Achtergrondrapport Grondwater
Tekst van het document
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER Plan-MER PALLAS Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor
16 APRIL 2021 - AS3-PUBLIC
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Contactpersoon Philip Visser Divisie Water en Milieu
philip.visser@arcadis.com
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
2 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
INLEIDING
5
1.1
Functie van dit achtergrondrapport
5
1.2
Voorgenomen activiteit
5
1.3
Leeswijzer
5
ONDERZOEKSMETHODIEK
6
2.1
Onderzoeksopzet
6
2.2
Uitgangspunten
6
BEOORDELINGSKADER
8
3.1
Wettelijk- en beleidskader
8
3.2
Beoordelingskader
9
HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING
12
4.1
Huidige situatie
12
4.1.1
Geohydrologische bodemopbouw
12
4.1.2
Grondwaterstroming
12
4.2
Autonome ontwikkeling
16
4.2.1
Klimaatverandering
16
4.2.2
Kustverdedigingswerken
17
4.2.3
Overige ontwikkelingen
17
MILIEUEFFECTEN
18
5.1
Effecten tijdens de bouwfase
18
5.2
Effecten tijdens de exploitatie fase
20
5.2.1
Grondwaterstanden en stijghoogten
20
5.2.2
Grondwaterkwaliteit
20
5.3
Effectbeoordeling
21
6
MITIGERENDE MAATREGELEN
23
7
LEEMTEN IN KENNIS
24
8
LITERATUURLIJST
25
BIJLAGEN Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
3 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
BIJLAGE A GRONDWATERMONITORING PALLAS
26
BIJLAGE B GRONDWATER MODELSTUDIE PALLAS
27
COLOFON
28
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
4 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
1
INLEIDING
1.1
Functie van dit achtergrondrapport
De Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor, verder PALLAS genoemd, heeft het voornemen om een multifunctionele nucleaire reactor te realiseren, die geschikt is voor het produceren van medische isotopen, industriële isotopen en het uitvoeren van nucleair technologisch onderzoek. In 2020 is hiertoe een bestemmingsplan onherroepelijk geworden, waarbij een plan-MER (milieueffectrapport) was gevoegd ter onderbouwing. Als belangrijke volgende stap in de procedures vindt er een bestemmingsplanherziening plaats. Voor deze bestemmingsplanherziening vormt dit nieuwe plan-MER de onderbouwing. Dit achtergrondrapport is opgesteld ten behoeve van het plan-MER. In het plan-MER zelf is op hoofdlijnen de informatie uit dit achtergrondrapport overgenomen. Dit achtergrondrapport is gebaseerd op het Ontwerpkader, dat ook deel uitmaakt van het plan-MER.
1.2
Voorgenomen activiteit
De voorgenomen activiteit voor dit achtergrondrapport is de bouw en het exploiteren van de PALLASreactor. De informatie die nodig is op plan-MER-niveau is te vinden in het rapport Ontwerpkader. De hoofdpunten uit het Ontwerpkader zijn: 1. Het PALLAS-project kent een bouwfase, een overgangsfase en een exploitatiefase. 2. De bouwfase is opgedeeld in vijf clusters van bouwactiviteiten, te weten (a) Inrichting Lay Down Area (LDA) en tijdelijke toegangsweg, (b) Constructie secundaire koeling, (c) Bouwkuip, fundering en constructie reactorgebouw, (d) Constructie gebouwen, installatie en infrastructuur en (e) Afronding LDA en inrichting terrein. De bouwfase duurt in totaal ongeveer zeven jaar. 3. In de overgangsfase zijn er twee reactoren in bedrijf op de Energy & Health Campus (EHC): de nieuwe PALLAS-reactor en de bestaande Hoge flux Reactor (HFR). 4. In de exploitatiefase is de PALLAS-reactor in bedrijf en is de HFR uitgefaseerd.
1.3
Leeswijzer
Na dit eerste hoofdstuk: • • • • • • •
Beschrijft hoofdstuk 2 de gehanteerde onderzoeksmethodiek. Geeft hoofdstuk 3 het beoordelingskader. Zet hoofdstuk 4 de referentiesituatie uiteen, die bestaat uit de huidige situatie en relevante autonome ontwikkelingen. Staan in hoofdstuk 5 de milieueffecten beschreven. Somt hoofdstuk 6 op welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn om negatieve milieueffecten te verminderen of op te heffen. Presenteert hoofdstuk 7 de geconstateerde leemten in kennis. Geeft hoofdstuk 8 inzicht in de bronnen voor dit achtergrondrapport.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
5 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
2
ONDERZOEKSMETHODIEK
2.1
Onderzoeksopzet
In relatie tot grondwater worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • •
Wat zijn de effecten op de grondwaterstand, stijghoogte, grondwaterstroming en het zoutgehalte van het grondwater? Hierbij wordt ingegaan op de effecten tijdens de bouw en de permanente effecten na bouw van de reactor Wat is het effect van de veranderingen in bovengenoemde factoren op de functies in de omgeving, zoals: Vegetatie (verdroging, verzilting). Gebouwen (risico op zettingsschade). Duinen als onderdeel van de zeewering (risico op zetting). Landbouw (droogteschade, schade als gevolg van verzilting). Grondwateronttrekkings- of infiltratiesystemen. Mobiele verontreinigingen (invloed op beheersing).
De mogelijke effecten en de gevolgen voor de omgeving zijn onderzocht door middel van een regionale, 3D modelstudie. Ten behoeve van het plan-MER is een grondwater model opgesteld [1]. Voor het plan-MER is het model geverifieerd aan de hand van de monitoring resultaten en is het rekengrid verfijnd [2]. In de modelstudie zijn de grondwateraspecten in de huidige situatie in beeld gebracht. Vervolgens zijn de veranderingen ten gevolge van de bouw van de PALLAS-reactor met de huidige situatie vergeleken. Dit biedt inzicht in de veranderingen in grondwaterstanden, stijghoogtes en zoutgehalte van het grondwater ten gevolge van de bouw van de PALLAS-reactor.
2.2
Uitgangspunten
De uitgangspunten voor het aspect grondwater zijn weergegeven in Tabel 1. Tabel 1 Uitgangspunten grondwater
Aspect
Uitgangspunten
Topografie
Actueel hoogtebestand Nederland (AHN)
Geohydrologische schematisering
DINOloket: REGIS II v2.1 en GeoTOP; Feflow model zoals opgeleverd door Fugro
Grondwaterstanden en stijghoogten
DINOloket Monitoring netwerk1
Zoutgehalte grondwater
Grondwateranalysen DINOloket; Geo-elektrisch onderzoek (VES) DINOloket; Geleidbaarheidssonderingen Fugro (aangeleverd door Fugro) Monitoring netwerk
Bodeminformatie
Geologisch booronderzoek DINOloket; Sonderingen Fugro (aangeleverd door Fugro) Sonderingen diverse partijen (aangeleverd door HHNK) Boringen monitoring netwerk
Bathymetrie Noordzee
European Observation and Data network
Zoutgehaltes zeewater
Analyses in http://www.live.waterbase.nl
Dieptes en breedtes sloten en kanalen Digitale Legger HHNK
1 Het monitoring netwerk is actief vanaf juli 2019. De resultaten van het eerste monitoringjaar (juli 2019-mei 2020) zullen in de tweede helft van 2020 worden gerapporteerd [12].
