CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 BP Verkennend onderzoek natuur

Oordeelsvormende vergadering 28 november 2023, gemeente SchagenBij agendapunt: Wijzendweg 14a Sint Maarten vaststellen bestemmingsplan9.395 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderzoek Wet Natuurbescherming Wijzendweg 14a te Sint Maarten 16 december 2021, Hippolytushoef

Opdrachtgever: AMB Advies Korte Bosweg 55 1756 CA ‘t Zand Tel: 06-29148106 e-mail: info@ambadvies.nl

Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 0227-595576 Mob: 06-24818383 e-mail: aandachtnatuur@kpnmail.nl www.aandachtnatuur.nl

Bureau Aandacht Natuur

Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 3 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 6 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 6 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 6 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 7 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 7 3. Resultaten……………………………..………..…………..………………….. blz. 9 3.1 Flora…………………………………………………….……...……………......blz. 9 3.2 Vogels…………………………………………………….…………………...... blz. 9 3.3 Vleermuizen………………………………………….…………………..…...... blz. 10 3.4 Overige (grondgebonden) zoogdieren….…………….…………………...... blz. 10 3.4 Amfibieën………………....………………………………….……………….... blz. 11 3.5 Overige beschermde soorten.....…………………………………................. blz. 11 4. Conclusies en advies….……….…………..……………………………….… blz. 12 4.1 Gebiedsbescherming…………………………..……….…………………...... blz. 12 4.2 Soortbescherming...…………………………………….…………………...... blz. 12 4.3 Houtopstanden.………………………………………….…………………...... blz. 14 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 15 Bijlage 1: Wet Natuurbescherming Bijlage 2. Vleermuiswaarnemingen per veldronde

1

Bureau Aandacht Natuur

1. Inleiding In opdracht van AMB-advies heeft een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden met betrekking tot de herinrichting van het erf aan de Wijzendweg 14a te Sint Maarten. In verband met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten op of rond het erf, heeft op 6 november 2020 een verkennende onderzoek (quickscan) in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Naar aanleiding van de quickscan heeft in de zomer en het najaar van 2021 een nader onderzoek plaatsgevonden naar het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen en vogels. De bevindingen van dit veldonderzoek aangevuld met literatuurgegevens worden hieronder verder besproken.

Figuur 1. Ligging van de projectlocatie aan de Wijzendweg 14a te Sint Maarten

1.1 Aanleiding en doel Het onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming heeft plaatsgevonden vanwege de voorgenomen sloop en nieuwbouw op het perceel aan de Wijzendweg 14a te Sint Maarten. De stolp betrof een voormalige boerderij met een woonfunctie en mogelijkheden voor verblijfsrecreatie op het erf. Omdat de gebouwen op het erf niet meer in goede staat verkeren, zullen de aanwezige bebouwing worden gesloopt om ter plaatse een nieuwe woningen te realiseren. Met het verkennende onderzoek wordt er dan ook vanuit gegaan dat met uitzondering van de windsingel rond het erf de aanwezige terreintypen geheel zullen verdwijnen. Het onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming is uitgevoerd door dhr. M. Volkers en J. Zijp van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of het beoogde gebied een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten. De uitkomsten van dit verkennend onderzoek zullen worden meegenomen in de plannen voor de herstructurering en mede bepalend zijn voor het verdere plan van aanpak en de beoogde functies.

2

Bureau Aandacht Natuur

1.2 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtopstanden. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuurbescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen.

Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Provinciale Ruimte Ordening dan wel de Omgevingsverordening van de betreffende provincie. Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden.

De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht.  Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van

3

Bureau Aandacht Natuur

boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt.  Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.

Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen. Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren.

Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een ontheffing noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

4

Bureau Aandacht Natuur

Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.  “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de Provincies en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is in dit geval het bevoegd gezag.

Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/ initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing.

1

De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”

5

Bureau Aandacht Natuur

2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving Het erf aan de Wijzendweg 14a te Sint Maarten bestaat uit een oude, vervallen woonhuis en twee schuren. Het aanwezige bebouwing bestaat uit enkelwandige (halfsteens) gebouwen voorzien van een pannendak. Het woonhuis en de schuur aan de noordzijde van het erf hebben beide een gebroken kap voorzien van zwarte, vlakke dubbel geribde dakpan (dubbele muldenpan). De dakranden van de woning bestaan uit een betimmerde overstek met overhangende dakpannen. De schuur is voor het overgrote deel voorzien van asbest windveren De woning heeft aan de westzijde een kleine aanbouw met een flauw daktalud, eveneens voorzien het genoemde type dakpan. De kleinere schuur midden op het erf heeft een zadeldak voorzien van opnieuw verbeterde Hollandse pan. De dakranden zijn aan de kopse gevels met cement afgewerkt. Het erf bestaat grotendeels uit een begroeide halfverharding en is aan de zuid- en westzijde voorzien van een windsingel. Tevens liggen er op het erf verschillende hopen met dakpannen, stenen etc. overgroeit met braam en vlier.

