5 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op respectievelijk 9.950, 9.950 en 11.500 meter van de Natura 2000-gebieden Schoorlse Duinen, Noordhollands Duinreservaat en Abtskolk & De Putten. NNN en bijbehorende natuurverbindingen en weidevogelleefgebied liggen op respectievelijk 380 en 3.150 meter. Externe werking is niet van toepassing op NNN en weidevogelleefgebieden in Noord-Holland. Gezien de aard van de werkzaamheden en de ligging in de bebouwde kom en de ligging ten opzichte van de betrokken Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten als verstoring, geluid en licht op voorhand uit te sluiten. Stikstofdepositie De genoemde Natura-2000-gebieden Schoorlse Duinen en Noordhollands Duinreservaat zijn een Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing.
Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningsvrij waren is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden. De wet maakt ook een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. Bouwvrijstelling Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanlegen sloopactiviteiten met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd. Veroorzaakt een project alleen stikstofeffecten in de bouwfase dan geldt deze vrijstelling. Het aantal te houden paarden zal worden vergroot van 60 naar maximaal 130. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van stikstofrechten van een agrarisch bedrijf dat wordt beeidingd. Een stikstofberekening met toepassing van externe salsdering wordt separaat van de rapportage uitgevoed.
14
Ligging van de locatie (blauwe stip) ten opzichte van de Natura 2000-gebied
Ligging van de locatie (blauwe stip) ten opzichte van NNN (rood)
15
Ligging van de locatie (blauwe stip) ten opzichte van weidevogelleefgebied
16
6 Conclusies Beschermde soorten Op basis van deze quickscan wordt geconstateerd dat de te slopen woning potenties heeft voor de jaarrond beschermde Huismus. Nader onderzoek naar deze soort is nodig.
Gebiedsbescherming Separaat van deze rapportage wordt een stikstofrapportage voor de gebruiksfase opgesteld.
Aanbevelingen •
Onderzoek naar de Huismus uitvoeren (twee bezoeken in de periode 1 april-15 mei).
17
Literatuurlijst BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HOOGENBOOM, D., W. RUITENBEEK, F. VISBEEN & JAN WONDERGEM, 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren 1989-2014. Landschap Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdier Studiegroep. HERDER, J., J. KRANENBARG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS &K. DEKKER, 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012. Landschap Noord-Holland, Stichting RAVON. JANSSEN, J.A.M., J.H.J SCHAMINÉE, 2004. Europese Natuur in Nederland, Soorten van de habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht. KAAG, K., K. VELING, F. VISBEEN EN K. SCHARRINGA, 2012. Vlinders van Duin tot Dijk : De dagvlinders van Noord-Holland 2000-2009. Landschap Noord-Holland, De Vlinderstichting. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997.
Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. NEDERLANDSE VERENIGING VOOR LIBELLENSTUDIE 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). – Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. NIE, H.W. DE, 1997. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. 2e herziene druk. Media Publishing Int. bv, Doetinchem. RIET, B. VAN DE, H. VAN DER GOES, T. BAAS, C. VAN DEN TEMPEL, W. MENKVELD & F. VISBEEN, 2014. Atlas van de Noord-Hollandse flora. Landschap Noord-Holland. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON, 2018. Vogelatlas van Nederland. SOVON, Nijmegen.
18
STUMPEL, TON, STRIJBOSCH, HENK. 2006. Veldgids Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Utrecht. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING (2021). Vleermuisprotocol 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl
19