Achtergrondrapport Luchtkwaliteit
Tekst van het document
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT Plan-MER PALLAS Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor
16 APRIL 2021 - AS3-PUBLIC
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Contactpersoon ING. A. (ABDU) BOUKICH
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
2 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
INLEIDING
5
1.1
Functie van dit achtergrondrapport
5
1.2
Voorgenomen activiteit
5
1.3
Leeswijzer
5
ONDERZOEKSMETHODIEK
6
2.1
Onderzoeksopzet
6
2.2
Activiteiten bouwfase
6
2.2.1
Bouwfasering
7
2.2.2
Kwantificering emissiebronnen
7
2.3
Activiteiten exploitatiefase
10
2.3.1
Emissiebronnen
10
2.3.2
Uitgangspunten activiteiten exploitatiefase
10
2.3.3
Kwantificering emissiebronnen
10
2.3.4
Emissies
10
2.4
Uitgangspunten luchtemissies in de bouwfase
11
2.4.1
Dieselmaterieel
11
2.4.2
Transport
12
BEOORDELINGSKADER
14
3.1
Wettelijk- en beleidskader
14
3.1.1
Wettelijke grondslagen luchtkwaliteit
14
3.1.2
Besluit niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen
15
3.1.3
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
16
3.1.4
Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium
16
3.2
Beoordelingskader
17
HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING
19
4.1
Huidige situatie
19
4.2
Autonome ontwikkeling
21
MILIEUEFFECTEN
25
5.1
Effectbeschrijving
25
5.1.1
Bouwfase
25
5.1.2
Exploitatiefase
28
5.2
Effectbeoordeling
31
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
3 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
5.2.1
Bouwfase
31
5.2.2
Exploitatiefase
31
6
MITIGERENDE MAATREGELEN
32
7
LEEMTEN IN KENNIS
33
8
LITERATUURLIJST
34
BIJLAGE 1 EMISSIEBEREKENINGEN
35
COLOFON
36
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
4 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
1
INLEIDING
1.1
Functie van dit achtergrondrapport
De Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor, verder PALLAS genoemd, heeft het voornemen om een multifunctionele nucleaire reactor te realiseren, die geschikt is voor het produceren van medische isotopen, industriële isotopen en het uitvoeren van nucleair technologisch onderzoek. In 2020 is hiertoe een bestemmingsplan onherroepelijk geworden, waarbij een plan-MER (milieueffectrapport) was gevoegd ter onderbouwing. Als belangrijke volgende stap in de procedures vindt er een bestemmingsplanherziening plaats. Voor de bestemmingsplanherziening vormt dit nieuwe plan-MER de onderbouwing. Dit achtergrondrapport is opgesteld ten behoeve van het plan-MER. In het plan-MER zelf is op hoofdlijnen de informatie uit dit achtergrondrapport overgenomen. Dit achtergrondrapport is gebaseerd op het Ontwerpkader, dat ook deel uitmaakt van het plan-MER.
1.2
Voorgenomen activiteit
De voorgenomen activiteit voor dit achtergrondrapport is de aanleg en het exploiteren van de PALLASreactor. De informatie die nodig is op plan-MER-niveau is te vinden in het rapport Ontwerpkader. De hoofdpunten uit het Ontwerpkader zijn: 1. Het PALLAS-project kent een bouwfase, een overgangsfase en een exploitatiefase. 2. De bouwfase is opgedeeld in vijf clusters van bouwactiviteiten, te weten (a) Inrichting Lay Down Area (LDA) en toegangsweg, (b) Constructie secundaire koeling, (c) Bouwkuip, fundering en constructie reactorgebouw, (d) Constructie gebouwen, installatie en infrastructuur en (e) Afronding LDA en inrichting terrein. De bouwfase duurt in totaal ongeveer zeven jaar. 3. In de overgangsfase zijn er twee reactoren in bedrijf op de Energy & Health Campus (EHC): de nieuwe PALLAS-reactor en de bestaande Hoge Flux Reactor (HFR). 4. In de exploitatiefase is de PALLAS-reactor in bedrijf en is de HFR uitgefaseerd.
1.3
Leeswijzer
Na dit eerste hoofdstuk: 1. Beschrijft hoofdstuk 2 de gehanteerde onderzoeksmethodiek. 2. Geeft hoofdstuk 3 het beoordelingskader. 3. Zet hoofdstuk 4 de referentiesituatie uiteen, die bestaat uit de huidige situatie en relevante autonome ontwikkelingen. 4. Staan in hoofdstuk 5 de milieueffecten beschreven. 5. Somt hoofdstuk 6 op welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn om negatieve milieueffecten te verminderen of op te heffen. 6. Presenteert hoofdstuk 7 de geconstateerde leemten in kennis. 7. Geeft hoofdstuk 8 inzicht in de bronnen voor dit achtergrondrapport.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
5 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
2
ONDERZOEKSMETHODIEK
Ten behoeve van het plan-MER is nader onderzoek gedaan naar het aspect luchtkwaliteit tijdens de bouwfase en exploitatiefase. Er zijn geen significante verschillen tussen de overgangs- en exploitatiefase voor luchtkwaliteit. Om deze reden behandelt dit achtergrondrapport enkel de exploitatiefase. De HFR heeft geen relevante bijdrage aan de luchtkwaliteit. Daarom is de overgangsfase niet relevant, in dit onderzoek wordt de bouwfase en de exploitatiefase onderzocht. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is om de concentratie van enkele chemische componenten in het onderzoekgebied in beeld te brengen. De concentraties worden, waar van toepassing, getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Bij overschrijding van de normen wordt globaal ingegaan op mogelijke mitigerende maatregelen. De emissies voor de beschrijving van de effecten op de woonomgeving worden ook gebruikt voor de beschrijving van de effecten op natuur. Laatstgenoemde effecten worden beschreven in het achtergrondrapport natuur (kenmerk en datum).
2.1
Onderzoeksopzet
Voor het bepalen van de effecten van luchtkwaliteit op de leefomgeving zijn berekeningen uitgevoerd. Deze berekeningen zijn uitgevoerd conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 met de PC-applicatie Geomilieu versie 2020.1, module Stacks. Stacks rekent conform het Nieuw Nationaal Model (NNM). Nieuw Nationaal Model Het Nieuw Nationaal Model beschrijft het transport en de verdunning van stoffen in de atmosfeer op basis van het Gaussisch pluimmodel. Het betreft een „lange termijn‟ berekening en de beschouwde periode bedraagt daarom ten minste een jaar. De gebruikte meteorologische gegevens bestaan uit uurgemiddelde gegevens van onder meer de windrichting, de windsnelheid, de zonne-instraling en de temperatuur. Het NNM houdt rekening met de heersende achtergrondconcentratie, de pluimstijging en de gebouwinvloed. Het NNM berekent op verschillende rasterpunten de concentratie voor elk afzonderlijk uur van de beschouwde periode. Hieruit wordt berekend gedurende welk percentage van de jaarlijkse uren (de overschrijdingsfrequentie) een bepaalde immissieconcentratie wordt overschreden.
Afhankelijk van het type bronnen is gerekend met Standaard rekenmethode 1 en 2 (wegverkeer) of 3 (industrie). Beschouwde stoffen In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Dit komt doordat de achtergrondconcentraties van deze stoffen op veel locaties al dicht tegen de grenswaarden aanliggen. Om deze reden vindt in deze rapportage de effectbeoordeling plaats op basis van deze maatgevende stoffen. Voor NO2 en PM10/PM2,5wordt beoordeeld of de voorgenomen activiteit leidt tot een toename van 1,2 µg/m3 en hoger ter plaatse van de toetslocaties. Dit is 3% van de grenswaarde, ofwel de niet-in-betekenende-mate grens (NIBM) (zie paragraaf 3.1.2). Studiegebied Het studiegebied voor het aspect Luchtkwaliteit bakent het gebied af waarbinnen toename of afname van NO2, PM10 en PM2,5 op plaatsen, waar het toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium, wordt beoordeeld (zie voor een toelichting paragraaf 3.1.4). Dit betreft 1.000 m aan weerszijden van de beschouwde wegen en locaties waar mogelijk materieel ingezet wordt in de bouwfase. Ook in de exploitatiefase is het beschouwde studiegebied 1.000 m rondom de emissiebronnen. Omdat het bronnen met een relatief lage emissiehoogte betreft geldt dat buiten deze kilometer de concentraties lager liggen dan binnen deze afstand.
Het beschouwen van een groter gebied heeft derhalve geen invloed op de toetsing.
