Bijlage 1 Integraal Huisvestingsplan Kaders 2026-2029
Tekst van het document
IHP Kaders 2026-2029
Datum 16 januari 2025
Inlichtingen bij HEVO
Gemeente Schagen | 1
Inhoud Bouwstenen van beleid................................................3 Bouwsteen 1: Vraag en Aanbod...................................................................3 Bouwsteen 2: Samenwerking.......................................................................7 Bouwsteen 3: Kwaliteit en Duurzaamheid..................................................10 Bouwsteen 4: Beleid & Regie.....................................................................14
IHP kaders 2026-2029
2
Bouwstenen van beleid De visie van de gemeente en de schoolbesturen op onderwijs en samenwerkende partners (zoals kinderopvang, jeugdzorg etc.) stelt eisen aan onderwijshuisvesting. De gemeente en de schoolbesturen hebben de visie op onderwijshuisvesting uitgewerkt in vier thema’s die dienen als de ‘bouwstenen’ van het huisvestingsbeleid: 1. Vraag & Aanbod. 2. Samenwerking. 3. Kwaliteit en duurzaamheid 4. Beleid en regie. Ieder thema omvat verschillende beleidsuitgangspunten. Het IHP is erop gericht om, binnen de mogelijkheden van de gemeente, schoolbesturen en samenwerkende partners deze uitgangspunten zoveel als mogelijk te realiseren. Daarom heeft de gemeenteraad van de Gemeente Schagen als kaders voor het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2026-2029 vastgesteld: 1. In gemeente Schagen geven we vorm aan inclusief onderwijs: we faciliteren de optimale verbinding tussen de nabijheid en kwaliteit van onderwijs 2. Gemeente Schagen vindt de doorgaande ontwikkeling van kinderen in de leeftijd 0 tot13 jaar belangrijk en faciliteert dit zoveel als mogelijk in de realisatie van onderwijshuisvesting 3. We bouwen voor nu en voor de toekomst duurzame onderwijshuisvesting, dit betekent energieneutraal (ENG) bij nieuwbouw, bijna energieneutraal (BENG) bij renovatie 4.
Voor de nieuw te bouwen of renoveren scholen streven we naar een hoog kwaliteitsniveau als het gaat om het binnenklimaat, te weten niveau Frisse Scholen B 5. We bouwen of renoveren maximaal 1 schoolgebouw per jaar 6. De volgorde van nieuwbouw of renovatie wordt bepaald door de bouwkundige staat van een gebouw, het onderwijsconcept en (geplande) woningbouwprojecten 7. Uitgangspunt is slim bouwen: dit betekent dat we functionele, doelmatige en circulaire keuzes maken en aanbestedingen voor nieuwbouw en renovatie combineren waar mogelijk om schaalvoordeel te behalen
Bouwsteen 1: Vraag en Aanbod
IHP kaders 2026-2029
3
Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties nastreven. Het gewenste aanbod van onderwijs is bepalend voor de huisvestingsscenario’s in het IHP. 1.
Prognose en frequentie: Voor het bepalen van de benodigde
huisvestingscapaciteit voor de scholen wordt uitgegaan van leerlingenprognoses. Voor permanente voorzieningen die worden opgenomen in het IHP is het van belang om uit te gaan van prognoses voor de langere termijn (minimaal 15 jaar). De leerlingenprognoses worden eens in de twee jaar opgesteld. De leerlingenprognoses worden voorgelegd aan de schoolbesturen zodat kan worden getoetst of de prognoses aansluiten bij de werkelijke situatie. 2.
Trend van de prognose: Bij investeringen wordt rekening gehouden
met de trend van de prognose. De afgelopen periode had Gemeente Schagen te maken met een daling van de basisgeneratie (4 t/m 12 jarigen). De prognoses uit 2022, gaan uit van een kentering richting een geleidelijke groei van het aantal leerlingen vanaf het jaar 2025. Deze groei is niet gelijkmatig verdeeld over de gemeente. Vooral in Schagen, Waarland, Schagerbrug en ‘t Zand neemt het aantal leerlingen op termijn toe. In Burgerbrug, Petten en Tuitjenhorn neemt het aantal leerlingen naar verwachting wat af. Dit is afhankelijk van woningbouwontwikkeling. 3.
