CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Achtergrondrapport Natuur bijlage 1 Passende beoordeling Pallas-Reactor

Oordeelsvormende vergadering 12 oktober 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststelling gecoördineerde bestemmingsplannen 'Pallas-Plot' en 'Partiële Herziening PALLAS-reactor, 2021'30.612 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+) zijn stikstofverbindingen die oplossen in water en zo via de bodem door plantenwortels kunnen worden opgenomen. Nitraat wordt vrijwel niet geabsorbeerd aan bodemdeeltjes en is direct beschikbaar voor planten. Ammonium in de oplossing is in evenwicht met het ammonium dat aan bodemdeeltjes geadsorbeerd is. Vooral in bodem met een hoog aandeel kleideeltjes kan het aandeel gebonden ammonium hoog zijn. Het gebonden ammonium is voor een deel beschikbaar voor planten (Mengel, 1991). Als de hoeveelheid opgelost stikstof in de bodem hoog is, en deze niet door planten worden opgenomen, dan kan een deel van de stikstof uitspoelen. In terrestrische systemen spoelt stikstof bijna altijd uit in de vorm van nitraat, aangezien ammonium in de bodem weinig mobiel is en maar zeer beperkt naar het grondwater verdwijnt. Alleen in natte systemen, waaronder veengronden, kan ammoniumuitspoeling naar het grondwater ook kwantitatief van belang zijn (Kros et al. 2008). Uitspoeling is afhankelijk van het soort bodem. In volgorde van meeste naar minste uitspoeling is het zand, klei en veen, waarbij met name in zandgronden de grondwatertrap een belangrijke rol speelt (RIVM, 2007). Daarbij geldt dat hoe droger de bodem, hoe groter de concentratie uitspoeling is (RIVM, 2007; Schoumans et al., 2008).

De jaarlijkse nutriëntenvrachten van het uit- en afspoelende water uit natuurgebieden in zandgebieden varieert in de periode 2016-2030 tussen 4 en 16 kg N/ha/jaar bij een depositie van 33 (± 7) kg N/ha/jaar (Schoumans et al., 2008). Hoewel het niet mogelijk is om betrouwbare kwantitatieve onderbouwingen te geven voor de mate waarin stikstof die als gevolg van atmosferische depositie in een natuurgebied terecht komt weer uitspoelt, en daarom niet ter beschikking komt aan de vegetatie, kan een aantal algemene conclusies getrokken Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

59 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

•

worden: een deel van de stikstof die via droge of natte depositie in een habitattype terecht komt zal niet direct worden opgenomen door de plant, maar worden gebonden in de bodem of uitspoelen naar het grond- of oppervlaktewater. Dit geldt in het bijzonder voor de Natura 2000-gebieden op zandgronden, waaronder de duingebieden in de omgeving van de toekomstige PALLAS-reactor. Een dosis stikstof van 0,04 mol/ha is te beperkt om te leiden tot een merkbare verandering in de plantengroei en daarmee in de concurrentiepositie van afzonderlijke plantensoorten in een ecosysteem. Door de depositie is er sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium), dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeelt relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snelgroeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen en op den duur voor areaalverlies. Vermesting en verzuring zijn processen die met elkaar in verband staan. De verzurende werking van stikstofdepositie zorgt ervoor dat de buffercapaciteit afneemt waardoor stikstof gemakkelijker wordt opgenomen en concurrentieverhoudingen veranderen.

Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een depositie van 0,04 mol zijn de volgende punten relevant en is de volgende berekening illustratief: • Een depositie van 0,04 mol N/ha/jaar komt overeen met ongeveer 0,28 gram N per hectare per jaar. • De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 1000 en 6000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al., 2006). • Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. 6 • Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 15-90 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met ca. 1071-6429 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). • Een depositie van 0,04 mol N/ha/jaar komt overeen met 0,0006-0,004% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie zal dit niet leiden tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie.

Een kleine en tijdelijke toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat deze tijdelijke en kleine depositietoename de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. Uit voorbeelden in Smits et al., 2014 blijkt dat de concurrentiepositie bij planten pas verandert bij een depositie die aanzienlijk hoger is dan 0,04 N/ha/jaar. In de aangehaalde experimenten zijn tot wel 100 kg N/ha/jaar gebruikt.

Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat een kleine en tijdelijke toename van de depositie van stikstof niet zal leiden tot waarneembare veranderingen in de vegetatiesamenstelling van vegetaties, en daarmee niet leidt tot een significante verslechtering van de kwaliteit van de habitattypen die uit deze vegetaties bestaan. De maximale toenames van de stikstofdepositie van 0,04 mol/ha/jaar, gedurende 6 jaar, in de Natura 2000-gebieden Duinen Den Helder-Callantsoog, Schoorlse Duinen, Noordhollands Duinreservaat, Waddenzee en Duinen en Lage Land van Texel leiden daarom niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Deze effecten worden daarom niet nader onderzocht. In het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen treden zowel in de realisatie- als de exploitatiefase hogere toenames van de stikstofdepositie op. De ecologische effecten van deze toenames zijn in de volgende paragraaf nader uitgewerkt.

6 https://www.nutrinorm.nl/nl-nl/Paginas/Hoofdelementen-Waarom-heeft-een-plant-stikstof-nodig.aspx#.XR4CmGaP6fg, geraadpleegd

op 02-07-2020. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

60 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

6.4

Ecologische effectbeoordeling stikstof Zwanenwater & Pettemerduinen

6.4.1

Toename in overbelaste situatie

In deze ecologische beoordeling is een specifieke beoordeling gemaakt van de effecten van de toename van stikstofdepositie op habitattypen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Het gaat hier om habitattypen waar sprake is van: 1. een toename van de stikstofdepositie in de realisatie- en/of exploitatiefase van de PALLAS-reactor en 2. een overbelaste situatie (achtergronddepositie is hoger dan de kritische depositiewaarde van het habitattype). De gegevens uit de Aerius-berekening zijn gecombineerd met de habitattypenkaart en achtergronddepositie (referentiejaar 2018) die ook in Aerius zijn opgenomen. Ook is het veld ingegaan om het Natura 2000-gebied te bekijken. De routes en datums van de veldbezoeken zijn weergegeven op de kaart in Bijlage G. De officiële habitattypenkaart van het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen, die gebruikt wordt in het beheerplan en in AERIUS, is gebaseerd op een vegetatiekartering uit 2004. Uit verschillende veldbezoeken aan het gebied is gebleken dat de actuele vegetatie op veel plaatsen afwijkt van het beeld dat de habitattypenkaart schetst. De effectbeoordeling is gebaseerd op het meer actuele beeld dat van de verspreiding en kwaliteit is verkregen op grond van deze veldbezoeken. Het hele gebied van de Pettemerduinen wordt in 2020 integraal gekarteerd, met bijzondere aandacht voor de kwaliteit van habitattypen.

