CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Nota beantwoording van zienswijzen Helmweg 10 anoniem (1)

Gemeenteraad 29 juni 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Helmweg 10 te Groote Keeten7.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota beantwoording van zienswijzen

Bestemmingsplan Helmweg 10 te Groote Keeten 31 augustus 2020

Inlichtingen bij Peter staal Beleidsmedewerker ruimtelijke ordening Afdeling Ruimte Doorkiesnummer (0224) 210 222

A. Procedure Het ontwerpbestemmingsplan "Helmweg 10 Groote Keeten” is vanaf 26 april 2019 zes weken ter inzage gelegd. In die periode konden door een ieder zienswijzen naar voren worden gebracht. Hiervan hebben de volgende personen/instanties gebruik gemaakt: 1. De Stichting Het Zijper Landschap, postbus 8 1740 AA Schagen (ontvangen 28 mei 2019); 2. Anoniem namens diverse reclamanten (ontvangen 5 juni 2019); 3. Vereniging Sandepark, Sandepark 167 1759 NV Groote Keeten (ontvangen 6 juni 2019); De initiatiefnemers anoniem hebben een reactie gegeven op de ingediende zienswijzen. Deze reactie is ter kennisname bij de stukken gevoegd. Het ontwerp is op 25 april 2019 ter inzage gelegd. Vanaf 26 april 2019 tot 7 juni 2019 heeft een ieder zienswijzen naar voren kunnen brengen. Alle zienswijzen zijn binnen de termijn ingediend. De vereniging Sandepark heeft op 6 juni 2019 een pro forma zienswijze naar voren gebracht met het verzoek om een termijn te geven voor het nader aanvullen van de gronden. Wij hebben per mail d.d. 7 juni 2019 een termijn van twee weken gegeven. De nadere gronden zijn op 20 juni 2019 ingediend. De zienswijze is dus ontvankelijk. De reactie van de initiatiefnemers kan niet als zienswijze worden behandeld omdat zij na de termijn van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan op 26 augustus 2019 is ontvangen.

In deze nota zijn de naar voren gebrachte zienswijzen op het ontwerpplan op hoofdlijnen aangegeven en voorzien van een reactie. Omdat de zienswijzen veel overeenkomsten vertonen is gekozen om alle zienswijzen gezamenlijk in één nota van zienswijzen op te nemen en te beantwoorden. B. Zienswijzenbeoordeling Zienswijze 1. Het Zijper Landschap kan zich niet verenigen met de berekening van de stikstofemissie. Bij de zienswijze is een AERIUS-berekening gemaakt door Hadron Consult waaruit blijkt dat de stikstofdepositie hoger is dan de berekening die is toegevoegd in het ontwerpbestemmingsplan. De berekening toont een stikstofemissie van 0,36 mol/ha/jaar aan. De actuele grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar wordt aanzienlijk overschreden waardoor voor het project een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist is. Reactie Naar aanleiding van de zienswijze hebben wij de twee verschillende berekeningen geanalyseerd. Daarbij hebben wij geconcludeerd dat over beide berekeningen opmerkingen zijn te maken. Opmerkingen berekening Hadron Consult: - Geen bronnen ingevoerd voor de emissies van stookinstallaties bij het hotel. Er is gemakshalve uitgegaan van de bekende emissie van een referentiehotel met 150 kamers met restaurantvoorzieningen en zalen.

- Geen rekening gehouden met de emissies tijdens de aanlegfase; - Rekenjaar is 2018 (in het verleden); - Bronnen van wegverkeer zijn tot op grotere afstand van het plangebied opgenomen. Bronnen zijn dan reeds opgenomen in het heersende verkeersbeeld; - 68% van de lichte vervoersbewegingen komen vanuit noordoostel ijke richting (restant vanuit zuidoosten. Opmerkingen berekening Bugel: - Aanlegfase tijdelijk berekend voor de periode van 2 jaar; - Tijdens gebruiksfase komt 50% van de lichte vervoersbewegingen vanuit noordwestelijke richting en 50% vanuit zuidoosten. Dit is niet nader onderbouwd.

-

Voor de gebruiksfase wordt het rekenjaar 2012 aangehouden (omdat dat de aanlegfase is beëindigd).

