Bestemmingsplan Sportlaan toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Sportlaan Schagen
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding en doelstelling Plangebied Geldend planologisch regime Leeswijzer
3 3 3 3
2
Bestaande en toekomstige situatie
6
2.1 2.2
Bestaande situatie Het plan
6 7
3
Beleidskader
9
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Algemeen Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
13 13 15 17 22
4
Milieu- en omgevingsaspecten
27
4.1 4.2
Milieu-aspecten Omgevingsaspecten
27 37
5
Juridische regeling
45
6
Economische uitvoerbaarheid
47
6.1 6.2 6.3
Inleiding Beoordeling plan Conclusie
47 47 47
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
48
7.1 7.2 7.3
Overleg Zienswijzen Conclusie
48 48 48
Bijlage 1. Verkennend bodemonderzoek Noord 164 Schagen, Grondslag, 3 augustus 2021 Bijlage 2. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Sportlaan Schagen, de Milieu-adviseur, 12 april 2022
Bijlage 3. Stikstofrapportage Sportlaan Schagen, VdZ Ruimtelijk Advies, 29 september 2021 Bijlage 4. Quick scan ecologie Noord 164 Schagen, Van der Goes en Groot, 17 april 2021 Bijlage 5. Nader onderzoek natuur PM Bijlage 6. Aanmeldnotitie Sportlaan Schagen, VdZ Ruimtelijk Advies, 29 september 2021 Bijlage 7. Vormvrije m.e.r beslissing, Gemeente Schagen, 15 februari 2022 Bijlage 8. Nota Zienswijzen Bestemmingsplan Sportlaan, Gemeente Schagen
1 1.1
Inleiding Aanleiding en doelstelling Op de hoek Sportlaan - Noord in Schagen staat een kantoorpand dat binnenkort vrijkomt wegens bedrijfsverplaatsing. Een exploitant kon door de trend van afnemende kantoorvraag de afgelopen tijd niet gevonden worden. Er is nagedacht over een nieuwe zinvolle invulling, welke mogelijk is door het pand te slopen en er een appartementengebouw voor terug te bouwen, passend bij de maat en aard van de omgeving. Er is nog steeds grote vraag naar woningen, waar met dit plan invulling aan wordt gegeven. Het plan wordt gerealiseerd door NW360 Vastgoedontwikkeling. Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan en om het plan planologisch-juridisch mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan herzien.
1.2
Plangebied Het plangebied bevindt zich op de hoek van de Sportlaan met de ‘Noord’, gelegen even ten noorden van het centrum, en nabij de N245 en ten oosten van het industrieterrein Lagedijk.
(globale) ligging plangebied
1.3
Geldend planologisch regime Voor het perceel gelden meerdere bestemmingsplannen, doch de basis is gelegen in het bestemmingsplan Centrum en omgeving, zoals vastgesteld door de raad op 27 maart 2012. Er is ter plaatse een bestemming Dienstverlening opgenomen, met een bouwvlak, een maximum bouwhoogte van 9, een maximum goothoogte van 3 m. voor een klein deel geldt bovendien een dubbelbestemming Leiding-Riool. De voor ‘Dienstverlening’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: • dienstverlening; • bedrijven die zijn genoemd in de bij deze regels opgenomen bijlage Staat van bedrijven onder categorie 1; • wonen,
3
met de daarbij behorende: • groenvoorzieningen; • openbare nutsvoorzieningen; • verkeers- en verblijfsvoorzieningen, en het daarbij behorende: • water. In de bouwregels is geregeld dat het aantal woningen niet meer dan één mag bedragen (tenzij is aangegeven dat er meer zijn toegestaan, hetgeen hier niet het geval is). Nu het plan voorziet in maximaal 31 appartementen, is sprake van strijd met het bestemmingsplan. Het gebouw wordt bovendien niet geheel gebouwd binnen het bouwvlak en ook de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte wordt overschreden. Zie meer in detail hoofdstuk 2.
Uitsnede geldend bestemmingsplan Volledigheidshalve wordt vermeld dat er tevens een parapluplan Parkeren geldt (vastgesteld 7 november 2017). Dit plan is relevant omdat hierin onder meer is geregeld dat een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk slechts wordt verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Nota Parkeernormen Schagen 2016', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze nota gedurende de planperiode. Tot slot geldt een paraplubestemmingsplan 1e tranche bestemmingsplan, waarin in algemene zin enkele begrippen worden toegevoegd/aangescherpt. In dit bestemmingsplan wordt verwezen naar dit parapluplan (de regeling wordt dus één op één van toepassing verklaard).
4
1.4
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. In hoofdstuk 5 wordt de juridische regeling toegelicht. De toelichting besluit met hoofdstukken over de economische uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6) en de maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 7).
5
2 2.1
Bestaande en toekomstige situatie Bestaande situatie
Het plangebied ligt in de stad Schagen, gelegen in West-Friesland. Na de laatste ijstijd, zo'n 12.000 jaar geleden, verbeterde het klimaat en brak de huidige warme tijd aan. De zeespiegel steeg snel en ongeveer 5000 jaar geleden was de kustlijn zo ver oostwaarts opgeschoven dat de zee West-Nederland bedekte. Daarna, ongeveer 2600 jaar geleden, lag het gebied midden in een uitgestrekt moerasgebied dat zich had ontwikkeld achter een gordel van strandwallen (de oude duinen in het westen). Ook West-Friesland lag grotendeels onder water, maar er was toch al bewoning in die tijd op de wat hoger gelegen zandruggen. Schagen is daar een voorbeeld van. De generaties lang durende aanslag door het water liet de zandruggen verdwijnen. Overstromingen zorgden voor een bedekkende kleilaag. Er vond echter nog geen beteugeling van het water plaats.