2.2
Activiteiten bouwfase
Het onderstaande overzicht van activiteiten en emissiebronnen is gebaseerd op het Ontwerpkader PALLAS en planning.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
6 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
2.2.1
Bouwfasering
In deze fase worden de PALLAS-reactor, bijbehorende systemen en de bijbehorende infrastructurele aanpassingen gerealiseerd. De bouwfase duurt in totaal ongeveer zeven jaar (nog onderwerp van discussie tussen PALLAS en ICHOS). Gedurende deze bouwfase worden op hoofdlijnen de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Inrichting LDA en toegangsweg. 2. Constructie secundaire koeling. 3. Bouwkuip, fundering en constructie reactorgebouw. 4. Constructie gebouwen, installatie en infrastructuur. 5. Afronding LDA en inrichting terrein. Na het testen kan PALLAS overgaan tot productie.
Figuur 1 Ruwe tijdsplanning hoofdfasering clusters bouwfase
In het kader van het plan-MER is vooral het ontgraven en grondverzet ten behoeve van de PALLAS-reactor en pompgebouw en het realiseren van het secundaire koelwatersysteem relevant. Daarnaast is relevant dat een tijdelijk werkterrein van ongeveer 3,5 hectare moet worden ingericht. Grond en bouwmaterialen worden aan- en afgevoerd met vrachtwagens. Uitgangspunt is dat de bouwwerkzaamheden tot zo min mogelijk hinder leiden voor de omgeving. Ook veiligheid en toegankelijkheid zijn belangrijke aspecten, zeker omdat de EHC in verband met beveiliging beperkt toegankelijk is. Op de EHC wordt een tijdelijk werkterrein ofwel Lay Down Area (LDA), aangelegd. Naast tijdelijke bouwketen, kantoren, kleedruimten en een kantine kan op dit gebied opslag van materiaal, materieel en grond plaatsvinden (in de open lucht). Mogelijk overlast door de verspreiding van stuifgevoelige materialen wordt voorkomen door het spuiten van water en/of korstvormer. Een overzicht van de bouwstappen is opgenomen in Figuur 1. Een uitgebreide beschrijven van de bouwfase is opgenomen in Ontwerpkader PALLAS.
2.2.2
Kwantificering emissiebronnen
De bouwfase duurt circa zeven jaar. De bouwwerkzaamheden zullen in het 2de kwartaal van 2021 starten en zullen naar verwachting in 2027 worden afgerond. Voor de bouwwerkzaamheden worden diverse dieselmaterieel ingezet. De materialen worden aan- en afgevoerd per as. Het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd voor het maatgevende bouwjaar. Voor het bepalen van het maatgevende bouwjaar is emissievracht bepaald voor alle bouwjaren afzonderlijk. Daarnaast is ook gekeken naar het aantal transportbewegingen per bouwjaar. De transportbewegingen zijn maatgevend voor de emissievracht. Het maatgevende bouwjaar is het jaar met de hoogste emissievracht en aantal transportbewegingen. Op basis van de inzet van materieel, motorisch vermogen, aantal bedrijfsuren en emissiefactoren is de totale emissievracht bepaald. De uitgangspunten van emissiebronnen zijn gebaseerd op het Ontwerpkader PALLAS. Het aantal transportbewegingen is afkomstig uit de verkeersstudie. In
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
7 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Tabel 1 is per jaar de NOx- en PM-emissievrachten en het aantal transportbewegingen (heen en terug) beschreven. De emissieberekeningen van alle beschouwde stoffen zijn opgenomen in bijlage A.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
8 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Tabel 1 Overzicht NOx- en PM-emissievracht en aantal transportbewegingen per bouwjaar
NOx-emissievracht t.g.v. dieselmaterieel
PM-emissievracht t.g.v. dieselmaterieel
Totaal aantal transportbewegingen per jaar
[ton/jaar]
[ton/jaar]
[#/jaar]
1e
0,64
0,027
11.360
2e
1,38
0,061
24.948
3e
1,98
0,089
29.159
4e
1,97
0,088
35.098
5e
1,54
0,068
27.190
6e
1,71
0,074
34.870
7e
0,93
0,040
21.275
Bouwjaar werkzaamheden
Uit
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
9 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Tabel 1 blijkt dat het 4e bouwjaar (2024) maatgevend is qua emissie. In het 3e bouwjaar is de NOx- en PMemissievrachten ten gevolge van dieselmaterieel een fractie hoger dan in het 4e bouwjaar. Maar in het 4e bouwjaar is het aantal motorbewegingen hoger dan in het 3e bouwjaar. Per saldo is de totale emissievracht (incl. motorvoertuigbewegingen) in het 4e bouwjaar het hoogste. Om deze reden is het 4e jaar (2024) maatgevend voor het luchtkwaliteitsonderzoek.
2.3
Activiteiten exploitatiefase
Het onderstaande overzicht van activiteiten en emissiebronnen is gebaseerd op het Ontwerpkader PALLAS.
2.3.1
Emissiebronnen
De maximale emissie van PALLAS tijdens de overgangsfase waarin de PALLAS-reactor wordt opgestart en de exploitatiefase waarin productie wordt gedraaid is gelijk, voor deze twee fasen worden dezelfde uitgangspunten genomen. Beide reactoren hebben geen relevante luchtemissie zoals stikstofoxiden en fijn stof. In de exploitatiefase zijn de volgende (potentiële) emissiebronnen verbonden aan PALLAS: • • • • •
De PALLAS-reactor zelf. Faciliteiten binnen het nucleair eiland (kantoren, faciliteiten en dergelijke). Gebouwen buiten het nucleair eiland: kantoren, pomp- en elektriciteitsgebouw, bewaking. Aan- en afvoer van materiaal en producten naar PALLAS. Aankomst en vertrek van personeel naar PALLAS.
2.3.2
Uitgangspunten activiteiten exploitatiefase
De PALLAS-reactor zelf is geen luchtemissiebron. Alle pompinstallaties voor koelwater en andere voorzieningen worden onder normale operationele omstandigheden elektrisch aangedreven en zijn daarom niet meegenomen als emissiebron. Er zijn back-ups aanwezig voor energievoorziening bij calamiteiten (in de vorm van dieselaggregaten voor bijvoorbeeld bluswater). Deze worden echter dermate weinig gebruikt, dat er geen significante bijdrage aan luchtemissies ontstaat. De kantoren en andere ruimten die verwarmd moeten worden, worden middels restwarmte door HVAC (heating ventilation airconditioning) verwarmd. Derhalve is er geen sprake van luchtemissie.
2.3.3
Kwantificering emissiebronnen
De enige luchtemissiebron in de exploitatiefase is wegverkeer. Het betreft verkeersbewegingen van personenauto’s van personeel en transportbewegingen van vrachtverkeer. Het gemiddelde aantal verkeersbewegingen van personenauto’s bedraagt 200 per dag (heen en terug), 7 dagen per week. Het aantal transportbewegingen van vrachtverkeer bedraagt 14 per dag, 7 dagen per week. Aangenomen wordt dat al het bouwverkeer vanuit zuidelijke richting, N9 en N502 (Pettemerweg/Westerduinweg) langs Petten zal worden afgewikkeld. Voor de personenauto’s wordt ervan uitgegaan dat 25% in noordelijke richting en 75% in zuidelijke richting wordt afgewikkeld.
2.3.4
Emissies
De emissiefactoren van gemotoriseerd wegverkeer worden jaarlijks, medio maart, gepubliceerd door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de huidige situatie en verschillende toekomstige jaren. Latere jaren reflecteren een afname van emissiefactoren vanwege strenge emissie-eisen die aan de motorvoertuigen worden gesteld. Hierdoor wordt het wagenpark in Nederland steeds schoner. Het eerste operationele jaar is 2027, zie bouwfasering in paragraaf 2.3.1. Derhalve zijn de berekeningen voor het referentiejaar 2027 uitgevoerd.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
10 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
De emissiefactoren van wegverkeer zijn afhankelijk van het zichtjaar, de voertuigcategorie en het snelheidstype van de weg. De grote vrachtwagens zijn beschouwd als ‘zware motorvoertuigen’. Middelgrote vrachtwagens zijn beschouwd als ‘middelzware voertuigen’. De personenwagens zijn beschouwd als ‘lichte motorvoertuigen’. In de berekeningen is uitgegaan van snelheidstype ‘buitenweg’ (gemiddelde snelheid tussen 30 en 45 km/uur) voor Westerduin (N502) en van ‘stadsverkeer’ (gemiddelde snelheid ongeveer 60 km/uur) voor de weg van en naar PALLAS.