Het streven is naar een optimale afstemming tussen vraag
en aanbod: Daarbij is het uitgangspunt om zowel ruimteoverschotten als ook ruimtetekorten in schoolgebouwen zoveel mogelijk te voorkomen. Daarvoor is een aantal instrumenten geformuleerd: a. Nieuwe gebouwen worden flexibel en aanpasbaar ontworpen. Gebouwen dienen toekomstbestendig gemaakt te worden, waarbij eventuele functiewisselingen mogelijk zijn. b. Bij de afstemming tussen vraag en aanbod wordt niet alleen gekeken naar de normatieve vierkante meters maar wordt ook rekening gehouden met eventuele (kwalitatieve) toevoegingen ten behoeve van inclusief onderwijs. c. Verhuur of medegebruik van ruimte kan, na toestemming van de gemeente, een (tijdelijke) oplossing zijn voor een normatief ruimteoverschot. Eventueel kan er ook een deel van het gebouw afgestoten worden wanneer er een structureel ruimteoverschot is. d. De visie op samenwerking, bijvoorbeeld tussen onderwijs en kinderopvang, staat voorop. Het is, afhankelijk van deze visie, niet wenselijk dat een vaste samenwerkingspartner op basis van de regelgeving omtrent huur en medegebruik moet wijken uit het gebouw als gevolg van de groei van een school. In het geval van een ruimtetekort gaan de betrokken partners in
IHP kaders 2026-2029
4
gesprek over een geschikte oplossing die recht doet aan de visie op samenwerking.
De schoolbesturen streven gezamenlijk naar een gezonde
4.
omvang van de scholen. In het IHP wordt gezamenlijk regie gevoerd op het totale aanbod en het onderwijslandschap, waarbij concurrentie zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het streven is om met elkaar te komen tot afspraken over een gezamenlijke capaciteitsplanning. Hierbij is het belangrijk om de keuzevrijheid van ouders zo veel als mogelijk te waarborgen.
Opheffingsnorm: Gemeente Schagen kent een specifieke
5.
opheffingsnorm die een signalerende rol speelt bij de afweging of een school wel of niet in stand gehouden wordt. De opheffingsnorm voor een reguliere basisschool is op dit moment 62 (leerlingen). Het getal van de opheffingsnorm is echter niet leidend. Naast de kwantitatieve afweging van het aantal leerlingen versus de opheffingsnorm, spelen kwalitatieve afwegingen een belangrijke rol bij de afweging of een school wel of niet in stand gehouden wordt. Vanuit de schoolbesturen staat voorop dat kwalitatief goed onderwijs gegarandeerd kan worden. Er is daarbij aandacht voor actuele ontwikkelingen zoals personeelstekorten.
Onderwijs in kleine kernen: Passend onderwijs is op iedere
6.
onderwijslocatie het streven, wat ook geldt voor kleine kernen. Schoolbesturen en gemeente zijn het er over eens dat de onderwijskwaliteit en de continuïteit daarvan wel moet kunnen worden gewaarborgd bij instandhouding van een onderwijsvoorziening. Onderwijs wordt in die zin niet gezien als panacee voor de leefbaarheid van de dorpen. Wel zien de schoolbesturen en de gemeente het onderwijs als functie zoveel mogelijk aanwezig in de lokale gemeenschappen. Dat hoeft niet te betekenen dat een volledige school in elke kern in een eigen schoolgebouw is gehuisvest. Gemeente en schoolbesturen zijn bereid om daarbij kansen voor vernieuwende vormen te verkennen, zoals onderwijs als gebruiker van een flexibel multifunctioneel gebouw met maatschappelijke functie, waarin ook andere functies t.b.v. de leefbaarheid een plek krijgen.
Spreiding: Een goede spreiding van school- en opvanglocaties is
7.
belangrijk voor de bereikbaarheid van scholen/kinderopvang. School- en opvanggrootte en spreiding sluiten zoveel mogelijk aan op het leerlingenaantal in het voedingsgebied. Bij het ontwikkelen van nieuwe scholen/opvang of herpositioneren van bestaande scholen dient aandacht te zijn voor de geografische spreiding van locaties:
Een goede spreiding van het primair onderwijs (PO) en opvang is van belang in het kader van thuisnabij onderwijs. Daarnaast kan het PO een functie vervullen
IHP kaders 2026-2029
5
voor de leefbaarheid van wijken en kernen binnen de gehele gemeente. Het streven is dat voor iedere wijk of kern onderwijs goed bereikbaar is.