Deze gegevens konden echter nog niet in deze passende beoordeling worden betrokken. Op deze manier is in meer detail beoordeeld wat de bestaande kwaliteit is van de in het gebied aanwezige habitattypen, en in welke mate effecten van stikstof, beheer en dynamische condities in het gebied deze kwaliteit kunnen hebben beïnvloed. Voor het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is voor de volgende habitattypen sprake van overschrijding van de KDW op het volledige areaal of delen daarvan: • H2120 Witte duinen • H2130A Grijze duinen (kalkrijk) inclusief zoekgebied; • H2130B Grijze duinen (kalkarm); • H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig); • H2140B Duinheiden met kraaihei (droog); • H2150 Duinheiden met struikhei; • H2180Abe Duinbossen (droog), berken-eikenbos; • H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen; • H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt); • H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm; • H6410 Blauwgraslanden; • Tapuit (deze stikstofgevoelige soort is in aanvulling op de habitattypen ook meegenomen). In de effectbeoordeling is per habitattype een analyse gemaakt van het voorkomen en de kwaliteit van het habitattype zoals beoordeeld in beheerplannen en PAS-gebiedsanalyses, aangevuld met veldonderzoek dat voor PALLAS in de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden in het gebied. Ook is beschreven wat de huidige situatie is t.a.v.

stikstofdepositie en of, en zo ja in welke mate er nog sprake is van overschrijding van de KDW. Daarnaast zijn andere knelpunten voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen beschreven.

6.4.2

H2120 Witte duinen

Beschrijving van het habitattype Witte duinen zijn buitenduinen of andere delen van duinen die zijn uitgestoven, gedomineerd met begroeiing van helm, noordse helm of duinzwenkgras. Bodemvorming heeft nog niet plaatsgevonden (vandaar “Witte duinen”). Witte duinen volgen op embryonale duinen als de duinen zover zijn aangeroeid dat de vegetatie buiten de directe invloed van zout water (grond- of zeewater). De invloed van zee is echter wel aanwezig door de inwaai van fijne zoutdruppeltjes (salt spray’). Salt spray en zandverstuiving zorgen voor een extreem milieu dat geschikt is voor weinig plantensoorten. Voor een soort als helm is verstuiving echter essentieel (Ministerie van LNV, 2008). Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

61 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Ecologische vereisten De vereisten voor het habitattype zijn aanvoer van zand door winddynamiek en salt spray (Provincie NoordHolland, 2017b). Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2120 Witte duinen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen Figuur 6-1 geeft de ligging van het habitattype H2120 Witte duinen in het Natura 2000-gebied. Het habitattype ligt vooral direct aan de kust met wat kleine oppervlaktes wat verder in het binnenland.

Figuur 6-1: Ligging van het habitattype H2120 Witte duinen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister.7

Huidige kwaliteit De kwaliteit van het habitattype is overwegend goed, alleen ontbreekt verstuiving. De omvang van het habitattype kan toenemen door suppleties (afname van witte duinen die zijn ontstaan door suppleties in het verleden is voorzien), de kwaliteit door een toename van verstuiving (Provincie Noord-Holland, 2017a; 2017b). Knelpunten De kritische depositiewaarde van dit habitattype bedraagt 1.429 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Op 1% van het oppervlak treedt momenteel een overschrijding van de KDW op. Daarmee vormt stikstofdepositie geen knelpunt voor dit habitattype. De gebiedsanalyse bevestigt dit ook (Provincie Noord-

7 AERIUS relevante habitatkartering: bron identificatie a4d666fb-aff5-4772-9e9b-85bc533aafc0, metadata datum: 15-10-2020. AERIUS

totale stikstofdepositie: bron identificatie: 5dbc4e3c-324f-4fcd-9652-04edcd84ea43, metadata datum: 15-10-2020. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

62 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Holland, 2017a). Hier aanwezige knelpunten voor het habitattype zijn beperkte verstuiving, beperkte dynamiek en aanwezigheid van rimpelroos (Provincie Noord-Holland, 2017b). Huidig beheer Bij aanwezigheid van voldoende verstuiving heeft het habitattype geen beheer nodig. Extensieve betreding heeft positieve effecten bij minder dynamiek.8 Momenteel is niet bekend in hoeverre beheer plaatsvindt, maar waarschijnlijk is hier geen sprake van (op incidentele betreding van grazers na). Kwantificering van effect van NHC Tabel 6-1 geeft de maximale toenames van de stikstofdepositie gedurende de realisatiefase en exploitatiefase van PALLAS. Tabel 6-1 Stikstofdepositie op het habitattype H2120 Witte duinen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Fase Realisatiefase Exploitatiefase

Maximale toename van stikstofdepositie 1,14 mol N/ha/jaar 0,05 mol N/ha/jaar

% van habitattype waar sprake is van overbelasting 0,1

De depositietoenames zijn op kaart weergegeven in Figuur 6-2 voor de realisatiefase en Figuur 6-3 voor de exploitatiefase. In beide gevallen gaat het om een zeer klein gedeelte van het habitattype aan de westzijde van het dennenbos in de Pettemerduinen. Dit is de enige locatie in het Natura 2000-gebied waar een overschrijding van de KDW optreedt in de huidige situatie.

Figuur 6-2:: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2120 Witte duinen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

8 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-wandelende-duinen-met-helmgras-2120, geraadpleegd op 25-11-2020.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

63 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 6-3:: Projecteffect in de exploitatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2120 Witte duinen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit De oppervlakte van dit habitattype waar sprake is van overbelasting is beperkt; op meer dan 99% van de oppervlakte waarop het habitattype voorkomt is geen sprake van een overbelaste situatie. Het habitattype H2120 Witte duinen verkeert in het gebied in goede staat van instandhouding. Stikstofdepositie wordt niet gezien als knelpunt. Dit leidt tot de conclusie dat een geringe toename van stikstofdepositie van maximaal 1,14 mol N/ha/jaar tijdens de realisatiefase en 0,05 mol N/ha/jaar in de exploitatiefase op locaties met een lichte overschrijding van de kritische depositiewaarde niet leidt tot veranderingen in de vegetatie die tot afname van het areaal of verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H2120 Witte duinen zal leiden. De realisatie van de instandhoudingdoelstelling, behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit van het habitattype, wordt door realisatie en exploitatie van het NHC niet belemmerd.