Karakteristiek beeld Westfriese Omringdijk Vanaf de 11e eeuw begon men met de aanleg van de Westfriese Omringdijk. Aanleg van dijk beschermde West-Friesland tegen de zee. De dijk werd gebouwd met behulp van duizenden palen, enorme hoeveelheden zeewier en met veelal vlakbij afgegraven grond. In de twaalfde eeuw, na totstandkoming van de Omringdijk, was West-Friesland eigenlijk een bedijkt eiland. De nederzettingen zijn in de loop van de tijd uitgegroeid tot dorpen en steden. Schagen, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik hebben van oudsher een bepalende rol gespeeld, met name in de Gouden Eeuw.
Kaart Jacob van Deventer, 1558
6
Na de inpoldering van de Zijpe in 1597 kreeg Schagen pas enige betekenis, maar de stad bleef wel achter bij steden als Alkmaar en Medemblik. Mede door de inpoldering van het omliggende gebied kwam Schagen in de 19 e eeuw economisch tot bloei. Met name de veemarkt speelde daarbij een belangrijke rol. De polder Lagedijk was daar één van en hier ontstond een haven en later een industrieterrein, nu nog met die naam aanwezig. Toen in 1865 de spoorweg tussen Alkmaar en Den Helder in gebruik werd genomen ontstond er een groot afzetgebied van en voor de plaatselijke nijverheid. In de loop van de 20e eeuw zakte de welvaart langzaam in. Vooral na de Tweede Wereldoorlog liep de agrarische sector sterk terug. Na de aanleg van de N245 werd de stad beter bereikbaar zodat in de jaren ’50 en ’70 de stad sterk groeide, zowel qua woonwijken, als kantoren, bedrijvigheid en dienstverlening.
Het pand op de planlocatie stamt ook uit die tijd, net als enkele omringende woonwijken. Andere bebouwing heeft reeds een transformatie ondergaan, dan wel is recenter gebouwd. Er is een tweedeling zichtbaar met bebouwing van grotere korrel aan de Sportlaan en noordkant van de Noord versus de wat meer kleinschalige bebouwing aan de zuidkant van de Noord. De bebouwingstyplogie is zeer divers van aard. Qua functionele opbouw domineert evenwel de woonfunctie, met eengezinswoningen aan de Noord en richting centrum, en appartementencomplexen aan de Sportlaan. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een groot sportterrein en ten westen ligt de haven en het industrieterrein Lagedijk.
Opbouw/ kenschets gebied, bron Geo architecten
De planlocatie vormt de visuele entree tot dit gebied, omdat het is gelegen op de hoek Noord/Sportlaan, maar ook nabij de N245, welke slechts door een groene strook grond daarvan wordt gescheiden. Vanaf de N245 is daardoor de locatie goed
7
zichtbaar. De verouderde status van de bebouwing, die weinig tot geen architectonische waarde bezit, ze is vooral functioneel ontworpen, maken dat in stedenbouwkundig opzicht het perceel detoneert ten opzichte van de omgeving. Bovendien blijkt er voor de voorheen aanwezig functie – Dienstverlening- geen vraag te zijn, waardoor langdurige leegstand dreigt.
Impressies plangebied en omgeving
2.2
Het plan Het plan bestaat er uit om het bestaande gebouw te slopen en er een appartementengebouw voor terug te bouwen, bestaande uit 31 appartementen. Er is hiertoe een plan getekend door Geoarchitecten. Met dit ontwerp wordt de Sportlaan in stedenbouwkundige zin afgerond omdat er aansluiting wordt gezocht bij de bestaande recente appartementengebouwen langs de Sportlaan, bestaande uit 4-5 bouwlagen. Ook de rooilijn van het nieuwe complex is afgestemd op deze blokken. Het gebouw kent een footprint van ca. 565 m2, een inhoud van ca. 8.240 m3 en bestaat uit 4 bouwlagen met een optopping, die niet over de gehele lengte doorloopt (‘setback’) om een overgang te creeren naar de lagere bebouwing aan de Noord. Voor een goede indeling van het erf en een goede schakeling met de omgeving is er op de westzijde ruimte gelaten voor groen. Daarnaast is er voldoende ruimte gereserveerd voor het parkeren, waarbij het merendeel ten oosten van het gebouw is getekend, oftewel zoveel mogelijk uit het zicht. De representatieve gevels komen daardoor optimaal tot hun recht. Het entree portaal ontleent zijn positie, net als de bouwhoogte, aan de bebouwing van de Sportlaan.
8
Ontwerpprincipe en situatieschets nieuwe situatie, Geoarchitecten
Van het programma wordt conform het gemeentelijk beleid 30% in de sociale sector gerealiseerd. Het fiets- en scooterparkeren vindt plaats in een gemeenschappelijke ruimte op de begane grond. Op de oostzijde van het perceel wordt ruimte gerealiseerd voor een gedeelte van de parkeerbehoefte. ’t Noord kent ter plaatse verder geen parkeerbeperkingen op straat. Uitgangspunten voor bepaling van het aantal parkeerplaatsen is de Parkeernota 2016. Het plan bestaat uit 31 appartementen waarbij het oppervlak van alle appartementen tussen de 50 en 75 m2 GBO is. De locatie bevindt zich in de “rest bebouwde kom”. Op basis van de Parkeernormennota 2016 is hier sprake van een parkeervraag van 1,4 pp inclusief 0,3 bezoekersparkeerplaatsen (wonen, etage, middelduur huur). De gerealiseerde parkeerplaatsen worden niet toegewezen en worden gemaatvoerd voor openbaar gebruik. Ze zullen ook openbaar zijn: er komen geen belemmeringen om het parkeerterrein te bereiken (zoals een slagboom). Indien er niet vast toebedeelde parkeerplaatsen zijn en een ontwikkeling meerdere functies kent, dan kan een
9
‘dubbelgebruik’-toets uitgevoerd worden om de parkeereis te bepalen. De parkeereis wordt dan bepaald door het piekmoment. De parkeernormen nota van de gemeente Schagen heeft richtlijnen uitgegeven waarin de verwachte aanwezigheidspercentages voor de verschillende functies zijn benoemd. Daarbij zijn bewoners woning en bezoekers woning als twee aparte functies benoemd (met aparte aanwezigheidspercentages). Op basis van voornoemde vertrekpunten en de in het beleid opgenomen aanwezigheidspercentages is er derhalve een maximale parkeervraag van ca. 38 parkeerplaatsen. Door 1 E-deelauto voor collectief gebruik ontstaat een verlaging van de parkeerdruk van 3 parkeerplaatsen. Door afronding in de getallen naar boven ontstaat per saldo een maximale parkeervraag van 36 parkeerplaatsen (openbaar). Hiervan worden er 31 op eigen grond gerealiseerd en wordt gebruik gemaakt van 5 langsparkeermogelijkheden op ’t Noord. Alle parkeerplaatsen zijn zoals aangegeven openbaar.