Daarnaast is door een uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) vernietigd. Dit betekend dat er niet meer met een drempelwaarde mag worden gerekend zoals opgenomen in het rapport van BugelHajema. Tot slot is als gevolg van de uitspraak van de Raad van State, het rekenmodel AERIUS herzien. Berekening Van Dun advies d.d. 16-10-2019 Om deze redenen is in 2019 besloten om een nieuwe geactualiseerde berekening te maken waarbij alle relevante bronnen zijn betrokken. Met behulp van het toen meest recente rekenmodel AERIUS Calculator 2019 is door Van Dun Advies d.d. 1610-2019 een nieuwe berekening gemaakt van de depositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Uit de nieuwe berekening blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruiksfase hoger is dan de aanlegfase. De hoogste stikstofdepositie wordt berekend binnen het Natura 2000 gebied ‘Duinen Den Helder-Callantsoog en bedraagt 0,04 mol/ha/jr. Wij zijn van mening dat een depositie tot 0,05 mol/ha/jr als niet significan t kan worden beschouwd |(zie bijlage: Stikstoftoets bouwplannen) Actualisatie berekening Van Dun advies d.d. 28-04-2020 In april van dit jaar hebben wij Van Dun Advies gevraagd om het eerdere advies d.d. 16-10-2019 te actualiseren.

De reden hiertoe is dat per januari 2020 een nieuwe versie van het rekenmodel AERIUS Calculator beschikbaar is gekomen (versie 2019A) en het hotel gasloos zal worden gebouwd waardoor er geen stookinstallaties meer nodig zijn en hierdoor de uitstoot van NOx verder wordt verminderd. Tevens is onderzocht welke emissies van stikstof er in de huidige situatie plaatsvinden en is een verschil berekening (intern salderen) gemaakt om in beeld te brengen wat de eventuele toename van stikstofdepositie is als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. In juni van dit jaar zijn de regels voor intern salderen verruimt en is het mogelijk om gebruik te maken van de vergunde situatie die gold ten tijde van de Europese referentiedatum in plaats van de huidige feitelijke situatie. Bij deze nieuwe berekening is rekening alleen gehouden met de bestaande stikstofemissie van de bestaande voormalige agrarische bedrijfswoning. Omdat exacte kentallen voor de hoeveelheid emissie bij landbouwmachines en uitrijden van de mest ontbreken zijn deze bronnen niet ingevoerd in de berekening. Voor de emissie van de stookinstallatie van de voormalige agrarische bedrijfswoning is aansluiting gezocht bij de kengetallen die zijn opgenomen in de factsheet van AERIUS.

Uit de uitgevoerde berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is va n een toename van stikstofdepositie wanneer het hotel gasloos wordt gebouwd. Een zelfde berekening is gemaakt tussen de huidige situatie en aanlegfase. Ook uit deze berekening blijkt dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Uitkomst AERIUS Calculator: Bestaande situatie aanlegfase O,01 mol N/ha/j gebruiksfase O,01 mol N/ha/j

Nieuwe situatie

verschil

0,01 mol N/ha/j 0,00 mol N/ha/j

0,00 mol N/ha/j 0,00 mol N/ha/j

Dat ondanks de verschillende uitkomsten het verschil in gebruiksfase uitkomt op 0 mol/ha/j kan worden verklaard door afrondingen in de berekening.

Kleine deposities niet altijd vergunningplichtig. In de aanlegfase van een project wordt materieel ingezet dat slechts tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt. In een voortoets kan onderbouwd worden dat kleine, tijdelijke deposities van tijdelijke bronnen binnen het project op zichzelf en in cumulatie, op voorhand niet kunnen leiden tot significant negatieve effecten. De provincie hanteert dat een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2

jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstofdepositie (zie website www.bij12.nl). In beginsel geldt deze lijn voor alle vormen van tijdelijke emissies in de aanlegfase, in de praktijk zal dit met name mobiele werktuigen en de aan-/afvoer van materiaal en materieel betreffen. Indien de stikstofdepositie in de aanlegfase groter is dan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar of er is sprake van een depositiebijdrage in de gebruiksfase op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000 -gebied, dan kan wel sprake zijn van een vergunningplicht op het gebied van s tikstof. Aangezien de depositie in de aanlegfase 0,01 mol N/ha/j bedraagt is geen sprake van significante effecten op stikstof gevoelige habitattypes in Natura 2000 gebieden en is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig. In een recente uitspraak van de ABRvS van 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1110 heeft de Afdeling geoordeeld dat deze geringe afwijkingen niet relevant zijn. Gemeente Schagen hanteert overigens een drempelwaarde van 0,5 mol/ha/jaar (aanlegfase) en 0,05 mol/ha/jaar (gebruiksfase).