6.4.3

H2130A Grijze duinen (kalkrijk)

Beschrijving van het habitattype Het habitattype betreft de min of meer droge graslanden van het duingebied op kalkrijke bodem. Hierbij gaat om soortenrijke begroeiingen met dominantie van laagblijvende grassen, kruiden, mossen en/of korstmossen. Vermengd met deze begroeiingen kunnen kruidenrijke zoombegroeiingen graslanden met dominantie van de dwergstruik duinroos voorkomen. Grijze duinen ontstaan achter de zeereep op plekken waar de door de wind veroorzaakt dynamiek voldoende laag is voor het ontstaan van gesloten begroeiingen met kruiden en mossen. Door de bodemvorming ontstaat een zogenoemde ‘C-horizont’ met een grijze kleur, vandaar de naam van het habitattype. Dynamiek in de vorm van lichte overstuiving, hellingprocessen (dynamiek door neerslag) en begrazing door konijnen zorgt van nature voor de instandhouding van het type. Vanwege de positieve invloed van verstuiving, worden ook stuifplekken binnen graslandcomplexen tot het habitattype gerekend. De Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

64 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

hoge soortenrijkdom is voor een belangrijk deel karakteristiek voor de grazige vegetaties zelf, maar een deel van de typische soorten is juist (mede) afhankelijk van onbegroeide delen (blauwvleugelsprinkhaan), konijnenholen (tapuit) of bloemrijke zomen (duin- en grote parelmoervlinder). Dit subtype komt in Nederland vooral voor in de van nature kalkrijke duinen ten zuiden van Bergen, maar lokaal ook in de niet-ontkalkte jonge duinen van de Kop van Noord-Holland en enkele Waddeneilanden (Ministerie van LNV, 2008). Ecologische vereisten Het habitattype ontwikkelt zich door geleidelijke stabilisatie van H2120 Witte duinen, en gaat bij verdere ontkalking van de bodem over naar H2130B Grijze duinen (kalkarm). Het habitattype kalkrijke grijze duinen is gebaat bij beperkte overstuiving met kalkrijk zand om verzuring te remmen. Ook geringe invloed van saltspray is van belang (Provincie Noord-Holland, 2017b). Herbivorie lijkt een voorwaarde te zijn voor de instandhouding, en komt in veel vormen voor, door insecten, kleine zoogdieren en grote zoogdieren. “Natuurlijke herbivorie’” door konijnen is veelal weggevallen door myxomatose en VHS, maar in het gebied lijkt de konijnenstand zich weer te herstellen (Provincie ZuidHolland, 2017a). Wanneer begrazing door konijnen onvoldoende effect sorteert, kan het beheer worden uitgevoerd met de inzet van grote grazers.

Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) in het Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is behoud van oppervlakte en kwaliteit. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen Figuur 6-4 geeft de ligging van het habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) in het Natura 2000-gebied. Er is een gradiënt van west naar oost in kalkrijkdom van de grijze duinen. De meer westelijk voorkomende graslanden zijn doorgaans kalkrijker. Het ontstaan van vegetaties die zich kwalificeren als kalkrijk grijs duin hangt vermoedelijk samen met begrazing (maken van open plekjes door vee) en zandsuppleties van kalkrijk zand in de vooroever en op het strand, waarbij een deel van het kalkrijke zand de duinen instuift. De kritische depositiewaarde van dit habitattype bedraagt 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Uit Figuur 6-4 blijkt dat in het overgrote deel van de kalkrijke duingraslanden H2130A geen sprake is van overschrijding van de KDW. Alleen bij de zeeweg vanaf Sint-Maartenszee en bij het Korfwater in Petten is sprake van een (overwegend lichte) overschrijding. In een groot deel van het habitattype zal de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de PALLAS-reactor niet leiden tot overschrijding van de KDW, en daarmee niet tot effecten op dit habitattype.

Huidige kwaliteit De kwaliteit van het habitattype is grotendeels goed. Door recente zandsuppleties en het begrazingsbeheer vertoont het habitattype een stabiele trend voor oppervlak en kwaliteit (Provincie Noord-Holland, 2017a; 2017b). In de vegetatiekartering zijn op verstoring en stikstofdepositie wijzende soorten zoals grijs kronkelsteeltje, helm en dauwbraam slechts nog lokaal aangetroffen. Knelpunten Op 5% van het oppervlak treedt overschrijding van de KDW op. Daarmee is stikstofdepositie een beperkt knelpunt voor dit habitattype. De duingraslanden in het gebied worden begraasd. In de Pettemerduinen is bovendien sprake van een relatief grote activiteit van konijnen. Ook is hier sprake van inwaaiing van kalkrijk zand als gevolg van de aanleg van de Hondsbossche Duinen bij Petten. Het is wel bekend dat met name het westelijke deel van de duinen nog steeds invloed ondervindt van verstuiving 9. Deze factoren hebben alle en positieve invloed op de kwaliteit van de kalkrijke duingraslanden. Grote knelpunten treden daarom niet op.

9 https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/zwanenwater-pettemerduinen, geraadpleegd op 02-07-2020.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

65 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 6-4: Ligging van het habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister.

Huidig beheer Voor grijze duinen geldt dat extensief begrazingsbeheer de beste vorm van beheer is. 10 Van nature vindt deze begrazing in de duinen plaats door konijnen, maar begrazing is ook een historische vorm van exploitatie van de duinen geweest in de afgelopen jaren. Als gevolg van ziektes is de konijnenpopulatie in de Nederlandse duinen sterk ingekrompen, maar in de Pettemerduinen lijkt deze zich te herstellen. Ter vervanging van de natuurlijke is in de Pettemerduinen en later ook in het Zwanenwater een begrazingsbeheer met runderen ingesteld. Het resultaat hiervan is met name zichtbaar op de grens met de omheinde EHC, waar geen begrazing plaatsvindt. Aan de “begraasde kant” van het hek is de vegetatie korter, is minder sprake van hoog opgaande grassen en opslag van struiken. Kwantificering van effect Tabel 6-2 Tabel 6-2: Stikstofdepositie op het habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) in het Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen geeft de maximale toenames van de stikstofdepositie gedurende de realisatiefase en exploitatiefase van PALLAS. Tabel 6-2: Stikstofdepositie op het habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Fase

Maximale toename van stikstofdepositie (mol N/ha/jaar)

Realisatiefase

0,94

Exploitatiefase

0,03

% van habitattype waar sprake is van overbelasting

5

10 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-vastgelegde-duinen-2130, geraadpleegd op 02-07-2020.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

66 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit Het effect is op kaart weergegeven in Figuur 6-5 voor de realisatiefase en Figuur 6-6 voor de exploitatiefase. De oppervlakte van dit habitattype waar sprake is van overbelasting is beperkt; op 95% van de oppervlakte waarop het habitattype voorkomt is geen sprake van een overbelaste situatie. Het habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) verkeert in het gebied in een stabiele en goede staat van instandhouding. De effecten van stikstofdepositie hebben de kwaliteit van het habitattype niet nadelig beïnvloed, mede door de effecten van (natuurlijke) begrazing en verstuiving. In de duinen speelt als belangrijk knelpunt de beperkte dynamiek, wat in de duinen een essentieel onderdeel is van het systeem. Gezien voorgaande punten is de toename van stikstofdepositie gering en leidt niet tot meetbare verandering. Dit leidt tot de conclusie dat een geringe toename van stikstofdepositie van maximaal 0,94 mol N/ha/jaar tijdens de realisatiefase en 0,03 mol N/ha/jaar in de exploitatiefase op locaties met een lichte overschrijding van de kritische depositiewaarde, bij gelijkblijvend beheer niet leidt tot veranderingen in de vegetatie van de duingraslanden die tot afname van het areaal of verslechtering van de kwaliteit van het habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) zal leiden.