Voor het voortgezet onderwijs (VO) is concentratie van het aanbod essentieel. Het is daarom van belang om op zowel plaatselijke schaal als de regionale schaal te kijken naar de bereikbaarheid (incl. openbaar vervoer). Het VO trekt immers ook een groot aandeel van de leerlingen uit de regio aan.
Concentratie van het aanbod is ook aan de orde bij het speciaal (basis)onderwijs. Het SBO en (V)SO heeft naast lokale leerlingen ook leerlingen uit een groter voedingsgebied. Spreiding en aanbod wordt op regionale schaal afgestemd.
IHP kaders 2026-2029
6
Bouwsteen 2: Samenwerking Deze bouwsteen gaat in op samenwerking. Samenwerking betekent dat scholen gebouwen delen, met elkaar of met partners (bijvoorbeeld kinderopvang, jeugdzorg, buurtvoorzieningen). Samenwerking kan zowel inhoudelijk als gebouwelijk worden vormgegeven. Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van kennisuitwisseling. Gebouwelijke samenwerking kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren en versterken omdat men elkaar ook daadwerkelijk tegenkomt en biedt daarnaast exploitatievoordelen (door bijvoorbeeld het delen van ruimten). Het onderwijs staat daarbij centraal en daarmee is een gebouwelijke samenwerking geen verplichting, maar een mogelijkheid.
Gezamenlijke huisvesting is het uitgangspunt, maar geen
1.
voorwaarde: Samenwerking kan zowel inhoudelijk (kennis) als gebouwelijk (faciliteiten) worden vormgegeven, waarbij gebouwelijke samenwerking volgt op de inhoudelijke samenwerking: ‘samenwerking is meer dan muren en een dak.’ Indien er reeds sprake is van gebouwelijke samenwerking, dan is het streven om verder te gaan dan enkel het ‘gedeeld gebruik maken van een gebouw’. Per situatie dient in een haalbaarheidsonderzoek te worden verkend hoe vorm en inhoud kan worden gegeven aan de samenwerking (casus specifiek).
(I)K(E)C: Op elke school wordt gestreefd naar samenwerking binnen een
2.
(I)K(E)C. a.
In een (integraal) kindcentrum (I)KC werken onderwijs en kinderopvang intensief samen aan een doorgaande pedagogische en didactische ontwikkellijn. In de basisvariant betreft dit een doorgaande lijn van 0 tot 13 jaar, maar de samenwerking kan ook doorlopen tot in het voortgezet onderwijs. De samenwerking tussen onderwijs- en kinderopvangpartners kan verschillende vormen aannemen. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de specifieke situatie. In de basisvariant wordt zoveel mogelijk gestreefd naar gezamenlijke huisvesting.
b. Bij een (integraal) kind en expertise centrum (I)KEC werken regulier en speciaal onderwijs, zorgpartners en de kinderopvang intensief samen aan de doorgaande ontwikkellijn. Deze samenwerking is tevens een manier om invulling te geven aan inclusief onderwijs. Een (I)KEC kan fysiek in verschillende vormen worden gerealiseerd, variërend van individuele voorzieningen in elkaars nabijheid tot een campusvorm of gezamenlijk gebouw. Per situatie dient te worden verkend welke vorm gewenst en haalbaar is.
IHP kaders 2026-2029
7
c.
Bij een (I)K(E)C is het streven om een sportvoorziening in of zo dicht mogelijk bij het (I)K(E)C te realiseren.
Samenwerking tussen PO en VO. Een visie op de doorlopende
3.
leerlijnen tussen het PO en VO, bijvoorbeeld tienercolleges (10-14-jarigen), vraagt nadere uitwerking. Aan de oprichting van een nieuwe fysieke tussenschool is op dit moment geen concrete behoefte. Huidige initiatieven krijgen idealiter vorm binnen bestaande huisvesting (‘virtuele’ samenwerking), maar in de toekomst kan het interessant zijn om te verkennen of er fysiek een verbinding kan worden gemaakt tussen PO en VO, bijvoorbeeld in een campusvorm.