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
6 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Aspect
Uitgangspunten
Chloridegehalte water in het Noordhollandsch Kanaal
http://www.waterkwaliteitsportaal.nl/, http://hnk-water.nl/ol/pm2.html
Neerslag en verdamping
Klimaatstations Petten (neerslag), Callantsoog (neerslag) en De Kooy (verdamping) van het KNMI
Grondwateronttrekkingen
Feflow model en rapportage zoals aangeleverd door Fugro; [3] ECN VGM Jaarverslagen 2013, 2014 en 2015 [4] [5]; Werkplan Verwijderen ‘Tritium Hot Spots’ op het HFR- terrein. NRG, 11 januari 2013. [6]
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
7 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
3
BEOORDELINGSKADER
3.1
Wettelijk- en beleidskader
Tabel 2 Beleid, wet- en regelgeving aspect grondwater
Beleidsplan, wet, regel
Beschrijving van relevantie voor PALLAS
DSR
In de Handreiking voor een veilig ontwerp en het veilig bedrijven van kernreactoren [7] staan in de Dutch Safety Requirements (DSR) de volgende eisen: • A programme of hydrogeological investigations shall be carried out to permit the assessment of radionuclide movement in hydrogeological units. This programme shall include investigations of the migration and retention characteristics of the soils, the dilution and dispersion characteristics of the aquifers, and the physical and physicochemical properties of underground materials, mainly related to transfer mechanisms of radionuclides in groundwater and their exposure pathways. • An assessment of the potential impact of the contamination of groundwater on the population shall be performed by using the data and information collected in a suitable model. Dispersie van radioactief materiaal via het grondwater is expliciet geen onderdeel van deze studie.2
IAEA vereisten Het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) heeft twee vereisten voor de aspecten bodem en water in relatie tot nucleaire reactoren: • IAEA Safety Requirements NS-R-3: ‘Site Evaluation for Nuclear Installations’ [8] vereist dat in verband met de fundering van de installatie het grondwaterregime en de grondwaterkwaliteit moeten worden bestudeerd. Dispersie van radioactief materiaal via het grondwater is expliciet geen onderdeel van deze studie. • IAEA Nuclear Energy Series Technical Reports ‘Guides Managing Environmental Impact Assessment for Construction and Operation in New Nuclear Power Programmes’ No. NG-T-3.11 [9] stelt dat modellering van transportroutes via grondwater een onderdeel is van het Safety Analysis Report. Dit is geen onderdeel van deze studie. NG-T-3.11 vereist wel een studie naar de gevolgen van de bouw, het gebruik van de PALLAS-reactor en ontmanteling van de installatie op het grondwater. Gebaseerd op de effectrapportage moet beschreven worden hoe de effecten op het grondwater tijdens bouw en gebruik van de installatie worden gemonitord. Europese Kaderrichtlijn water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) [10] stelt eisen aan een goede kwantitatieve toestand en een goede chemische toestand van grondwater. Deze eisen zijn globaal benoemd. In de Grondwaterrichtlijn die eind 2006 van kracht is geworden, is een aantal chemische aspecten voor grondwater verder gespecificeerd. De duinen maken deel uit van grondwaterlichaam NLGW0016 (Duinen, Rijn-West) en het omringende gebied op land behoort tot grondwaterlichaam NLGW0011 (Zout, Rijn-West). Het ‘Besluit van 15 oktober 2015 tot wijziging van het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 en het Waterbesluit’ geeft de nationaal vastgestelde drempelwaarden voor een goede chemische toestand van grondwaterlichamen. Dit betreft drempelwaarden voor de volgende stoffen/elementen: chloride, nikkel, arseen, lood en fosfaat. De bouw van de reactor kan mogelijk effecten hebben op de grondwaterstroming en de verdeling van zoet en zout grondwater. Hierbij is de drempelwaarde voor chloride van belang. Deze is voor grondwaterlichaam NLGW0016 vastgesteld op 160 mg/L. Dit betekent dat de chlorideconcentratie van het grondwater in de duinen niet hoger dan 160 mg/L mag zijn in 2027 en dat de grondwaterkwaliteit niet achteruit mag gaan. Voor NLGW0011 is geen drempelwaarde voor chloride vastgesteld.
Deze richtlijn is onder andere geïmplementeerd in de Wet Bodem Bescherming en is daarmee ook relevant voor het aspect grondwaterverontreiniging.
Waterwet
Grondwateronttrekking ten behoeve van de bouw van de reactor heeft een vergunningplicht in het kader van de Waterwet wanneer de onttrekking langer duurt dan 6 maanden of wanneer er meer grondwater wordt onttrokken dan 8.000 m3 per maand in kwetsbaar gebied of meer dan 15.000 m3 buiten kwetsbaar gebied. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) is het bevoegd gezag in het gebied. De locatie van de PALLAS-reactor ligt buiten de door HHNK aangewezen kwetsbare gebieden. Dit betekent dat er een vergunningplicht is wanneer er meer grondwater wordt onttrokken dan 15.000 m3. Bij de Waterwet-vergunningaanvraag worden de effecten van de onttrekking op de omgeving beoordeeld. Hierbij wordt gekeken naar de effecten op vegetatie, zetting van gebouwen en effecten
2 Dispersie van radioactief materiaal wordt in het kader van het plan-MER beschouwd in het achtergrondreport Nucleaire veiligheid, kenmerk 078849873:E (ARCADIS/NRG 2016).
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
8 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Beleidsplan, wet, regel
Beschrijving van relevantie voor PALLAS op waterkeringen. HHNK heeft tevens aangegeven een beoordeling te willen zien van eventuele kortsluitstromen die tussen verschillende watervoerende pakketten kunnen ontstaan als gevolg van funderingspalen. Eén van de mogelijk belangrijkste effecten is de invloed op de vegetatie in het omringende Natura 2000-gebied. Er mogen geen significante effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied. Met betrekking tot lozing van onttrokken grondwater zal gekeken moeten worden naar de samenstelling van het water en of dit op een oppervlaktewater geloosd mag worden.
3.2
Beoordelingskader
Studiegebied De modelstudie strekt zich uit over het gebied zoals weergegeven in Figuur 1. Het monitoringnetwerk op en rond de Energy & Health Campus (EHC) is weergegeven in Figuur 2.
Figuur 1 Studiegebied grondwatermodellering met het regionale model (zwarte lijn) en de gedetailleerde uitsnede rond de reactorlocaties (gele lijn)
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
9 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Figuur 2 Monitoringnetwerk
Beoordelingskader Het aspect grondwater wordt beoordeeld conform het beoordelingskader dat in Tabel 3 is weergegeven. Per deelaspect wordt dit beoordelingskader verder uitgediept in de navolgende paragrafen. Tabel 3 Beoordelingskader grondwater
Deelaspect
Beoordelingscriteria
Grondwaterstanden/-stijghoogten
Vegetatie Gebouwen Duinen als onderdeel van de waterkering Landbouw Grondwateronttrekkings- of infiltratiesystemen Mobiele verontreinigingen
Grondwaterkwaliteit
Zoutgehalte (als chlorideconcentratie) Verontreinigingen
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
10 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Bij de bouw van de PALLAS-reactor wordt in principe geen grondwater onttrokken. De constructie van het reactorgebouw en naastgelegen pompgebouw is deels ondergronds en zal daardoor de natuurlijke grondwaterstroming deels blokkeren. Daarnaast worden diepe damwanden toegepast als grondkerende constructie langs de LDA en toegangsweg. Deze ondergrondse constructies en damwanden hebben invloed op grondwaterstanden en -stroming, stijghoogtes en de verdeling van zoet en zout grondwater. De effecten op het grondwater zijn beoordeeld voor de bouwfase en exploitatiefase voor het reactorgebouw en pompgebouw. De effecten worden uitgedrukt in: • •
Verandering in grondwaterstanden en/of stijghoogtes. Veranderingen in het chloridegehalte van het grondwater.
Wat voor één beoordelingscriterium nadelig is, kan voor een ander criterium juist positief zijn. Bijvoorbeeld een grondwaterstandsverlaging kan een negatief effect op de vegetatie hebben, maar dit kan ook betekenen dat de bestaande permanente grondwaterbeheersing minder nodig is. Relevante fasen Voor het deelaspect Grondwater zijn de effecten tijdens de bouwfase en in de exploitatiefase beschreven. De overgangsfase is niet separaat beoordeeld omdat de activiteiten in deze fase, de fase waarin de HFR en de PALLAS-reactor beide in bedrijf zijn, niet tot andere effecten leiden dan in de exploitatiefase. Beoordelingsschaal Tabel 4 Scoretoekenning beoordeling grondwater
Score
Betekenis
Toelichting
++
Zeer positief effect
Komt niet voor.
+
Positief effect
Sterkere ondiepe kwel naar en vernatting van vochtige duinvalleien. Verbetering instandhoudingsdoelstellingen N2000 te verwachten. Verzoeting landbouwgebied. Minder grondwateronttrekking voor grondwaterbeheersing nodig. Beheersing van de verspreiding van verontreinigingen.
0
Geen effect
Geen effecten op het grondwaterregime.
-
Negatief effect
Geringe negatieve effecten op bestaande grondwateronttrekkingen/grondwatergebruik; Geringe verdroging/verzilting natte duinvalleien. Freatische grondwaterstand daalt minder dan 5cm ter plaatse van lage vegetatie en minder dan 10cm ter plaatse van bos. Gering risico op zettingsschade gebouwen en primaire waterkering; Geringe droogteschade/verziltingsschade landbouw; Geringe negatieve effecten op de verspreiding van mobiele verontreinigingen.