10
Voorts is aandacht gegeven aan de inrichting van de buitenruimte, zie afbeelding navolgende pagina, waarbij deels gebruik wordt gemaakt van de bestaande (linden) structuur, maar ook natuurinclusieve elementen worden toegepast zoals vegetatie die bijen en vlinders aantrekt. De parkeerplaatsen worden met een groene haag ingepast. Om de ontwikkeling te faciliteren is een bestemming Wonen toegekend, met bouwvlak en maximale bouwhoogte. In de regels staat aanvullend dat er maximaal 31 woningen gerealiseerd mogen worden. Met het plan wordt een bijdrage geleverd aan de leniging van de woningbehoefte. Bovendien wordt de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit verbeterd. Daarom kan medewerking worden verleend aan het initiatief.
Inrichtingsvoorstel, Geo-architecten Op navolgende pagina zijn enkele impressies weergegeven: er wordt op detailniveau nog gesleuteld aan het ontwerp, waardoor uiterlijk en precieze situering nog iets kan wijzigen. Voor het bestemmingsplan is dit niet direct relevant; de detailuitwerking wordt getoetst als onderdeel van te zijner tijd de omgevingsvergunning (welstand) en het bouwvlak is iets ruimer ingetekend dan de footprint zodat er nog licht geschoven kan worden. In navolgende hoofdstukken wordt getoetst of het plan ook past binnen het ruimtelijk relevant beleid van diverse overheden en milieu- en omgevingsaspecten.
11
Impresies, Geo-architecten
12
3 3.1
Beleidskader Algemeen Planologische besluitvorming dient te passen binnen de ruimtelijke kaders die ontworpen worden op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleidsruimte wordt daarom in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid weergegeven.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat moment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3.
sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna.
13
Beoordeling en conclusie Er zijn geen Rijksbelangen in het geding. 3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, bestemmingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.
3.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
14
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken (ze onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4201501297/1/R4), blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat deze aanleiding geeft de ontwikkeling wel als stedelijke ontwikkeling te merken. Een functiewijziging naar een hotel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI:NL:RVS:2016:1064).
Beoordeling en conclusie Onderhavig plan betreft de toevoeging van 31 woningen en is derhalve gelet op jurisprudentie als stedelijke ontwikkeling aan te merken in de zin van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Nadere toetsing aan de Ladder vindt plaats in de navolgende paragrafen.
3.3
Provinciaal beleid
3.4
Provinciaal beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Noord-Holland NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. In de Omgevingsvisie NH2050 staat een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving centraal. De leefomgeving is de basis is, met neen samenleving die wensen en behoeften heeft en de leefomgeving gebruikt voor ruimtelijk- economische ontwikkelingen. De hoofdambitie is gericht op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste onderwerpen zijn: 1. Klimaatverandering bedreigt onze leefomgeving; de ambitie is een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland 2. Verbetering van bodem, water- en luchtkwaliteit; de ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving 3. Biodiversiteit; de ambitie luidt deze te vergroten; 4. Economische transitie; ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor.
15
5. Energietransitie; de ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. 6. Mobiliteit: de ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden 7. Wonen en Werken: de ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn; 8. Landschap: de ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Het wegnemen van de grote druk op de woningmarkt is één van de opgaven. In Noord-Holland Noord moeten er 20.000 woningen bijkomen tot 2040. Het op peil houden van het voorzieningenniveau in de gehele provincie een andere. Beoordeling en conclusie: er wordt een bijdrage geleverd aan de woningopgave. 3.4.2
Omgevingsverordening NH2020 (2020) Op 11 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de verordening staan de regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. In de verordening zijn regels opgenomen over onderwerpen in zowel het landelijke als het stedelijke gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Een deel van de regels is alleen van toepassing voor het landelijk gebied. Beoordeling en conclusie Het plan is zoals aangegeven als stedelijke ontwikkeling aan te merken. De provincie hanteert voor het begrip stedelijke ontwikkeling namelijk hetzelfde begrip als het Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf 3.1). Van toepassing is artikel 6.3 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen: Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels aan de afspraken bedoeld in het eerste lid. Zie hiervoor voorgaande paragraaf; het initiatief is regionaal afgestemd en daarmee in overeenstemming met de afspraken. Het initiatief past binnen de Omgevingsverordening. Momenteel is een nieuwe omgevingsverordening in voorbereiding ter vervanging van de provinciale verordening. Deze werpt geen aanvullende belemmeringen op voor dit initiatief.
16
3.5
Regionaal beleid
3.5.1
Convenant regionale samenwerkingsafspraken woningbouw van de Kop van Noord-Holland 2020-2030 Met deze overeenkomst willen regio en provincie de actieve regionale samenwerking rondom woningbouw vervolgen, zodat er een optimale ruimtelijke ontwikkeling van de woningvoorraad en -markt in de Kop is. Het convenant is ondertekend door de vier Kopgemeenten Den Helder, Hollands Kroon, Schagen en Texel en de Provincie Noord-Holland. Samen willen de vier gemeentes komen tot een kwantitatief en kwalitatief regionaal woningbouwprogramma, waarin de vraag naar nieuwbouwwoningen en woningtypen in de Kop centraal staan. Het convenant gaat deel uitmaken van een regionaal woonakkoord. In dat akkoord maken de gemeentes aanvullende afspraken over onder andere ambities en mogelijke locaties om buitenstedelijk te bouwen. Conform de provinciale Woonagenda 2020-2025 worden maatwerkafspraken op het gebied van wonen in regionale woonakkoorden opgenomen. Met dit convenant beogen partijen een actieve regionale samenwerking woningbouw te continueren ten behoeve van een optimale ruimtelijke ontwikkeling van de woningvoorraad/-markt van de regio Kop van Noord-Holland. Hiervoor maken de partijen afspraken over de woningbouwplannen in programma(‘s) die aansluiten bij de vraag naar nieuwbouwwoningen en woningtypen in de regio Kop van Noord-Holland(verder te noemen de Kop).