Samenwerking met overige partners. Schoolbesturen en gemeente
4.
streven naar samenwerking tussen scholen en overige maatschappelijke partners (GGD, bibliotheek, jeugdzorg, sportorganisaties, dorpshuis etc.), om de volgende redenen: a.
Er wordt tegemoetgekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor een kern. Deze functie kan per kern en per school anders worden ingevuld. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie.
b. Scholen en partners dragen gezamenlijk bij aan de dorpskernontwikkeling. c.
Andersom kan de school ook gebruik maken van de maatschappelijke voorzieningen die in de kern aanwezig zijn.
d. Indien ruimten in schoolgebouwen in gebruik worden gegeven aan partijen anders dan het onderwijs (kinderopvang en/of andere maatschappelijke partijen), wordt ofwel ‘verhuur’ ofwel ‘medegebruik’ toegepast. Voorwaarde voor medegebruik is dat het gaat om het gebruik door (uit de openbare kas bekostigd) onderwijs of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. In het geval van verhuur geldt een marktconforme huur. De marktconforme huur sluit aan bij de Wet Markt en Overheid en bestaat in basis uit een gebruiksvergoeding: de extra kosten die de verantwoordelijke voor onderhoud en exploitatie maakt als gevolg van de verhuur (ofwel exploitatiekosten) en een vergoeding voor investeringslasten: de jaarlijkse lasten die het gevolg zijn van het realiseren van de voorziening, bestaande uit rente en afschrijving, die kunnen worden verhoogd met een deel van de kosten van verzekering van het gebouw en de kosten van onroerendezaakbelasting. De vergoeding voor de investeringslasten gaat naar de investerende partij (tenzij dit uiteraard de kinderopvang zelf is).
IHP kaders 2026-2029
8
Deze afspraken gelden voor nieuwe overeenkomsten. Bestaande (ver)huurcontracten hoeven niet te worden opengebroken naar aanleiding van bovenstaande afspraken. e.
Wanneer er sprake is van een gebouw met meerdere gebruikers en/of huurders is het van belang dat er vooraf duidelijke afspraken gemaakt worden over het eigendom en beheer. In de definitiefase van een project dienen alle betrokken partijen hier een actieve bijdrage aan te leveren. De output van deze bijdrage zal projectafhankelijk zijn, idealiter resulteert dit in een overeenkomst van medegebruik en/of verhuur met daarin heldere afspraken over het eigendom en beheer en eventuele vergoedingen die daarbij van toepassing zijn. Bij ‘scholeneilanden’ waar meerdere scholen en andere gebruikers onder één dak zijn gehuisvest is het beleid dat de gemeente het eigendom op zich neemt. Echter ook in deze situatie is het advies om afspraken op te nemen in overeenkomsten.
IHP kaders 2026-2029
9
Bouwsteen 3: Kwaliteit en Duurzaamheid Deze bouwsteen duidt de kwaliteit en duurzaamheid van onderwijshuisvesting waar de gemeente Schagen, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties naar streven. Deze uitgangspunten zijn het uitgangspunt bij nieuwbouw. Bij vernieuwbouw en renovatie wordt beoogd om deze kwaliteit zo veel mogelijk te realiseren. Voor bestaande bouw ligt de verantwoordelijkheid primair bij de schoolbesturen, maar kan er in overleg met de gemeente worden getreden over verbetermogelijkheden. 1.
Een brede definitie: de gemeente, schoolbesturen en
kinderopvangorganisaties zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting in Schagen als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed gebouw en duurzaam gebouw biedt een goede opgroeiomgeving en heeft bovendien een positief effect op het leefklimaat voor de toekomstige generaties. Daarvoor wordt een brede definitie van kwaliteit en duurzaamheid gehanteerd. Deze is uitgewerkt in onderstaande uitgangspunten. 2.
Welbevinden: Een schoolgebouw speelt een cruciale rol in het
bevorderen van het welbevinden van zijn gebruikers, waaronder leerlingen, leerkrachten, ondersteunend personeel en ouders. Voor leerlingen is een veilige, stimulerende en prettige omgeving van belang om tot leren te komen en zich optimaal te ontwikkelen binnen het eigen potentieel. Een schoolgebouw dat is ontworpen met aandacht voor het welbevinden van al zijn gebruikers, vervult niet alleen een functionele, maar ook een sociale en emotionele rol. Het vormt daarmee een belangrijke pijler voor een gezonde en toekomstbestendige onderwijsomgeving. 3.
