Achtergrondrapport Natuur bijlage 1 Passende beoordeling Pallas-Reactor
Tekst van het document
16 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-vastgelegde-ontkalkte-duinen-2150, geraadpleegd op 02-07-2020. 17 https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/zwanenwater-pettemerduinen, geraadpleegd op 02-07-2020.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
85 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit De toename van de stikstofdepositie als gevolg van PALLAS is op kaart weergegeven in Figuur 6-23 voor de realisatiefase en Figuur 6-24 voor de exploitatiefase. Vergelijking van de habitattypenkaart voor de Pettemerduinen met de actuele luchtfoto van het gebied geeft op een deel van de locaties weinig of geen correlatie met op de foto zichtbare vegetatiestructuren. Veel van de locaties lijken (grotendeels) uit duingrasland of uit bos te bestaan. Verder zijn in de duinen over een groot oppervlakte een complex zichtbaar van Grijze duinen en Duinheiden met kraaihei en struikhei. Het is daarom onduidelijk in welke mate de effecten op kaart overeenkomen met de werkelijke effecten die op dit habitattype kunnen optreden. Het is onduidelijk of het volledige oppervlak van het habitattype goed in beeld is gebracht. Van het deel dat op kaart staat is bekend dat dit in de huidige situatie in matige toestand voorkomt. Dit hangt samen met de uitbreiding van een ander habitattype. Een groot deel is ook in goed ontwikkelde vorm aanwezig. De duinheiden in het oostelijke deel van de Pettemerduinen hebben, ondanks de jarenlange overschrijding van de kritische depositiewaarde, een redelijk goede kwaliteit, mede gezien het voorkomen van kenmerkende soorten voor het habitattype, waaronder veel korstmossen.
De toename van de stikstofdepositie is beperkt: realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor leiden tot een toename van respectievelijk tot 1,69 mol N/ha/jaar en 0,05 mol N/ha/jaar. Verslechtering van de kwaliteit van het habitattype door de toename treedt daarom niet op bij gelijkblijvend beheer en uitvoering van de maatregelen in het beheerplan. Meetbare effecten als gevolg van de beperkte toename van stikstofdepositie zijn uitgesloten. De realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, behoud van oppervlakte en kwaliteit van het habitattype, wordt door realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor niet belemmerd.
Figuur 6-24: Projecteffect in de exploitatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2150 Duinheiden met struikhei in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
86 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
6.4.8
H2180Abe Duinbossen (droog), berken-eikenbos
Beschrijving van het habitattype Dit habitattype betreft natuurlijke of halfnatuurlijke loofbossen in de kustduinen, met sterk uiteenlopende kenmerken. Vaak is de zomereik de dominante boomsoort, maar met name in duinvalleien en in de meest landinwaarts gelegen gedeelten spelen (ook) andere boomsoorten een belangrijke rol. De kruidlaag kan zeer soortenrijk zijn. De meeste van de samenstellende vegetaties komen ook (of zelfs vooral) buiten de duinen voor. Het aantal werkelijk kenmerkende soorten is dan ook gering. Doordat het grootste deel van het duingebied relatief jong is en tot het begin van de twintigste eeuw intensief werd begraasd, zijn er maar weinig oude bossen die een beeld geven van het type vegetatie dat bij ongestoorde ontwikkeling te verwachten is. In de middenduinen en de buitenduinen is spontane bosvorming vrijwel beperkt tot de duinvalleien, waar zich in eerste instantie vooral berkenbossen vormen. Op de hogere delen van de midden- en buitenduinen is de natuurlijke vegetatiesuccessie meestal nog niet verder gekomen dan hoge struwelen, en zijn de meeste bossen recent aangeplant (met bijvoorbeeld grauwe abeel). Het is daarom lastig een goede karakterisering van (natuurlijke) duinbossen te geven (Ministerie van LNV, 2009). Ecologische vereisten Tot het subtype H2180Abe behoren de bossen op de meest voedselarme en droge standplaatsen.