In dit woonakkoord worden aanvullende afspraken gemaakt, zoals: ambities, (mogelijke) buitenstedelijke locaties en projecten. Tegelijkertijd worden de langetermijnambities in het oog gehouden. Uitgangspunt van het nieuwe Kwalitatief woningbouwprogramma van de Kop (KwK) is adaptief programmeren. Dit wil zeggen dat er aan de hand van monitoring continu wordt gewerkt aan de juiste balans tussen vraag en aanbod van nieuwbouwwoningen en ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties. Daarnaast vindt afstemming plaats over de bestaande woningvoorraad. Met deze werkwijze kunnen de regiogemeenten flexibel inspelen op actuele ontwikkelingen, waardoor er steeds wordt gewerkt aan de juiste hoeveelheid woningbouwplannen in de Kop. De Kop heeft als ambitie om tot 2030 minimaal vijfduizend extra woningen te realiseren. Bij elke ontwikkeling moet getoetst worden aan bijlage 1 en 2: - Bijlage 1: Kwalitatief afwegingskader; - Bijlage 2: Vragentabel kwalitatief afwegingskader. Hierbij geldt: ≠ Kwalitatief hoger scorende woningbouwplannen komen eerder in aanmerking om opgenomen te worden in het regionale programma dan lager scorende woningbouwplannen; ≠ Een regiogemeente (‘vrije regelruimte’) mag aan de hand van een lokale onderbouwing woningbouwplannen: - toevoegen aan; - verplaatsen (in of na); - schrappen uit,
17
het regionale programma, en aanbieden voor de regionale afstemming (en -beoordeling); ≠ Als juist gemotiveerde woningbouwplannen succesvol besproken zijn in de regionale werkgroep en de bestuurlijke instemming (in portefeuillehoudersoverleg ruimte en economie) hebben gekregen, is er sprake van regionale afstemming. Voor Schagen is tot 2023 een opgave van 650 woningen geformuleerd; tot aan 2030 gaat het om 1674 stuks. Op www.plancapaciteit.nl wordt de woningbouwontwikkeling bijgehouden. Voor Schagen is tot 2030 aan plannen een capaciteit van 1417 woningen beschikbaar, hetgeen resulteert in het volgende beeld + 25% (zulks in verband met mogelijke planuitval, tabel is afkomstig uit het Convenant):
Dit betreft echter zowel ‘zachte’ als ‘harde’ plannen. Hoewel er voldoende plannen zijn, is er, wanneer sec de harde plancapaciteit wordt beschouwd, op korte termijn een tekort. Doorgaans moet immers om de vraag te bepalen gekeken worden naar de harde plan-capaciteit versus de behoefte (in sommige gemeenten worden de buitenstedelijke plannen ook niet meegenomen). Dit blijkt uit jurisprudentie, zie hiervoor 201506063/1/R6, alsook uit de meest recente Handreiking bij de Ladder voor Duurzame Verstedelijking van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu: “Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit)”. Weliswaar staat deze Handreiking op een website van een semioverheidsorgaan, infomil, doch expliciet staat aangegeven dat deze Handreiking afkomstig is van het Rijk.
18
Tot slot staat het in een ‘externe handreiking nut en noodzaak’ van de provincie Noord- Holland zelf ook aangegeven: “Lokaal is er vraag naar 300 woningen. Het harde aanbod is 175 woningen. Om te bepalen of er nog ruimte is voor dit plan, wordt de volgende berekening uitgevoerd: vraag – hard aanbod = resterende ruimte voor woningbouw. In dit geval betreft het 300-175 = 125 woningen. Het plan bedraagt 100 woningen, dus het past binnen de nog resterende lokale kwantitatieve behoefte”. In he Convenant staat in bijlage 4 een overzicht van de harde plannen in Schagen, tot 2030 zijn dat er 460. Er resteert dus voldoende kwantitatieve ruimte om in dit geval 31 woningen toe te voegen. In bijlage 1 is navolgend schema opgenomen, welke nagelopen dient te worden.
1. Als onderbouwd in hoofdstuk 2, gaat het om een ruimtelijk en stedenbouwkundig gewenste ontwikkeling; de thema’s landschap en beeldkwaliteit spelen hier niet (het gaat om bebouwing in bestaand stedelijk gebied); 2. Er is aantoonbaar behoefte aan woningen in stedelijk gebied, waarschijnlijk komt deze terecht in het goedkope tot middeldure segment; 3. Het plan is door de gemeente nog niet aangemeld en komt ook niet in de plaats van een ander plan. Maar nu er zowel kwalitatief als kwantitatief behoefte aan is, kan het plan alsnog worden opgenomen in het regionaal programma. In bijlage 1 is zoals aangegeven een afwegingskader opgenomen. Het doel van dit afwegingskader is dat de regio op een zo objectief mogelijke wijze kan beoordelen of er sprake is van een kansrijk of minder kansrijk woningbouwplan. Het bepalen van de score aan de hand van de locatie-aspecten(1), programmatische aspecten (2) en gebouwaspecten (3) gebeurt via een aantal vragen, die hierna worden weergegeven. Beantwoording van de vraag met ‘ja’ resulteert in een score van ‘2’ en beantwoording van de vraag met ‘nee’ resulteert in een score van ‘0’. Daaronder steeds in cursief het antwoord voor wat betreft deze locatie.