Gezondheid: er wordt rekening gehouden met alle Frisse Scholen-
thema’s (naast energie) voor onderwijshuisvesting: lucht, temperatuur, licht en geluid. Dit is om een prettig en gezond klimaat voor kinderen en medewerkers te realiseren. Voor de Frisse Scholen thema’s wordt gekozen voor een slimme mix van eisen per subonderdeel, waarbij lucht en temperatuur minimaal klasse B scoren. Ook op het schoolplein wordt rekening gehouden met het thema gezondheid. Schoolpleinen worden actief en groen ingericht. 4.
Inclusiviteit en toegankelijkheid: de onderwijshuisvesting kenmerkt
zich als een inclusieve en toegankelijke omgeving. Een toegankelijke omgeving is een omgeving waar kinderen en volwassenen zich zelfstandig door heen kunnen bewegen, zonder hulp van derden. Toegankelijkheid betekent ook dat het gebouw geschikt is voor diverse gebruikersgroepen, hierbij hoort een streven naar meer samenwerking tussen primair onderwijs en speciaal onderwijs of tussen het onderwijs en zorg- of wijkvoorzieningen. Inclusief onderwijs betekent in de praktijk dat er extra m2 onderwijsruimte nodig is om specifieke
IHP kaders 2026-2029
10
voorzieningen te herbergen, zoals een verzorgingsruimte, (kantoor)ruimte voor ambulante begeleiding, snoezelruimte, optimaal toegankelijke toiletten of een rustruimte. De gemeente is bereid om dit te faciliteren en indien noodzakelijk buiten de normatieve kaders van de verordening te treden. 5.
Toekomstbestendigheid: er wordt ingezet op maximale flexibiliteit.
Onderwijshuisvesting kan op deze manier meebewegen met groei en krimp van scholen en kinderopvanglocaties en kunnen toekomstige concepten faciliteren. Ook biedt deze flexibiliteit mogelijkheden voor het faciliteren van passend inclusief onderwijs. Het gaat zowel om interne flexibiliteit, als om transformatiemogelijkheden van onderwijshuisvesting gedurende en bij einde gebruik. 6.
Onderwijskundige functionaliteit: onderwijshuisvesting dient
huidige onderwijsconcepten goed te faciliteren. Wanneer er samenwerkingspartners in het gebouw zijn gehuisvest dienen deze eveneens goed gefaciliteerd te worden door de huisvesting. De verantwoordelijkheid voor noodzakelijke aanpassingen aan het gebouw ten behoeve van het gebruik door derden ligt bij de betreffende partij die gebruik maakt van het gebouw. 7.
Energieprestatie: de energieprestatie van de onderwijshuisvesting sluit
aan op de doelstellingen die zijn geformuleerd in het landelijke klimaatakkoord en de sectorale routekaart: 50% CO2 reductie in 2030, en 95% CO2 reductie in 2050. Middels het IHP willen de gemeente en de schoolbesturen invulling geven aan de verduurzamingsopgave voor het onderwijs. De ambitie is om in het geval van Energieneutrale (ENG) schoolgebouwen te realiseren. 8.
Circulariteit: voor circulariteit wordt er bij onderwijshuisvesting naar
gestreefd bewust om te gaan met de toegepaste materialen en waar mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, ecologisch vriendelijke en/of herbruikbare materialen. Renovatie tenzij: renovatie is in basis een circulaire maatregel. Voorafgaand aan iedere vervangings-/ vernieuwingsopgave wordt de mogelijkheid tot renovatie onderzocht. Wanneer renovatie onhaalbaar is wordt onderzocht op welke wijze het oude schoolgebouw nog van maximale waarde is. Vrijgekomen schoolgebouw inzetten als tijdelijke huisvesting; Het vrijgekomen schoolgebouw hergebruiken voor een andere (maatschappelijke) functie; Het school gebouw slopen en inzetten als donorgebouw. Bij sloop wordt het uitgangspunt van circulariteit toegepast en wordt doormiddel van een materiaalinventarisatie/sloopscan in kaart gebracht welke gebouwelementen mogelijk nog bij andere projecten gebruikt kunnen worden of opnieuw in de bouwketen geïntegreerd kunnen worden voor hoogwaardig hergebruik.