--
Zeer negatief effect
Sterke negatieve effecten op bestaande grondwateronttrekkingen/grondwatergebruik; Sterke verdroging/verzilting natte duinvalleien. Instandhoudingsdoelstellingen komen in gevaar. Freatische grondwaterstand daalt meer dan 5cm ter plaatse van lage vegetatie en meer dan 10cm ter plaatse van bos. Sterk risico op zettingsschade gebouwen en primaire waterkering; Grote droogteschade/verziltingsschade landbouw; Sterke negatieve effecten op de verspreiding van mobiele verontreinigingen.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
11 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
4
HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING
4.1
Huidige situatie
4.1.1
Geohydrologische bodemopbouw
De geohydrologische basis (de geologische laag die de onderkant van het grondwatersysteem vormt) bestaat uit de tertiaire en pleistocene afzettingen van de Maassluis Formatie op een diepte van ongeveer NAP -230 m tot NAP -290 m. Deze afzettingen bestaan voornamelijk uit slecht doorlatende klei. Hierboven ligt een dikke laag goed doorlatende zandige afzettingen van de Peize en Waalre Formaties. Vanaf circa NAP -80 m gaan deze formaties over in de Urk Formatie. Op de beoogde locatie van de PALLAS-reactor komen in de Urk Formatie een aantal dunne kleilagen voor. Deze kleilagen eindigen ten oosten van de beoogde locatie van de PALLAS-reactor. Boven circa NAP -50 m komt een afwisseling voor van goed doorlatende zandlagen en slecht doorlatende kleilagen. Deze afzettingen behoren tot de Drenthe Formatie, de Eem Formatie, de Kreftenheye Formatie en de Boxtel Formatie. De bovenkant van de Boxtel Formatie en de onderkant van de holocene deklaag vormen een scheidende laag die de bovenliggende freatische aquifer scheidt van het 1e watervoerende pakket hieronder. De hydraulische weerstand van de diep gelegen scheidende lagen is relatief klein (enkele honderden dagen per scheidende laag). De eerste scheidende laag die de freatische watervoerende laag van het diepere watervoerende pakket scheidt, is de meest relevante scheidende laag in het kader van dit project.
Deze scheidende laag, gelegen op circa NAP 0 m tot NAP -10 m, bestaat uit zandige klei en kleiig zand met lokaal ingesloten veenlagen. Met name het basisveen heeft een zeer grote hydraulische weerstand. Deze laag komt ter plaatse van de reactor locatie voor met een dikte van circa 40 cm. In de omgeving varieert de dikte tussen 0 en 80 cm.
4.1.2
Grondwaterstroming
De grondwaterstroming in de watervoerende lagen beneden de freatisch watervoerende laag is van west naar oost gericht. Drainage in de Wieringermeerpolder op circa 20 kilometer ten oosten van de locatie van de PALLAS-reactor veroorzaakt een verhang in stijghoogte van circa NAP 0 m aan de kust tot circa NAP 4,5 m in de polder. Het freatisch watervoerend pakket bestaat voornamelijk uit duinzand. Infiltratie van hemelwater heeft in deze duinen een lens van zoet water gevormd, die het zoute water tot beneden de eerste scheidende laag verdringt. De freatische zoetwaterlens is uitermate belangrijk voor de kwaliteit van het grondwater in het duingebied en voor de duinvegetatie, vooral de vegetatie in de duinvalleien, waar kwel van zoet, carbonaatrijk water optreedt. Wanneer de freatische grondwaterstand hoog genoeg is bereikt het (zoete) freatische grondwater de laaggelegen duinvalleien en vormt daar drassige gebieden en meertjes. De grondwaterstanden in het duingebied variëren sterk onder invloed van neerslag en verdamping. In Figuur 5 is de berekende infiltratie weergegeven voor de periode 1998-2006 die door het nationaal grondwater model NHI (nationaal hydrologisch instrumentarium) is berekend. Deze periode wordt beschouwd als een hydrologisch representatieve periode en is gebruikt voor het beschrijven van de gemiddelde hydrologische situatie.
De gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) zijn overgenomen uit [11] en weergegeven in Figuur 3 en Figuur 4. De gemiddelde freatische grondwaterstanden zoals deze is gemeten in het monitoringnetwerk tussen juli 2019 en mei 2020 is weergegeven in Figuur 6 t/m Figuur 9. De grondwaterstanden bollen op in het midden van het duinmassief, met de hoogste grondwaterstanden ten noorden van de EHC. De laagste grondwaterstanden zijn gemeten in de zomer van 2019 (Figuur 6). De freatische grondwaterstanden stijgen in het najaar en de winter (Figuur 7 en Figuur 8) en dalen vervolgens weer in het voorjaar van 2020 (Figuur 9). De gemiddelde grondwaterstand was circa NAP +2 m in het centrum van het duinmassief en loopt af naar circa NAP +0 m aan de kust en NAP +0,5 m langs de Westerduinweg.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
12 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Figuur 4 GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand)) in Figuur 3 GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) in cm beneden maaiveld (cm-mv) [11] cm beneden maaiveld (cm-mv) [11]
Figuur 5 Gemiddelde infiltratie (1998-2006), gebaseerd op het NHI
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
13 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Figuur 6 Contourlijnen van de freatische grondwaterstand op 19 juli 2019
Figuur 7 Contourlijnen van de freatische grondwaterstand op 28 november 2019
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
14 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Figuur 8 Contourlijnen van de freatische grondwaterstand op 26 februari 2020
Figuur 9 Contourlijnen van de freatische grondwaterstand op 22 mei 2020
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
15 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Verdeling zoet en zout grondwater Wat betreft de kwaliteit van het grondwater is het zoutgehalte de meest belangrijke parameter. Het zoutgehalte is van invloed op het fysische gedrag van het grondwater (dichtheidsstroming) en is van belang voor de ecologie en de landbouw. Zout water is aanwezig in het 1e watervoerende pakket in het agrarisch gebied tussen het duingebied en het Noordhollandsch Kanaal, ten oosten van de reactor locatie. Onder de duinen ligt het grensvlak tussen zoet/brak en zout grondwater op veel grotere diepte, tot tientallen meters beneden NAP. Het grensvlak tussen zoet (chlorideconcentratie <150 mg/l) en brak (chlorideconcentratie tussen 150 en 1500 mg/l) ter plaatse van de PALLAS-reactor blijkt op basis van de peilbuizen van het monitoringnetwerk [12] plaatselijk en tijdelijk dieper te liggen dan waar in het plan-MER vanuit is gegaan (Figuur 10). Het grensvlak lag tussen juli 2019 en mei 2020 ter plaatse van BH1 en BH2 op circa NAP -15 m. In de wijdere omgeving ligt het grensvlak nergens hoger dan rond NAP -1 m. Het grensvlak tussen brak en zout (chlorideconcentratie >1500 mg/l) ligt in de duinen tussen NAP -30 en -40 m en ten oosten van de duinen (peilbuis B14C0061-3) op circa NAP -20 m. Het grondwater tot de aanlegdiepte van het reactorgebouw (NAP -12,5 m) is zoet tot licht brak.
Figuur 10 Conceptuele verdeling chlorideconcentraties grondwater in een doorsnede ter plaatse de PALLAS-reactor uit het plan-MER.
4.2
Autonome ontwikkeling
4.2.1
Klimaatverandering
De autonome ontwikkelingen op het gebied van grondwater en grondwaterkwaliteit worden voornamelijk gestuurd door klimaatverandering en zeespiegelstijging. Veranderingen in neerslag en verdamping beïnvloeden de grondwateraanvulling en daarmee de grondwaterstanden en grondwaterkwaliteit. Zeespiegelstijging zal versterkte intrusie van zout grondwater in de ondergrond van het studiegebied veroorzaken. Het KNMI heeft in 2014 de KNMI’14 klimaatscenario’s voor de toekomst geschetst [13]. Deze scenario’s geven aan dat naast temperatuurstijging, de sterke stijging van de neerslaghoeveelheid in de winter (gemeten over de afgelopen eeuw) doorzet in de toekomst. De kans op langdurige zomerdroogte neemt naar het einde van de eeuw eveneens toe. Maar op momenten dat het regent, zal de intensiteit van zomerse buien in de toekomst volgens alle scenarioberekeningen fors hoger zijn. Ook hagel en onweer worden in alle scenario's heviger. Een verhoging van de intensiteit van neerslag resulteert in meer oppervlakkige afstroming. Dit in combinatie met hogere temperaturen en daardoor meer verdamping kan betekenen dat de grondwateraanvulling door het neerslagoverschot geringer wordt, wat resulteert in lagere freatische grondwaterstanden in de zomer. Meer neerslag in de winter kan resulteren in hoge winter- en voorjaarsgrondwaterstanden.