Bij deze depositiewaarden zijn wij van mening dat op voorhand significante effecten op stikstofgevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten en kan het bouwplan door zonder Wnb-vergunning (voor wat betreft het aspect stikstof). Voor de volledige onderbouwing wordt verwezen naar de bijlage ‘Stikstoftoets bouwplannen’ bij de Nota van zienswijzen. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan Zienswijze 2 De onder 1b en c genoemde reclamanten hebben het volgende naar voren gebracht. Het aantal (verblijfs)recreanten in Groote Keeten staat in geen enkele verhouding tot het aantal inwoners. Door de toename van het recreatie voorzieningen in Groote Keeten wordt de ongereptheid van het dorp verstoord , alsmede de rust en ruimte en een ongerepte natuur en strand. Ook de verkeerdruk zal significant toenemen. Reactie Het aantal verblijfsrecreanten is in verhouding tot het aantal bewoners in het dorp de afgelopen jaren toegenomen. De vraag is of een toename van 60 bedden voor verblijf gelet op het totaal aantal bedden dat in Groote Keeten voor recreanten ter beschikking wordt gesteld, dat wordt geraamd op meer dan 3000, een onaanvaardbare inbreuk op de woon- en leefsituatie van de bewoners in het dorp met zich brengt. Mede gelet op de doelgroep van het hotel, de recreant die een rustige omgeving opzoekt en het drukke vertier mijdt.

Evenzo kan deze voorziening worden opgevat als een verbetering van de woon- en leefsituatie in het dorp. De vervanging van een oude vervallen boerderij met opstallen door een nieuw kleinschalig hotel met een mooie uitstraling passend in het landschap zal de waarde voor de recreatie in de omgeving doen toenemen. Het voorzieningenniveau in het dorp kan op peil blijven juist door een zekere toename van het aantal bezoekers, zonder dat dit hoeft te leiden tot een onaanvaardbare overlast. Voor het berekenen van de toename van het aantal verkeersbewegingen kan worden aangesloten bij de kencijfers voor een 4-sterren hotel als vastgelegd in de CROW-publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Op grond hiervan bedraagt de toename van het aantal motorvoertuigenbewegingen ongeveer 130 per weekdag/ etmaal. Uitgaande van een spitsuurintensiteit van 10% van de etmaalintensiteit leidt dit tot 13 motorvoertuigbewegingen bij een volledige uitvoering van het plan. Dit zal geen noemenswaardige gevolge n hebben voor de verkeersafwikkeling en -veiligheid in de omgeving. De ontsluiting van het hotel is aan de Helmweg, maar ook de Duinweg (N502) als doorgaande weg. Een goede doorstroming van het verkeer komt, gelet op de inrichting van beide wegen, niet in het geding.

De verkeersdruk zal in beperkte mate toenemen maar kan worden beperkt door het aanbieden van een fietsenvoorziening of collectief vervoer naar het strand, Dat de bewoners in het buurtschap onaanvaardbare overlast zullen ervaren door het aantal en de toekomstige gedragingen van de gebruikers van het hotel achten wij niet aannemelijk, gelet op de ontsluiting van het hotel. Autoverkeer van het hotel naar het strand zal grotendeels niet langs de lintbebouwing aan de Helmweg rijden. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan Zienswijze 3 De reclamanten geven aan dat door de toename van het verkeer de emissie van stikstof boven de actuele grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar zal uitkomen. Bovendien mag ingevolge een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state het Programma Aanpak stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt worden. Reactie Wij verwijzen naar het antwoord onder 1 Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan Zienswijze 4 De behoefte aan een hotel dat zich richt op nieuwe doelgroepen ontbreekt. Het verstevigen van de kern van het dorp is van belang. Reactie De hotelvoorziening richt zich op recreanten die juist behoefte hebben aan rust en ruimte.