2.4
Uitgangspunten luchtemissies in de bouwfase
In deze paragraaf zijn de uitgangspunten voor de luchtemissies van het in te zetten materieel en andere emissiebronnen van fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofoxiden (NOx) opgenomen. Bij het bepalen van de uitgangspunten is getracht om uit te gaan van een conservatief scenario. Dat betekent dat voor dieselmaterieel waarvan het motorisch vermogen (nog) niet bekend is, is uitgegaan van relatief zwaar materieel. Om de effecten naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, wordt het meest schone materieel ingezet. Er wordt materieel ingezet dat aan de emissie-eisen van stage IV voldoen (zie paragraaf 2.4.1). Fijn stof emissie PM10 bestaat uit deeltjes met een grootte van 10 µm of kleiner. Emissie PM10 bestaat voor een deel ook uit PM2,5. Het aandeel PM2,5 in PM10 is niet bekend met uitzondering van wegverkeer. Derhalve is voor het berekenen van concentratie van PM2,5 ervan uitgegaan dat de PM2,5-emissie gelijk is aan die voor PM10. Dit betreft een worstcase benadering. Voor de in paragraaf 2.3 genoemde bouwwerkzaamheden wordt dieselmaterieel ingezet. Hierbij gaat het onder andere om boorstellingen, graafmachines, kranen, pompen en transportbewegingen van vrachtverkeer.
2.4.1
Dieselmaterieel
De emissies van dieselmaterieel zijn afhankelijk van het motorisch vermogen, de gemiddelde belasting, het bouwjaar en de draaiuren. De emissiefactoren van onder andere dieselmaterieel is op Europees niveau gereguleerd via technische voorschriften aan het voertuig en de verbrandingsmotor. Emissiefactoren De voorschriften voor dieselmaterieel gelden sinds 1997. De EU-richtlijnen (97/68/EC en 2002/88/EC) bevatten normen voor de maximale uitstoot van luchtverontreiniging per vermogensklasse in gram/kWh [1] [2]. Er is sprake van invoering in vier fasen van strenger wordende emissienormen. De derde fase verloopt in twee stappen: Stage IIIA voor motoren met een variabel toerental met bouwjaar 2006/2008 en Stage IIIB voor bouwjaar 2011/2013. De vierde fase geldt vanaf 2014 (EU-richtlijnen 2004/26/EC) [3]. Een overzicht van de normen is opgenomen in Tabel 2. Tabel 2 NOx- en PM10-emissienormen dieselmaterieel
Jaar
Stage
Motorisch vermogen
NOx-eis
PM10-eis
[kW]
[g/kW]
[g/kW]
1999
I
130-560
9,2
0,54
1999
I
75-130
9,2
0,70
2002
II
130-560
6,0
0,20
2003
II
75-130
6,0
0,30
2006
IIIA
130-560
3,6
0,20
2007
IIIA
75-130
3,6
0,30
2011
IIIB
130-560
2,0
0,025
2012
IIIB
56-130
3,3
0,025
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
11 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Jaar
Stage
Motorisch vermogen
NOx-eis
PM10-eis
[kW]
[g/kW]
[g/kW]
2014
IV
130-560
0,4
0,025
2014
IV
56-130
0,4
0,025
De levensduur van dieselmaterieel is afhankelijk van het type machine. Het dieselmaterieel dat in dit project wordt ingezet, heeft een mediane levensduur [4] tussen 6 en 12 jaar. De aanlegwerkzaamheden vinden voornamelijk plaats tussen 2021 en 2027. Gelet op de mediane levensduur en het jaar van aanvang van de werkzaamheden, zal naar verwachting dieselmaterieel kunnen worden ingezet dat aan de emissie-eisen voldoet van Stage IIIB en/of Stage IV. Vanwege het grote verschil in emissie tussen stages III en IV en de ligging van de werklocaties in de dichte nabijheid van kwetsbare habitattypen is gekozen om uit te gaan van Stage IV. Uit recent onderzoek van TNO is gebleken dat de emissiefactoren van onder andere NOx en PM10 in de praktijk tijdens de belasting (in bedrijf) in veel gevallen hoger uitvallen dan de EU-normering [4]. Daarnaast is naar voren gekomen dat veel materieel relatief lang stationair draait en dat de NOx-emissie gedurende stationair draaien relatief hoog is, terwijl de motorbelasting heel laag of nihil is. In dit onderzoek is rekening gehouden met deze nieuwe inzichten. Tijdens de belasting is voor NOx uitgegaan van een emissiefactor van 0,9 g/kWh in plaats van 0,4 g/kWh. De PM10-emissiefactor is licht gestegen van 0,025 naar 0,030 g/kWh. Uit het genoemde onderzoek van TNO blijkt dat materieel een aanzienlijk deel van de tijd stationair draait.
De tijd dat materieel stationair draait verschilt per werktuig. TNO is voor de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2019 uitgegaan van een gemiddelde van 30% van de tijd dat een werktuig stationair draait [4]. In dit onderzoek is ook uitgegaan van 30% van de bedrijfstijd stationair draaien. Motorisch vermogen Het motorisch vermogen van het dieselmaterieel kan sterk variëren. Voor dit onderzoek is uitgegaan van relatief zwaar dieselmaterieel. Motorbelasting en TAF-factor De motorbelasting (aanspreken van motorisch vermogen) van dieselmaterieel gedurende een werkcyclus is wisselend. Er wordt nooit of zelden het maximale motorisch vermogen aangesproken. De gemiddelde belasting varieert voor het meest gebruikte dieselmaterieel in dit onderzoek van circa 55 tot 70%. Hiernaast is gecorrigeerd voor de NOx- en PM10-emissie vanwege wisselende belasting, de zogeheten TAFfactor. De gehanteerde motorbelasting en TAF-factor zijn opgenomen in bijlage A.
2.4.2
Transport
De diverse materialen worden per dumper/vrachtwagen aan- en afgevoerd. Er is van uitgegaan dat de werknemers met personenwagens komen en gaan. Aangenomen wordt dat al het wegverkeer vanuit zuidelijke richting, N9 en N502 (Pettemerweg/Westerduinweg) langs Petten zal worden afgewikkeld. De emissiefactoren van gemotoriseerd wegverkeer worden jaarlijks, medio maart, gepubliceerd door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de huidige situatie en verschillende toekomstige jaren. Latere jaren reflecteren een afname van emissiefactoren vanwege strenge emissie-eisen die aan de motorvoertuigen worden gesteld. Hierdoor wordt het wagenpark in Nederland steeds schoner. De emissiefactoren van wegverkeer zijn afhankelijk van het zichtjaar, de voertuigcategorie en het snelheidstype. Voor dit onderzoek zijn de emissiefactoren van 2021 gehanteerd. Dat is een conservatieve benadering, omdat de emissiefactoren van latere jaren een afname reflecteren. De grote vrachtwagens/dumpers zijn beschouwd als ‘zware motorvoertuigen’. Middelgrote vrachtwagens zijn Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
12 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
beschouwd als ‘middelzware voertuigen’. De autobusjes zijn beschouwd als ‘lichte motorvoertuigen’. In de berekeningen is uitgegaan van een gemiddelde snelheid van 60 km/uur op Westerduinweg (N502), 50 km/uur op de Pettemerweg en 20 km/uur op het bedrijfsterrein van PALLAS.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
13 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
3
BEOORDELINGSKADER
3.1
Wettelijk- en beleidskader
Voor het project zijn de onderstaande wettelijke kaders relevant bij de beoordeling van het aspect Luchtkwaliteit. Tabel 3 Beleid, wet- en regelgeving aspect Luchtkwaliteit
Beleidsplan, wet, regel
Beschrijving van relevantie voor PALLAS
Wet milieubeheer titel 5.2
Deze titel bevat de luchtkwaliteitseisen waaraan moet worden getoetst (Wm artikel 5.16, eerste lid). Onderdeel hiervan is ook het toepasbaarheidsbeginsel (artikel 5.19 lid 2) dat voorschrijft op welke plaatsen niet getoetst hoeft te worden. Immissies van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) dienen getoetst te worden aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer (Wm).
Regeling beoordeling In de Rbl is beschreven hoe de luchtkwaliteit moet worden berekend en luchtkwaliteit 2007 (Rbl) inclusief beoordeeld. Onderdeel hiervan is ook het blootstellingscriterium (artikel 22) dat alle latere wijzigingen. ingaat op de periode waaraan personen aan concentraties kunnen worden blootgesteld. Besluit en regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit)
3.1.1
Bevat de uitvoeringsregels voor „Niet in betekenende mate bijdragen‟ (NIBM). NO2 en PM10/PM2,5 worden getoetst aan dit besluit.