Het gaat hierbij om Berken-Eikenbossen. Dit habitattype komt vooral voor op de meest diep ontkalkte delen in de binnenduinrand van de relatief jonge duinen in het gebied. De bodems zijn meestal relatief zuur en in dat geval is sprake van een slechte strooiselvertering. In het jongere midden- en buitenduin is de vegetatieontwikkeling meestal niet zo ver voortgeschreden dat zich al droge duinbossen hebben ontwikkeld. Daarbij komt dat de mogelijkheden voor bosontwikkeling hier sterk geremd worden door de invloed van zeewind en inwaai van zand en zout. De meeste droge duinbossen zijn hier aangeplant en worden niet zelden aan de loefzijde geleidelijk weer door de wind opgerold (Provincie Noord-Holland, 2017b).
Figuur 6-25: Ligging van het habitattype H2180Abe Duinbossen (droog), berken-eikenbos in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
87 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2180A Duinbossen (droog) is behoud van oppervlakte en kwaliteit. Verspreiding binnen het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen Figuur 6-25 geeft de ligging van Droge duinbossen in het Natura 2000-gebied. Droge duinbossen komen voornamelijk voor in de Pettemerduinen en nog een klein oppervlakte in het Zwanenwater. Huidige kwaliteit Droge duinbossen komen voor aan de noordwestzijde van de EHC, tussen het daar aanwezige grove dennenbos. Dit bos bestaat uit een open loofbos met een ondergroei van droog duingrasland (zie Figuur 6-26). Dit bos staat op een niet-kenmerkende standplaats buiten de binnenduinrand. De groei van een kruidlaag wordt hier waarschijnlijk beperkt door de dynamische omstandigheden (wind, invang van stuivend zand en zout). In het zuidwestelijk deel van de Pettemerduinen komen eveneens droge duinbossen voor langs de binnenduinrand. Het zijn overwegend laagblijvende bossen met berk, zomereik en andere boomsoorten. Het bos is regelmatig gemengd met grove dennen. De ondergroei is alleen plaatselijk ruig met bramen, met name op open plekken en langs paden, waar meer lichtinval is, en waar mogelijk ook eutrofiëring door honden plaatsvindt (in dit gedeelte van het bos worden veel honden uitgelaten).
Grote delen van het bos zijn echter vrij van verruiging door bramen en andere ruigtesoorten, en bestaan uit een ondergroei waarin gewone eikvaren domineert (Figuur 6-27). Daarnaast komt de struik hulst regelmatig voor.
Figuur 6-26: Droge duinbossen binnen het dennenbos aan de noordwestzijde van de EHC. Foto genomen op 16 juni 2017.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
88 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 6-27: Droog duinbos in het zuidoosten van de Pettemerduinen. Deze bossen zijn gemengd met grove dennen. De ondergroei veelal uit gewone eikvaren, maar ook hulst en (aan de randen) bramen komen voor. Foto genomen op 20 februari 2019.
Knelpunten De kritische depositiewaarde van droog duinbos bedraagt 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Figuur 6-25 laat zien dat vrijwel het volledige oppervlak overbelast is. De kwaliteit van het droge bos is niet overal goed. Lokaal komen ruigtesoorten en Amerikaanse vogelkers voor. De trend voor oppervlakte is positief. Qua kwaliteit is door de verruiging en Amerikaanse vogelkers de kwaliteit de trend negatief. Knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling zijn (Provincie Noord-Holland, 2017a; 2017b): • De aanwezigheid van exoten en andere habitatvreemde soorten (Amerikaanse vogelkers en populier) is het belangrijkste knelpunt. • Stikstofdepositie wat leidt tot verzuring en verruiging (verbraming). De stikstofdepositie zorgt ook voor een snellere groei van exoten. Huidig beheer De mogelijkheden voor regulier beheer zijn beperkt voor dit habitattype. 18 Het is niet bekend welke vorm van beheer plaatsvindt in de bossen. In het beheerplan is opgenomen dat in Zwanenwater grauwe wilg wordt verwijderd (Provincie Noord-Holland, 2017b). Het is niet bekend of dit al gebeurd is.