De verschillen tussen zomer en winter grondwaterstanden zullen groter worden.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
16 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Volgens de klimaatscenario's neemt het tempo van zeespiegelstijging aan de Noordzeekust toe. Het verschil tussen de scenario's is vooral afhankelijk van het verschil in wereldwijde opwarming. De zeespiegelstijging leidt tot sterkere intrusie van zeewater in de ondergrond. Mogelijk komt minder zoet water beschikbaar in de bouwvoor3 van de landbouwgebieden. Daarnaast kan vorming en instandhouding van de zoet/brak waterbel in de duinen geringer worden. Voor het MER is het peiljaar 2026 aangehouden. Daar zijn de onderliggende studies ook op gebaseerd. Voor nu zijn er ook geen recentere klimaatscenario’s beschikbaar dan voor 2014. Het KNMI verwacht in 2021 en 2023 nieuwe scenario’s te publiceren. De effecten van deze ontwikkelingen zullen voor deze tijdshorizon nog gering zijn en zijn daarom niet berekend of gekwantificeerd.
4.2.2
Kustverdedigingswerken
Een andere ontwikkeling die mogelijk effect heeft op het grondwaterregime in het studiegebied, is de versterking van de kustverdediging langs de Hondsbossche en Pettemerzeewering. Langs deze dijk is aan de zeezijde een paar honderd meter brede strook zand opgespoten. De verwachting is dat dit (tijdelijk) leidt tot een toename van het zoutgehalte van het grondwater en verhoging van de grondwaterstanden binnendijks. In de zomer van 2015 bleek dat het oppervlaktewater in Petten zouter was dan voorheen. HHNK en de gemeente Schagen zijn direct gestart met het doorspoelen van het watersysteem. Onderzoek heeft inmiddels bevestigd dat de oorzaak van het zouter worden van het oppervlaktewater in Petten door de kustversterking komt4. Tevens bleek dat door het doorspoelen het oppervlaktewater in de naastliggende polder R (ten oosten van Petten) enkele periodes zouter is geweest. HHNK heeft in overleg met de agrariërs hiervoor een oplossing gevonden. Het watersysteem in Petten is zodanig aangepast dat het water weer het normale gehalte zout bevat, en er geen extra zouthoudend water naar Polder R stroomt. Het zoutere water wordt afgeleid naar de Hazepolder en het gebied ten zuiden van Petten, waar het zouter worden van het oppervlaktewater door de dijkversterking geen probleem is. Deze gebieden (polders) waren altijd al brak en hebben een natuurfunctie.
Naar verwachting zal het nog enkele jaren duren voordat al het zout uit het zand van de kustversterking gespoeld is. In het Korfwater in Petten wordt sinds de aanleg van de kustversterking de grondwaterstand extra in de gaten gehouden. Er was namelijk ingeschat dat de grondwaterstand hier hoger wordt. Metingen hebben laten zien dat er plaatselijk een verhoging van de grondwaterstand optrad. Drainage is aangebracht om dit probleem dat zou kunnen optreden bij een woonwijk op te lossen.
4.2.3
Overige ontwikkelingen
Op de NRG-locatie vond een grondwateronttrekking plaats als sanering van een tritium verontreiniging in het grondwater. Volgens het werkplan zou deze sanering in 2019 worden beëindigd. De verspreiding van het tritium zou volgens het werkplan worden gemonitord.
3
Bouwvoor is de bovenste laag grond waarin de meest wortelvorming plaatsvindt. Ongepubliceerd onderzoek en monitoring van grondwaterstanden en zoutgehalten grondwater voor HHNK. Arcadis voert op dit moment een evaluatie van de monitoring onderzoeken over de afgelopen 5 uit in opdracht van HHNK.
4
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
17 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
5 5.1
MILIEUEFFECTEN Effecten tijdens de bouwfase
De aanleg van de bouwkuip zal binnen diepwanden plaatsvinden. Deze wanden laten nauwelijks water door en na voltooiing van de PALLAS-reactor helemaal niet meer. Verticale stroming langs deze wanden is niet te verwachten. Voor funderingspalen kan dit anders zijn, afhankelijk van het soort funderingspalen dat gebruikt wordt. Dit kan tot verzoeting leiden in het watervoerend pakket onder de Holocene afzettingen. Uitgangspunt is dat de PALLAS-reactor in een kuip wordt aangelegd, waarbij onderwaterbeton wordt aangebracht onder de bodem van de kuip, om de werkzaamheden in den droge uit te kunnen voeren. In deze situatie vindt geen bemaling plaats (behalve mogelijk een kleine open bemaling om neerslag en geringe hoeveelheden lekwater af te voeren) en treedt geen verlaging van de stijghoogte op en de verandering van chloride concentratie is nihil. Om de effecten te bepalen zijn in de plan-MER fase modelberekeningen uitgevoerd. Ten behoeve van de onderhavige plan-MER heeft detaillering van het model rond de EHC en modellering van alle geplande ingrepen in de ondergrond plaatsgevonden [2]. De monitoringgevens [12] zijn gebruikt om het model te verfijnen en te verifiëren. De aanleg van de koelwaterleiding (aanvoer en afvoer) zal grotendeels door een gestuurde boring (HDD) plaatsvinden.
Alleen tussen het filtergebouw en het uittredepunt van de boor (300m afstand van het filterstation) zal de leiding in een open sleuf worden gelegd (zie Figuur 11). Om deze open sleuf worden wanden geslagen om de hoeveelheid bemaling te beperken. Het dan nog bemalen water wordt opgevangen, bemonsterd, en bij voldoende kwaliteit geloosd naar het Noordhollandsch Kanaal. Indien de kwaliteit onvoldoende is, dan wordt het water afgevoerd door een erkende verwerker.
Figuur 11 Koelwaterleidingen tracé
Het zand dat uit de bouwkuip en de sleuven voor de diepwanden wordt ontgraven zal worden opgeslagen op het EHC. Dit zand is grotendeels verzadigd met brak grondwater. Het zand uit de bouwkuip zal tijdelijk worden opgeslagen op of nabij de EHC.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
18 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Het zand uit de bouwkuip zal tijdelijk worden opgeslagen op een vloeistofdichte vloer om de lozing van brak water op de onderliggende bodem en het grondwater te voorkomen. Als het schoon is, kan het ergens op het terrein in Petten in depot gaan of nuttig worden toegepast. De volgende conclusies zijn getrokken per beoordelingscriterium: •
•
• •
•
•
5
Vegetatie: Uit de modelberekeningen blijkt door de bouw van het reactorgebouw geen duinvalleien, laaggelegen natte locaties of de kwelzone ten oosten van het duingebied beïnvloed worden. Plaatsing van damwanden langs de LDA voor het afgraven van delen van de duinen heeft een effect op de grondwaterstanden en -flux. Dit effect is verwaarloosbaar wanneer damwanden worden toegepast die niet tot in de slecht doorlatende laag onder het zand reiken (niet dieper dan NAP -2m). Ook wanneer lange damwandplanken worden toegepast, is het effect op grondwaterafhankelijke natuur (voor zover aanwezig) nihil of afwezig. De effecten blijven beperkt tot de EHC en reiken niet tot in het aangrenzende Natura 2000-gebied.5 Gebouwen: De PALLAS-reactor locatie ligt te midden van een aantal andere gebouwen. Dit betreffen gebouw 07, gebouw 15 en gebouw 204 op circa 50 m afstand. Andere gebouwen liggen op grotere afstand. Omdat geen bemaling van de reactorlocatie wordt toegepast, worden ter plaatse van deze gebouwen geen effecten verwacht. Duinen als onderdeel van de primaire kering: De effecten op het grondwater van de bouw van de PALLAS-reactor resulteren niet in zettingseffecten op de primaire waterkering. Landbouw: Omdat geen bemaling voor de bouw van de reactor wordt toegepast, treden geen effecten in het landbouwgebied op.
