Advies griffiers mbt amendement Heiloo
Tekst van het document
Beste raadsleden, Hieronder staat een mail die de griffier van Hollands Kroon aan de raad van Hollands Kroon heeft verzonden met betrekking tot de discussie in de RRN over het al dan niet indienen van een amendement zoals dat in Heiloo is gebeurd. Ik onderschrijf zijn advies. Met vriendelijke groet, Gert Meijer.
Van: Sjaak Vriend Verzonden: vrijdag 29 september 2023 10:06 Aan: Gemeenteraad CC: Onderwerp: behandeling kaderstellend besluit wijziging WGR in de RRN (27 september) Geachte leden van de raad, Bij de behandeling van het kaderstellend besluit wijziging Wet gemeenschappelijke regelingen op 27 september jl. is een amendement aan de orde gekomen dat in Heiloo is aangenomen (ziet op artikel 11a) en er is een vraag gesteld over de termijn voor het berekenen van de uittreedsom (artikel 9). Het lijkt mij goed u te informeren waar dit over gaat en hoe daar vanuit verschillende kanten naar wordt gekeken. Artikel 11a evaluatie Het kader m.b.t artikel 11a geeft aan dat elke GR met een tekstvoorstel kan komen. Er kan dus differentiatie zijn. Het amendement, aangenomen in Heiloo., strekt ertoe het tekstvoorbeeld op bladzijde 19 als kader vast te stellen. Elke GR moet die tekst dus opnemen (evaluatie minimaal elke 4 jaar etc.). Waarom is in het kader de mogelijkheid van differentiatie opgenomen? De mogelijkheid van evaluatie is waardevol en komt aan de roep om meer democratische sturingsmiddelen tegemoet. Het niet benutten van deze mogelijkheid zou in voorkomende gevallen een gemiste kans zijn. Tegelijkertijd bestaat de reële angst dat de vertegenwoordigende organen een overvloed aan evaluatierapporten ontvangen waardoor evaluatiemoeheid kan ontstaan.
Om de voordelen te kunnen benutten en de nadelen te voorkomen is het voorstel om de mogelijkheid van evaluatie als een ‘kan-bepaling’ in de GR op te nemen. Zodoende is maatwerk met betrekking tot de evaluatieparagraaf per GR mogelijk. Er is zo het behoud van de mogelijkheid van evaluatie zonder het risico dat er wordt geëvalueerd ‘om het evalueren’. Dit is in lijn met het advies van de griffiers (bladzijde 17 advies griffiers) Het lijkt ons waardevol en nodig ieder samenwerkingsverband periodiek te evalueren. Om te komen tot een goede evaluatie is het van belang om voorafgaand goed te verwoorden wat de gemeenschappelijk doelstelling van de samenwerking is. Voorts is van belang bij de periodieke evaluatie te bekijken of de aansturing van de samenwerking nog goed functioneert, of dat de uitgangspunten voor aansturing misschien gaandeweg wel veranderd zijn. Graag verwijzen we in dit verband ook naar het bijgevoegde besluit Project Informatievoorzieningen Gemeenschappelijke Regelingen uit 2018 is in bijlage 5 waarin uitgebreid beschreven hoe geëvalueerd kan worden. Ons advies is dus om in elk GR te regelen dat er geëvalueerd wordt, maar wel per regeling te kijken hoe
en hoe frequent geëvalueerd moet worden. Waarbij wordt afgewogen wat haalbaar en houdbaar is. Bij een GR zoals het Regionaal Historisch Centrum Alkmaar (RHCA) kan bijvoorbeeld gekozen worden voor een andere evaluatie-frequentie en ook een minder zware evaluatie. Ook zou onderscheid gemaakt kunnen worden tussen verplichte en niet verplichte regelingen. Artikel 9 Voorwaarden bij uittreding In het kader is opgenomen dat voor het berekenen van de uittreedsom een termijn (overbruggingsperiode) van 5 jaar wordt gehanteerd. De hoogte van de bijdrage wordt berekend door de accountant van de GR, aangevuld met een bindend advies van een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een externe accountant). Het gaat daar bij om directe reële schade. De vraag is gesteld waarom dit niet twee jaar zou kunnen zijn. Dit zou de jurisprudentie toestaan. Reactie Een overbruggingsperiode van 1 jaar of twee jaar voor de berekening van de uitreedsom wordt als niet reëel gezien. Uit de jurisprudentie over geschillen met betrekking tot de uittreedsom blijkt dat een uittreedsom in beginsel over een periode van 5 jaar dient te worden berekend. Zie bladzijde 9 e.v. kaderstellend besluit. Het betreft hier een afbouwperiode van 5 jaar, waarbij de uittreedsom wordt berekend aan de hand van direct reële schade over een overbruggingsperiode van 5 jaar.