19
Is de locatie van het initiatief op kaart I gelegen in een geel, lichtgroen of donkergroen postcodegebied? Is de locatie van het initiatief op kaart II gelegen in een geel, lichtgroen of donkergroen kerngebied?De betreffende PDFs waarop dit is afgebeeld zijn slecht leesbaar; ingeschat wordt dat het gebied in lichtgroen (kaart I en donkergroen (kaart II) gebied ligt, bovengemiddeld en sterk boven gemiddeld dus-2x ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 5 km van een treinstation? Ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 1,7 km van een hoofdverkeersweg? Ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 1 km van een grote supermarkt? Ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 1 km van een supermarkt/levensmiddelenwinkel? Ja Is er sprake van een klimaatadaptief ontwerp? Nee Is de locatie van het initiatief gelegen in een ‘aandachtsgebied’? Hierbij kan gedacht worden aan de volgende situaties: Locatie waar sprake is van langdurige leegstand met de negatieve gevolgen voor de woonomgeving als gevolg; Langdurig braakliggend terrein; Locatie waar door economische ontwikkelingen werkgelegenheid ontstaat, die een autonome vraag naarwoongelegenheid met zich meebrengt; Et cetera.
Ja De volgende vraag is geen vraag die een score oplevert maar bij positieve beantwoording vraagt om een aanvullende onderbouwing/motivatie. Is in een straal van 2,5 kilometer sprake van woningbouwplannen van gelijke grootte? Nee (Binnen deze straal is wel het project Westerpark gelegen, waar veel sociale huurwoningen worden gerealiseerd, doch dit plan is al zeer ver qua uitvoering) Is de regionale krapte-indicator lager dan 7? De krapte-indicator wordt berekend op basis van de verhouding tussen het aanbod in een bepaald segment en de gerealiseerde vraag in dat segment, dus het aantal verkochte woningen. Deze indicator is terug te vinden op: https://www.nvm.nl/marktinformatie/marktinformatie De krapte-indicator werd op deze site niet aangetroffen
20
Is zorgvuldig gemotiveerd dat de woningtypologieën van het woningbouwplan aansluiten bij de behoefte van de locatie? Ja Voorziet het woningbouwplan in minimaal 50% levensloopgeschikte woningen? Ja Voorziet het woningbouwplan in minimaal 20% sociale (huur-/koop) woningen? Sociale koopwoning: koopprijs onder het wettelijk maximum van € 200.000 Sociale huurwoning: huurprijs per maand lager dan € 737,14 Ja Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van hergebruik van bestaand vastgoed? Ja Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van flexibele of tijdelijke bouw? Nee Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van bijzondere aandacht voor duurzaamheid? Nee Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van een BREEAM-certificering? Nee Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van bijzondere aandacht voor ‘samenleven’? Nee De totaalscore van een woningbouwplan wordt bepaald door: Totaal beoordeling 1: locatie aspecten 14 Totaal beoordeling 2: programmatische aspecten 6 Totaal beoordeling 3: gebouwaspecten 2 Totaalscore woningbouwplan 22 In het Convenant wordt niet aangegeven wat de betekenis van een score, oftewel wanneer het ‘voldoet’ en wanneer niet. Overwogen wordt daarom dat er voldoende vragen positief zijn beantwoord om te betogen dat sprake is van kwalitatieve behoefte/ ‘kwalitatief hoger scorend plan’.
Hierbij zij opgemerkt dat een aantal vragen, zoals aandeel sociaal, of aandeel levensloopbestendig, duidelijk toeziet op een woningbouwplan van enige omvang, terwijl het hier slechts gaat om enkele woningen. Naast de aanwezige kwantitatieve behoefte wordt het kwalitatieve aspect ook steeds belangrijker. Zoals aangegeven in eerdere paragrafen zijn deze juist op de locatie te
21
behalen. Het gaat om woningen in een rustige, groene setting nabij het centrum van Schagen met al haar voorzieningen. Dit initiatief draagt bij aan het woningbouwprogramma.
3.6
Gemeentelijk beleid
3.6.1
Structuurvisie Schagen 2025 (2011) De Structuurvisie 2025 geeft voor de komende 10 à 15 jaar de koers aan van de ruimtelijke ontwikkeling van Schagen. De hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid staan derhalve verwoord in deze visie. Er zijn 10 vraagstukken met ambities geformueleerd: 1. cultuurhistorie en beeldkwaliteit Ambitie: behouden van de karakteristiek van stad en buitengebied hoe gaan we de karakteristiek van stad en landschap behouden? 2. Wonen Ambitie: beschikbare woningbouwcapaciteit is voldoende voor een ambitie tot 1.470 woningen. Opgave: kwalitatieve afstemming tussen bevolkingssamenstelling en woningvoorraad. hoeveel en voor wie gaan we bouwen? 3. Werken Ambitie: In de Kop: stabiele gevarieerde economie. In Schagen: accent op hoogwaardige werkgelegenheid, dienstverlening en toerisme. in welke sectoren wil Schagen werkgelegenheid bieden? 4. Mobiliteit Ambitie: verkeersproblematiek centrum, afstemming modaliteiten en duurzaam veilig. Opgave: samenhangende visie op mobiliteit, knelpunten auto / fietsstructuur oplossen. Welke ingrepen horen bij de gewenste verkeersstructuur? 5. toerisme en recreatie Ambitie: vergroten sector en spin-off. Opgave: Blauwe Lint, centrum, fiets- en wandelpaden en relatie kust. Initiatieven inbedden in integrale visie.Welke ambitie heeft Schagen op het gebied van toerisme? 6.
voorzieningen Ambitie: behouden bovenlokale rol en huidige niveau. Opgave: behouden en verbeteren voorzieningenniveau. Wat moet Schagen doen om haar voorzieningenniveau te behouden of zelfs te verbeteren? en wat betekent dit voor de omliggende kernen? 7. Groen, ecologie, water Ambitie: beheer stedelijk groen en buitengebied en het vergroten van de betekenis van stedelijk groen en buitengebied voor de gebruikers. Opgave: geen grote nieuwe opgave anders dan in beleid opgenomen. hoe kan de betekenis van het groen beter beleefbaar worden gemaakt voor zowel de recreanten als de Schagenaren zelf? 8. regio Ambitie: versterken sociaal-economische structuur en infrastructuur met behoud van natuur, milieu, landschap en cultuurhistorie. Welke rol gaat Schagen spelen in de regio? en wat zijn de effecten hiervan? 9. Buitengebied Ambitie: beschermen unieke waarden en samenhang kwaliteiten buitengebied. Opgave: het behouden van een vitaal landelijk gebied. Welke ontwikkelingen zijn nog passend in het buitengebied en welke niet?