Het gaat niet perse om het ‘upgraden’ van het dorp maar het aantrekken van een doelgroep die in Groote Keeten past vanwege de rust en ruimte en de kleinschaligheid die het dorp uitstraalt. Overigens is het niet uitgesloten dat de waarde van het dorp toe zal nemen als de oude en vervallen opstallen worden vervangen door een modern hotel met een fraaie uitstraling. De komst van een hotelvoorziening past ook in het door gemeenten in NoordHolland Noord gezamenlijk afgesproken ‘ontwikkelkader’ voor bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie. Binnen dat kader kan passende ontwikkeling plaatsvinden. Het ontwikkelkader gaat uit van de volgende drie uitgangspunten: 1. Het initiatief ligt in een uitstekende verblijfsomgeving en versterkt de kenmerken van de marktregio waarop zij georiënteerd is (inclusief ruimtelijke kwaliteiten); 2. Er is sprake van onderscheidende marktgerichte concepten; 3. Het initiatief is (onderbouwd) economisch haalbaar en heeft een langjarige focus op toeristisch-recreatieve exploitatie met voldoende ondernemersprikkels. De basis van dit ontwikkelkader is de door gemeenten vastgestelde ‘Regionale Visie Verblijfsrecreatie Noord-Holland Noord’. Daarin staat ook de gewenste ontwikkelingsrichting per marktregio beschreven. De locatie Helmweg 10 is in deze Visie gelegen in de marktregio ‘Zuidkust’.

De ontwikkelstrategie voor deze regio is gericht op nieuwbouw en herontwikkeling bestaande recreatieve verblijven, waarbij gestreefd wordt naar een mix van accommodaties. Hoogwaardig, natuurlijk en bescheiden luxe zijn de verbindende factoren tussen de diverse accommodatievormen. Nieuwe initiatieven worden bij voorkeur op bestaande bebouwde locaties gerealiseerd. Het concept van de initiatiefnemer past hier goed in.

Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan

Zienswijze 5 De voorgestelde samenwerking met het tegenovergelegen restaurant is onzeker is omdat de huidige uitbater er een punt achter wil zetten. Reactie Het is bekend dat het tegenover gelegen restaurant Brekers aan de Helmweg 9 in Callantsoog onlangs is verkocht. De huidige horecabestemming is echter nog steeds van kracht en er is door het college nog geen formeel besluit genomen over het wijzigen van de bestemming laat staan een procedure in gang gezet voor het wijzigen van de bestemming. Mocht de voorgestelde samenwerking om welke reden dan ook niet doorgaan dan zal de initiatiefnemer naar een alternatief moeten zoeken. Een van de mogelijkheden is dat het hotel zelf gaat voorzien in een keuken. De bestemming voorziet in deze mogelijkheid. Het is echter nu te voorbarig om hier conclusies aan te verbinden. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan Zienswijze 6 Bij de besluitvorming ontbreekt de aandacht voor het maatschappelijk draagvlak van de bewoners en de huidige verblijfsrecreanten in Groote Keeten. Reactie Dat er geen draagvlak onder de bewoners is voor het initiatief wordt door ons niet gedeeld. De zienswijze is mede ondertekend door een beperkt aantal bewoners van het dorp en voornamelijk door recreanten van het Sandepark en daarom niet representatief voor het dorp of omgeving.

Het merendeel van de bewoners van het dorp Groote Keeten heeft kennelijk geen bezwaren tegen de bouw van een hotel, althans door deze bewoners zijn geen zienswijzen ingediend. Wij tevens zijn van mening dat de betreffende bewoners van de Achterweg, Helmweg en gebruikers van de recreatiewoningen Sandepark niet (rechtstreeks) in hun belangen worden getroffen voor wat betreft uitzicht, geluid, geur, verkeer of enige andere hinder. Verblijfsrecreatie is een belangrijke sector voor de regio, in termen van ondernemerschap, investeringen, werkgelegenheid, leefbaarheid en directe en indirecte bestedingen van gasten. Onderzoek laat zien dat de sector voor een uitdaging staat doordat vraag en aanbod deels niet (meer) op elkaar aansluiten. Het is daarom ook belangrijk dat deze sector zich blijft ontwikkeling om ook in de toekomst vitaal te blijven. In de ‘Regionale Visie Verblijfsrecreatie Noord-Holland Noord’ wordt daarom ook ruimte geboden voor nieuw onderscheidend aanbod in de recreatieve sector. Het initiatief past hier goed gelet de kleinschaligheid en doelgroep. Bovendien wordt het initiatief gerealiseerd op bestaand bebouwd terrein en wordt nieuwe natuur gerealiseerd op het perceel. Al met al draagt dit bij aan de differentiatie van de huidige recreatieaccommodaties en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