Het gebruik van lange damwandplanken (tot in de slecht-doorlatende laag onder het duinzand) langs de LDA en toegangsweg resulteert in een kleine afname van de flux van zoet grondwater naar de sloot langs de Westerduinweg. Deze afname is verwaarloosbaar klein ten opzichte van de inhoud van dit watersysteem. De hoeveelheid beschikbaar zoet water neemt niet af omdat het grondwater uiteindelijk rond de damwanden naar de sloot langs de Westerduinweg zal stromen. Grondwateronttrekkings- of infiltratiesystemen: Het dichtstbijzijnde systeem dat grondwater gebruikt betreft het beheerssysteem van de tritiumvlek op ten minste 100 m ten noorden van de reactorlocatie. Deze sanering zou volgens het werkplan in 2019 zijn afgerond. Er is een monobron6 op circa 500 m ten noorden van de reactorlocatie aanwezig. Beïnvloeding van deze onttrekking vindt alleen plaats wanneer de reactorlocatie wordt aangelegd door middel van een grote bemaling. Omdat geen grootschalige bemaling zal plaatsvinden, worden de stijghoogten rond de monobron niet beïnvloed en worden ook de warme en koude grondwaterbellen niet verplaatst. Er wordt daarom ook geen beïnvloeding van de monobron verwacht. Een derde grondwatersysteem is aanwezig ter plaatse van gebouw 13 en 204. Gebouw 204 is op circa 50 m afstand vanaf de reactorlocatie aanwezig.
Vanwege het drooghouden (kelders) van gebouwen (gebouwen 13, 201 en 204) en leidingen wordt, indien de grondwaterstand daartoe aanleiding geeft, grondwater opgepompt en weer in de vijver op het terrein geloosd. Wanneer geen bemaling voor de bouw van de reactor wordt toegepast, dan worden er geen effecten op dit system verwacht. Mobiele verontreinigingen: De dichtstbijzijnde mobiele verontreiniging is voor zover bekend de tritiumverontreiniging op ten minste 100 m ten noorden van de reactorlocatie. Tijdens de bouwfase wordt ervan uitgegaan dat geen bemaling of een zeer geringe bemaling wordt toegepast en geen beïnvloeding van de vlek of het beheerssysteem plaatsvindt. Het gebruik van lange damwandplanken (tot in de slechtdoorlatende laag onder het duinzand) langs de LDA en toegangsweg, zal in veranderingen van freatische grondwaterstanden en het stromingspatroon van het ondiepe grondwater resulteren.
Een deel van de damwanden zal echter wel tot NAP -3 m worden geplaatst. Wanneer de bodemlaag tussen NAP -2 m en -3 m, tegen
de verwachting in, niet uit doorlatend zand blijkt te bestaan, dan zijn de berekende effecten van de damwanden zodanig (hogere grondwaterstanden in het Natura 2000-gebied, mogelijke beïnvloeding tritium verontreiniging) dat dan andere mitigerende maatregelen moeten worden getroffen. Die kunnen eventueel bestaan uit het aanleggen van drainage langs de damwanden en hevels/sifons naar de oostzijde van de damwanden. 6
Een monobron is een bodemenergiesysteem bestaande uit twee bronnen in één boorgat.…
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
19 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
•
Het is niet de verwachting dat dit de verspreiding van de tritium verontreiniging zal beïnvloeden. NRG is verplicht de verspreiding van het tritium te blijven monitoren. De grondwaterkwaliteit (zoutgehalte) wordt niet negatief beïnvloed, door het gebruik van het vloeistofdichte folie en het opvangen en afvoeren van het uittredende water.
5.2
Effecten tijdens de exploitatie fase
5.2.1
Grondwaterstanden en stijghoogten
De deels ondergrondse bouw van het reactorgebouw vormt een blokkade voor de min of meer oostwaarts gerichte grondwaterstroming. Dit resulteert in een verhoging van de grondwaterstanden en stijghoogten ten westen van het gebouw en een verlaging van de grondwaterstanden en stijghoogten ten oosten van het gebouw. Om dit effect zoveel mogelijk te reduceren, is een drain op NAP +0m voorzien aan de bovenstroomse zijde van het gebouw. Deze drain voorkomt opstuwing van het freatische grondwater. Aan de benedenstroomse zijde van het gebouw wordt het water via een andere drain op NAP +0m geïnfiltreerd. Het resultaat is een zeer geringe verlaging van de freatische grondwaterstand aan de zuid- en oostzijde van het gebouw. De bouw van het pomphuis zal binnen damwanden plaatsvinden. Dit veroorzaakt extra blokkades voor de grondwaterstroming. Het effect van het pomphuis op de freatische grondwaterstand is zeer gering. Ten oosten van het pomphuis treedt een grotere verlaging van de freatische grondwaterstand op, tot 13 cm. Deze verlaging treedt alleen op binnen het bebouwde deel van de EHC. De damwanden, die als grondkerende constructies langs de LDA en de toegangsweg worden aangebracht, worden na de bouwfase verwijderd.
Het effect op de stijghoogte in de watervoerende pakketten vanaf circa NAP -8 m door de bouw van het reactorgebouw en de diepwanden is zeer gering, in de orde van grootte van enkele millimeters. Dit effect strekt zich tot enkele tientallen meters rond het reactorgebouw uit en beperkt zich dus tot de EHC. Het pomphuis heeft nauwelijks een extra effect hierop. De funderingspalen doorsnijden mogelijk de slecht-doorlatende lagen op een diepte van circa NAP -22 tot NAP -31 m (Formatie van Kreftenheye en Eem Formatie)7. Wanneer wordt aangenomen dat er een geringe lekkage langs de funderingspalen kan optreden, blijkt er een minimale verlaging in stijghoogte te ontstaan in de watervoerende laag boven de kleilaag. Door de versterkte inzijging van het (zoete) freatische grondwater langs de funderingspalen daalt de chlorideconcentratie in het watervoerend pakket met fracties van milligrammen. Dit effect is praktisch nihil. De funderingspalen van de andere gebouwen dan het reactorgebouw, welke de slecht-doorlatende Holocene afzettingen onder het duinzand (Laagpakket van Wormer, het Hollandveen en de Basisveenlaag) doorsnijden, hebben een minimaal effect op de freatische grondwaterstand (minder dan 1 mm) en het chloridegehalte van het grondwater (minder dan 1 mg/l verandering).
5.2.2
Grondwaterkwaliteit
De berekende effecten op de chlorideconcentraties ten gevolge de opstuwing en verlaging van de grondwaterstanden en stijghoogtes rond het reactorgebouw en het pomphuis zijn niet significant (kleiner dan 1 mg/l). Hierdoor wordt verwacht dat ook de blokkade van de grondwaterstroming door de damwanden onder het NHC (Nucleair Health Center) geen significant effect op de chlorideconcentraties zal hebben. Voor de damwanden langs de LDA dalen de berekende freatische grondwaterstanden niet tot NAP +0 m of lager. Hierdoor wordt voorkomen dat brak of zout water uit de diepere watervoerende pakketten door de slecht doorlatende laag onder het duinzand en het Laagpakket van Walcheren omhoog kan kwellen. De damwanden zullen daarom geen effect op de freatische grondwaterkwaliteit hebben.
7
Er zullen vibro-palen gebruikt worden, waarbij eerst een stalen casing (buis) in de grond wordt geheid, of in een voorgeboord gat wordt geplaatst. Deze casing wordt gevuld met wapening en beton waarna de casing getrokken wordt. Door het trekken van de casing kunnen, in theorie, ter hoogte van de slecht-doorlatende kleilagen geringe lekstromen optreden door zand dat in de ruimte tussen funderingspaal en de klei stroomt.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
20 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
5.3
Effectbeoordeling
Tabel 5 en Tabel 6 geven de effectbeoordeling voor de bouwfase en overgangs- en exploitatiefase voor het aspect Grondwater, zoals in voorgaande paragraaf beschreven. Tabel 5 Effectbeoordeling grondwater in de bouwfase
Deelaspect
Beoordelingscriterium
Grondwaterstanden en stijghoogten
Vegetatie
0
Gebouwen
0
Duinen als onderdeel van de waterkering
0
Landbouw
0
Grondwateronttrekkings- of infiltratiesystemen
0
Mobiele verontreinigingen
0
Zoutgehalte
0
Verontreinigingen
0
Grondwaterkwaliteit
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
Score
21 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
Tabel 6 Effectbeoordeling grondwater in de overgangs- en exploitatiefase
Beoordelingscriterium Grondwaterstanden en stijghoogten
Grondwaterkwaliteit
Score Vegetatie
0
Gebouwen
0
Duinen als onderdeel van de waterkering
0
Landbouw
0
Grondwateronttrekkings- of infiltratiesystemen
0
Mobiele verontreinigingen
0
Zoutgehalte
n.v.t.