22
ofwel wat is het ‘maximaal laadvermogen’ van het buitengebied? 10. Stedelijk gebied Ambitie: versterken van de functionele en ruimtelijke kwaliteit. Opgave: ruimtelijke opgavengebieden. hoe kan de functionele en ruimtelijke kwaliteit van de opgavengebieden worden versterkt tegen de achtergrond van de gemaakte keuzes? Tot de belangrijkste ambities behoren het vasthouden van het voorzieningenniveau, waarvan sprake is in 2009. Hiertoe is het wenselijk dat het inwonertal van Schagen groeit (teneinde een groter profijt te hebben van de eigen koopkracht), de bevolking in het verzorgingsgebied op peil blijft en de bewoners aan het Schagen’s voorzieningenaanbod te binden. Een tweede belangrijke opgave is van kwalitatieve aard. de leefbaarheid in en duurzaamheid van de gemeente kan en moet op een hoger niveau. Schagen wordt reeds gezien als een aantrekkelijke stad, maar de doelstelling is om de aantrekkelijkheid voor alle inwoners te vergroten. Hiermee samenhangend is de doelstelling om een complete, onderscheidende en authentieke stad te blijven; een hoogwaardige woon-, werk- en verblijfsstad met een kleinschalige uitstraling en een sterk imago
Structuurvisie kaart, plangebied bij ster
23
Het initiatief speelt op beide opgaven in, de ruimtelijke kwaliteit verbetert en er komen woningen bij. Wat betreft aanbod heeft Schagen in de huidige situatie een duidelijk afwijkende voorraad ten opzichte van de meer landelijke gemeenten. Een relatief laag aandeel koopwoningen, waaronder opvallend veel rijwoningen. Met een gemiddelde woningbezetting van 2,2 inwoners per woning kan er in Schagen tot 2025 ruimte worden geboden voor bijna 1.600 nieuwe woningen door in- en uitbreiding. De kwalitatieve doelstelling is meervoudig: a. verbeteren van de aantrekkelijkheid van Schagen als woon- en vestigingsplaats; b. het behouden van een gevarieerde bevolkingssamenstelling; c. kansen bieden voor starters op de woningmarkt; d. kansen bieden voor “terugkeerders”; e. kansen bieden voor senioren om in de nabijheid te wonen van de Schagense voorzieningen; f. kansen bieden voor huishoudens van buiten de regio, om landelijk te wonen in een kleine stad, met goede voorzieningen en verbindingen naar de stedelijke regio’s; g. kansen bieden voor werknemers in de hoogwaardige werkgelegenheid, die nabij het werk ook hoogwaardig willen wonen. Speciale aandacht vraagt het geschikt maken van woningen voor alle leeftijdscategorieën (levensloopbestendig, aanpasbaar bouwen/domotica). Ook hier speelt het initiatief in door (levensloopbestendige) appartementen te realiseren.
Daarbij zijn de appartementen verschillen qua inhoud en prijsklasse, zodat een gevarieerd aanbod ontstaat, waarvan 30% sociaal, die daardoor bijvoorbeeld geschikt zijn voor starters. Het initiatief ligt volgens de kaart in Bestaand stedelijk gebied, zodat het landelijk gebied niet belast wordt.
3.6.2
Omgevingsvisie Schagen (ONTWERP) De Omgevingsvisie laat zien wat de gemeente belangrijk vindt voor de omgeving waarin we wonen, werken en waarin we onze vrije tijd doorbrengen. Het is een visie op hoofdlijnen gericht op onze toekomst. Met onze Omgevingsvisie nodigt de gemeente iedereen uit om bij te dragen aan de ontwikkeling van onze gemeente; aan Schagen een gastvrije, gezinsvriendelijke Hollandse Kustgemeente. De visie bestaat uit 8 speerpunten, een visiekaart en een waardenkaart. De 8 speerpunten zijn: 1. een gezinsvriendelijke gemeente met een stad die belangrijk is voor de regio. Met sterke dorpen. En een gemeente die aantrekkelijk is voor ondernemers; 2. een gemeente die nationaal en internationaal meedoet op het gebied van toerisme en recreatie, wetenschap en (nieuwe vormen van) landbouw; 3. een gemeente die steeds aansluit bij de groeiende behoefte aan woningen die passen bij de vraag en bijdragen aan sterke kernen; 4. een gemeente waar iedereen mee kan doen; 5. een gemeente waar kernen, voorzieningen (Voorzieningen zijn bijvoorbeeld sportvoorzieningen, winkels, zorgvoorzieningen, kerken en culturele voorzieningen zoals een theater), onderwijs en werk goed bereikbaar zijn; 6. een veilige, gezonde en sportieve gemeente; 7. een duurzame gemeente; 8. een gemeente waarin bewoners en bezoekers de omgeving waardevol vinden.