De realisatie van de instandhoudingdoelstelling, behoud van oppervlakte en kwaliteit van het habitattype, wordt door realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor niet belemmerd.

Figuur 6-5: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

67 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 6-6: Projecteffect in de exploitatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2130A Grijze duinen (kalkrijk) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

6.4.4

H2130B Grijze duinen (kalkarm)

Beschrijving van het habitattype Het habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) omvat duingraslanden met een kalkarme bodem met min of meer gesloten gras-, mos- of korstmosmat. Grijze duinen ontstaan achter de zeereep op plekken waar de door de wind veroorzaakt dynamiek voldoende laag is voor het ontstaan van gesloten begroeiingen met kruiden en mossen. Door de bodemvorming ontstaat een zogenoemde ‘C-horizont’ met een grijze kleur, vandaar de naam van het habitattype. Dynamiek in de vorm van lichte overstuiving, hellingprocessen (dynamiek door neerslag) en begrazing door konijnen zorgt van nature voor de instandhouding van het type. Vanwege de positieve invloed van verstuiving, worden ook stuifplekken binnen graslandcomplexen tot het habitattype gerekend. Kenmerkende plantensoorten zijn onder andere buntgras, duinroos, duinviooltje, kleine ereprijs en ruwe klaver. Kalkarme grijze duinen (H2130B) hebben ook een aantal typische soorten korstmossen zoals gevlekt heidestaartje, gewoon kraakloof en zomersneeuw en insecten zoals duinparelmoervlinder, heivlinder, duinsabelsprinkhaan en knopsprietje. Maar ook tapuit, velduil en konijn zijn typerende soorten voor het habitattype.

De hoge soortenrijkdom is voor een belangrijk deel karakteristiek voor de grazige vegetaties zelf, maar een deel van de soorten is juist (mede) afhankelijk van onbegroeide delen (blauwvleugelsprinkhaan), konijnenholen (tapuit) of bloemrijke zomen (duin- en grote parelmoervlinder). Het ontstaan van duingraslanden is weliswaar een natuurlijk proces, maar de uitgestrektheid van de graslanden in de Nederlandse duinen is waarschijnlijk mede veroorzaakt door menselijke activiteiten (met name beweiding, maar ook grondwateronttrekking) (Ministerie van LNV, 2008). Ecologische vereisten Het habitattype ontwikkelt zich door geleidelijke stabilisatie van H2120 Witte duinen met kalkarm zand of door geleidelijke ontkalking van de toplaag van H2130A Grijze duinen (kalkrijk) onder voedselarme omstandigheden. Door de kalk- en voedselarme omstandigheden is verstruweling beperkt. Voor een duurzaam voortbestaan heeft het habitattype een beperkte, maar regelmatige overstuiving nodig van kalkrijk Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

68 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

zand om verzuring tegen te gaan. Daarnaast spelen saltspray, lichte bodemvorming en ontkalking een belangrijke rol bij de ontwikkeling van dit habitattype (Provincie Noord-Holland, 2017b). Herbivorie lijkt een voorwaarde te zijn voor de instandhouding, en komt in veel vormen voor, door insecten, kleine zoogdieren en grote zoogdieren. “Natuurlijke herbivorie’” door konijnen is veelal weggevallen door myxomatose en VHS, maar in het gebied lijkt de konijnenstand zich weer te herstellen (Provincie NoordHolland, 2017a). Wanneer begrazing door konijnen onvoldoende effect sorteert, kan het beheer worden uitgevoerd met de inzet van grote grazers. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) in het Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Verspreiding in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen Het habitattype komt algemeen verspreid door het hele Natura 2000-gebied voor. Figuur 6-7 laat de ligging van het habitattype zien (volgens de inmiddels verouderde kaart in AERIUS; in de Pettemerduinen komt het type volgens de vegetatiekartering van 2020 inmiddels in grotere oppervlakten voor).

Over het algemeen grenzen kalkarme grijze duinen aan het habitattype H2120 Witte duinen, maar in de Pettemerduinen grenzen ze ook aan de kalkrijke variant H2130A Grijze duinen (kalkrijk). Het habitattype ontstaat door geleidelijke stabilisatie van H2120 Witte duinen of ontkalking van H2130A Grijze duinen (kalkrijk). Er zijn daarom ook veel overgangsvormen tussen deze drie habitattypen aanwezig. Huidige kwaliteit De kwaliteit van het habitattype is volgens het Natura 2000-beheerplan matig vanwege vergrassing en de aanwezigheid van dauwbraam. Deze laatste soort indiceert een verhoogde beschikbaarheid van stikstof (mogelijk door depositie). Deze beoordeling is gebaseerd op vegetatiekarteringen uit het begin van deze eeuw. De mate van vergrassing lijkt de laatste jaren stabiel. Dit hangt samen met herstel van de konijnenpopulatie en begrazingsbeheer (Provincie Noord-Holland, 2017a; 2017b). De officiële habitattypenkaart van het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen, die gebruikt wordt in het beheerplan en in AERIUS, is gebaseerd op een vegetatiekartering uit 2004. Uit verschillende veldbezoeken aan het gebied bleek dat de actuele vegetatie op veel plaatsen afwijkt van het beeld dat de habitattypenkaart schetst.

Daarom is in 2020 besloten een nieuwe vegetatiekartering uit te voeren, die een actueel beeld geeft van de verspreiding en kwaliteit van habitattypen, waaronder de kalkarme duingraslanden van H2130B. Uit deze vegetatiekartering blijkt dat de oppervlakte vergrast kalkarm duingrasland sterk is afgenomen. Ook komt dauwbraam nog zelden in de vegetatie voor. De oppervlakte van duingraslanden waarin zandzegge voorkomt naast soorten mossen en korstmossen is (in 2020) in de Pettemerduinen vrij groot. Hierin komen echter geen soorten voor die wijzen op grote invloed van stikstofdepositie. In deze vegetatiekartering is vastgesteld dat de actuele kwaliteit van het habitattype (in ieder geval in de Pettemerduinen) over het algemeen goed is. Verruiging met dauwbraam is slechts lokaal aangetroffen, en ook vergrassing komt weinig voor. De dynamiek in het gebied, met name in de Pettemerduinen, die zorgt voor lokale overstuiving, en de begrazing door konijnen en runderen heeft blijkbaar geleid tot uitbreiding van het areaal van duingraslanden van het grijze duin, en tot verbetering van de kwaliteit, ten opzichte van de referentiesituatie waarop de habitattypenkaart is gebaseerd (2004). De uitvoering van de kustversterking bij Petten heeft mogelijk bijgedragen aan lichte overstuiving in het gebied.