Deze belangen wegen wij dan ook zwaarder dan de genoemde bezwaren van enkele omwonenden en gebruikers van het recreatiepark Sandepark. Conclusie De zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan

Bijlage: Stikstoftoets Bouwplannen (versie 13 mei 2020) Voorfase: afstand tot Natura 2000-gebied en soort bouwplan Bepaal de afstand van het bouwproject tot de Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen en Duinen Den Helder - Callantsoog. Is de afstand groter dan 10 kilometer, dan zal voor verreweg de meeste projecten kunnen worden geconcludeerd dat op voorhand significante effecten zijn uit te sluiten. Voor kleinere projecten zal reeds bij een geringere afstand kunnen worden uitgesloten dat significante effecten optreden. Maar een en ander is en blijft wel afhankelijk van het project. Deposities op meer dan 20 km afstand komen ook voor! Als er al eerder een AERIUS-berekening is gemaakt voor een vergelijkbaar bouwplan, dan is het niet altijd nodig om een nieuwe AERIUS-berekening te laten maken. Als bijv. al eens is uitgerekend dat de bouw van 10 woningen in Schagerbrug in het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied een depositie oplevert onder de 0,05 mol/ha/jaar, dan kan worden aangenomen dat bij de bouw van 5 woningen in het verder gelegen Schagen de depositie ook onder de 0,05 mol blijft.i Het moet dan wel echt om vergelijkbare plannen gaan. Bij verbouw van panden is geen significant effect te verwachten. Bij de bouw van maximaal 2 woningen is (uitgaande van gasloze woningen) enkel emissie te verwachten van het verkeer.

Aangenomen wordt dat de emissie bij 1 of 2 woningen zo gering is dat op voorhand geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van significant negatieve effecten.ii

Voortoets (1): bereken depositie Stel de invoergegevens voor een AERIUS-berekening vast, afzonderlijk voor zowel de aanlegfase (inclusief sloopwerkzaamheden) als voor de gebruiksfase. Voor de aanlegfase gaat het om bouwkranen, aggregaten, verkeersbewegingen van leveranciers en personeel, etc. iii Voor de gebruiksfase gaat het om installaties en verkeersbewegingen veroorzaakt door de nieuwe activiteit. Bij woningen kan men in principe uitgaan van tussen de 5 en 7,4 motorvoertuigen (licht verkeer) per dag per woning.iv Bereken met behulp van AERIUS de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde voor stikstof gevoelige habitattypes. Is de uitkomst gelijk aan of minder dan 0,5 mol/ha/jaar in de aanlegfase en gelijk aan of minder dan 0,05 mol/ha/jaar in de gebruiksfase, dan kan de conclusie worden getrokken dat op voorhand significante effecten op stikstofgevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten en kan het bouwplan door zonder Wnb-vergunning (voor wat betreft het aspect stikstof).v

Voortoets (2): aanpassing invoergegevens Indien de uitkomst van Voortoets (1) groter is dan 0,5 mol (aanlegfase) of 0,05 mol (gebruiksfase, maar niet aanzienlijk groter, bezie dan of aanpassing van het bouwproject tot de mogelijkheden behoort. Bijvoorbeeld voor de bouwfase: vervang diesel aangedreven motoren door een elektrische voorziening, stel eisen aan of beperk aan- en afvoer van personeel en leveranciers. Voor de gebruiksfase: bouw gasloos, ga uit van elektrische heftrucks en de modernste vervoersmiddelen, beperk aan- en afrijden van personeel, optimaliseer aan-/afrijroutes van bewoners, etc. Kijk ook goed of de verkeersbewegingen goed zijn meegenomen in de AERIUSberekening, met name of er niet een te lange lijnbron is ingevoerd.vi Kijk ook of het juiste aantal voertuigbewegingen is ingevoerd. Bij woningen is de verkeersgeneratie per woning afhankelijk van het woonmilieu. Is de uitkomst nog steeds meer dan 0,5/0,05 mol, ga dan naar de volgende stap. NB: Als er een AERIUS-berekening is gemaakt en de stikstofdepositie bedraagt niet meer dan 0,5 mol/ha/jaar omdat men volgens eigen opgave in de aanlegfase bepaalde schone/elektrische voertuigen en machines gebruikt, dan dient in de betreffende omgevingsvergunning als voorschrift te worden opgenomen dat bij de realisatie van het bouwplan de voertuigen en machines worden gebruikt zoals opgegeven in de AERIUS-berekening.