24
Met name speerpunt 3 is relevant. Meer woningen De gemeente wil flink meer woningen bouwen voor de inwoners en voor het personeel van werkgevers die in onze gemeente willen wonen. We zijn een aantrekkelijke woongemeente en willen dat ook blijven. In en rond kernen bouwen we op terreinen die eerst een andere functie hadden. Bijvoorbeeld een terrein waar een school of een bedrijf heeft gestaan. We bouwen ook op nieuwe plekken. Zoals plekken aan de randen van dorpen en van de stad. Op de visiekaart is te zien waar woningbouw aan de rand van kernen, dus buitenstedelijk mogelijk is. Woningbouw op onbebouwde plekken in kernen is mogelijk. Maar niet als het waardevol groen is. En niet in karakteristieke kernen. Dit zijn Eenigenburg, Valkkoog en Kerkbuurt. Aantal woningen Meer woningen bouwen betekent minimaal 300 nieuwe woningen per jaar. We kijken daarbij altijd of nieuwe woningen goed in de omgeving passen. We verwachten dat er in 2030 minimaal 3000 nieuwe woningen zijn gebouwd. Plannen voor woningbouw worden besproken met onze buurgemeenten in de regio (volgens regionale afspraken). Daarnaast maken we ook woningen in gebouwen die van functie veranderen. Bijvoorbeeld woningen in een school. Of we slopen gebouwen die niet meer nodig zijn en bouwen woningen terug. Ook dan kijken we goed wat in de omgeving past.
We ondersteunen plannen voor het splitsen van woningen als op het eigen erf geparkeerd kan worden. We gaan ook regels maken voor het splitsen van bestaande woonkavels waar voldoende ruimte is voor 1 of meer nieuwe woningen Woningen die passen bij de vraag Per project kijken we wat voor type woning er past en voor welke bewoners. We houden vraag en aanbod steeds in de gaten. We voorkomen dat er te weinig of te veel woningen zijn. Wij helpen graag bij initiatieven voor bijzondere vormen van wonen, woningen en ontwikkelingen. We blijven in gesprek met woningcorporaties over een kortere wachtduur voor huurwoningen. Ook zetten we in op woningen waar mensen lang kunnen blijven wonen. We letten er op dat woningen betaalbaar zijn. Woningbouw als basis voor sterken kernen Door woningbouw ondersteunen we de leefbaarheid in dorpen. Dat het er fijn wonen is en dat er genoeg voorzieningen zijn. We vinden het belangrijk om scholen ook in kleine kernen te behouden. Als daarvoor woningbouw nodig is, dan doen we dat. Over de toekomst van dorpen waar geen school meer is, blijven we met het dorp in gesprek. Beoordeling en conclusie Het plan past in de Omgevingsvisie omdat er woningen worden toegevoegd in een categorie waar bovendien vraag naar is. Verder gaat het om herbestemming en sloop van een in onbruik geraakt pand, binnen bestaand stedelijk gebied.
Ook om die reden past het initiatief binnen de Omgevingsvisie.
25
3.6.3
Reisgidsen Reidsgids Ruimtelijke ontwikkeling Wanneer een ontwikkelaar start met een ontwikkeling, moet duidelijk zijn wat men kan verwachten en waar men rekening mee moet houden. Daarbij wordt steeds een stappenplan doorlopen dat bestaat uit de volgende stappen. 1. Inzicht verkrijgen wat er speelt in Schagen 2. Bekijk de locatie en de omgeving 3. Luister naar de buren 4. Kijk over de grenzen (het gaat hier om Rijks, provinciaal en regionaal beleid waar rekening mee gehouden moet worden) 5. Maak schetsen 6. Benoem de waarden van de omgeving 7. Pas het plan op een juiste manier in 8. Vraag de gemeente naar input Het plan geeft invulling aan deze reisgids omdat in deze toelichting en het beeldkwaliteitsplan gekeken is naar de omgeving en de waarden van de omgeving zijn benoemd; het plan is er navenant naar ingepast. Reisgids Ruimtelijke kwaliteit De ‘Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit’ is het welstandsbeleid voor de hele gemeente. in de gids staat ook informatie over de ontstaansgeschiedenis van het gebied, zodat er bewust voortgebouwd wordt op wat is nagelaten. Het bouwplan wordt behandeld aan de hand van de volgende categorieën waar verschillende criteria voor gelden 1. Gaat het om een vergunningsvrij bouwplan? 2. Is sprake van een veel voorkomend bouwplan? 3. Is er sprake van een bouwwerken in een voor de gemeente Schagen bijzonder gebied? 4.
Is sprake van een bijzonder gebouw complex of ontwikkeling? 5. Zijn de criteria niet toereikend of zijn er redenen om af te wijken van de criteria? Op voorhand zijn hier geen belemmeringen te verwachten: de verwachting is dat het plan zal passen binnen de welstandscriteria.
26
4
Milieu- en omgevingsaspecten
4.1
Milieu-aspecten
4.1.1
Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Algemeen In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van 31 woningen. Dit is een activiteit die is genoemd in de Dlijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Daarom moet worden beoordeeld of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Gelet op de geringe omvang van het plan, ruim onder de drempelwaarde (deze bedraagt 2.000 woningen) en de ligging van het plan, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt in het kader van het bestemmingsplan in navolgende paragrafen voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk, hetgeen verder blijkt een aanmeldnotitie1 en vormvrije m.e.r beslissing2 Conclusie Het aspect Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.1.2
Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen:
1
Bijlage 6. Aanmeldnotitie Sportlaan Schagen, VdZ Ruimtelijk Advies, 29 september 2021 2
Bijlage 7. Vormvrije m.e.r beslissing, Gemeente Schagen, 15 februari 2022
27
1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk.
De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie 1 2 3.1
Richtafstand woonomgeving in meters 10 30 50
Richtafstand gemengd gebied in meters 0 10 30
3.2
100
50
4.1
200
100
28
Beoordeling Het gebied ligt nabij het centrum, maar ook nabij het bedrijventerrein Lagedijk, een sportterrein en in de directe omgeving bevinden zich ook verschillende functies. Het gebied is daarom als gemengd gebied te typeren. In de eerste plaats wordt getoetst of de nieuwe functie past in de omgeving. Hiervoor moet gemeten van de gevel van de woning tot de grens van de inrichting (bedrijf). Voorliggend plan ziet op de het planologisch mogelijk maken van 31 woningen. Dit is een milieugevoelige functie. In de omgeving zijn evenwel geen functies op zodanige afstand, dat hier (geluid)overlast van te verwachten valt. In de tweede plaats worden bepaald of de omgeving de nieuwe functie toelaat. Richtinggevend hierin zijn de indicatieve onderzoekszones zoals opgenomen in de VNGpublicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Van een woning gaat evenwel geen hinder uit. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. 4.1.3
Externe veiligheid Wettelijk kader Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactiviteiten. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buislei-dingen (Bevb) zien toe op transportroutes met gevaarlijke stoffen en op transport via buisleidingen. In het wettelijk kader en externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in twee soorten risico’s, namelijk plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). PR en het GR dienen elk een andere doelstelling. Het PR heeft te maken met de veiligheid van de risicobron (technisch systeem) en is bedoeld voor de burger / gebruiker als individu. Het GR zegt iets over de inrichting van de ruimte rond de risicobron en is bedoeld voor de bestuurder. Naast PR en GR worden binnen zogenaamde effectgebieden ook risico’s aanwezig. Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woon-, werk- of verblijfsomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Deze basisnorm bepaalt dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof voor omwonenden niet hoger mag zijn dan één op de miljoen (10-6).