Verontreiniging
n.v.t.
Afgeleide effecten: • Vegetatie (verdroging, verzilting): de freatische grondwaterstand in de duinen ten oosten van het reactorgebouw daalt met 1 tot 5cm. Waar damwanden worden toegepast als grondkerende constructies langs de LDA en de toegangsweg is de kans op een groter, tijdelijk, effect op de grondwaterstanden in de duinlichamen aanwezig. Wanneer de damwanden na de bouwfase worden verwijderd is dit effect afwezig in de exploitatiefase. De grondwaterstand in de natte duinvalleien wordt niet door beïnvloed. De effecten reiken niet tot in het Natura 2000-gebied. • Gebouwen (risico op zettingsschade): de effecten op de grondwaterstand en stijghoogte zijn zo gering dat er geen risico op zetting wordt verwacht. De grootste effecten van de damwanden langs de LDA en toegangsweg treden op in de duinlichamen die niet zettingsgevoelig zijn (bestaan uit zand) en waar geen bebouwing op aanwezig is. • Duinen als onderdeel van de zeewering (risico op zetting): er treden effecten op de grondwaterstand in de duinlichamen op als gevolg van de damwanden langs de LDA en de toegangsweg. Omdat de duinen zelf uit zand bestaan, wordt geen zetting verwacht. • Landbouw (droogteschade, schade als gevolg van verzilting): er treedt geen verandering van de grondwaterstanden in het landbouwgebied ten oosten van de reactor op.
Wel neemt de flux van (zoet) grondwater vanuit de duinen af als gevolg van de damwanden langs de LDA en de toegangsweg. Deze grondwaterflux wordt onderschept door de sloot ten oosten van de Westerduinweg. De vermindering van de flux naar deze sloot is verwaarloosbaar klein ten opzichte van de inhoud van dit watersysteem en de hoeveelheden water die via de sloot worden aangevoerd. De totale hoeveelheid zoet grondwater neemt niet af omdat het grondwater uiteindelijk om de damwanden heen zal stromen naar de sloot langs de Westerduinweg. • Grondwateronttrekkings- of infiltratiesystemen: de grondwaterstand ter hoogte van de bestaande gebouwen direct ten westen van het reactorgebouw kan hoger worden. In het ontwerp is uitgegaan van de aanleg van een drainage en infiltratiesysteem rondom het reactorgebouw. Er zal daarom geen effect optreden op de beheersonttrekking ter plaatse. • Mobiele verontreinigingen (invloed op beheersing): de tritium verontreiniging ligt buiten het invloedsgebied (het gebied waar de grondwaterstand met 5 cm of meer verandert) van de verhoging en verlaging van de grondwaterstanden rond het reactorgebouw. • Zoutgehalte: De grondwaterkwaliteit (zoutgehalte) wordt niet negatief beïnvloed, door het gebruik van het vloeistofdichte folie en het opvangen en afvoeren van het uittredende water.
• Verontreiniging: In de bouwfase worden maatregelen getroffen om nieuwe verontreinigingen te voorkomen, zoals bijvoorbeeld het gebruik van vloeistofdichte folie op tanklocaties van materieel.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
22 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
6
MITIGERENDE MAATREGELEN
Vanwege de uitgangspunten zijn geen mitigerende maatregelen nodig. Een eventuele uitzondering is wanneer de bodemgesteldheid onder de lange damwanden onder de LDA anders blijkt te zijn dan verwacht. Mogelijk zijn in dat geval mitigerende maatregelen nodig, zie voetnoot 5 in paragraaf 5.1.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
23 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
7
LEEMTEN IN KENNIS
De kennis over het grondwatersysteem en de eigenschappen daarvan worden continu aangevuld door middel van onder andere metingen aan het monitoringnetwerk. Dit biedt inzicht in de eigenschappen en het gedrag van het grondwater. De monitoring resultaten tot mei 2020 zijn hier verwerkt. De monitoring wordt echter voortgezet en dit zal tot verdere bevestiging of ontwikkeling van de kennis van het grondwatersysteem leiden. De uitvoeringswijzen zijn nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Veranderingen hierin hebben mogelijk consequenties voor de beschouwde grondwatereffecten: •
•
Zo is het ontwerp van de tijdelijke keerwanden langs de LDA nog niet definitief. Voor het definitieve ontwerp moeten sonderingen op de damwandlocaties worden gezet. Deze sonderingen zullen uitwijzen of tussen de dieptes van NAP -1 m en -3 m (doorlatend) zand voorkomt. Wanneer dit niet het geval is, dan kunnen de mitigerende maatregelen getroffen worden die benoemd staan in voetnoot 5. Zoals aangegeven zal tussen het filterstation en het uittredepunt van de boor (300m afstand van het filterstation) de leiding in een open sleuf worden gelegd. Aangenomen wordt dat deze sleuf binnen damwanden wordt ontgraven, niet tot in de klei- en veenlaag vanaf circa NAP -3 m reikt en dat geen spanningsbemaling nodig is. In dit geval zal geen bemaling, afgezien van een kleine open bemaling binnen de damwanden om intreden regenwater af te voeren, nodig zijn en treden geen effecten naar het grondwater op.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
24 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
8
LITERATUURLIJST
[1] Arcadis, "Grondwater modelstudie PALLAS reactor Petten (rap.nr. 078997279)," Arcadis, Arnhem, 2017. [2] Arcadis, "Update grondwater modelstudie PALLAS reactor," Arcadis, Arnhem, 2020. [3] Fugro, “Regional groundwater flow study concerrning site characterisation for use req. Pallas project,” Fugro, Leidschendam, 2016. [4] ECN, „VGM Jaarverslag 2013 - ECN-E-14-020,” ECN, Petten, 2014. [5] ECN, „VGM Jaarverslag 2014, ECN-E-15-021,” ECN, Petten, 2015. [6] NRG, „Verwijderen van Tritium Hot Spots op het HFR terrein - Werkplan,” NRG, Petten, 2013. [7] Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, “Handreiking voor een veilig ontwerp en het veilig bedrijven van kernreactoren,” Authority for Nuclear Safety and Radiation Protection, The Hague, 2015. [8] International Atomic Energy Agency, “IAEA Safety Standard Series - Site Evaluation for Nuclear Installations - No. NS-R-3,” IAEA, Vienna, 2003. [9] International Atomic Energy Agency, "Guides Managing Environmental Impact Assessment for Construction and Operation in New Nuclear Power Programmes," IAEA, Vienna, 2014. [10] Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, "Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid," Europese Gemeenschap, Brussel, 2000. [11] J. Van der Gaast, H. Vroon and H.
Massop, "Grondwaterregime op basis van karteerbare kenmerken," STOWA, Amersfoort, 2010. [12] Arcadis, "Grondwatermonitoring - Periode juli 2019 - mei 2020," Arcadis, Arnhem, 2020. [13] KNMI, "KNMI’14: Climate Change scenarios for the 21st Century – A Netherlands perspective. Scientific Report WR2014-01," KNMI, De Bilt, 2014.