Wettelijke grondslagen luchtkwaliteit
De Wm biedt enkele grondslagen waarmee aannemelijk kan worden gemaakt dat een plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit: •
• •
Het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden (art. 5.16, eerste lid, onder a, Wm) indien er sprake is van een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, maar er: Ten gevolge van het project per saldo sprake is van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie gelijk blijft (art. 5.16, eerste lid, onder b, sub 1, Wm). Ten gevolge van een door het project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel per saldo sprake is van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de concentratie gelijk blijft (art. 5.16, eerste lid, onder b, sub 2, Wm). Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.16, eerste lid, onder c, Wm). Het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (art. 5.16, eerste lid, onder d, Wm).
Wanneer een plan voldoet aan één of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor de vaststelling van het plan Toetsingskader stikstofdioxide Voor stikstofdioxide geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als de jaargemiddelde concentratie en een uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m3 die maximaal 18 keer per jaar mag worden overschreden. In Tabel 4 is een overzicht gegeven van de grenswaarden voor stikstofdioxide.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
14 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Tabel 4 Overzicht grenswaarden stikstofdioxide
Toetsingseenheid
Maximale concentratie
Toetsingseenheid
Jaargemiddelde concentratie: Grenswaarde
40 µg/m3
Uurgemiddelde concentratie: Grenswaarde
200 µg/m3
Overschrijding maximaal 18 keer per kalenderjaar toegestaan
Toetsingskader fijn stof Voor PM10 geldt een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m3 en de 24uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m3 die maximaal 35 dagen per jaar mag worden overschreden. In Tabel 5 is een overzicht gegeven van de grenswaarden voor fijn stof (PM10). Tabel 5 Overzicht grenswaarden fijn stof (PM10)
Toetsingseenheid
Maximale concentratie
Toetsingseenheid
Jaargemiddelde concentratie: Grenswaarde
40 µg/m3
24-uurgemiddelde concentratie: Grenswaarde
50 µg/m3
Overschrijding maximaal 35 dagen per kalenderjaar toegestaan
Voor PM2,5 geldt een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) van 25 µg/m3. In Tabel 6 is een overzicht gegeven van de grenswaarden voor fijn stof (PM2,5). Tabel 6 Overzicht grenswaarden fijn stof (PM2,5)
Toetsingseenheid
Maximale concentratie
Toetsingseenheid
Jaargemiddelde concentratie: Grenswaarde
3.1.2
25 µg/m3
Besluit niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen
Gelijktijdig met de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen is het „Besluit niet in betekenende mate bijdragen‟ (luchtkwaliteitseisen) van 30 oktober 2007 in werking getreden. Een project draagt „niet in betekenende mate‟ bij aan de concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) in de buitenlucht als de 3% grens niet wordt overschreden. Hiermee wordt bedoeld 3% van de grenswaarde (40 µg/m3) voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof of stikstofdioxide. Dit betekent dat feitelijk een toename van 1,2 µg/m3 toelaatbaar wordt geacht.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
15 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
3.1.3
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl) worden onder meer de rekenmethoden voorgeschreven voor de verschillende situaties. Zo zijn er twee standaardrekenmethodes ontwikkeld voor het rekenen aan de luchtkwaliteit als gevolg van wegverkeer, Standaardrekenmethode 1 en 2. Er is ook een rekenmethode voor de bepaling van de luchtkwaliteit nabij bedrijven, Standaardrekenmethode 3. Afhankelijk van het type bronnen is gerekend met Standaard rekenmethode 1 en 2 (wegverkeer) of 3 (industrie). Reductie voor fijn stof afkomstig van natuurlijke bronnen (zeezout) Volgens artikel 5.19, derde lid van de Wet milieubeheer worden bij het vaststellen van het kwaliteitsniveau PM10 de zwevende deeltjes, die veroorzaakt worden door natuurverschijnselen, afzonderlijk bepaald en ook meegerekend. Volgens lid 4 van dit artikel worden bij overschrijdingen van de grenswaarden de concentratiebijdragen van natuurlijke bronnen steeds in aftrek gebracht. In bijlage 5 uit de „Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007‟ is een aftrek opgenomen voor concentraties fijn stof die zich van nature in de lucht bevinden. Het gaat hier om zeezout. Afhankelijk van de regio in Nederland wordt voor zeezout 1 tot 5 µg/m3 in mindering gebracht op de berekende jaargemiddelde concentratie fijn stof.
De in dit rapport gepresenteerde rekenresultaten zijn exclusief zeezoutcorrectie, omdat er geen grenswaarden worden overschreden.
3.1.4
Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium
Toepasbaarheidsbeginsel In artikel 5.19, tweede lid, Wet milieubeheer is opgenomen dat de luchtkwaliteit niet langer getoetst hoeft te worden op plaatsen waar geen mensen kunnen komen. De belangrijkste gevolgen van artikel 5.19, tweede lid, Wm, zijn: • •
• •
Geen beoordeling van de luchtkwaliteit op plaatsen waar het publiek geen toegang heeft en waar geen permanente bewoning is. Geen beoordeling van de luchtkwaliteit op bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen (hier gelden de ARBO-regels). Dit omvat mede de (eigen) bedrijfswoning. Een uitzondering hierop is voor publiek toegankelijke plaatsen zoals tuincentra; deze worden wél beoordeeld (hierbij speelt het zogenaamde blootstellingscriterium een rol). Bij de beoordeling van een inrichting in het kader van de Wet milieubeheer vindt toetsing plaats vanaf de grens van de inrichting of bedrijfsterrein. Geen beoordeling van de luchtkwaliteit op de rijbaan van wegen, en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang hebben tot de middenberm.
Blootstellingcriterium De luchtkwaliteit moet alleen bepaald (gemeten of berekend) worden op plaatsen waar de blootstelling significant is. Bij toetsing van de gevolgen van een project aan de luchtkwaliteitseisen is dus van belang dat de plaatsen worden bepaald waar significante blootstelling plaatsvindt. Daarvoor moet eerst duidelijk zijn wat significant is of niet. In artikel 22 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl) staat dat de luchtkwaliteit wordt bepaald op plaatsen waar de bevolking „kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de betreffende luchtkwaliteitseis significant is'. Hieruit blijkt dat de duur van de periode dat iemand (1 individu) gemiddeld wordt blootgesteld bepalend is voor de vraag of de luchtkwaliteit dient te worden beoordeeld. Er wordt daarbij verder geen onderscheid gemaakt naar de gevoeligheid van groepen of de aard van het verblijf. De grenswaarden zijn opgesteld ten behoeve van de gezondheid van de gehele bevolking. Hiermee wordt bedoeld dat bij de bepaling of een verblijfstijd significant is, de verblijfstijd vergeleken moet worden met een jaar, dag of uur, afhankelijk van de vraag of je te maken hebt met een jaargemiddelde, een daggemiddelde of een uurgemiddelde grenswaarde voor een stof.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
16 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
3.2
Beoordelingskader
Tabel 7 geeft het beoordelingskader weer voor het aspect Luchtkwaliteit. Na de tabel worden de beoordelingscriteria toegelicht. Tabel 7 Beoordelingskader Luchtkwaliteit
Deelaspect
Beoordelingscriteria
NO2
Effecten op NO2
PM10 en PM2,5
Effecten op PM10 en PM2,5
In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Dit komt doordat de achtergrondconcentraties van deze stoffen op veel locaties al dicht tegen de grenswaarden aanliggen. Om deze reden vindt in deze rapportage de effectbeoordeling plaats op basis van deze maatgevende stoffen. De beoordelingscriteria richten zich op de verandering van de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Berekend wordt welke invloed de realisatie van het beoogde plan heeft op de luchtkwaliteit in het gebied door het inzichtelijk maken van de jaargemiddelde concentraties in de plansituatie en toe- en afnames ten opzichte van de referentiesituatie op de toetslocaties. De toetslocaties zijn plaatsen waar het toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium gelden binnen het studiegebied. In principe gaat het om (recreatie)woningen en gevoelige bestemmingen1. Voor stikstofdioxide (NO2) wordt beoordeeld of er sprake is van toename boven 1,2 µg/m3. Dit is 3% van de grenswaarde, ofwel de NIBM-grens2. Voor fijn stof (PM10 en PM2,5) is uitgegaan van een lagere bijdrage, omdat deze bijdrage over het algemeen al een factor 10 lager ligt dan bij NO2. Beoordelingsschaal De effecten voor dit beoordelingscriterium worden weergegeven aan de hand van scores.