Ook uitbreiding van de konijnenstand (holen en sterke begrazing) stimuleert de lokale verstuiving (Figuur 6-8, Figuur 6-9). Struweelvorming is in de Pettemerduinen alleen zichtbaar op luwe plekken, waar de dynamiek lager is. Ondanks een stikstofdepositie die hoger was (en nog steeds is) dan de kritische depositiewaarde, kon het habitattype zich onder deze condities uitbreiden en goed ontwikkelen.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

69 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 6-7: Ligging van het habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister

Figuur 6-8: Vegetatiebeeld in het duingebied direct ten westen van de EHC. Deze locatie kwalificeert als H2130B Grijze duinen (kalkarm), maar is niet als zodanig aangegeven op de habitattypenkaart. Door activiteiten van konijn is een korte, open vegetatie ontstaan, waarin regelmatig verstuiving op kan treden, mede als gevolg van graafactiviteiten van konijnen (zie hol rechtsonder op de foto). Foto genomen op 14 november 2018. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

70 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 6-9: Kenmerkend open landschapsbeeld in de Pettemerduinen, met duingraslanden behorend tot het habitattype H2130 Grijze duinen (zowel kalkarm als kalkrijk). Foto genomen op 14 november 2018.

Figuur 6-10: Vegetatiebeeld aan de oostzijde van de Pettemerduinen (zicht vanaf de stuifdijk richting het westen). Zichtbaar zijn duinheiden met struikhei en kraaihei (donkere plekken) en uitgestrekte duingraslanden. Op de voorgrond een afwisseling van struikhei (bruin, verbrand door hete zomer 2018), kraaihei (donkergroen) en open duingrasland van habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm). Foto genomen op 14 november 2018. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

71 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Knelpunten Het habitattype heeft een lage kritische depositiewaarde van 714 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Figuur 6-7 laat zien dat vrijwel het volledige oppervlak zich in een overbelaste situatie bevindt. Alleen in het Zwanenwater zijn kleine oppervlaktes niet overbelast. Volgens het beheerplan hebben de hoge stikstofdepositie, in combinatie met onder andere beperkte begrazing (eerdere afname konijnenpopulatie) en een gebrek aan dynamiek (door vastleggen duinen), plaatselijk geleid tot vergrassing en verstruweling. In de Pettemerduinen is de vergrassing beperkt, doordat het gebied al zestien jaar grotendeels jaarrond begraasd wordt ter compensatie van de verminderde begrazing door konijnen. Ook in het Zwanenwater bestaat het huidige beheer uit begrazing. Een ander knelpunt is de opmars van Amerikaanse vogelkers en de aanwezigheid van rimpelroos. Ook verzuring door zure depositie (m.n. ammoniak) en betreding (lokaal) vormen knelpunten. Het belangrijkste knelpunt is echter het intensieve zeereepbeheer en daardoor het gebrek aan dynamiek (Provincie NoordHolland, 2017b). Huidig beheer Voor grijze duinen geldt dat extensief begrazingsbeheer de beste vorm van beheer is. 11 Van natura vindt deze begrazing in de duinen plaats door konijnen, maar begrazing is ook een historische vorm van exploitatie van de duinen geweest in de afgelopen jaren.

Als gevolg van ziektes is de konijnenpopulatie in de Nederlandse duinen sterk ingekrompen, maar in de Pettemerduinen lijkt deze zich te herstellen. Ter vervanging van de natuurlijke is in de Pettemerduinen en later ook in het Zwanenwater een begrazingsbeheer met runderen ingesteld. Het resultaat hiervan is met name zichtbaar op de grens met de omheinde EHC, waar geen begrazing plaatsvindt. Aan de “begraasde kant” van het hek is de vegetatie korter, is minder sprake van hoog opgaande grassen en opslag van struiken. Kwantificering van effect Tabel 6-3 geeft de maximale toenames van de stikstofdepositie gedurende de realisatiefase en exploitatiefase van PALLAS. Tabel 6-3: Stikstofdepositie op het habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Fase

Maximale toename van stikstofdepositie (mol N/ha/jaar)

Realisatiefase

1,83

Exploitatiefase

0,06

% van habitattype waar sprake is van overbelasting 99

Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit De toename van de stikstofdepositie als gevolg van PALLAS is op kaart weergegeven in Figuur 6-11 voor de realisatiefase en Figuur 6-12 voor de exploitatiefase. Het habitattype komt in de huidige situatie in goed ontwikkelde toestand voor en heeft zich kunnen uitbreiden. Slechts een klein deel is overbelast. In de afgelopen decennia is sprake geweest van een (aanzienlijke) overschrijding van de kritische depositiewaarde voor het habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm), van enkele honderden mol N/ha/jaar in grote delen van het gebied, tot 1.000 mol N/ha/jaar op enkele locaties. Uit actuele waarnemingen in het veld is gebleken dat het habitattype, ondanks de voornoemde hoge overschrijdingen, een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Grijze duingraslanden hebben zich ontwikkeld op locaties waar zij 15 jaar geleden nog niet werden aangetroffen. De algehele kwaliteit van de graslanden is goed. Verruiging met o.a. dauwbraam is alleen lokaal aanwezig. Deze goede kwaliteit geldt met name voor de Pettemerduinen, waar door het open karakter van het landschap, begrazingsbeheer en herstel van de konijnenstand voldoende

11 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-vastgelegde-duinen-2130, geraadpleegd op 02-07-2020.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

72 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

dynamiek aanwezig is om de effecten van stikstofdepositie te beperken. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de huidige (sterke) overschrijding van de kritische depositiewaarde de verdere uitbreiding en kwaliteitsverbetering van het habitattype, onder invloed van begrazing door konijnen en runderen en verstuiving niet in de weg heeft gestaan. De toename van de stikstofdepositie is met maximaal 1,87 mol N/ha/jaar door de realisatie en 0,06 mol N/ha/jaar door exploitatie beperkt. Ook deze geringe toename zal, gezien het bovenstaande, niet leiden tot een zichtbare verandering in de samenstelling van de hier aanwezige graslanden van het habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm). De realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, uitbreiding en verbetering van het habitattype, wordt door realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor niet belemmerd.