18 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-natuurlijke-loofbossen-van-de-kustduinen-2180, geraadpleegd op 02-07-2020.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
89 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Kwantificering van effect Tabel 6-7 geeft de maximale toenames van de stikstofdepositie gedurende de realisatiefase en exploitatiefase van PALLAS. Tabel 6-7: Stikstofdepositie op het habitattype H2180Abe Duinbossen (droog) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.
Fase
Maximale toename van stikstofdepositie (mol N/ha/jaar)
Realisatiefase
1,13
Exploitatiefase
0,04
% van habitattype waar sprake is van overbelasting
98
Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit De toename van de stikstofdepositie als gevolg van PALLAS is op kaart weergegeven in Figuur 6-28 voor de realisatiefase en Figuur 6-29 voor de exploitatiefase. Het habitattype heeft zich ondanks de overbelasting uit kunnen breiden. De toename van stikstofdepositie is gering (voor realisatie en exploitatie respectievelijk 1,13 mol N/ha/jaar en 0,04 mol N/ha/jaar). De bossen die meer aan de zeezijde van het gebied zijn gelegen staan onder invloed van de hoge dynamiek. De lage toename van depositie heeft in de aanwezige bossen, gezien de huidige samenstelling van de ondergroei, geen gevolgen. Meer landinwaarts geldt dat de aanzienlijk invloed van honden en de homogene samenstelling en exoten meer bepalend zijn dan de geringe toename van stikstofdepositie. De toename van de stikstofdepositie leidt niet tot meetbare effecten. De realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, behoud van oppervlakte en kwaliteit van het habitattype, wordt door realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor niet belemmerd.
Figuur 6-28: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2180Abe Duinbossen (droog) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
90 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 6-29: Projecteffect in de exploitatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2180Abe Duinbossen (droog) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.
6.4.9
H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen
Beschrijving van het habitattype Het habitattype Vochtige duinvalleien is veelomvattend: het betreft open water, vochtige graslanden, lage moerasvegetaties en rietlanden, alle voor zover voorkomend in (min of meer natuurlijke) laagten in de duinen. Mede door de grote ecologische variatie is het aantal kenmerkende soorten groot. Het gaat om relatief jonge successiestadia. Begroeiingen van oudere (al of niet verdroogde) successiestadia in duinvalleien behoren tot andere habitattypen, bijvoorbeeld Vochtige duinheide met kraaihei (H2140), duinstruwelen (H2160 of H2170), Duinbossen (H2180) en vochtige Heischrale graslanden (H6230). Ook in cultuur gebrachte valleien (bijvoorbeeld begroeid met Blauwgraslanden, H6410) worden niet tot het habitattype gerekend. Vochtige duinvalleien kunnen van nature op twee manieren ontstaan. Primaire duinvalleien ontstaan doordat strandvlakten door duinen worden gescheiden van zee. Secundaire duinvalleien ontstonden oorspronkelijk in het kielzog van mobiele duinen, maar tegenwoordig alleen nog doordat stuifkuilen uitstuiven tot op het grondwaterniveau. Daarnaast kunnen Vochtige duinvalleien worden ontwikkeld door inrichtingsmaatregelen. Duinwateren komen voor in de laagste delen van het duingebied, waar in ‘gemiddelde’ jaren het water tot ver in het groeiseizoen boven maaiveld staat en die hooguit kort droogvallen in het groeiseizoen.