Voor wat betreft de scores wordt de in Tabel 8 weergegeven scoringsmethodiek gehanteerd (vijfpuntschaal): Tabel 8 Scoretoekenning beoordeling Luchtkwaliteit
Score
Toelichting
Verandering jaargemiddelde NO2concentratie
Verandering jaargemiddelde PMconcentratie
++
Positief effect
Niet van toepassing
Niet van toepassing
+
Licht positief effect
Niet van toepassing
Niet van toepassing
0
Neutraal
De toename van de jaargemiddelde concentratie is gelijk of lager dan de NIBM-grens van 1,2 µg/m3
De toename van de jaargemiddelde concentratie is gelijk of lager dan 0,4 µg/m3
-
Licht negatief effect
De toename van de jaargemiddelde De toename van de jaargemiddelde concentratie is hoger dan NIBM-grens van concentratie is hoger dan0,4 µg/m3, maar 1,2 µg/m3, maar lager dan 2,4 µg/m3 lager dan 0,8 µg/m3
--
Toelichting
Verandering jaargemiddelde NO2concentratie
Verandering jaargemiddelde PMconcentratie
1 Scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. 2 NIBM = niet in betekenende mate
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
17 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Op basis van de maximale toename in de plansituatie t.o.v. de referentiesituaties wordt conform bovenstaande tabel een score toegekend voor de maatgevende toetslocatie. Dit is de locatie met de hoogste toename van concentratie waar toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium gelden. De stof (NO2 of PM10/PM2,5) met de hoogste bijdrage is leidend voor de effectbeoordeling.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
18 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
4
HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING
4.1
Huidige situatie
De concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) in de huidige situatie in het studiegebied wordt bepaald door industrie, wegverkeer, scheepvaart, landbouw en emissies uit het buitenland. (Zoals beschreven in hoofdstuk 2 heeft de HFR geen relevante bijdrage aan de luchtkwaliteit). In de huidige situatie wordt de luchtkwaliteit in het onderzoeksgebied bepaald door de grootschalige achtergrondconcentratie (GCN). In onderstaande afbeeldingen zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) weergegeven voor 2021. Er is gebruikgemaakt van de GCN zoals deze door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op 15 maart 2020 is gepubliceerd.
Figuur 2 Jaargemiddelde achtergrondconcentratie NO2 in de huidige situatie 20213
In de huidige situatie liggen de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2 in het studiegebied tussen 8,4 en 10,7 µg/m³. De maximale NO2-concentratie treedt op ten noordoosten van het plangebied, bij de kruising van de N9, N248, N249 en N503. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/m³ voor de jaargemiddelde concentratie.
3
Het beeld rond de N9 is blokkerig, omdat de concentratie in kilometerhokken is gegeven en de waarde daar rond de 10 µg/m3 schommelt.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
19 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Figuur 3 Jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM10 in de huidige situatie 2021
Ook de jaargemiddelde achtergrondconcentraties PM10 liggen in de huidige situatie ver onder de grenswaarde van 40 µg/m³ voor de jaargemiddelde concentratie. De jaargemiddelde PM10-concentratie bedraagt varieert tussen 15,1 en 15,8 µg/m³ in het studiegebied.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
20 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Figuur 4 Jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM2,5 in de huidige situatie 2021
Net als voor NO2 en PM10 liggen de jaargemiddelde achtergrondconcentraties PM2,5 in de huidige situatie ver onder de grenswaarde van 25 µg/m³ voor de jaargemiddelde concentratie. De PM2,5-concentratie ligt tussen 7,5 en 8,1 µg/m³ in het studiegebied.
4.2
Autonome ontwikkeling
In de referentiesituatie is de HFR nog operationeel. Omdat de HFR echter geen (relevante) luchtemissie heeft van NO2, PM10 en PM2,5, heeft het wel of niet in gebruik zijn van de HFR geen effect op de luchtkwaliteit. In de autonome situatie 2027 (het jaar van operationele fase) wordt de luchtkwaliteit in het onderzoeksgebied bepaald door de grootschalige achtergrondconcentratie (GCN). In onderstaande afbeeldingen zijn de jaargemiddelde achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) weergegeven voor 2027. Er is gebruikgemaakt van de GCN zoals deze door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op 15 maart 2020 is gepubliceerd.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
21 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Figuur 5 Jaargemiddelde achtergrondconcentratie NO2 in de autonome situatie 2027
In de autonome situatie 2027 liggen de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2 in het studiegebied lager dan in de huidige situatie vanwege strengere emissie-eisen en steeds schoner worden van motorvoertuigen. In 2027 ligging de jaargemiddelde achtergrondconcentraties in het studiegebied tussen 7,1 en 8,8 µg/m³. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/m³ voor de jaargemiddelde concentratie.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
22 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Figuur 6 Jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM10 in de autonome situatie 2027
Ook voor fijn stof PM10 geldt dat de jaargemiddelde achtergrondconcentratie lager zijn dan in de huidige situatie. De achtergrondconcentratie PM10 in het studiegebied ligt tussen 14,4 en 15,0 µg/m³. Ook in de autonome situatie wordt ruimschoots aan de grenswaarde voldaan.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
23 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Figuur 7 Jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM2,5 in de autonome situatie 2027
De jaargemiddelde achtergrondconcentratie PM2,5 bedraagt in de autonome situatie 2027 6,9 tot 7,3 µg/m³ in de omgeving van het plangebied. Ook de concentraties van PM2,5 in de autonome situatie voldoen ruimschoots aan de grenswaarde.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
24 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
5
MILIEUEFFECTEN
5.1
Effectbeschrijving
5.1.1
Bouwfase
Onderstaand zijn de effecten in de bouwfase voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) beschreven. Stikstofdioxide (NO2) In Figuur 8 is de concentratiebijdrage aan de jaargemiddelde concentratie NO2 in de bouwfase weergegeven.
Figuur 8 Jaargemiddelde NO2-concentratiebijdrage in maatgevende bouwjaar 2024 in studiegebied
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de bijdrage van PALLAS aan de jaargemiddelde NO2-concentratie in het maatgevende bouwjaar 2021 op zowel de te beoordelen locaties als in het gehele studiegebied ver onder de „Niet In Betekenende Mate‟ grens van 1,2 µg/m³ ligt. De totale jaargemiddelde NO2-concentraties (achtergrondconcentratie + bijdrage PALLAS) liggen nergens hoger dan 10,7 µg/m³. Deze maximale concentratie wordt volledig bepaald door de achtergrondconcentraties. De uurgemiddelde norm voor NO2 wordt nergens bereikt.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
25 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Fijn stof (PM10) In Figuur 9 is de concentratiebijdrage aan de jaargemiddelde PM10-concentratie in de bouwfase weergegeven.
Figuur 9 Jaargemiddelde PM10-concentratiebijdrage in maatgevende bouwjaar 2024 in het studiegebied
Uit Figuur 9 blijkt dat de bijdrage van PALLAS aan het jaargemiddelde PM10-concentraties in het studiegebied nergens hoger liggen dan 0,4 µg/m³. De totale jaargemiddelde concentraties (achtergrondconcentratie + bijdrage PALLAS) liggen voor PM10 in het maatgevende bouwjaar nergens hoger dan 15,8 µg/m³. De 24-uursgemiddelde norm voor PM10 wordt maximaal 6 dagen overschreden. De jaar- en 24-uurgemiddelde concentratie wordt nagenoeg volledig bepaald door de aanwezige achtergrondconcentratie in het studiegebied.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
26 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Fijn stof (PM2.5) De bijdrage van PALLAS aan de jaargemiddelde PM2.5-concentratie in de bouwfase is in Figuur 10 weergegeven.