Figuur 6-11: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

73 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 6-12: Projecteffect in de exploitatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm)) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

6.4.5

H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig)

Beschrijving van het habitattype Dit habitattype bestaat uit kustduinen met een vegetatie die wordt gedomineerd door dwergstruiken, waaronder kraaihei. In natte duinheide in duinvalleien kunnen gewone dophei of cranberry dominant zijn. Ook als kraaihei slechts met lage bedekking aanwezig is, worden vegetaties met dwergstruiken tot dit habitattype gerekend. Meestal gedraagt kraaihei zich echter als een concurrentiekrachtige soort die andere dwergstruiken kan verdringen. Het habitattype komt vooral voor in duinvalleien. Het betreft in alle gevallen ontkalkte duinen met een relatief dikke humuslaag op de bodem. Met name in valleien kan het habitattype lang standhouden, voordat het overgaat naar een volgende fase in de successie (Ministerie van LNV, 2008). Ecologische vereisten Vochtige duinheiden met kraaihei komen voor op standplaatsen met matig zuur tot zure omstandigheden (pH <5.5) met een vochtige tot natte, voedselarme bodem. De vegetaties vormen het voorlopige eindstadium in de successie van duinvalleien waar de condities voor vorming van bos minder geschikt zijn of bosvorming door beheer wordt tegengegaan. Ze ontstaan uit duinvalleivegetaties na een proces van ontkalking en ophoping van organisch materiaal (Beije & Smits, 2014a). Voor kraaihei is een relatief koel en vochtig microklimaat nodig. Toestroom van grondwater is noodzakelijk voor aanwezigheid van het habitattype.

Enige overstuiving is goed voor diversiteit en levensduur (Provincie Noord-Holland, 2017b). Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig) is behoud van oppervlakte en kwaliteit.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

74 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Verspreiding binnen het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen Figuur 6-13 laat de ligging van Vochtige duinheiden met kraaihei zien. Het habitattype komt vooral in het Zwanenwater voor, maar ook binnen de Pettemerduinen komt het habitattype voor, met name aan de oostzijde van het gebied. In de Pettemerduinen komen kleinere oppervlakten van dit habitattype voor.

Figuur 6-13: Ligging van het habitattype H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister.

Huidige kwaliteit De actuele kwaliteit van het habitattype is volgens het beheerplan matig. Onder invloed van het huidige beheer (verwijderen houtopslag en begrazen) vertoont de oppervlakte van het habitattype een positieve trend. De kwaliteit daalde echter; mede onder invloed van stikstofdepositie ontstaan soortenarme kraaiheistruwelen, waaruit met name de korstmossen en de blad- en levermossen verdwijnen (Provincie Noord-Holland, 2017b). Het habitattype komt in de Pettemerduinen over grotere oppervlaktes voor dan aangegeven op de habitattypenkaart die ten grondslag ligt aan het beheerplan. Zo bleek bij het veldbezoek van 14 november 2018, en uit de vegetatiekartering uit 2020, dat het type over een grote oppervlakte en met een redelijk hoge kwaliteit voorkomt in een vallei ten zuiden van de EHC (afwisseling van kraaihei, dophei en struikhei; voorkomen van o.a. stekelbrem; zie Figuur 6-14). Van dominantie van kraaihei is in deze vegetaties veelal geen sprake. Op de locaties van het habitattype in de Pettemerduinen heeft al geruime tijd geen overschrijding van de kritische depositiewaarde plaatsgevonden. De grootste oppervlaktes van het habitattype komen voor in het oostelijk deel van het Zwanenwater. Lokaal is hier sprake van overschrijding van de kritische depositiewaarde in 2020. Ook in dit gebied is sprake van afwisseling van kraaihei en dophei in de vegetatie.

In welke mate andere soorten (waaronder bladmossen en levermossen) voorkomen is niet bekend. Uit het veldonderzoek voor PALLAS uit 2015 blijkt dat een aantal kenmerkende soorten voor vochtige duinheiden (heidekartelblad, rond wintergroen, klein wintergroen) in het zuiden van het Zwanenwater voorkomen op plaatsen die op de habitattypenkaart aangegeven staan als dit

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

75 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

habitattype (Braad et al., 2015). Dit wijst erop dat (in ieder geval delen van) het habitattype hier goed ontwikkeld is voor het kwaliteitsaspect vegetatietypen.

Figuur 6-14: Habitattype H2140A in een duinvallei ten zuiden van de EHC. Met een hoge bedekking van zowel kraaihei (donkergroen) als dophei (lichtroze bloeiwijzen), en enige aanwezigheid van struikhei (roze, onder links van het midden) op hogere gedeelten). Foto genomen op 14 november 2018.

Knelpunten Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie: de kritische depositiewaarde is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Figuur 6-13 laat zien dat een gedeelte van het areaal vochtige duinheiden met kraaihei binnen het deelgebied Zwanenwater overbelast is. In de Pettemerduinen is geen sprake van een overbelaste situatie. Stikstofdepositie en daaraan gekoppeld verzuring vormen knelpunten bij een goede ontwikkeling van het habitattype. Hoge stikstofdeposities kunnen leiden tot dominantie van specifieke soorten, zoals duinriet en zandzegge. Ook neemt de dominantie van kraaihei toe bij een hoge depositie, waardoor andere kenmerkende soorten van het habitattype verdrongen worden. Verzuring kan leiden tot een verminderde kwaliteit van het habitattype. De heide veroudert door successie en ontbreken van verjonging. Door voortgaande successie ontwikkelt het habitattype zich richting (vochtig) duinbos en gagelstruweel. Het ontbreken van voldoende verstuivingsdynamiek draagt bij aan de versnelde successie (Provincie NoordHolland, 2017a; 2017b). Huidig beheer Voor duinheiden met kraaiheide geldt dat extensief begrazingsbeheer de beste vorm van beheer is. 12 Begrazing vindt in de duinen plaats en het resultaat hiervan is met name zichtbaar op de grens met de omheinde EHC.

Aan de “begraasde kant” van het hek is de vegetatie korter, minder ruig en is meer afwisseling met struikjes en open plekken aan de “onbegraasde kant” van het hek.

12 Voor dit habitattype is geen specifiek beheer gegeven, maar dit is vergelijkbaar met andere duinhabitattypen:

https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-vastgelegde-duinen-2130 en https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000vastgelegde-ontkalkte-duinen-2150 (geraadpleegd 02-07-2020). Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

76 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Verder zijn aanwijzingen dat de recente zandsuppleties hebben gezorgd voor meer verstuiving, maar er is geen onderzoek beschikbaar met de resultaten van deze toename van verstuiving. Het is wel bekend dat met name het westelijke deel van de duinen nog steeds invloed ondervindt van verstuiving. 13 Kwantificering van effect Tabel 6-4 geeft de maximale toenames van de stikstofdepositie gedurende de realisatiefase en exploitatiefase van PALLAS. Tabel 6-4: Stikstofdepositie op het habitattype H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Fase

Maximale toename van stikstofdepositie (mol N/ha/jaar)

Realisatiefase

0,64

Exploitatiefase

0,02

% van habitattype waar sprake is van overbelasting

23

Figuur 6-15: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig)) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

13 https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/zwanenwater-pettemerduinen, geraadpleegd op 02-07-2020.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