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
25 van 28
ACHTERGRONDRAPPORT GRONDWATER
BIJLAGE A GRONDWATERMONITORING PALLAS
Onze referentie: D10008766:126 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
26 van 28
GRONDWATERMONITORING GRONDWATERMONITORING Periode mei 2019 - juni 2020 Periode mei 2019 - juni 2020
PALLAS PALLAS 15 OKTOBER 2020 15 OKTOBER 2020
GRONDWATERMONITORING
Contactpersoon REINOUT OGILVIE Junior Geohydroloog
M 06-25399380 E reinout.ogilvie@arcadis.com
Onze referentie: D10017441:46 - Datum: 15 oktober 2020
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
2 van 32
GRONDWATERMONITORING
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
INLEIDING
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel van de monitoring
4
1.3
Aanpak
4
1.4
Leeswijzer
5
BESCHRIJVING MEETNET
6
2.1
Parameters
6
2.2
Monitoringslocaties
6
MEETRESULTATEN
9
3.1
Grondwaterstanden, stijghoogten
9
3.1.1
Grondwaterstroming
13
3.2
Grondwaterkwaliteit
16
3.2.1
Tritiumconcentraties
16
3.2.2
Analyse grondwaterkwaliteit
16
3.2.3
Analyse handmetingen en chlorideconcentratie
16
4
CONCLUSIE
20
5
REFERENTIES
21
BIJLAGE A. CONCENTRATIES VERHOOGDE PARAMETERS
22
BIJLAGE B. CONTOURLIJNEN FILTER 2 VAN NIEUWE PEILBUIZEN (NAP -14 M)
24
BIJLAGE C. EC-WAARDE EN AFGELEIDE CHLORIDECONCENTRATIE VAN OVERIGE HANDMETINGEN
27
COLOFON
32
Onze referentie: D10017441:46 - Datum: 15 oktober 2020
3 van 32
GRONDWATERMONITORING
1
INLEIDING
Vanaf mei 2019 wordt op en rond de locatie voor de beoogde PALLAS reactor op de Energy & Health Campus (EHC) in Petten (Noord-Holland) een grondwatermonitoring uitgevoerd. Deze monitoring is erop gericht om de grondwaterstanden, stijghoogten, zoutgehalten (zoet-brak grensvlak) en eventuele (grondwater)verontreinigingen in beeld te brengen en eventuele veranderingen te signaleren en te verklaren. Ten behoeve van de monitoring zijn in april 2019 peilbuizen geplaatst. Halverwege mei 2019 zijn handmetingen van grondwaterstanden/stijghoogtes en veldmetingen uitgevoerd en is grondwater bemonsterd. In juli 2019 zijn de peilbuizen uitgerust met automatische loggers en worden grondwaterstanden/stijghoogten en de elektrische geleidbaarheid van het grondwater gemonitord. De monitoring wordt gecontinueerd en ieder kwartaal worden de data van de monitoringpeilbuizen verzameld en verwerkt. De resultaten van het eerste jaar van de monitoring (mei 2019-juni 2020) zijn geanalyseerd en beschreven in deze rapportage.
1.1
Aanleiding
De voornaamste aanleiding voor het uitvoeren van dit onderzoek is om de (mogelijke) geohydrologische effecten (bijvoorbeeld verandering van grondwaterstanden, stijghoogten en grondwaterkwaliteit) als gevolg van de bouw van de PALLAS-reactor te monitoren. Naast de aanleg van de PALLAS-reactor zelf spelen er andere ontwikkelingen die betrekking hebben op PALLAS, en die theoretisch invloed kunnen hebben op de grondwaterstanden, stijghoogten en grondwaterkwaliteit: 1. aanleg van leidingen voor de aanvoer of afvoer van koelwater; 2. plaatsen van damwanden voor de aanleg van de laydown area (LDA); 3. opslag van zand dat bij het graven van de bouwput vrijkomt. In de evaluatie van geohydrologische effecten zullen alle bovengenoemde activiteiten worden meegenomen.
1.2
Doel van de monitoring
In dit monitoringsonderzoek onderscheiden wij de volgende doelstellingen: •
•
Analyse van de geohydrologische effecten (verandering van grondwaterstanden, stijghoogten en grondwaterkwaliteit) voor de aanleg van (1) de (diepe) ondergrondse delen van de PALLAS-reactor, (2) de aanleg van één of meerdere aan- of afvoerleidingen van koelwater, (3) de activiteiten die bij de LDA plaats zullen vinden en (4) de opslag van vrijkomend zand. Hierbij wordt in het bijzonder gekeken naar nabijgelegen natte duinvalleien en landbouwgebieden. Verzamelen van aanvullende gegevens voor het verder verfijnen van het regionale grondwatermodel, zodat dat model voor de besluit-MER en eventuele overige engineering vraagstukken kan worden gebruikt. Daarom is het ook van belang om stijghoogten en zoutconcentraties in de diepere lagen te monitoren, omdat er op het moment van de voorbereiding van de plan-MER weinig tot geen informatie hierover beschikbaar was.
1.3
Aanpak
Om tijdens en na de aanleg van de PALLAS-reactor en/of overige werkzaamheden een onderscheid te kunnen maken tussen effecten van de aanleg en natuurlijke variaties, is het belangrijk om eerst de (huidige) nulsituatie in beeld te brengen. Daarom is de monitoring ruim voor de start van de werkzaamheden begonnen, zodat een betrouwbaar beeld kan worden gevormd van de grondwaterstanden, stijghoogten en grondwaterkwaliteit in de huidige situatie. De monitoringslocaties en de te monitoren parameters zijn bepaald op basis van een schatting van de mogelijke effecten die kunnen optreden door de aanleg van de reactor en nabijgelegen belangen en belanghebbenden.
Onze referentie: D10017441:46 - Datum: 15 oktober 2020
4 van 32
GRONDWATERMONITORING
Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek, en zoals beschreven in het voorgaande monitoringsplan (Arcadis, Monitoringsplan Grondwater Pallas, 2019) voorzien wij de volgende aandachtspunten: 1. Natura 2000-gebied Zwanenwater en Pettemerduinen; 2. landbouwgebieden ten oosten van de EHC; 3. verspreiding van de aanwezige tritiumverontreiniging.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het monitoringssysteem waarna de analyseresultaten worden gepresenteerd in hoofdstuk 3.
Onze referentie: D10017441:46 - Datum: 15 oktober 2020
5 van 32
GRONDWATERMONITORING
2
BESCHRIJVING MEETNET
Ten behoeve van de monitoring van de stijghoogte en de grondwaterkwaliteit zijn metingen uitgevoerd in bestaande en nieuw geplaatste peilbuizen. In dit hoofdstuk worden de gemeten parameters en de locaties van de peilbuizen toegelicht.
2.1
Parameters
Het meetnet is opgezet langs drie raaien met verschillende aantallen peilbuizen, waarbij per peilbuis de grondwaterstand, stijghoogten en zoutgehalten continu worden gemonitord met gewone divers (TD-divers) en CTD-divers. CTD-divers meten naast de grondwaterstand/stijghoogte en temperatuur, ook de elektrische geleidbaarheid (EC-waarde). De EC-waarde is gebruikt om het zoutgehalte van het grondwater te schatten. Door dit continu te meten, kunnen ook (kleine) veranderingen in het zoutgehalte van het grondwater worden opgemerkt. Om meer zekerheid te krijgen over de grondwaterkwaliteit, en met name het zoutgehalte van het grondwater, worden de freatische peilbuizen 1x per kwartaal bemonsterd. Hierbij worden veldmetingen uitgevoerd van de pH, de elektrische geleidbaarheid (EC-waarde) en de troebelheid van het water. Bij de start van de monitoring (mei 2019) zijn de pH, de EC-waardes, de chlorideconcentratie en de troebelheid bepaald voor de freatische èn de diepere filters. Uit de freatische peilbuizen zijn grondwatermonsters genomen en geanalyseerd op het standaard analysepakket conform NEN 5740:2009+A1:2016. De gemeten concentraties zijn geëvalueerd conform de Circulaire Bodemsanering 2013. Tijdens de bemonstering van de peilbuizen wordt de stijghoogte gemeten door middel van handmetingen.
De handmetingen voor de stijghoogte zijn altijd uitgevoerd voor de freatische en diepere filters. De handmetingen dienen als controle en kalibratie van de automatische metingen. Voor een volledig overzicht van de te monitoren parameters, zie Tabel 1. Tabel 1. Gemonitorde parameters Parameter
Watervoerend pakket
Frequentie
Grondwaterstand
Freatisch pakket
Continu met TD of CTD diver, met een uurlijks meetinterval. Ieder kwartaal vindt een handmeting plaats.
Stijghoogte
Dieper gelegen pakketten
Continu met TD of CTD diver, met een uurlijks meetinterval. Ieder kwartaal vindt een handmeting plaats.
Elektrische geleidbaarheid (EC-waarde)
Freatisch en dieper gelegen Continu met CTD diver, met een uurlijks meetinterval. pakketten Ieder kwartaal vindt een handmeting plaats.
Grondwaterparameters (GP) Freatisch en dieper gelegen Eenmalig na installatie van de peilbuizen en tijdens de NEN 5740:2009+A1:2016 pakketten bouwwerkzaamheden 1x per kwartaal. Troebelheid (TH)
Freatisch en dieper gelegen Ieder kwartaal vindt een handmeting plaats van de pakketten. freatische grondwaterstand.