Binnen de duinwateren bestaat grote variatie in ecologische omstandigheden, variërend van brak tot zoet, van voedselarm tot voedselrijk, en van basisch tot zuur. In duingebieden die zeer arm aan kalk zijn, komen duinplassen voor die verwant zijn aan zwak gebufferde vennen (H3130). In de kalkrijke duingebieden zijn de grotere duinwateren van nature vrij voedselrijk door de aanvoer van nutriënten met doorstromend grondwater en de aanvoer van organisch materiaal met oppervlakkig afstromend regenwater en door inwaai van blad. Door de geringe zuurgraad van het water wordt het aangevoerde organische materiaal redelijk snel afgebroken. Ook zijn duinmeertjes een favoriete broedplek voor kolonievogels en rustplek voor Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
91 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
watervogels. Dit kan zorgen voor een extra aanvoer van nutriënten met de uitwerpselen van de vogels (Ministerie van LNV, 2009). Ecologische vereisten Voor deze vorm van dit habitattype is toestroom van licht gebufferd grondwater noodzakelijk en de gewenste waterkwaliteit is licht tot matig voedselrijk (Provincie Noord-Holland, 2017b). Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2190A Vochtige duinvalleien (open water) is uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Verspreiding binnen het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen Figuur 6-30 laat zien dat Vochtige duinvalleien van open water voorkomen langs de oostkant van het Natura 2000-gebied. Het habitattype ligt op de EHC, in het Korfwater en aan de zuidoostzijde van het Tweede Water.
Figuur 6-30: Ligging van het habitattype H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- en mesotrofe vormen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister. 19
Huidige kwaliteit De kwaliteit van het habitattype is volgens het beheerplan matig. Er komt een aantal bijzondere soorten voor, zoals veelstengelige waterbies, waterdrieblad, stijve moerasweegbree en ongelijkbladig fonteinkruid. Trends van oppervlakte en kwaliteit zijn negatief (Provincie Noord-Holland, 2017b). Van deze soorten is alleen de veelstengelige waterbies aangetroffen in het plasje ten noorden van de EHC tijdens het
19 AERIUS relevante habitatkartering: metadata unieke identifier 4e214ddf-4384-42a3-89d9-4074541b640d, metadata datum 2019-09-
19. AERIUS totale stikstofdepositie: metadata unieke identifier b5e7a6f3-aa6d-483b-bebc-c5f7ddd9a233, metadata datum 2019-09-19. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
92 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
veldonderzoek in 2015 (Braad et al., 2015). De overige soorten zijn toen alleen in het Zwanenwater aangetroffen. In de Pettemerduinen komt het habitattype op twee plaatsen voor, namelijk in het Korfwater (Figuur 6-31) en ten noorden van de EHC. De kwaliteit van deze plasjes is zeer waarschijnlijk beperkt. Het is onduidelijk of alle arealen die op de habitattypenkaart aangegeven zijn voor het Zwanenwater als dit habitattype wel daadwerkelijk aanwezig zijn. Het vermoeden is de habitattypenkaart niet klopt, omdat de totale oppervlakte in dat geval aanzienlijk groter zou zijn dan 0,6 ha. Bovendien is op de luchtfoto op de locaties van het habitattype geen open water zichtbaar. Knelpunten De kritische depositiewaarde van Vochtige duinvalleien (open water) bedraagt 1.000 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Figuur 6-30 laat zien dat het grootste deel van het Natura 2000-gebied overbelasting is of dat overbelasting nadert. Knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling zijn (Provincie Noord-Holland, 2017a; 2017b): • Verdroging. Dit wordt tegengegaan door een kwelscherm aan de oostrand van het Zwanenwater, maar het vermoeden is dat de werking van dit scherm afneemt. Hierdoor zal de kweldruk afnemen en daarmee de oppervlakte en kwaliteit van het habitattype afnemen.