Figuur 10 Jaargemiddelde PM2.5-concentratiebijdrage in maatgevende bouwjaar 2021 in het studiegebied
Uit de berekeningsresultaten volgt dat de bijdrage van PALLAS aan de jaargemiddelde PM2.5-concentraties in het studiegebied ver onder 0,4 µg/m³ liggen. De totale jaargemiddelde concentraties (achtergrondconcentratie + bijdrage PALLAS) liggen voor PM2.5 in het maatgevende bouwjaar 2021 nergens hoger dan 8,1 µg/m³. Deze concentratie wordt volledig bepaald door de achtergrondconcentratie in het studiegebied. Maximale jaargemiddelde concentraties In Tabel 9 is een overzicht van de maximaal berekende jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2.5 weergegeven. De jaargemiddelde NO2-concentratie bedraagt ten hoogste 10,7 µg/m³ in zowel referentiesituatie (huidige situatie) als in de bouwfase. De jaargemiddelde PM10-concentratie bedraagt in zowel referentiesituatie als in bouwsituatie ten hoogste 15,8 µg/m³. De jaargemiddelde PM2.5-concentratie in de referentiesituatie is gelijk aan de concentratie in de bouwsituatie en bedraagt ten hoogste 8,1 µg/m³. De maximale jaargemiddelde concentratie in het studiegebied wordt volledig bepaald door de achtergrondconcentraties. In zowel de referentiesituatie als in de bouwfase wordt ruimschoots aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 40 µg/m³ voldaan. Ook de jaargemiddelde PM2.5-concentratie voldoet ruimschoots aan de grenswaarde van 25 µg/m³.
De grenswaarde van de uurgemiddelde NO2-concentratie van 200 µg/m³, die 18 keer per jaar mag worden overschreden, doet zich nergens voor en hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie. Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
27 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
De grenswaarde van de 24-uurgemiddelde PM10-concentratie van 50 µg/m³, die 35 dagen per jaar mag worden overschreden, wordt 6 keer bereikt in zowel referentiesituatie als in bouwfase. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor de 24-uurgemiddelde concentratie. Tabel 9 Maximale jaargemiddelde concentraties
Omschrijving
Maximaal jaargemiddelde NO2concentratie
Maximaal jaargemiddelde PM10concentratie
Maximaal jaargemiddelde PM2.5concentratie
[µg/m3]
[µg/m3]
[µg/m3]
Grenswaarde
40
40
25
Huidige situatie (referentiesituatie)
10,7
15,8
8,1
Bouwfase
10,7
15,8
8,1
5.1.2
Exploitatiefase
Onderstaand zijn de effecten in de exploitatiefase voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) beschreven. Stikstofdioxide (NO2) In Figuur 11 is de concentratiebijdrage aan de jaargemiddelde concentratie NO2 in de exploitatiefase weergegeven.
Figuur 11 Jaargemiddelde NO2-concentratiebijdrage in exploitatiefase in 2027 in studiegebied Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
28 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de bijdrage van PALLAS aan de jaargemiddelde NO2-concentratie in de exploitatiefase op zowel de te beoordelen locaties als in het gehele studiegebied ver onder de „Niet In Betekenende Mate‟ grens van 1,2 µg/m³ ligt. De totale jaargemiddelde NO2-concentraties (achtergrondconcentratie + bijdrage PALLAS) liggen nergens hoger dan 8,8 µg/m³. De uurgemiddelde norm voor NO2 wordt nergens bereikt. Fijn stof (PM10) In Figuur 12 is de concentratiebijdrage aan de jaargemiddelde concentratie PM10 in de exploitatiefase weergegeven.
Figuur 12 Jaargemiddelde PM10-concentratiebijdrage in exploitatiefase in 2027 in het studiegebied
Uit Figuur 13 blijkt dat de bijdrage van PALLAS aan het jaargemiddelde PM10-concentraties in het studiegebied nergens hoger liggen dan 0,4 µg/m³. De totale jaargemiddelde concentraties (achtergrondconcentratie + bijdrage PALLAS) liggen voor PM10 in de bouwfase nergens hoger dan 15 µg/m³. De 24-uursgemiddelde norm voor PM10 wordt maximaal 6 dagen overschreden. De jaar- en 24uurgemiddelde concentratie wordt nagenoeg volledig bepaald door de aanwezige achtergrondconcentratie in het studiegebied.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
29 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
Fijn stof (PM2.5) In Figuur 13 is de concentratiebijdrage aan de jaargemiddelde PM2.5-concentratie in de exploitatiefase weergegeven.
Figuur 13 Jaargemiddelde PM2.5-concentratiebijdrage in exploitatiefase in 2027 in het studiegebied
Uit de berekeningsresultaten volgt dat de bijdrage van PALLAS aan de jaargemiddelde PM2.5-concentraties in het studiegebied ver onder 0,4 µg/m³ liggen. De totale jaargemiddelde concentraties (achtergrondconcentratie + bijdrage PALLAS) liggen voor PM2.5 in de exploitatiefase nergens hoger dan 7,3 µg/m³. Maximale jaargemiddelde concentraties In onderstaande tabel is een overzicht van de maximaal berekende jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2.5 weergegeven. De jaargemiddelde NO2-concentratie bedraagt ten hoogste 8,8 µg/m³ in zowel referentiesituatie als in de plansituatie. De jaargemiddelde PM10-concentratie bedraagt in zowel referentiesituatie als in plansituatie ten hoogste 15 µg/m³. De jaargemiddelde PM2.5-concentratie in de referentiesituatie is gelijk aan de concentratie in de plansituatie en bedraagt ten hoogste 7,3 µg/m³. De maximale jaargemiddelde concentratie in het studiegebied wordt volledig bepaald door de achtergrondconcentraties. In zowel de referentiesituatie als in de plansituatie wordt ruimschoots aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 van 40 µg/m³ voldaan. Ook de jaargemiddelde PM2.5-concentratie voldoet ruimschoots aan de grenswaarde van 25 µg/m³.
De grenswaarde van de uurgemiddelde NO2-concentratie van 200 µg/m³, die 18 keer per jaar mag worden overschreden, doet zich nergens voor en hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie. Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
30 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
De grenswaarde van de 24-uurgemiddelde PM10-concentratie van 50 µg/m³, die 35 dagen per jaar mag worden overschreden, wordt 6 keer bereikt in zowel referentie- als plansituatie. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor de 24-uurgemiddelde concentratie. Tabel 10 Maximale jaargemiddelde concentraties
Omschrijving
Maximaal jaargemiddelde NO2concentratie
Maximaal jaargemiddelde PM10concentratie
Maximaal jaargemiddelde PM2.5concentratie
[µg/m3]
[µg/m3]
[µg/m3]
Grenswaarde
40
40
25
Autonome situatie 2027 (referentiesituatie)
8,8
15,0
7,3
Exploitatiefase 2027 (plansituatie)
8,8
15,0
7,3
5.2
Effectbeoordeling
5.2.1
Bouwfase
De jaargemiddelde NO2-concentratietoename in het maatgevende bouwjaar 2024 op zowel de te beoordelen locaties als in het gehele studiegebied ligt ver onder de „Niet In Betekenende Mate‟ grens van 1,2 µg/m³. Ook de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10 en PM2,5) ligt onder de 0,4 µg/m³. Op basis van het beoordelingskader in Tabel 8 is om deze reden een neutrale beoordeling (score: 0) toegekend. Tabel 11 weergeeft een overzicht van de effectbeoordelingen voor de bouwfase voor het aspect Luchtkwaliteit. Tabel 11 Effectbeoordeling aspect Luchtkwaliteit tijdens de bouwfase
Beoordelingscriteria
Score
Effecten op NO2-concentratie
0
Effecten op PM10- en PM2,5-concentratie
0
5.2.2
Exploitatiefase
Ook in de exploratiefase ligt de jaargemiddelde NO2-concentratietoename op zowel de te beoordelen locaties als in het gehele studiegebied ver onder de „Niet In Betekenende Mate‟ grens van 1,2 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10 en PM2,5) ligt ver onder de 0,4 µg/m³. Op basis van het beoordelingskader in Tabel 8 is om deze reden een neutrale beoordeling (score: 0) toegekend. In Tabel 12 is een overzicht gegeven de effectbeoordelingen voor de exploitatiefase voor het aspect Luchtkwaliteit. Tabel 12 Effectbeoordeling aspect Luchtkwaliteit tijdens de exploitatiefase
Beoordelingscriteria
Score
Effecten op NO2-concentratie
0
Effecten op PM10- en PM2,5-concentratie
0
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
31 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
6
MITIGERENDE MAATREGELEN
Omdat de achtergrondconcentraties in het plangebied laag zijn en de bijdrage van het project in de bouw- en exploitatie fase zeer beperkt is, worden geen grenswaarden overschreden. Voor het aspect Luchtkwaliteit zijn er om deze reden geen mitigerende maatregelen noodzakelijk. De verwachting is dat de emissies van het materieel verbeteren. Er wordt in dit achtergrondrapport gerekend met het huidige beschikbare materieel. Elektrische materieel is nog relatief weinig beschikbaar. Het is nog volop in ontwikkeling. Momenteel is nog vooral licht materieel beschikbaar. De verwachting is dat binnen nu en 5 jaar steeds meer elektrisch materieel op de markt komt. Zwaar elektrisch materieel is nog volop in ontwikkeling en wordt verwacht over 5 tot 10 jaar. Ook de accuduur van materieel op dit moment vormt een beperking. De accuduur zou niet toereikend om een werkdag te laten draaien. Ten tijde van de bouw van de PALLAS-reactor wordt bepaald of het gebruik van elektrisch materieel een beter alternatief is.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
32 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
7
LEEMTEN IN KENNIS
Leemten in kennis en informatie kunnen deels ontstaan door het ontbreken van kennis en informatie op dit moment, maar ook door onzekerheid over ontwikkelingen in de toekomst. Voor het aspect Luchtkwaliteit zijn de volgende leemten geconstateerd: 1. Nieuwe inzichten in achtergrondconcentraties en emissiefactoren. 2. Nieuwe inzichten in het aantal bedrijfsuren van emissiebronnen en het aantal dieselmaterieel en motorvoertuigbewegingen. Ad1) Nieuwe inzichten in achtergrondconcentratie en emissiefactoren Elk jaar worden emissiefactoren en achtergrondconcentraties vastgesteld conform de nieuwste inzichten. De trend in luchtkwaliteit is voor zowel de emissiefactoren voor wegverkeer als de achtergrondconcentraties dat deze daalt. Als de emissiefactoren en achtergrondconcentraties worden bijgesteld gaat dit vaak om kleine wijzigingen. In dit onderzoek is tevens rekening gehouden met recente ontwikkelingen met betrekking tot emissiefactoren van dieselmaterieel. De verwachting is, dat eventuele nieuwe inzichten geen grote effecten hebben op de uitkomsten van het onderzoek. Ad 2) Nieuwe inzichten in aantal bedrijfsuren, aantal dieselmaterieel en motorvoertuigbewegingen Het overzicht van emissiebronnen is gebaseerd op het Ontwerpkader PALLAS en inschatting van de volumes grond, beton en andere materialen die toegepast worden.