Figuur 2. Foto van het erf aan de Wijzendweg 14a te Sint Maarten

Het voornemen is om de aanwezige bebouwing te slopen en het erf opnieuw in te richten. 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen De planlocatie is niet gelegen in of direct aan de rand van een Natura 2000 gebied en maakt geen onderdeel uit van een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of een Bijzonder Provinciaal Landschap. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreffen het Zwanenwater & Pettemerduinen en Abtskolk & de 6

Bureau Aandacht Natuur

Putten liggen respectievelijk op een minimale afstand van circa 4,5 en 4,2 kilometer van de projectlocatie. Het projectgebied ligt in een open, vrij intensief agrarisch buitengebied ten Sint Maarten en bevat geen elementen die de specifieke waarden van genoemde Natura 2000 gebieden versterken en hebben dan ook geen functie voor in de Natura 2000 gebied aangewezen habitatsoorten, habitattypen of vogelrichtlijnsoorten. 2.3 Houtopstanden De projectlocatie bestaat uit een bestaand erf, waarmee de aanwezige windsingel deel uitmaakt van een erf beplanting. Van een beschermde houtopstand zoals bedoeld binnen de Wet Natuurbescherming is dan ook geen sprake. 2.4 Methode Op 6 november 2020 heeft overdag een verkennend veldbezoek plaatsgevonden aan de hierboven beschreven locatie. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van het projectgebied. Verder is op ook basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen. Aan de hand van het verkennend onderzoek is beoordeeld dat de woning en de schuren mogelijkheden bieden als verblijfplaats voor vleermuizen en huismus en dat het erf geschikt habitat vormt voor kleine marterachtigen.

In dit kader heeft, conform de kennisdocumenten huismus (Bij12, 2017) een gericht veldonderzoek plaatsgevonden naar het voorkomen van deze vogelsoort. Ten behoeve van huismus is op 14 april en 11 mei een ochtendronde uitgevoerd. Hierbij is de projectlocatie onderzocht op zingende mannetjes of andere nest-indicerende activiteiten van huismus. De veldbezoeken zijn uitgevoerd onder gunstige weersomstandigheden voor het inventariseren van huismussen, zie tabel 1. In verband met het mogelijk voorkomen van vleermuizen heeft in de zomer en het najaar van 2021 een vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Het doel van het vleermuisonderzoek is om vast te stellen of de betreffende bebouwing wordt gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats door vleermuizen. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2021 is geactualiseerd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus, waarbij Bureau Aandacht Natuur is aangesloten. Hiertoe zijn drie veldrondes uitgevoerd in de kraamperiode (15 mei tot 15 juli) en twee veldrondes in de paarperiode (15 augustus tot 1 oktober) van 2021, zie tabel 1. Aangezien het een ruim erf betrof, zijn de avondrondes vleermuizen in de kraamperiode uitgevoerd door twee personen met een ruime ervaring op het gebied van vleermuizen. Datum

Tabel 1. Weersomstandigheden en data veldonderzoek Zonsondergang/ Pers. Start einde temperatuur zonsopkomst inzet