Voortoets (3): intern salderen Onderzoek de mogelijkheden tot intern salderen. Vergelijk daarvoor de uitkomst aan de hand van de invoergegevens voor de gebruiksfase met de uitkomst aan de hand van de invoergegevens in de ‘bestaande situatie’. Voor de bestaande situatie geldt dat het moet gaan om een op 7 december 2004 bestaande legale, vergunde of gemelde situatie, die nadien is voortgezet.vii

▪

Voorbeeld 1: uitbreiding/vervangende nieuwbouw transportbedrijf: ten tijde van de aanwijzing van het Natura 2000-gebied op 7-12-2004 vond intern vervoer met tien dieselheftrucks plaats, aan- en afvoer door zestig dieselvrachtwagens (Euro 3 en 4). In de nieuwe situatie wordt het transportbedrijf aanzienlijk uitgebreid, maar de dieselheftrucks

worden vervangen door elektrische heftrucks. Het wagenpark bestaat uit tien vrachtwagens (Euro 4) en tweehonderd vrachtwagens (Euro 6).

▪

Voorbeeld 2: renovatie gebouwcomplex met een uitbreiding van enkele woningen: door de gasgestookte installaties te vervangen door een WKO, ook voor het bestaande complex, kan voldoende ruimte ontstaan om het extra aan verkeersbewegingen vanwege de uitbreiding van het aantal woningen mogelijk te maken.

Indien per saldo niet meer dan 0,05 mol/ha/jaar stikstofdepositie wordt toegevoegd, kan de conclusie worden getrokken dat significante effecten zijn uitgesloten. Er is geen Wnb-vergunning nodig.

Voortoets (4): ecologische voortoets Is de uitkomst toch hoger dan 0,5/0,05 mol/ha/jaar, zij het gering, vraag dan aan een ecoloog of een wetenschappelijke onderbouwing is te geven dat ondanks de depositietoename significante effecten zijn uit te sluiten. De ecoloog kan dit in bijzondere gevallen wetenschappelijk onderbouwen, mede op basis van de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied en de actuele situatie voor stikstofgevoelige habitattypes. Bij een positieve uitkomst van de voortoets kan de conclusie worden getrokken dat geen vergunningplicht ingevolge de Wnb geldt en kan het bouwplan worden vergund en gerealiseerd. Het kan verstandig zijn toch een Wnb-vergunning aan te vragen opdat het bevoegd gezag op basis van de voortoets concludeert dat die vergunning niet is vereist. Indien de uitkomst van de voortoets is dat significante effecten op voor stikstof gevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dan leidt de voortoets tot de conclusie dat een passende beoordeling nodig isviii.

Passende beoordeling (1): gunstige staat van instandhouding

▪

De passende beoordeling moet leiden tot de conclusie dat, ondanks de (geringe) toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitattypes, de natuurlijk kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast.

▪

Bepaal daartoe eerst de staat van instandhouding van (de relevante habitattypes in) het Natura 2000-gebied. Daarbij mogen de positieve gevolgen van instandhoudings- en preventieve maatregelen en ook autonome ontwikkelingen, worden meegenomen.

▪

Indien de uitkomst is dat sprake is van een gunstige staat van instandhouding, dan kan de Wnb-vergunning worden verleend.

Passende beoordeling (2): mitigeren

▪

Indien de staat van instandhouding niet gunstig is, moet worden bepaald of beschermingsen/of mitigerende maatregelen voor een gunstige staat van instandhouding zullen zorgen.