29
Groepsrisico Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het risico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risico-locatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen. Dit risico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatie-waarde. Dit is geen norm, maar een ijkpunt. De oriëntatiewaarde wordt uitgedrukt in een risicocurve. De oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag in situaties daarboven gemotiveerd kan afwijken. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om een belangenafweging te maken. Dit is de verantwoording van het groepsrisico. Daarbij spelen onder de zelfredzaamheid, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol. De hoogte van het groepsrisico kan niet toenemen als er geen invloedsgebied aanwezig is. Situatie plangebied Uit de beoordeling van de risicokaart van de provincie Noord-Holland blijkt dat er geen vuurwerkbedrijven in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn en dat het plangebied niet binnen een invloedsgebied ligt van aangewezen routes voor transport van gevaarlijke stoffen over weg of spoorweg. Zie navolgende uitsnede van de provinciale risicokaart. Het is regelmatig gebleken dat de risicokaart niet volledig is.
In ieder geval kan beredeneerd worden dat over de N245 enig transport van LPG plaatsvindt ter bevoorrading van tankstation supertank op bedrijventerrein Lagedijk. Voor deze weg geldt geen plasbrandaandachtsgebied. Maatgevend voor de risico’s is het transport van GF3-stoffen (LPG en propaan) in tankwagens naar LPG station de Welpe. Niet is bekend om hoeveel vervoersbewegingen het gaat, maar uitgaande van de vergunde doorzet van minder dan 500 m3/jaar en ervaringen met andere LPG stations met vergelijkbare of zelfs grotere doorzet, is een aantal van 140/jr een redelijke inschatting. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (17 juni 2014) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu zijn vuistregels gegeven hoe om moet worden gegaan met het Plaatsgebonden risico en groepsrisico. Gelet op de Handreiking is een plaatsgebonden risicocontour (PR -10-6) is bij dit wegtracé niet aanwezig met voornoemde transportaantallen. Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar namelijk lager is dan 500 heeft, volgens voornoemde handreiking, een weg binnen de bebouwde kom (50km.uur, 1.2.4 Routetype).
In navolging van het Bevb is in het Bevt geregeld dat de verantwoordingsplicht voor het GR niet van toepassing indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied het groepsrisico of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan niet hoger is dan een bij regeling van Onze Minister gestelde waarde, welke waarde voor verschillende categorieën van buisleidingen verschillend kan worden vastgesteld. In artikel 8 van het Rebv staat vermeld dat deze waarde het groepsrisico: 0,1 maal de oriëntatiewaarde mag bedragen, en de toename van het groepsrisico: minder dan 10%, voor zover de waarden, genoemd in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van het besluit (i.c. 0,1 van de oriëntatiewaarde) niet worden overschreden.
30
In de bijlage bij voornoemde handleiding is aangegeven dat wanneer het aantal GF3 transporten minder is dan de drempelwaarde in Tabel 3 (eenzijdige bebouwing) of in T-bel 4 (2-zijdige bebouwing) 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. De woningen worden gesitueerd op circa 90 m van de as van de weg (aanname). Het beschouwde gebied is 71ha3, hierbinnen is een aanwezigheid mogelijk van ca. 8.000 personen (worst-case schatting van de nieuwe situatie~dus inclusief dit plan~; het gaat om tweezijdige bebouwing met zowel woningen als bedrijven), derhalve 112/ha. Bij deze waarden bedraagt de drempelwaarde 2450 GF3. De drempelwaarde wordt gelet op tabel 3 derhalve ruimschoots niet overschreden. Hiermee is sprake van een verantwoord groepsrisico en kan een verdere verantwoording achterwege blijven.
Uitsnede risicokaart Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.1.4
Bodem Algemeen Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden.
3
De regelgeving [3] schrijft voor dat de bevolking binnen het invloedsgebied in de
QRA meegenomen moet worden. Het invloedsgebied wordt begrensd door de 1%letaliteitafstand, gemeten vanuit het hart van de doorgaande sporenbundel of vanuit het hart van de (vaar)weg. Bij GF3 is het invloedsgebied 355m, en bij tweezijdige bebouwing bedraagt het onderzoeksgebied dus bij een kilometer lengteX355mX2= 710.000 m2, ofwel 71 ha
31
Beoordeling en conclusie Gelet op het plan voor het realiseren van een woning is bodemonderzoek verricht4. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie Noord 164 te Schagen is vastgelegd. In de bodem zijn geen verhogingen aangetoond. In het grondwater zijn eveneens geen verhogingen gemeten. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de toekomstige woonbestemming. Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat de grond nog onderzocht dient te worden op PFAS. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig (doorgaans incl. PFAS) conform het Besluit Bodemkwaliteit. Met name bij grotere partijen grond is dit laatste voordeliger dan afvoeren naar een grondbank of -depot. De gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, waardoor in sommige gevallen hergebruik mogelijk is zonder aanvullend onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd. Het aspect bodem vormt gelet hierop geen belemmering. 4.1.5
Geluid Inleiding De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor) wegverkeer het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Algemeen Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Spoorverkeer is ter plaatse niet relevant. De breedte van de zone bij wegverkeer is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Aantal rijstroken