14-04-‘21 11-05-‘21 18-05-‘21 08-06-‘21 14-06-‘21 18-08-‘21 15-09-‘21

6:42 uur 5:48 uur 21:35 uur 5:17 uur 22:05 uur 21:01 uur 19:57 uur

1 1 2 1 2 1 1

8:00 uur 7:00 uur 21:35 uur 3:15 uur 22:00 uur 22:00 uur 23:00 uur

7

9:00 uur 7:50 uur 23:40 uur 5:20 uur 24:05 uur 24:00 uur 01:00 uur

4°C 10oC 11°C 11oC 17-15oC 15oC 11oC

wind

overig

2 bf 1-2 bf 1-2 bf 0-1 bf 2 bf 2-3 bf 2 bf

bewolkt bewolkt licht bewolkt helder bewolkt half bewolkt licht bewolkt

Bureau Aandacht Natuur

Voor het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector (Pettersson D240X). Hiermee kunnen de ultrasone geluiden, die vleermuizen tijdens het vliegen uitzenden, voor het menselijk gehoor hoorbaar gemaakt worden. Indien noodzakelijk, is gebruik gemaakt van opnameapparatuur. Bij twijfel is het geluid opgenomen en geanalyseerd in het hiervoor speciaal ontworpen computerprogramma Batsound. Ten aanzien van kleine marterachtigen zoals wezel, bunzing of hermelijn is met behulp van cameravallen onderzoek verricht conform de handreiking wezel, hermelijn en bunzing (Provincie Noord-Holland). Het erf is zo’n 1600 m2 groot. Conform de handreiking zijn tenminste 4 cameravallen of mostela’s per hectare ingezet gedurende een periode van tenminste vier weken. In de periode van 7 juni t/m 5 juli is één mostela geplaatst bij de stenenhopen ter hoogte van het woonhuis en een losse wildcamera in de windsingel aan de westzijde van het erf. In de mostela en bij de camera is een lokstof (ei en/of visolie) aangebracht om de trefkans te vergroten.

Figuur 3. Situering van de wildcamera (gele cirkel) en de mostela (blauwe driehoek) op het erf.

Uiteraard zijn ook andere belangwekkende waarnemingen meegenomen in de rapportage en is op basis van een literatuurstudie een effectenbeoordeling gemaakt met betrekking tot de beoogde herinrichting.

8

Bureau Aandacht Natuur

3. Resultaten Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van een aantal vogelsoorten en vleermuizen geen beschermde soorten aangetroffen. Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie. 3.1 Flora Binnen het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De projectlocatie bestaat grotendeels uit een begroeide halfverharding en bebouwing. De vegetatie op het erf bestaat hoofdzakelijk uit een lage begroeiing van zevenblad, zachte ooievaarsbek, gewone paardenbloem, gewone melkdistel, gewone hoornbloem, krulzuring, brede weegbree, reukloze kamille, bezemkruiskruid, speerdistel, grote kaardenbol, zandraket, akkerdistel en stalkaars. In en aan de singels staan soorten als klimop, bamboe, gewone berenklauw, grote brandnetel, kleefkruid, Robertskruid, braam en opslag van vlier en veldiep. Muurflora aan de bebouwing op het erf is niet aangetroffen. Gezien het beheer en gebruik van het erf, wordt dan ook niet verwacht dat beschermde plantensoorten voorkomen. Tevens zijn er aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2021), binnen het betreffende uurhok geen waarnemingen bekend van beschermde flora.

Gezien de situering van het erf in een intensieve landbouwpolder, kan het voorkomen van beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie worden uitgesloten. 3.2 Vogels Met betrekking tot vogels zijn op het erf de soorten torenvalk, watersnip, kramsvogel, patrijs, spreeuw, kauw, merel, ekster en veldleeuwerik waargenomen. Met uitzondering van het pannendak op de boerderij, zijn er geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats op of rond het erf. In de aanwezige schuren zijn geen potentieel geschikte nestlocaties van roofvogels of uilen aangetroffen of sporen die wijzen op hun aanwezigheid (braakballen/ uitwerpselen). Wel is op de zolder van schuur achter het woonhuis een oud nest van bergeend aangetroffen. De toegang bestond uit een gat in het dak, maar is in een later stadium weer dichtgemaakt. Verder zijn tijdens de avond- en nachtrondes vleermuisrondes geen waarnemingen gedaan die wijzen op de mogelijke aanwezigheid van uilen op het erf. Het pannendak is geschikt als broedgebied voor een soort als huismus. Gezien de situering van de planlocatie in het open buitengebied en het type dakpan (vlakke muldenpan), wordt niet verwacht dat gierzwaluwen een nestlocatie hebben in het pannendak.

Tijdens het huismussenonderzoek op 14 april en 11 mei 2021 zijn er met uitzondering van drie broedpaar huismus in de naastgelegen twee-onder-één-kap woningen aan de Wijzendweg 14 en 16 geen nestlocaties of nest-indicerend gedrag van huismussen aangetroffen binnen de planlocatie. Tevens is een kleine broedkolonie huismus aanwezig op het erf aan de Wijzendweg 18. Andere sporen die wijzen op de aanwezigheid van nesten van roofvogels of uilen (braakballen /uitwerpselen) zijn op het terrein niet waargenomen. Vaste rust- en

9

Bureau Aandacht Natuur

verblijfplaatsen jaarrond beschermde soorten zijn niet aangetroffen en kunnen op basis van het uitgevoerde onderzoek worden uitgesloten van de projectlocatie.