Bij het bepalen van de luchtemissies als gevolg van de aanleg van PALLAS is telkens gezocht naar een conservatieve aanlegmethode vanuit luchtkwaliteit optiek. De berekeningen voor de bouwfase zijn uitgevoerd voor het maatgevende bouwjaar. Het jaar met de hoogste emissievrachten en transportbewegingen. Daarnaast is voor al het in te zetten materieel de bovengrens aangehouden qua vermogen voor het bepalen van de emissies. Ook hiervoor geldt dat de verwachting is dat eventuele nieuwe inzichten geen grote effecten hebben op de uitkomsten van het onderzoek.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
33 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
8
LITERATUURLIJST
[1] Het Europees Parlement en de Raad, „Richtlijn 97/68/EG,” d.d. 16 december 1997. [2] Het Europees Parlement en de Raad, „Richtlijn 2002/88/EG,” d.d. 9 december 2002. [3] Het Europees Parlement en de Raad, „Richtlijn 2004/26/EG,” d.d. 21 april 2004 . [4] TNO, „TNO Kennisinbreng Mobiliteit voor Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2019,” kenmerk TNO 2019 P12134 , d.d. 14 februari 2020. [5] TNO, „Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet, EMMA,” november 2009.
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
34 van 36
ACHTERGRONDRAPPORT LUCHTKWALITEIT
BIJLAGE 1 EMISSIEBEREKENINGEN
Onze referentie: D10017246:75 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
35 van 36
Bijlage 1: Uitgangspunten en emissieberekeningen Bouwjaar Q2 2021 en 2022
Omschrijving
Totaal tijd [uren]
motorisch vermogen [kW]
Cilinder Tijd stationair inhoud [uren] [liter]
Gemiddelde belasting [%]
NOx-emissiefactor belast [g/kWh]
TAF-factor Nox belast NOx
NOx-vracht belast [kg]
Nox-emissiefactor NOx-vracht stationair stationair [g/(l*h)] [kg]
Totaal NOxPM10-emissie vracht (bl + st) factor belast [g/kWh]
TAF-factor PM10 belast
PM2.5vracht belast [kg]
PM10-vracht belast [kg]
PM10emissiefactor stationair [g/(l*h)]
Totaal Totaal PM10PM10PM2,5vracht vracht (bl vracht (bl stationair + st) + st) [kg] [kg] [kg]
1. Inrichting LDA en toegangsweg 1.1 toegangsweg Graafmchine toegangsweg
880
122
264
6.1
69%
0.9
0.87
40.6
10.0
16.1
57
0.03
0.89
1.4
1.4
0.01
0.02
1.4
1.4
kraan toegangsweg
80 0 1520 1080
450 250 320 125
24 0 456 324
22.5 12.5 16.0 6.3
61% 69% 69% 55%
0.9 0.9 0.9 0.9
1.1 1.1 1.1 1.1
15.2 0.0 232.6 51.5
10.0 10.0 10.0 10.0
5.4 0.0 73.0 20.3
21 0 306 72
0.03 0.03 0.03 0.03
1.97 1.97 1.97 1.97
0.9 0.0 13.9 3.1
0.9 0.0 13.9 3.1
0.01 0.01 0.01 0.01
0.01 0.00 0.07 0.02
0.9 0.0 14.0 3.1
0.9 0.0 14.0 3.1
1440 5000
240
432 1500
12.0
55%
0.9
1.1
131.7 471.6
10.0
51.8 166.6
184 638
0.03
1.97
7.9 27.1
7.9 27.1
0.01
0.05
7.9 27.3
7.9 27.3
1920 280 0 2880 600 1080 6760
122 450 250 320 125 240
576 84 0 864 180 324 2028
6.1 22.5 12.5 16.0 6.3 12.0
69% 61% 69% 69% 55% 55%
0.9 0.9 0.9 0.9 0.9 0.9
0.87 1.1 1.1 1.1 1.1 1.1
88.6 53.3 0.0 440.7 28.6 98.8 709.9
10.0 10.0 10.0 10.0 10.0 10.0
35.1 18.9 0.0 138.2 11.3 38.9 242.4
124 72 0 579 40 138 952
0.03 0.03 0.03 0.03 0.03 0.03
0.89 1.97 1.97 1.97 1.97 1.97
3.0 3.2 0.0 26.3 1.7 5.9 40.1
3.0 3.2 0.0 26.3 1.7 5.9 40.1
0.01 0.01 0.01 0.01 0.01 0.01
0.04 0.02 0.00 0.14 0.01 0.04
3.1 3.2 0.0 26.4 1.7 5.9 40.4
3.1 3.2 0.0 26.4 1.7 5.9 40.4
Betonpomp toegangsweg Trucks (ZV) toegangsweg (op site) LV toegangsweg (op site) MZV toegangsweg (op site) Totaal toegangsweg
1.2 LDA Graafmchine LDA kraan LDA Betonpomp LDA Trucks (ZV) LDA en toegangsweg (op site) LV LDA en toegangsweg (op site) MZV LDA en toegangsweg (op site) Totaal LDA
Bouwjaar 2023
Omschrijving
Totaal tijd [uren]
motorisch vermogen [kW]
Cilinder Tijd stationair inhoud [uren] [liter]
Gemiddelde belasting [%]
NOx-emissiefactor belast [g/kWh]
TAF-factor Nox belast
NOx-vracht belast [kg]
TAF-factor PM10 belast
PM2.5vracht belast [kg]
Nox-emissiefactor NOx-vracht stationair stationair [g/(l*h)] [kg]
Totaal NoxPM10-emissie vracht (bl + st) factor belast [g/kWh]
PM10-vracht belast [kg]
10.0 10.0 10.0 10.0
10.2 21.6 2.6 6.7
36 82 11 28
0.03 0.03 0.03 0.03
0.89 1.97 1.97 1.97
0.9 3.6 0.5 1.3
PM10emissiefactor stationair [g/(l*h)]
Totaal Totaal PM10PM10PM2,5vracht vracht (bl vracht (bl stationair + st) + st) [kg] [kg] [kg]
2. constructie secundaire koeling 2.1 pompput
Trucks (ZV) pompput (op site)
560 320 70 140
122 450 250 320
168 96 21 42
LV pompput (op site)
40
125
MZV pompput (op site) Boorinstallatie landzijde
0 800
240 350
Totaal pompput/afhekken intrede
1930
Graafmachine pompput kraan pompput betonpomp
6.1 22.5 12.5 16.0
69% 61% 69% 69%
0.9 0.9 0.9 0.9
0.87 1.1 1.1 1.1
25.8 60.9 8.4 21.4
12
6.3
0 240
12.0 17.5
55%
0.9
1.1
1.9
10.0
0.8
3
0.03
1.97
55% 69%
0.9 0.9
1.1 1.1
0.0 133.9
10.0 10.0
0.0 42.0
0 176
0.03 0.03
1.97 1.97
83.9
336.2
579
252.3
0.9 3.6 0.5 1.3
0.01 0.01 0.01 0.01
0.01 0.02 0.00 0.01
0.9 3.7 0.5 1.3
0.9 3.7 0.5 1.3
0.1
0.1
0.01
0.0 8.0
0.0 8.0
0.01 0.01
0.00
0.1
0.1
0.00 0.04
0.0 8.0
0.0 8.0