Door nieuwe duinen bij Hondsbossche Zeewering en bij Petten is echter de verwachting dat in het zuidelijk deel het grondwaterniveau toeneemt, waardoor vernatting optreedt, wat weer gunstig is voor oppervlakte en kwaliteit van het habitattype. • Eutrofiëring door stikstofdepositie (ook uit het verleden) en vogels. Gezien de grote hoeveelheid vogels die in het Zwanenwater voorkomt, is deze vorm van eutrofiëring hier belangrijk. • Verzuring is mogelijk een knelpunt in minder gebufferde plassen. Dit aspect hangt sterk samen met de stikstofdepositie. • Invasieve soorten als watercrassula.
Figuur 6-31: Duinplasje in het Korfwater (Petten). Foto genomen op 13 februari 2019.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
93 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Huidig beheer Duidelijke beheermaatregelen zijn niet beschreven voor dit habitattype. Grootschalige verstuiving speelt wel een belangrijke rol bij ontwikkeling van dit habitattype.20 Er zijn aanwijzingen dat de recente zandsuppleties hebben gezorgd voor meer verstuiving, maar er is geen onderzoek beschikbaar met de resultaten van deze toename van verstuiving. Het is wel bekend dat met name het westelijke deel van de duinen nog steeds invloed ondervindt van verstuiving21, maar met name voor het ontstaan van duinvalleien is uitstuiving van belang, dus hierbij gaat het om grootschaliger vormen van dynamiek. In de huidige situatie is geen sprake van een huidig beheer van dit habitattype (Provincie Noord-Holland, 2017b). Kwantificering van effect Tabel 6-8 geeft de maximale toenames van de stikstofdepositie gedurende de realisatiefase en exploitatiefase van PALLAS. Tabel 6-8: Stikstofdepositie op het habitattype H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- en mesotrofe vormen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.
Fase
Maximale toename van stikstofdepositie (mol N/ha/jaar)
Realisatiefase
1,38
Exploitatiefase
0,04
% van habitattype waar sprake is van overbelasting
67
Figuur 6-32: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- en mesotrofe vormen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.
20 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-vochtige-duinvalleien-2190, geraadpleegd op 02-07-2020. 21 https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/zwanenwater-pettemerduinen, geraadpleegd op 02-07-2020.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
94 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 6-33: Projecteffect in de exploitatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- en mesotrofe vormen in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.
Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit De toename van de stikstofdepositie als gevolg van PALLAS is op kaart weergegeven in Figuur 6-32 voor de realisatiefase en Figuur 6-33 voor de exploitatiefase. Bij de kaart zijn echter wel kanttekeningen te plaatsen: in het gebied is veel meer open water aanwezig en de vraag is of de kaart niet een onderschatting geeft van het oppervlak. Bovendien is niet op alle op kaart aangegeven locaties open water aanwezig. Het habitattype komt in de huidige situatie in matige toestand voor, maar het is maar de vraag of het habitattypen op de aangeven delen wel voorkomt. Belangrijke knelpunten voor dit habitattypen zijn de verdroging en de vermesting door vogels. Verder speelt in de duinen als belangrijk knelpunt de beperkte dynamiek, wat in de duinen een essentieel onderdeel is van het systeem. De toename van stikstofdepositie is gering (voor realisatie 1,38 mol N/ha/jaar en exploitatie 0,04 mol N/ha/jaar) en leidt niet tot meetbare effecten. De realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, uitbreiding en verbetering van het habitattype, wordt door realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor niet belemmerd.