77 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 6-16: Projecteffect in de exploitatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig)) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit De toename van de stikstofdepositie als gevolg van PALLAS is op kaart weergegeven in Figuur 6-15 voor de realisatiefase en Figuur 6-16 voor de exploitatiefase. Overschrijdingen op het habitattype zijn beperkt: dit is met name aan de orde in het Zwanenwater en niet in de Pettemerduinen waar het effect van de PALLAS-reactor het grootste is. Effecten op dit habitattype kunnen in de Pettemerduinen, en in grote delen van het Zwanenwater worden uitgesloten, omdat hier de kritische depositiewaarde niet wordt overschreden. In het Zwanenwater vindt een toename van de stikstofdepositie op overbelaste delen van het habitattype plaats. De duinheiden in dit deelgebied hebben, ondanks de jarenlange overschrijding van de kritische depositiewaarde, een redelijk goede kwaliteit, mede gezien het voorkomen van kenmerkende soorten voor het habitattype. Verslechtering van de kwaliteit van het habitattype door de toename is daarom niet aan de orde bij gelijkblijvend beheer en uitvoering van de maatregelen in het beheerplan. Gezien voorgaande leidt de toename van stikstofdepositie van 0,66 mol N/ha/jaar bij realisatie en 0,10 mol N/ha/jaar bij exploitatie niet tot meetbare effecten.

De realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, behoud van oppervlakte en kwaliteit van het habitattype, wordt door realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor niet belemmerd.

6.4.6

H2140B Duinheiden met kraaihei (droog)

Beschrijving van het habitattype Open kustduinen met een vegetatie die wordt gedomineerd door dwergstruiken, waaronder kraaihei en struikhei. In droge duinheiden kunnen eikvaren, kruipwilg of, pleksgewijs, struikhei domineren. Ook als kraaihei slechts met lage bedekking aanwezig is, worden vegetaties met dwergstruiken tot dit habitattype gerekend. Meestal gedraagt kraaihei zich echter als een concurrentiekrachtige soort die andere Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

78 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

dwergstruiken kan verdringen. Het habitattype komt als gevolg hiervan vooral voor op noordhellingen (hoge luchtvochtigheid) en droge duinvalleien. Het betreft in alle gevallen ontkalkte duinen met een relatief dikke humuslaag op de bodem (Ministerie van LNV, 2008). Ecologische vereisten Het habitattype ontstaat daar waarboven op het duinzand een organische humuslaag is ontstaan door zure omstandigheden. Voor kraaihei is een relatief koel en vochtig microklimaat nodig. Droge duinheiden met kraaihei hebben zure omstandigheden met striktere grenzen (4.0 – 5.5 pH) dan de vochtige variant van het habitattype. De voedselrijkdom van de bodem is arm en er moet in het voorjaar gemiddeld een lagere grondwaterstand dan 40 cm beneden het maaiveld zijn. Geringe verstuiving is noodzakelijk voor een meer diverse vegetatiesamenstelling en draagt daarnaast bij aan een bredere range van de toelaatbare zuurgraad en voedselrijkdom (Beije & Smits, 2014b). Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) is behoud van oppervlakte en kwaliteit. Verspreiding binnen het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen Figuur 6-17 laat de ligging van Droge duinheiden met kraaihei zien. Het habitattype komt in een aanzienlijk oppervlakte voor in het Natura 2000-gebied voor.

Dit habitattype komt zowel voor op noordhellingen van duinen en stuifdijken als in de meer vlakke delen van de droge duinen.

Figuur 6-17: Ligging van het habitattype H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister.

Huidige kwaliteit De actuele kwaliteit van het habitattype is volgens het beheerplan matig. Onder invloed van het huidige beheer (verwijderen houtopslag en begrazen) vertoont de oppervlakte van het habitattype een positieve trend. De kwaliteit daalt echter; mede onder invloed van stikstofdepositie ontstaan soortenarme

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

79 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

kraaiheistruwelen, waaruit met name de korstmossen en de blad- en levermossen verdwijnen (Provincie Noord-Holland, 2017b). De droge duinheiden met kraaihei op en rond de stuifdijk in het oosten van de Pettemerduinen kennen een grote afwisseling tussen min of meer gesloten begroeiingen van kraaihei, struikhei en open plekken met korstmossen. In de vegetatie komen hier ook veel gewone eikvarens voor (Figuur 6-10, Figuur 6-18, Figuur 6-19). Plaatselijk komt hier opslag voor van struiken en bomen (vogelkers, zomereik), maar dit is vooral een gevolg van achterstallig beheer. De structuur en afwisseling van de vegetatie is vrij goed ontwikkeld, ondanks het feit dat hier (te) hoge deposities van stikstof voorkomen.

Figuur 6-18: Droge duinheide op de westelijke helling van de stuifdijk in de Pettemerduinen met kraaiheide, struikheide en gewone eikvaren. Foto genomen op 14 november 2018.

Knelpunten Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie: de kritische depositiewaarde is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Uit Figuur 6-17 blijkt dat een deel ongeveer een kwart van het habitattype overbelast is. Wat meer dan een derde is wel overbelast. Het resterende deel is niet overbelast, maar naderend wel een overbelaste situatie. De kenmerkende vegetaties binnen het habitattype reageren verschillend op vermesting in het algemeen. Er wordt vermoed dat verhoogde stikstofdepositie ertoe leidt dat de natuurlijke uitbreiding van kraaihei in duinheiden sneller verloopt en verantwoordelijk is voor de vaak geconstateerde dominantie van kraaihei. Als gevolg daarvan nemen andere, minder concurrentiekrachtige soorten af in de duinheiden. Behalve dat de natuurlijke successie binnen het habitattype invloed ondervindt van depositie, wordt ook het begin en het eind van de successie erdoor beïnvloed. Hogere grassen nemen in verzuurde en vermeste duingraslanden een sterk dominante positie in waardoor er nauwelijks kiemingsmogelijkheden ontstaan voor heidesoorten. Onder het huidige niveau van stikstofdepositie is de vorming van duinheide vanuit duingraslanden waarschijnlijk sterk beperkt. Daarnaast is de snelheid waarmee de successie van duinheide naar duinbossen verloopt waarschijnlijk sneller geworden.

Vermoedelijk is er een duidelijke link met de vermesting en mogelijk successie, waardoor uiteindelijk soorten arme kraaiheiden zijn ontstaan. Het ontbreken van voldoende verstuivingsdynamiek draagt bij aan de versnelde successie.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

80 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 6-19: Droge duinheide met kraaihei, struikhei en korstmossen op de westelijke helling van de stuifdijk in de Pettemerduinen. Foto genomen op 14 november 2018.