IHP kaders 2026-2029
11
In welke mate deze circulaire principes kunnen worden toegepast zal nader worden onderzocht tijdens de uitwerking van het haalbaarheidsonderzoek van een project. Nieuwbouw: In het geval van nieuwbouw wordt gelet op de basisprincipes van circulariteit, zoals de toekomstige losmaakbaarheid van de gebouwelementen, het hergebruiken van materialen en/of gebouwelementen en het gebruik van biobased materialen. Hierbij dient goed te worden gekeken naar de invloed van circulair materiaalgebruik op de investerings- en exploitatiekosten. Met de gemeente verkennen of er gerekend kan worden met een restwaarde van 5 tot 10% van het gebouw heeft immers in basis al een restwaarde (grondstof). Let wel, dit heeft invloed op de afschrijvingsmethodiek en vraagt om bijstelling/ akkoord van de raad. Of dit betekent een investering aan de voorkant (stimuleren van circulair bouwen). 9.
Multifunctionaliteit: de gebouwen dienen tevens optimaal gebruikt te
worden. Multifunctioneel gebruik leidt tot een hogere bezetting en daarmee een duurzaam gebruik van de gebouwen. Dit vraagt wel om aandacht over afspraken ten aanzien van beheersvorm, eigendomsverhouding, samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen. Dergelijke afspraken dienen te volgen uit de inhoudelijke afspraken die aan de samenwerking ten grondslag liggen. Met name het faciliteren van functies voor IK(E)C’s is een belangrijk onderdeel van de gebouwkwaliteit. 10.
Klimaat adaptief: klimaat adaptief betekent het ontwerpen en bouwen
van onderwijshuisvesting die bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering. Dit omvat het integreren van maatregelen om hittegolven, hevige regenval, droogte en andere extreme weersomstandigheden te weerstaan. Bijvoorbeeld: groene daken en gevels en watermanagement. 11.
Natuur inclusief: hierbij wordt rekening gehouden met biodiversiteit in
het ontwerp en de constructie van onderwijshuisvesting. Dit bevordert een gezonde leefomgeving en educatieve kansen voor leerlingen en draagt bij aan het behoud van de natuur. Bijvoorbeeld: nestgelegenheden. 12.
Locatie: Een goede schoollocatie draagt bij aan natuurlijk leren en biedt
voldoende buitenruimte. Idealiter maakt de locatie gebruik van de kwaliteiten van omliggende openbare (groen)voorzieningen. Veiligheid en bereikbaarheid zijn daarbij essentieel; de locatie moet geschikt zijn voor verschillende vervoersstromen en de veiligheid van kinderen waarborgen. Tegelijkertijd is het belangrijk dat overlast voor de omgeving tot een minimum wordt beperkt. In kleinere kernen kan een schoollocatie daarnaast een bredere maatschappelijke rol vervullen door te functioneren als onderdeel van een maatschappelijke hub, zoals succesvol is gerealiseerd bij het project De Terp.
IHP kaders 2026-2029
12
13.
Niveau van onderhoud bij einde gebruik: Uitgangspunt is dat de
gebouweigenaar het schoolgebouw gedurende de levensduur op een behoorlijk onderhoudsniveau houdt. Niet alleen in haar eigen belang als gebruiker en exploitant van het gebouw, maar ook in het belang van de gemeente als economisch eigenaar. Op het moment van terug levering bij einde gebruik dient het betreffende schoolgebouw te voldoen aan NEN2767, gemiddeld conditiescore 3. Schoolbestuur en gemeente maken vooraf maatwerkafspraken over het minimaal te hanteren niveau van onderhoud aan bestaande gebouwen bij geplande renovatie of vervangende nieuwbouw, om desinvesteringen te voorkomen.
IHP kaders 2026-2029
13
Bouwsteen 4: Beleid & Regie Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties en andere partners met elkaar samen de regie voeren op het gebied van onderwijshuisvesting. Dit betreft onder andere het vastleggen van de status van het IHP en hoe hier uitvoering aan wordt gegeven.