Figuur 4. Met de interne inspectie zijn geen sporen of nesten van uilen of andere jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen, maar uitsluitend een oud nest van bergeend (linksboven) en een merelnest (rechtsboven).

3.3 Vleermuizen Verder kan worden verwacht dat op het erf vleermuizen voorkomen. Gezien de vrijwel geïsoleerde ligging van de projectlocatie in het open buitengebied en het ontbreken van lijnvormige structuren zoals bomenrijen van en naar de projectlocatie, wordt niet verwacht dat het erf van groot belang zal zijn als foerageergebied voor vleermuizen. Echter kan de 10

Bureau Aandacht Natuur

bebouwing door de aanwezigheid van pannendaken, gootoverstekken en toegankelijke zolderingen een potentieel geschikte verblijfplaats vormen voor vleermuizen. Hieronder volgt een korte beschrijving van de resultaten van het vleermuisonderzoek in de kraamen paarperiode van vleermuizen. Voor een overzicht van de waarnemingen per veldronde, zie bijlage 2. In de kraamperiode zijn uitsluitend enkele foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Tijdens de avondrondes op 18 mei en 14 juni 2021 zijn 4-5 exemplaren van gewone dwergvleermuis waargenomen, welke vanuit westelijke richting kwamen aangevlogen en circa 30-40 minuten op het erf bleven foerageren om vervolgens richting het oosten weer door te vliegen. Tijdens de ochtendronde van 8 juni zijn er ruim voor zonsondergang slechts twee voor korte tijd foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. In- of uitvliegende dieren en andere soorten zijn er gedurende de kraamperiode niet waargenomen op de projectlocatie, waarmee een zomer- of kraamverblijfplaats van vleermuizen op het erf kan worden uitgesloten. Tijdens de paarperiode (15 augustus- 1oktober) zijn er eveneens voornamelijk passerende en foeragerende dieren waargenomen op het erf.

Tijdens beide vleermuisrondes op 18 augustus en 15 september 2021 zijn er circa twee tot drie foeragerende gewone dwergvleermuizen op het erf waargenomen en passeerde er enkele laatvliegers. Op 15 september 2021 is echter kortstondig een foeragerende ruige dwergvleermuis aanwezig en liet een enkele maal (in vlucht) een korte werfroep horen. Gezien de korte duur dat het dier op het erf is waargenomen en de korte duur van de werfroep in vlucht, is er geen sprake van een paarverblijfplaats van ruige dwergvleermuis op het erf. Van gewone dwergvleermuis of andere soorten is geen werfroep vastgesteld tijdens de avond en nachtrondes en kan een eventuele paarverblijfplaats van vleermuizen worden uitgesloten van de projectlocatie. Met de voorgenomen herinrichting van het erf worden er dan ook geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord of verwijderd. 3.4 Overige (grondgebonden) Zoogdieren Vanwege de aanwezigheid van verruigde terreintypes en stapels stenen, dakpannen en takkenhopen biedt het erf schuilmogelijkheden voor soorten als kleine marterachtigen zoals wezel, hermelijn en bunzing. Tevens is de steenmarter bezig aan een opmars in Noord-Holland, maar lijkt op basis van de huidige verspreidingsgegevens (vooralsnog) te ontbreken in de uurhokken rond Sint Maarten en Schagen.

Daarbij zijn met het verkennend onderzoek geen sporen van marterachtigen dan wel steenmarter aangetroffen in de aanwezige bebouwing, waardoor het nader onderzoek zich hoofdzakelijk heeft gericht op de functie van het erf (singels en steenhopen etc.) voor kleine marterachtigen. Ten behoeve van het onderzoek is een camera geplaatst in de windsingel, ter hoogte van een hoop takken, en een mostela bij de hopen stenen en dakpannen achter het woonhuis. Op de camera’s (wildcamera en mostela) zijn echter geen beelden verkregen van betreffende soorten. Op de cameravallen zijn uitsluitend huisspitsmuis, bosmuis, ekster, merel en verschillende huiskatten waargenomen, zie figuur 5. Beeldopnames van wezel, hermelijn of bunzing zijn niet gemaakt. Tevens zijn tijdens andere veldbezoeken geen (recente) uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van genoemde soorten. Het voorkomen van marterachtigen kan hiermee worden uitgesloten. De beoogde herinrichting en bijbehorende werkzaamheden zullen niet leiden tot verstoring of het verwijderen van verblijfplaatsen of functioneel leefgebied van (kleine) marterachtigen. Andere beschermde zoogdieren worden gezien de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur niet verwacht binnen of in de directe omgeving van het plangebied.