▪

Als een maatregel gericht is op herstel of verbetering van de door het bouwplan veroorzaakte gevolgen voor de stikstofgevoelige habitattypes en de maatregel direct is verbonden aan het bouwplan en de maatregel is niet reeds in een beheerplan voorzien, dan is sprake van een beschermingsmaatregel of mitigerende maatregel. Het positieve effect van de maatregel moet vaststaan.

Passende beoordeling (3): extern salderen Indien de staat van instandhouding niet gunstig is en beschermings- of mitigerende maatregelen onvoldoende soelaas bieden, kan in de passende beoordeling een beroep worden gedaan op externe saldering. Ook voor extern salderen geldt dat het positieve effect op het stikstofgevoelige gebied dat zwaarder wordt belast door het bouwproject, vast moet staan. Bij de externe saldering gaat het om het inleveren van bestaande (vergunning) rechten in een zodanige omvang dat per saldo de stikstofdepositie niet toeneemt, op hexagoonniveau. Let op dat extern salderen aan strenge eisen is gebonden. De provincie heeft hiervoor beleidsregels vastgesteld. Indien uit de passende beoordeling volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied worden aangetast, resteert nog één mogelijkheid.

ADC-toets

▪

Onderzoek of alternatieven bestaan, zowel voor wat betreft de locatie als voor wat betreft het doel en specifieke uitvoering van het project. Bijvoorbeeld in geval van een woningbouwproject van 200 woningen: kan ik die woningen niet ergens anders bouwen?

▪

Onderzoek of er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang die maakt dat het project gerealiseerd moet worden (werkgelegenheid, volkshuisvesting, volksgezondheid, nationale economische belangen, verkeersveiligheid, duurzaamheid). Als een of meer van deze aspecten worden gediend, kan worden gesproken van dwingende redenen van groot algemeen belang. Recent voorbeeld is de verbreding van de Kempenbaan in Veldhoven, bedoeld om de structurele congestie van het verkeer op te lossen.

▪

Onderzoek welke compenserende maatregelen zullen worden getroffen om de negatieve effecten van het project voor de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied weg te nemen. Bijv. aanleg van nieuwe habitattypes (al dan niet met uitbreiding van het Natura 2000-gebied).

▪

De ADC-toets lijkt een enorme drempel te zijn, maar de kern is dat naarmate de inbreuk op de natuurwaarden kleiner is, de eisen die aan het alternatievenonderzoek en de dwingende reden van groot openbaar belang worden gesteld, lager zijn. Omdat het effect van bouwprojecten op enige afstand van Natura 2000-gebieden veelal niet erg groot zal zijn, kan van deze methode misschien vaker gebruik worden gemaakt dan gedacht.

i

Schagen hanteert een drempelwaarde van 0,5 mol/ha/jaar (aanlegfase) en 0,05 mol/ha/jaar (gebruiksfase); zie verderop in de tekst. ii

Deze aanname is gebaseerd op de volgende redenering: voor de bouw van één woning aan de Jewelweg te Callantsoog is een AERIUS-berekening gemaakt. Hieruit kwam naar voren dat de projectbijdrage op Natura 2000-gebied Duinen Den Helder-Callantsoog minder dan 0,05 mol/ha/jaar bedraagt. En dit terwijl de toegangsweg naar deze woning dwars door het Natura 2000-gebied loopt, wat bijna nooit het geval is. De emissiebron is vrijwel altijd verder weg. iii

In de aanlegfase is de hoeveelheid stikstof die gegenereerd wordt sterk afhankelijk van het materieel dat ingezet wordt. Hoe nieuwer het materieel, hoe minder uitstoot. Men kan grofweg uitgaan van 10 tot 50 kg NOx per jaar per woning. iv

Dit is gebaseerd op de kentallen van het CROW. De verkeersgeneratie is afhankelijk van het woonmilieutype. Dit is nl. bepalend voor met name het autobezit en de concurrentieverhoudingen tussen vervoerswijzen. De voor Schagen relevante woonmilieus zijn: Centrum-stedelijk overig en buitencentrum overig; Groen-stedelijk; Centrum-dorps; Landelijk wonen. Voor voorbeelden van de verschillende woonmilieus zie de nota ‘Mensen Wensen Wonen’, p. 47, hier te vinden: Nota mensen wensen wonen.pdf. Het gemiddeld aantal voertuigen per woonmilieutype per woning per dag is als volgt: Type woonmilieu Centrum-stedelijk overig en buiten-centrum overig Groen-stedelijk Centrum-dorps Landelijk wonen