Verantwoordelijkheid: de gemeente en de schoolbesturen voeren
1.
samen de regie op onderwijshuisvesting. Gemeenten zijn onder andere verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie van schoolgebouwen. De schoolbesturen voeren de regie op het onderwijsaanbod en de diversiteit daarvan. Schoolbesturen en de gemeente treden regelmatig in overleg over de uitvoering van het IHP. Dit doen de schoolbesturen volgens een vaste overlegstructuur met een agenda en verslaglegging. In het OOGO worden besluiten met betrekking tot de uitvoering van het IHP genomen. Kinderopvangorganisaties en andere kindpartners worden betrokken daar waar zij onderdeel vormen van onderwijshuisvesting, dit is maatwerk per IHP-project. Naast de vaste overlegstructuur spreken schoolbesturen en de gemeente af om regelmatig en laagdrempelig in contact te blijven over de IHP-projecten.
Renovatie: Het IHP is in lijn met het voorstel van PO-raad, VO-raad en
2.
VNG om renovatie op te nemen als voorziening door de gemeente. In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor vervangende nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (onder andere artikel 2 verordening). Door renovatie op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie toe te passen. De verschillende definities zijn: a.
Nieuwbouw: er wordt uitgegaan van totale sloop en vervanging van het bestaande gebouw. De levensduur van het nieuwe pand dient 40 jaar te zijn.
b. Renovatie: indien wordt gesproken over renovatie wordt uitgegaan van een levensduur verlengende ingreep waarbij we streven naar 40 jaar en minimaal uitgaan van 25 jaar. Hierbij wordt het bestaande gebouw vernieuwd waarbij het streven is om de nieuwbouwkwaliteit zo veel mogelijk te realiseren. 3.
Commitment: Het IHP is in lijn met het wetsvoorstel van PO-raad, VO-
raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. In de geest van de nieuwe wet wordt het IHP vastgesteld als korte- en lange termijnplan waar gemeente en schoolbesturen zich aan committeren. Na vier jaar wordt het IHP geëvalueerd en geactualiseerd. Schoolbesturen en gemeente spreken af enkel af te wijken van de afspraken in het IHP als daar een zwaarwegende motivatie onder ligt.
IHP kaders 2026-2029
14
4.
Looptijd: het IHP komt tot stand in een apart project met de
schoolbesturen en kinderopvangorganisaties. Het OOGO, het College van Burgemeesters en Wethouders en de Raad stellen het IHP vast voor de eerste vier jaar met in het vierde jaar de herijking. Herijking van het IHP vindt plaats halverwege de collegetermijn. Het IHP heeft doorkijk van twaalf jaar. De totale looptijd is 16 jaar. (voorbeeld: 2026-2029, 2029 is jaar van herijking, IHP daarna start in 2030-2031).
5.
Status: het IHP is het investeringskader voor de onderwijshuisvesting en
geeft voor de komende 16 jaar een indicatie van benodigde investeringen. Tevens wordt de prioritering van de projecten opgenomen. De Raad stelt het IHP en het investeringsplan voor de eerste termijn vast. Er wordt rekening gehouden / reserveringen getroffen in de gemeentelijke begroting met het financieren van de projecten in de eerste vier jaar (het uitvoeringsprogramma, zie punt 7). Hiermee staat de programmering voor termijn één vast. In de basis wordt niet afgeweken van de overeengekomen prioritering en planning voor deze termijn. Alleen in het OOGO kan een wijziging van de plannen doorgevoerd worden. 6.
Aanvraagprocedure: het IHP vervangt voor de eerste vier jaar de
aanvraagprocedure voor nieuwbouw en overige voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen (artikel 2.a lid 1 t/m lid 8 van de verordening). Aanvragen voortkomend uit het IHP worden impliciet geacht een aanvraag te zijn op grond van de verordening. Dit wordt ook op deze wijze in de verordening vastgelegd. Uitzonderingen zijn de nieuwbouw voor een nieuw te stichten school, kosten voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair (artikel 2.a lid 1, lid 6 en lid 7 van de verordening).
IHP kaders 2026-2029
15
7.
Spoedaanvragen: voor spoedaanvragen of andere zaken die buiten het
IHP vallen door onvoorziene omstandigheden (zoals constructiefouten of onvoorziene tijdelijke huisvesting) blijft de aanvraagprocedure van kracht. Op dergelijke onvoorziene omstandigheden na, is de afspraak dat er geen gebruik wordt gemaakt van de route via de verordening. Gemeenten en schoolbesturen zullen in overleg bepalen of een situatie een spoedaanvraag vereist. 8.