6.4.10
H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
Beschrijving van het habitattype Het habitattype Vochtige duinvalleien is veelomvattend: het betreft open water, vochtige graslanden, lage moerasvegetaties en rietlanden, alle voor zover voorkomend in (min of meer natuurlijke) laagten in de duinen. Mede door de grote ecologische variatie is het aantal kenmerkende soorten groot. Het gaat om relatief jonge successiestadia. Begroeiingen van oudere (al of niet verdroogde) successiestadia in duinvalleien behoren tot andere habitattypen, bijvoorbeeld Vochtige duinheide met kraaihei (H2140), duinstruwelen (H2160 of H2170), Duinbossen (H2180) en vochtige Heischrale graslanden (H6230). Ook in Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
95 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
cultuur gebrachte valleien (bijvoorbeeld begroeid met Blauwgraslanden, H6410) worden niet tot het habitattype gerekend. Vochtige duinvalleien kunnen van nature op twee manieren ontstaan. Primaire duinvalleien ontstaan doordat strandvlakten door duinen worden gescheiden van zee. Secundaire duinvalleien ontstonden oorspronkelijk in het kielzog van mobiele duinen, maar tegenwoordig alleen nog doordat stuifkuilen uitstuiven tot op het grondwaterniveau. Daarnaast kunnen Vochtige duinvalleien worden ontwikkeld door inrichtingsmaatregelen. Kalkarme vochtige valleien worden gekenmerkt door natte omstandigheden met waterstanden boven maaiveld in winter en voorjaar. Permanent natte omstandigheden vormen geen probleem, vanwege de geringere basenrijkdom en de lagere pH (Ministerie van LNV, 2009). Ecologische vereisten De kalkarme vochtige valleien komen voor in geheel of vrijwel geheel verzoete primaire duinvalleien en in secundaire duinvalleien die zijn ontstaan door uitstuiving. Kenmerkend zijn vooral de natte omstandigheden, waarbij de standplaatsen in de winter onder water staan en in voorjaar droogvallen. Vanwege de afwijkende dynamiek van het duinwatersysteem kunnen echter ook jaren optreden waarin valleien vrijwel permanent onder water staan, en jaren waarin de valleien ook in de winter droog staan.
Anders dan bij het kalkrijke subtype lijken permanent natte omstandigheden minder een probleem te vormen, waarschijnlijk doordat onder zuurdere omstandigheden minder snel hoogproductieve moerasvegetaties ontstaan. Onderscheidend ten opzichte van kalkrijke vochtige duinvalleien is de geringere basenrijkdom en de lagere pH (Provincie Noord-Holland, 2017b). Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling van het habitattype H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) is behoud van oppervlakte en kwaliteit.
Figuur 6-34: Ligging van het habitattype H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Op de kaart is met kleur de mate van overbelasting aangegeven. Habitattypenkaart en achtergronddepositie zijn afkomstig uit het Nationaal Georegister.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
96 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Verspreiding binnen het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen Figuur 6-34 laat de ligging van het habitattype Ontkalkte vochtige duinvalleien zien. Het habitattype komt vooral voor rond de grote plassen in het Zwanenwater en in mindere mate ook rond de plassen in de Pettemerduinen. Huidige kwaliteit: Het habitattype komt voor met een overwegend goede kwaliteit. De kwaliteit en oppervlakte zijn stabiel. Het Natura 2000-beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse geven hierover geen verdere bijzonderheden (Provincie Noord-Holland, 2017a en 2017b). Knelpunten De kritische depositiewaarde van vochtige duinvalleien (ontkalkt) bedraagt 1.071 mol N/ha/jaar (Van Dobben et al., 2012). Figuur 6-34 laat zien dat het habitattype op tweederde deel van het oppervlak niet overbelast is en dat het overige deel overbelast is of overbelasting nadert. Knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling zijn (Provincie Noord-Holland, 2017a; 2017b): • • •
Eutrofiëring leidt tot een versnelde successie richting struweel en bos. Verzuring is mogelijk een knelpunt in minder gebufferde plassen. Dit aspect hangt samen met de stikstofdepositie; Afname van konijnenpopulatie en natuurlijke dynamiek leiden tot een versnelde successie richting struweel en bos; Verdroging. Dit wordt tegengegaan door een kwelscherm aan de oostrand van het Zwanenwater, maar het vermoeden is dat de werking van het scherm afneemt. Hierdoor zal de kweldruk afnemen en daarmee de oppervlakte en kwaliteit van het habitattype afnemen. Door nieuwe duinen bij Hondsbossche Zeewering en bij Petten is echter de verwachting dat in het zuidelijk deel het grondwaterniveau toeneemt, waardoor vernatting optreedt, wat weer gunstig is voor oppervlakte en kwaliteit van het habitattype.