11

Bureau Aandacht Natuur

Figuur 5. Huiskat (l.b.) en ekster (r.b.) waargenomen op de wildcamera en huisspitsmuis (l.o.) en bosmuis (r.o.) in de mostela op het erf.

3.5 Amfibieën Met betrekking tot amfibieën is het mogelijk dat een aantal algemeen voorkomende beschermde amfibieën voorkomen, zoals gewone pad of bruine kikker voorkomen op of in de omgeving van het erf. Het betreft hierbij uitsluitend landhabitat, aangezien waterelementen ontbreken. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. Naast de aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibieën, is tevens het voorkomen van de strikt beschermde soort rugstreeppad (tabel 3) bekend uit de omgeving van de projectlocatie (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Geschikt leefgebied voor rugstreeppad ontbreekt binnen en in de omgeving van de projectlocatie. Het voorkomen van rugstreeppad kan op basis van de aanwezige terreintypen dan ook worden uitgesloten op of rond het erf Andere in de Wet Natuurbescherming aangewezen beschermde amfibieën komen aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens (Creemers & van Delft, 2009) niet voor in dit deel van Noord-Holland. 3.6 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie tijdens eerdere onderzoeken. Overige beschermde soorten (vissen, 12

Bureau Aandacht Natuur

reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.

13

Bureau Aandacht Natuur

4. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de Wet Natuurbescherming verder beschreven. Per onderdeel van de Wet Natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 4.1 Gebiedsbescherming Gezien de ligging van het projectgebied in een open en vrij intensief agrarisch gebied en de afstand van tenminste 4,2 kilometer, wordt niet verwacht dat er een directe negatieve effecten optreden op de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen en Abtskolk & de Putten. Echter kan in verband met de aanwezigheid van stikstofgevoelige habitattypen binnen deze Natura 2000 gebied een extern effect van de plannen worden ondervonden door de uitstoot van stikstof. Het is dan ook noodzakelijk om middels een stikstofberekening in Aerius na te gaan of de beoogde plannen van invloed zijn op stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000 gebieden. Tevens is de projectlocatie niet aangewezen als (onderdeel van) NNN, een natuurverbinding of Bijzonder Provinciaal Landschap. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is met uitzondering van de stikstofberekening niet aan de orde. 4.2 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied.

Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2021) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is het voorkomen van, binnen de Wet Natuurbescherming, beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Vogels Op en rond het erf zijn uitsluitend een aantal (vrij) algemene broedvogelsoorten aangetroffen. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels (categorie 1 t/m 4) verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing 2

In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.

14

Bureau Aandacht Natuur

noodzakelijk. Ondanks gericht onderzoek zijn er binnen de projectlocatie geen broedgevallen van huismus vastgesteld en worden dan ook niet verwijderd of verstoord met de voorgenomen herinrichting. Ook zijn er tijdens het onderzoek geen waarnemingen gedaan van uilen of roofvogels op het erf. Braakballen of andere uitwerpselen/sporen zijn eveneens niet aangetroffen op het erf of in de gebouwen. Aan de hand van het nader onderzoek kunnen vogelsoorten met een jaarrond vaste rust- en verblijfplaats worden uitgesloten van het erf. Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming en/of aanvullende maatregelen ten aanzien van jaarrond beschermde vogelsoorten is dan ook niet noodzakelijk. Vleermuizen Aan de hand van het vleermuisonderzoek is vastgesteld dat de aanwezige bebouwing geen verblijfplaats vormt voor vleermuizen. Met het onderzoek zijn binnen het plangebied voornamelijk enkele foeragerende dan wel passerende vleermuizen waargenomen. Met uitzondering van een kleine vliegroute van 4-5 gewone dwergvleermuizen in de kraamperiode zijn er op geen grote aantallen vleermuizen waargenomen. Van essentieel leefgebied voor vleermuizen op het erf is geen sprake. Daarbij zal met de herinrichting van het erf opnieuw sprake zijn van en erfbeplanting en wordt niet verwacht dat de sloop en nieuwbouw een negatief effect zal hebben op de aanwezigheid van vleermuizen.