Uitvoeringsprogramma: na vaststelling van het IHP wordt een
uitvoeringsprogramma opgesteld voor een termijn van vier jaar. In het uitvoeringsprogramma worden nadere financiële-, samenwerkings- en planningsafspraken gemaakt. Belangrijk is dat er middels het uitvoeringsprogramma vervolg wordt gegeven aan het IHP. 9.
[vaststelling] Kredietverlening: voor de eerst termijn van het IHP
verleent de Raad definitief het haalbaarheidsonderzoek, ook wel businesscase genoemd. Vervolgens worden de randvoorwaarden uit het IHP indien nodig geactualiseerd en wordt het definitieve krediet bij het college aangevraagd. De raad wordt hierover jaarlijks geïnformeerd. Er kan een budgettaire afwijking zitten tussen het aangevraagde krediet en de budgetten zoals benoemd in financiële hoofdstuk van het IHP. Het is immers mogelijk dat er nog aanvullende tussentijdse (onvoorziene) kosten gesignaleerd worden door de diverse onderzoeken. Deze kredietaanvraag is niet afhankelijk van bijvoorbeeld de 1 februari deadline uit de verordening of de financiële cyclus van de gemeente zoals de voorjaarsnota. 10.
Financiering IHP: de gemeente en de schoolbesturen hebben de
intentie uitgesproken om gezamenlijk de gewenste kwaliteit te realiseren. Daarbij streven de schoolbesturen ernaar om binnen hun financiële mogelijkheden en bestaande wet- en regelgeving een bijdrage aan de projecten te leveren volgens de principes van Total Cost of Ownership (TCO). Tijdens de businesscase wordt onderzocht en vastgelegd op welke wijze en welke onderdelen schoolbesturen kunnen bijdragen aan de financiering van IHP-projecten. De financiering van extra kwaliteit vormt maatwerk per IHP-project. 11.
Bouwheerschap: de schoolgebouwen vallen in principe onder het
juridisch eigendom van de schoolbesturen. In de onderwijswetgeving is bepaald dat het bouwheerschap in principe bij de schoolbesturen ligt. Dit sluit aan bij de eigendomsverhouding. Er zijn echter situaties waarbij de keuze gemaakt wordt om het onderwijs te combineren met andere partijen (zoals kind-, maatschappelijke en ketenpartners) in de vorm van een IK(E)C’s. Mocht hiervoor gekozen worden, dan dient er overleg plaats te vinden over het bouwheerschap en de eigendomsverhouding. Het heeft de voorkeur om het bouwheerschap bij een partij neer te leggen met mandaat van alle betrokken partners. Afspraken omtrent het bouwheerschap worden bij de start van een IHP-project vastgelegd.
IHP kaders 2026-2029
16
In deze afspraken komt duidelijk naar voren wat de rollen en verantwoordelijkheden zijn van alle betrokken partijen. 12.
Bouwen in combinaties: Schoolbesturen en de gemeente staan open
voor alle vormen van bouwen in combinaties. Doel is het standaardiseren van ontwikkelprocessen voor meer kwaliteit, efficiëntie en snelheid bij de uitvoering van het IHP. Schoolbesturen en de gemeente streven daarbij hun gezamenlijke capaciteit, kennis en kunde optimaal in te zetten. Samenwerking tussen gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisatie en andere partners is uitgangspunt, waarbij mogelijkheden worden verkend tot bundeling van projecten om te komen tot repeteerbare en gestandaardiseerde producten, procedures en werkprocessen. Door slimme combinaties, efficiënte inzet van tijdelijke huisvesting en bestaande gebouwen kunnen voordelen worden bereikt. Een is het standaardiseren van programma’s van eisen. Waarbij voldoende ruimte blijft voor eigen uitstraling en identiteit. Schoolbesturen en gemeente onderzoeken samen hoe ze gebruik kunnen maken van de uitkomsten van het Nationaal Programma Onderwijshuisvesting en hoe kansen kunnen worden benut uit het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting, geïnitieerd door de sectorraden PO- en VO-raad, VNG en het Ministerie van OCW. Daarnaast willen gemeente en schoolbesturen verkennen of praktijkvoorbeelden, zoals het Innovatiepartnerschap Schoolgebouwen van Gemeente Amsterdam, kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het IHP.
IHP kaders 2026-2029
17