Huidig beheer Duidelijke beheermaatregelen zijn niet beschreven voor dit habitattype. Grootschalige verstuiving speelt wel een belangrijke rol bij ontwikkeling van dit habitattype.22 Begrazing vindt in de duinen plaats en het resultaat hiervan is met name zichtbaar op de grens met de omheinde EHC. Aan de “begraasde kant” van het hek is de vegetatie korter, minder ruig en is meer afwisseling met struikjes en open plekken aan de “onbegraasde kant” van het hek. Verder zijn aanwijzingen dat de recente zandsuppleties hebben gezorgd voor meer verstuiving, maar er is geen onderzoek beschikbaar met de resultaten van deze toename van verstuiving. Het is wel bekend dat met name het westelijke deel van de duinen nog steeds invloed ondervindt van verstuiving23 , maar met name voor het ontstaan van duinvalleien is uitstuiving van belang, dus hierbij gaat het om grootschaliger vormen van dynamiek (als ook hiervoor aangegeven). Kwantificering van effect Tabel 6-9 geeft de maximale toenames van de stikstofdepositie gedurende de realisatiefase en exploitatiefase van PALLAS. Tabel 6-9: Stikstofdepositie op het habitattype H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.
Fase
Maximale toename van % van habitattype waar sprake stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) is van overbelasting
Realisatiefase
1,83
Exploitatiefase
0,06
33
22 https://www.ecopedia.be/natura2000/natura-2000-vochtige-duinvalleien-2190, geraadpleegd op 02-07-2020. 23 https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/zwanenwater-pettemerduinen, geraadpleegd op 02-07-2020.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
97 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 6-35: Projecteffect in de realisatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
98 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 6-36: Projecteffect in de exploitatiefase op het overbelaste deel van het habitattype H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.
Beoordeling gevolgen voor areaal en kwaliteit De toename van de stikstofdepositie als gevolg van PALLAS is op kaart weergegeven in Figuur 6-35 voor de realisatiefase en Figuur 6-36 voor de exploitatiefase. Het habitattype H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) verkeert in het gebied in een goede kwaliteit, en er is, ondanks overschrijding van de kritische depositiewaarde geen sprake van negatieve trends in oppervlakte en areaal. Het grootste deel van het habitattype bevindt zich ook niet in een overbelaste situatie. Andere factoren dan stikstof bepalen de kwaliteit van dit habitattype (waterhuishouding, beheer). De geringe toename van de stikstofdepositie door realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor (respectievelijk 1,83 mol N/ha/jaar en 0,06 mol N/ha/jaar) leidt niet tot meetbare effecten. De realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, behoud van oppervlakte en kwaliteit van het habitattype, wordt niet belemmerd realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor.
6.4.11
H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm
Beschrijving van het habitattype Het habitattype H6230 Heischrale graslanden bestaat uit min of meer gesloten, zogenoemde halfnatuurlijke graslanden op relatief zure zand- en grindbodems. Goed ontwikkelde heischrale graslanden zijn rijk aan verschillende soorten planten en paddenstoelen. In de duinen komt het habitattype alleen op vochtige plaatsen voor. Het habitattype wordt dan ook vaak aan de rand van duinvalleien en een aan de binnenduinrand aangetroffen. Kenmerkend is de dominantie van grassen en kruiden. Dwergstruiken zijn slechts in geringe bedekking aanwezig. Kenmerkende plantensoorten zijn onder andere borstelgras, heidekartelblad en liggende vleugeltjesbloem. In heischrale graslanden komt naast een aantal typische plantensoorten ook een aantal typische soorten insecten voor: aardbeivlinder, geelsprietdikkopje, tweekleurig hooibeestje en veldkrekel (Ministerie van LNV, 2008).
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
99 van 136