14.4
14.4
14.5
14.5
2.2 koelleiding landzijde Graafmchine koelleiding landzijde kraan koelleiding landzijde betonpomp Trucks (ZV) koelleiding landzijde (op site) LV koelleiding landzijde (op site) MZV koelleiding landzijde (op site) Totaal koelleiding landzijde
0 80 0 0 0 0 80
122 450 250 320 125 240
0 24 0 0 0 0 24
6.1 22.5 12.5 16.0 6.3 12.0
69% 61% 69% 69% 55% 55%
0.9 0.9 0.9 0.9 0.9 0.9
0.87 1.1 1.1 1.1 1.1 1.1
0.0 15.2 0.0 0.0 0.0 0.0 15.2
10.0 10.0 10.0 10.0 10.0 10.0
0.0 5.4 0.0 0.0 0.0 0.0 5.4
0 21 0 0 0 0 20.6
0.03 0.03 0.03 0.03 0.03 0.03
0.89 1.97 1.97 1.97 1.97 1.97
0.0 0.9 0.0 0.0 0.0 0.0 0.9
0.0 0.9 0.0 0.0 0.0 0.0 0.9
0.01 0.01 0.01 0.01 0.01 0.01
0.00 0.01 0.00 0.00 0.00 0.00
0.0 0.9 0.0 0.0 0.0 0.0 0.9
0.0 0.9 0.0 0.0 0.0 0.0 0.9
400 0 0 0 0 0 0 400
350 122 450 250 320 125 240
120 0 0 0 0 0 0 120
17.5 6.1 22.5 12.5 16.0 6.3 12.0
69% 69% 61% 69% 69% 55% 55%
0.9 0.9 0.9 0.9 0.9 0.9 0.9
1.1 0.87 1.1 1.1 1.1 1.1 1.1
66.9 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 66.9
10.0 10.0 10.0 10.0 10.0 10.0 10.0
21.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 21.0
88 0 0 0 0 0 0 88
0.03 0.03 0.03 0.03 0.03 0.03 0.03
1.97 0.89 1.97 1.97 1.97 1.97 1.97
4.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 4.0
4.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 4.0
0.01 0.01 0.01 0.01 0.01 0.01 0.01
0.02 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00
4.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 4.0
4.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 4.0
0 600 300 0 0 0
375 450 250 320 125 240
0 180 90 0 0 0
18.8 22.5 12.5 16.0 6.3 12.0
69% 61% 69% 69% 55% 55%
0.9 0.9 0.9 0.9 0.9 0.9
0.87 1.1 1.1 1.1 1.1 1.1
0.0 114.1 35.9 0.0 0.0 0.0
10.0 10.0 10.0 10.0 10.0 10.0
0.0 40.5 11.3 0.0 0.0 0.0
0 155 47 0 0 0
0.03 0.03 0.03 0.03 0.03 0.03
0.89 1.97 1.97 1.97 1.97 1.97
0.0 6.8 2.1 0.0 0.0 0.0
0.0 6.8 2.1 0.0 0.0 0.0
0.01 0.01 0.01 0.01 0.01 0.01
0.00 0.04 0.01 0.00 0.00 0.00
0.0 6.9 2.2 0.0 0.0 0.0
0.0 6.9 2.2 0.0 0.0 0.0
2.3 koelleiding zeezijde Boorinstallatie zeezijde Graafmchine koelleiding zeezijde kraan koelleiding zeezijde betonpomp Trucks (ZV) koelleiding zeezijde (op site) LV koelleiding zeezijde (op site) MZV koelleiding zeezijde (op site) Totaal koelleiding zeezijde
2.4 filterhuis Graafmchine filterhuis kraan pompput betonpomp Trucks (ZV) filterhuis (op site) LV filterhuis (op site) MZV filterhuis (op site)
Totaal filterhuis
900
270
150.0
51.8
201.7
9.0
9.0
9.0
9.0
Bouwjaar 2022 t/m 2024
Omschrijving
Totaal tijd [uren]
motorisch vermogen [kW]
Cilinder Tijd stationair inhoud [uren] [liter]
Gemiddelde belasting [%]
NOx-emissiefactor belast [g/kWh]
TAF-factor Nox belast
NOx-vracht belast [kg]
Nox-emissiefactor NOx-vracht stationair stationair [g/(l*h)] [kg]
Totaal NoxPM10-emissie vracht (bl + st) factor belast [g/kWh]
TAF-factor PM10 belast
PM2.5vracht belast [kg]
PM10-vracht belast [kg]
PM10emissiefactor stationair [g/(l*h)]
Totaal Totaal PM10PM10PM2,5vracht vracht (bl vracht (bl stationair + st) + st) [kg] [kg] [kg]
3. bouwkuip, fundering en reactorgeb. Graafmchine reactorgebouw kraan reactorgebouw betonpomp reactorgebouw Pompbemaling Bentoniet installatie Trucks (ZV) reactorgebouw (op site) LV reactorgebouw (op site) MZV reactorgebouw (op site) Totaal reactorgebouw
1280 2280 160 3000 500 1960 0 1200 10380
122 450 250 75 250 320 125 240
384 684 48 900.0 150.0 588 0 360 3114
6.1 22.5 12.5 3.8 12.5 16.0 6.3 12.0
69% 61% 69% 34% 69% 69% 55% 55%
0.9 0.9 0.9 0.9 0.9 0.9 0.9 0.9
0.87 1.1 1.1 1.1 1.1 1.1 1.1 1.1
59.1 433.7 19.1 53.0 59.8 299.9 0.0 109.8 1034.4
10.0 10.0 10.0 10.0 10.0 10.0 10.0 10.0
23.4 153.9 6.0 33.8 18.8 94.1 0.0 43.2 373.1
82 588 25 87 79 394 0 153 1407.5
0.03 0.03 0.03 0.03 0.03 0.03 0.03 0.03
0.89 1.97 1.97 1.97 1.97 1.97 1.97 1.97
2.0 25.9 1.1 3.2 3.6 17.9 0.0 6.6 60.2
2.0 25.9 1.1 3.2 3.6 17.9 0.0 6.6 60.2
0.01 0.01 0.01 1.01 2.01 0.01 0.01 0.01
0.02 0.15 0.01 3.41 3.77 0.09 0.00 0.04
2.0 26.0 1.1 6.6 7.3 18.0 0.0 6.6 67.7
2.0 26.0 1.1 6.6 7.3 18.0 0.0 6.6 67.7
Bouwjaar medio 2023 t/m medio 2027
Omschrijving
Totaal tijd [uren]
motorisch vermogen [kW]
Cilinder Tijd stationair inhoud [uren] [liter]
Gemiddelde belasting [%]
NOx-emissiefactor belast [g/kWh]
TAF-factor Nox belast
NOx-vracht belast [kg]
Nox-emissiefactor NOx-vracht stationair stationair [g/(l*h)] [kg]
Totaal NoxPM10-emissie vracht (bl + st) factor belast [g/kWh]
TAF-factor PM10 belast
PM2.5vracht belast [kg]
PM10-vracht belast [kg]
PM10emissiefactor stationair [g/(l*h)]
Totaal Totaal PM10PM10PM2,5vracht vracht (bl vracht (bl stationair + st) + st) [kg] [kg] [kg]
4. constructie gebouw, install. en infra 4.1 bouw reactorgebouw Graafmchine reactorgebouw kraan reactorgebouw betonpomp reactorgebouw Trucks (ZV) reactorgebouw (op site) LV reactorgebouw (op site) MZV reactorgebouw (op site) Totaal bouw reactorgebouw
0 0 480 3840 11520 7680 23520