Gezien het waargenomen gedrag van vleermuizen op de locatie kan worden uitgesloten dat vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de boerderij aan de Wijzendweg 14a te Sint Maarten. Met uitzondering van een enkele korte werfroep van ruige dwergvleermuis op 15 september, zijn er geen waarnemingen gedaan die wijzen op een vast rust- en verblijfplaats van vleermuizen. De betreffende werfroep was echter kortstondig en in vlucht. Het waargenomen dier vertoonde verder geen binding met de bebouwing binnen het plangebied. Van een paar- of zomerverblijfplaats op het erf is dan ook geen sprake, waarmee tevens niet wordt verwacht dat er solitaire dieren in de betreffende gebouwen overwinteren. Voor de herinrichting van het plangebied en de sloop van de aanwezige bebouwing, is een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming voor het verstoren of verwijderen van essentieel leefgebied en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen niet noodzakelijk. Overige (grondgebonden) zoogdieren Met betrekking tot de (kleine marterachtigen) zijn met het nader onderzoek geen exemplaren of sporen/beelden daarvan aangetroffen. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van (kleine) marterachtigen. Met de voorgenomen herinrichting van het plangebied worden er geen verblijfplaatsen van genoemde soorten verstoord of verwijderd.

Aan de hand van het nader onderzoek is een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming of extra mitigerende maatregelen niet noodzakelijk. Verder zijn hoofdzakelijk algemeen voorkomende beschermde soorten aangetropffen dan wel te verwachten. Hiervoor geldt een vrijstelling met betrekking tot een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Aan de hand van de (huidige) literatuurgegevens en habitatvoorkeuren, kan het voorkomen van andere beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten binnen de projectlocatie worden uitgesloten. Amfibieën Met betrekking tot de herinrichting kunnen mogelijk enkele algemeen voorkomende amfibieën worden verwacht. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Wel is te allen tijde de zorgplicht zoals bedoelt in Wet Natuurbescherming van toepassing. Verder is aan de hand van recente verspreidingsgegevens bekend dat de beschermde rugstreeppad voorkomt in de omgeving van de projectlocatie. Echter ontbreekt in de 15

Bureau Aandacht Natuur

huidige situatie geschikt leefgebied voor de soort. In het kader van de voorgenomen plannen is een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot rugstreeppad dan ook niet noodzakelijk. Echter is het mogelijk dat tijdens de verdere ontwikkeling van het terrein geschikt leefgebied ontstaat voor rugstreeppad. De rugstreeppad is een zogeheten pionierssoort en is als zodanig in staat om in korte tijd nieuw ontstaan geschikt leefgebied te koloniseren. Geschikt leefgebied bestaat uit zanderige, onbegroeide terreindelen met ondiepe, tijdelijke wateren (plassen en sporen). Een terrein in ontwikkeling kan aan deze voorwaarden voldoen. Indien genoemde soort wordt aangetroffen, dienen aanvullende maatregelen te worden genomen en kan het alsnog nodig zijn een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen. Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen.

Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). 4.3 Houtopstanden Houtopstanden, die vallen onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming, zijn niet aanwezig binnen de projectlocatie. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde.

16

Bureau Aandacht Natuur

Literatuurlijst •

• • • •

•

•

• • • • • • • • • • •

Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie NoordHolland, Haarlem Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2017, maart 2017 Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr.

WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. www.ravon.nl www.floron.nl www.wilde-planten.nl www.telmee.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/

17

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 1. Wet Natuurbescherming

Bureau Aandacht Natuur

Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de weten regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.

34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.

Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. •

Natura 2000-beheerplannen

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. •

Cumulatieve effecten

Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. •

Beschermd Natuurmonument

Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.

Bureau Aandacht Natuur

Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.

Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd:  80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen  alle van nature in Nederland in het wild levende vogels  alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren  alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3)  bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6) Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht. •

Beschermingsregime Vogels

Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen  Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben  Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1

1

Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Bureau Aandacht Natuur

Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn:  in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;  ter bescherming van flora of fauna;  voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt,  om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. •

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten

Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.  Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten.  Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;  ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;  in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

2 In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Bureau Aandacht Natuur

 

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Beschermingsregime “andere” beschermde soorten

Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven;  in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;  ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;  ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;  ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied,  in het algemeen belang van de betreffende soort. •

Mitigatie en compensatie

Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn:  het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode  het gebruik maken van andere werkapparatuur  of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd

Bureau Aandacht Natuur

Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. •

Vrijstelling

Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.

Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11). Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14627744/1