Huidig beheer Voor duinheiden met kraaiheide geldt dat extensief begrazingsbeheer de beste vorm van beheer is.14 Begrazing vindt in de duinen plaats en het resultaat hiervan is vooral zichtbaar op de grens met de omheinde EHC. Aan de “begraasde kant” van het hek is de vegetatie korter, minder ruig en is meer afwisseling met struikjes en open plekken aan de “onbegraasde kant” van het hek. Verder zijn aanwijzingen dat de recente zandsuppleties hebben gezorgd voor meer verstuiving, maar er is geen onderzoek beschikbaar met de resultaten van deze toename van verstuiving. Het is wel bekend dat met name het westelijke deel van de duinen nog steeds invloed ondervindt van verstuiving. 15 Kwantificering van effect Tabel 6-5 geeft de maximale toenames van de stikstofdepositie gedurende de realisatiefase en exploitatiefase van PALLAS.

14 Voor dit habitattype is geen specifiek beheer gegeven, maar dit is vergelijkbaar met andere duinhabitattypen:

https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-vastgelegde-duinen-2130 en https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000vastgelegde-ontkalkte-duinen-2150, geraadpleegd op 02-07-2020. 15 https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/zwanenwater-pettemerduinen, geraadpleegd op 02-07-2020 Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

81 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Tabel 6-5: Stikstofdepositie op het habitattype H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Fase

Maximale toename van stikstofdepositie (mol N/ha/jaar)

Realisatiefase

1,83

Exploitatiefase

0,06

% van habitattype waar sprake is van overbelasting

25

Figuur 6-20: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit De toename van de stikstofdepositie als gevolg van PALLAS is op kaart weergegeven in Figuur 6-20 voor de realisatiefase en Figuur 6-21 voor de exploitatiefase. Effecten op dit habitattype zijn in grote delen van het gebied uitgesloten, omdat hier de kritische depositiewaarde niet wordt overschreden. Op enkele plaatsen in het uiterste oostelijk deel van het gebied vindt op oppervlaktes van beperkte omvang van het habitattype een toename plaats van maximaal 1,83 mol N/ha/jaar gedurende de realisatiefase en 0,06 mol N/ha/jaar in de exploitatiefase. De duinheiden in dit deelgebied hebben, ondanks de jarenlange overschrijding van de kritische depositiewaarde, een redelijk goede kwaliteit, mede gezien het voorkomen van kenmerkende soorten voor het habitattype, waaronder veel korstmossen.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

82 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 6-21: Projecteffect in de exploitatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Het habitattype wordt in stand gehouden door begrazing waarmee elke jaar een deel van de aanwezige stikstof wordt afgevoerd. In de duinen speelt als belangrijk knelpunt de beperkte dynamiek, wat in de duinen een essentieel onderdeel is van het systeem. De toename van stikstofdepositie is gering en leidt niet tot meetbare effecten, zeker niet in combinatie met de huidige staat van het habitattype en het gegeven dat andere knelpunten een belangrijke rol spelen. De realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, behoud van oppervlakte en kwaliteit van het habitattypen, wordt door realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor niet belemmerd.

6.4.7

H2150 Duinheiden met struikhei

Beschrijving van het habitattype Het habitattype betreft door struikhei gedomineerde begroeiingen op kalkarme kustduinen en in relatief ver landinwaarts gelegen, van oorsprong kalkrijke maar inmiddels sterk ontkalkte en langdurig beweide oude kustduinen. In de ondergroei kan de soortenrijkdom aan korstmossen redelijk groot zijn. Binnen het duingebied lijkt het habitattype op het habitattype Duinheiden met kraaihei (droog) (H2140B), dat over veel grotere oppervlakten voorkomt. Wanneer kraaihei in een duinheide voorkomt, is er al sprake van H2140 (ook al domineert struikhei); alleen struikheibegroeiingen zonder kraaihei worden tot H2150 gerekend (Ministerie van LNV, 2008). Ecologische vereisten Het habitattype komt voor op kalkloos en ontkalkt duinzand met een zwarte organische humuslaag, ontstaan door zure omstandigheden. In de van oorsprong kalkrijke duinen is het habitattype beperkt tot de diep ontkalkte duinen. Voor de instandhouding van de dominantie van struikhei is vegetatiebeheer noodzakelijk (konijnenbegrazing alleen is niet voldoende). Goed ontwikkelde vormen worden gekenmerkt door een afwisseling van jonge, oude en zeer oude heidestruiken. Een hoge bedekking van korstmossen (> 20%) vergt een relatief open vegetatiestructuur (Provincie Noord-Holland, 2017b).

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

83 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2150 Duinheiden met struikhei is behoud van oppervlakte en kwaliteit. Verspreiding binnen het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen Duinheide met struikhei komt in Zwanenwater & Pettemerduinen beperkt voor in de Pettemerduinen en op de EHC. Figuur 6-22 laat zien dat het habitattype versnipperd in relatief kleine oppervlaktes verspreid in het Natura 2000-gebied.

Figuur 6-22: Ligging van het habitattype H2150 Duinheiden met struikhei in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister.

Huidige kwaliteit De huidige kwaliteit van het habitattype is matig. Vermoedelijk neemt het habitattype in omvang af door uitbreiding van kraaiheide. Vergrassing wordt tegengaan door begrazing (Provincie Noord-Holland, 2017b). Knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling zijn (Provincie Noord-Holland, 2017b): • Gevoeligheid voor stikstofdepositie; • Verhouting met invasieve soorten als rimpelroos en krent en inheemse soorten; • Invasie van kraaiheide. Knelpunten De kritische depositiewaarde van Duinheiden met struikhei is 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Figuur 6-22 laat zien dat ca. 50% van het habitattype overbelast is. Het habitattype is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde wordt over een aanzienlijk deel van het areaal duinheiden met struikhei overschreden. Duinheiden met struikhei zijn gevoelig voor verhouting met invasieve soorten als rimpelroos en krent, maar ook door inheemse soorten. Invasie van kraaihei leidt eveneens tot een afname van dit habitattype. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

84 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Huidig beheer Voor duinen met struikheide geldt dat (extensief) begrazingsbeheer de beste vorm van beheer is.16 Begrazing vindt in de duinen plaats en het resultaat hiervan is met name zichtbaar op de grens met de omheinde EHC. Aan de “begraasde kant” van het hek is de vegetatie korter, minder ruig en is meer afwisseling met struikjes en open plekken aan de “onbegraasde kant” van het hek. Verder zijn aanwijzingen dat de recente zandsuppleties hebben gezorgd voor meer verstuiving, maar er is geen onderzoek beschikbaar met de resultaten van deze toename van verstuiving. Het is wel bekend dat met name het westelijke deel van de duinen nog steeds invloed ondervindt van verstuiving. 17 Kwantificering van effect Tabel 6-6 geeft de maximale toenames van de stikstofdepositie gedurende de realisatiefase en exploitatiefase van PALLAS. Tabel 6-6: Stikstofdepositie op het habitattype H2150 Duinheiden met struikhei in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Fase

Maximale toename van stikstofdepositie (mol N/ha/jaar)

Realisatiefase

1,69

Exploitatiefase

0,05

% van habitattype waar sprake is van overbelasting

54,0

Figuur 6-23: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2150 Duinheiden met struikhei in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14683108/1