Tritium (3H)
Freatisch en dieper gelegen Eenmalig na installatie van de peilbuizen. pakketten
2.2
Monitoringslocaties
Voor dit monitoringsonderzoek wordt – waar mogelijk – gebruik gemaakt van bestaande peilbuizen van de meetnetten van de provincie Noord-Holland en Staatsbosbeheer. Echter om een volledig ruimtelijk beeld te krijgen en voldoende meetpunten te hebben voor alle genoemde aandachtspunten (zie hoofdstuk 1) zijn nieuwe peilbuizen geplaatst. In Tabel 2 en Tabel 3 is een overzicht gegeven van de bestaande en nieuwe peilbuizen, die zijn opgenomen in het meetnet. Eén van de geplande peilbuizen, PB_4, was in de beschreven meetperiode nog niet geplaatst. Onze referentie: D10017441:46 - Datum: 15 oktober 2020
6 van 32
GRONDWATERMONITORING
Tabel 2. Bestaande peilbuizen (bron: DINOloket) Peilbuis
Filter
Filterdiepte [m - mv]
Bovenkant [NAP m]
Drukmeter
Analyse
001
6,97 – 7,97
6,29
CTD
GP, TH
002
14,97 – 15,97
6,26
CTD
TH (eenmaal)
003
24,98 – 25,98
6,24
CTD
TH (eenmaal)
001
14,00 – 15,00
1,84
TD
TH (eenmaal), 3H
002
36,00 – 37,00
1,81
CTD
TH (eenmaal), 3H
003
47,00 – 48,00
1,80
TD
TH (eenmaal), 3H
B14C0132
001
1,57 – 2,07
2,14
CTD
GP
B14C0152
001
0,68 – 1,18
2,28
CTD
GP
B14C0054
B14C0061
Tabel 3. Nieuwe peilbuizen (PB_4 was (nog) niet geplaatst) Peilbuis
Filter
Filterdiepte [m - mv]
Bovenkant [NAP m]
Drukmeter
Analyse
001
8,00 – 9,00
6,36
CTD
GP, TH, 3H
002
20,50 – 21,50
6,33
CTD
TH (eenmaal), 3H
003
35,50 – 36,50
6,29
CTD
TH (eenmaal), 3H
001
2,50 – 3,50
2,65
CTD
GP, TH, 3H
001
6,50 – 7,50
5,43
CTD
GP, TH, 3H
002
19,00 – 20,00
5,39
CTD
TH (eenmaal), 3H
003
34,00 – 35,00
5,36
CTD
TH (eenmaal), 3H
001
2,00 – 3,00
2,38
CTD
GP, TH, 3H
001
4,00 – 5,00
3,94
CTD
GP, TH
002
18,00 – 19,00
3,91
CTD
TH (eenmaal)
003
33,00 – 34,00
3,86
CTD
TH (eenmaal)
PB_7
001
2,00 – 3,00
2,33
CTD
GP, TH, 3H
PB_8
001
2,00 – 3,00
2,23
CTD
GP, TH, 3H
001
3,00 – 4,00
2,71
CTD
GP, TH, 3H
002
17,00 – 18,00
2,74
CTD
TH (eenmaal), 3H
003
32,00 – 33,00
2,70
CTD
TH (eenmaal), 3H
001
4,00 – 5,00
3,30
CTD
GP, TH, 3H
002
17,50 – 18,50
3,28
CTD
TH (eenmaal), 3H
003
32,50 – 33,00
3,30
CTD
TH (eenmaal), 3H
LDA1
001
3,00 – 4,00
3,31
CTD
GP, TH, 3H
LDA2
001
4,00 – 5,00
4,38
CTD
GP, TH, 3H
PB_1
PB_2
PB_3
PB_5
PB_6
BH1
BH2
In Figuur 1 en Figuur 2 zijn de monitoringslocaties weergegeven. Onze referentie: D10017441:46 - Datum: 15 oktober 2020
7 van 32
GRONDWATERMONITORING
Figuur 1. Kaart met monitoringslocaties (vier uit DINOloket; Tabel 3, en elf nieuwe peilbuizen; Tabel 4). Peilbuis PB_4 (nabij het Noordhollandsch Kanaal) was in de beschreven periode nog niet geplaatst.
Figuur 2. Detailkaart van de monitoringlocaties op de EHC. Onze referentie: D10017441:46 - Datum: 15 oktober 2020
8 van 32
GRONDWATERMONITORING
3
MEETRESULTATEN
De gemeten grondwaterstanden, stijghoogten, geleidbaarheid en overige grondwaterparameters (zie Tabel 1) zijn geanalyseerd en de resultaten van deze analyses zijn beschreven in dit hoofdstuk. Voor zowel de (freatische) grondwaterstanden als de stijghoogten is een tijdreeksanalyse uitgevoerd om te onderzoeken of en in hoeverre de gemeten fluctuaties verklaard kunnen worden door neerslag, verdamping en/of het zeewaterpeil (paragraaf 3.1). Ook is voor verschillende momenten gedurende monitoring de richting van de grondwaterstroming onderzocht (paragraaf 3.1.1). Vervolgens zijn de resultaten van de tritiumanalyses en de gemeten grondwaterkwaliteitsparameters (aan de hand van NEN 5740:2009+A1:2016, paragraaf 3.2.1) getoetst aan de geldende normen. De resultaten van de overige analyses zijn daarna beschreven (paragraaf 3.2.2). Daarna zijn de fluctuaties in de chlorideconcentraties beschreven (paragraaf 3.2.3). Voor de interpretatie van de chlorideconcentraties is ook gebruik gemaakt van de gemeten elektrische geleidbaarheid (EC-waarde).
3.1
Grondwaterstanden, stijghoogten
Voor de beschreven analyses zijn de automatische drukmetingen gecompenseerd voor de barometrische drukveranderingen en eventueel gecorrigeerd door middel van handmetingen. Daarna is voor elke stijghoogte- of grondwaterreeks een controle uitgevoerd, waarbij gaten en (sterk) afwijkende waarden in de meetreeks zijn verwijderd. Hierbij kan gedacht worden aan plotselinge sprongen in de gemeten grondwaterstanden, die te relateren zijn aan momenten waarop de drukmeter(s) zijn uitgelezen. Tijdreeksanalyse De invloed van neerslag, verdamping en het zeewaterpeil op de (freatische) grondwaterstanden en stijghoogten is onderzocht met het tijdreeksanalyseprogramma Menyanthes (versie 3.x.b.y). Voor de periode juli 2019 tot en met mei 2020 is onderzocht of het stijghoogteverloop verklaard kan worden door deze zogenoemde ‘verklarende variabelen’. Voor alle peilbuizen zijn vier verschillende tijdreeksanalyses uitgevoerd, die bestaan uit verschillende combinaties van verklarende variabelen (alle met een tijdstap van één uur): 1. neerslag (meetstation Petten) en verdamping (weerstation De Kooy); 2. zeewaterpeil (meetpunt Q1 platform, ten westen van Den Helder); 3. neerslag (meetstation Petten) en het zeewaterpeil (meetpunt Q1 platform); 4. neerslag (meetstation Petten), verdamping (weerstation De Kooy) en het zeewaterpeil (meetpunt Q1 platform).
Op basis van lineaire regressie zijn deze verklarende variabelen gefit op de gemeten grondwaterstanden en stijghoogten. De EVP (explained variance percentage) is één van de belangrijkste parameters in de tijdreeksanalyse. Deze parameter geeft aan in hoeverre het verloop van de stijghoogte of grondwaterstand verklaard wordt door de verklarende variabelen, de EVP gedefinieerd is als:
waarbij σ2h(t) (de variantie van de stijghoogte) en σ2n(t) (die van de residuen) worden berekend uit de individuele metingen. Wanneer het verloop in stijghoogte volledig verklaard wordt door de verklarende variabelen zijn de verschillen tussen gemeten en berekend, de residuen, 0. De σ2n(t) is dan 0 en de EVP bedraagt 100%. In het algemeen wordt gesteld dat de verklarende variabelen het gemeten verloop voldoende kunnen verklaren als de verklaarde variantie (EVP) groter is dan 70%. Naast de EVP zijn de evaporatiefactor en de drainagebasis weergeven. Deze parameters van de tijdreeksanalyse geven informatie over de betrouwbaarheid van de tijdreeksanalyse. De drainagebasis geeft de hoogte (in NAP m) weer waarop de grondwaterspiegel zich zou instellen als verklarende variabelen geen rol spelen. Deze hoogte moet zich hydrologisch gezien op een realistisch niveau bevinden. Onze referentie: D10017441:46 - Datum: 15 oktober 2020