De uittredende deelnemer dient de directe kosten van uittreding en de schade te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van het uittreden uit de gemeenschappelijke regeling. Niks meer en niks anders. Vijf jaar wordt gezien als een redelijke periode waarbinnen de GR en de achterblijvende deelnemers voldoende gelegenheid hebben om de (financiële) gevolgen van het uittreden op te vangen en de bedrijfsvoering aan te passen. Denk bijvoorbeeld aan het wijzigen van beleid en het takenpakket of het opzeggen en wijzigen van lopende overeenkomsten. Ook met het kaderstellend besluit is voor elke GR differentiatie mogelijk op de uittreedregeling. Bij de voorgestelde tekst is opgenomen: Het is een generieke tekst voor alle gemeenschappelijke regelingen. Alleen als er binnen de GR geen sprake is van structurele vaste lasten zoals bijvoorbeeld personeel, gebouwen, vaste verplichtingen kan besloten worden de periode in te korten. In die gevallen dat de structurele vaste lasten aanzienlijk langer zijn dan deze 5 jaar kan overwogen worden deze periode te verlengen. De periode van de uittreedsom (5 jaar) is anders dan de uittreedperiode. Deze is 1 kalenderjaar en geeft voldoende tijd is om de gevolgen van de uittreding in kaart te brengen en een fatsoenlijke uittredingsregeling vast te stellen.
Na dat jaar is de uitredende gemeenten geen deelnemer meer en niet gebonden aan de GR en zodoende in staat haar eigen koers te varen. De keuze om de hoogte van de reële schade door de accountant van de GR te laten bepalen, is ingegeven vanuit het oogpunt dat deze accountant al goed ingevoerd is en het onverstandig kan zijn om deze buiten spel te zetten. De accountant van de GR is al betrokken bij de GR en zijn kennisniveau over de GR is groter dan een accountant van buitenaf waardoor de verwachting is dat dit een positief effect heeft op: • een juiste berekening • een kortere doorlooptijd • en gunstigere kosten (ook voor de uittreder) met betrekking tot het bepalen van de reële schade binnen het uittredingstraject en het werk dat de betrokken accountant van de GR hiervoor uitvoert. Van deze accountant mag/moet onafhankelijkheid verwacht worden. Extra borging van de onafhankelijkheid is middels een onafhankelijke derde die het bindende advies geeft. Hier zit ook een
controlerende werking in naar de accountant en is er het twee ogen principe. Dat laatste is er niet meer bij het aannemen van het amendement, waarbij slechts nog 1 partij betrokken is. Op dit laatste wordt ingegaan omdat in Heiloo ook over deze bepaling een amendement was ingediend (niet aangenomen). Dat amendement kwam erop dat de termijn voor de uittreedsom 2 jaar zou moeten bedragen en de berekening zou moeten plaatsvinden door een externe accountant. Advies Gelet op vorenstaande adviseer ik het amendement, zoals aangenomen in Heiloo (evaluatiebepaling) niet over te nemen en de mogelijkheid open te laten voor differentiatie en vast te stellen dat een berekening van de uittreedsom over 2 jaar niet strookt met de jurisprudentie (de voorgestelde termijn van 5 jaar is daarmee wel in overeenstemming).
Met vriendelijke groet, Sjaak Vriend Griffier gemeenteraad