Weekdagetmaal 5,0 5,8 6,3 7,4

Dit betreft de vervoersbewegingen van licht verkeer. v Dit zijn dermate geringe deposities dat het evident is dat er geen significante gevolgen kunnen zijn. Er is dan

ook geen passende beoordeling en vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Hieronder wordt dit toegelicht.

Habitatrichtlijn en Wet natuurbescherming Uit het stelsel van de Habitatrichtlijn en de Wet natuurbescherming (Wnb) volgt dat er slechts dan een passende beoordeling en vergunning nodig zijn indien het betrokken plan/project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Wanneer voor alle plannen en projecten die tot een toename van de depositie leiden een passende beoordeling en vergunning nodig zouden zijn, dan verliest het criterium ‘significant’ zijn betekenis. In feite wordt dan elke handeling die ook maar de geringste depositie veroorzaakt vergunningplichtig. In dit verband valt te verwijzen naar een conclusie van Advocaat Generaal Sharpston van 22 november 2012 in de Sweetman-zaak (ECLI:EU:C:2012:743) waarin zij overwoog: ‘Het vereiste dat de bedoelde gevolgen „significant" zijn, beoogt een minimumdrempel te bepalen. Plannen of projecten die geen merkbare gevolgen voor het gebied hebben vallen erbuiten. Indien alle plannen of projecten die enig gevolg voor het gebied kunnen hebben, onder artikel 6, lid 3, zouden vallen, bestond het gevaar dat alle activiteiten op of nabij het gebied wegens overdreven wetgevingsijver onmogelijk werden.’ Ook indien de kritische depositiewaarden van sommige habitattypen al worden overschreden, betekent dit niet zonder meer dat een (al dan niet tijdelijke) toename van stikstofdepositie leidt tot significante gevolgen.

Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:212), waarin in r.o. 6.1 wordt overwogen: “Als een plan ten opzichte van de

referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt." Ook hieruit blijkt wel dat niet elke toename van stikstof direct leidt tot een vergunningplicht en een verplichting een passende beoordeling te maken. Anders zou nl. een voortoets overbodig zijn en zou er ook bij de geringste toename altijd een passende beoordeling opgesteld moeten worden. Zie ook de uitspraak van de ABRvS van 11 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:741), waarin de ABRvS overweegt (r.o. 11.1): “Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:940, geeft de kritische depositiewaarde - kort weergegeven - aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie.

Overschrijding van deze waarde betekent dan ook niet dat vaststaat dat een aantasting van de kwaliteit van een habitattype plaatsvindt, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is. Anders dan [appellant sub 1] en Stichting Duinbehoud betogen, betekent het enkele feit dat de stikstofdepositie op een aantal habitattypen toeneemt terwijl de kritische depositiewaarde al wordt overschreden dan ook niet zonder meer dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden worden aangetast.” Zie verder ook de uitspraak van de ABRvS van 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1125) r.o. 32.4. Uit een andere uitspraak van die dag (ECLI:NL:RVS:2020:1110) blijkt ook dat bij een geringe toename van stikstofdepositie niet altijd een passende beoordeling nodig is, ook niet in een overbelaste situatie. Significantie Tijdelijke depositie van 0,5 mol/ha/jaar Een tijdelijke depositie van 0,5 mol/ha/jaar of minder leidt niet tot significante gevolgen. Het gaat hier om een depositie van ca. 7 gram stikstof per hectare in de periode van één jaar. Om een en ander aanschouwelijk te maken: 7 gram is ongeveer 2 suikerklontjes. Deze hoeveelheid wordt dan gedurende een jaar gelijkmatig in tijd en ruimte verdeeld over een oppervlakte van 10.000 vierkante meter.

Deze hoeveelheid stikstof kan, zeker aangezien deze slechts eenmalig plaatsvindt, op geen enkele wijze leiden tot een meetbaar of merkbaar effect op de vegetatie. Hieronder wordt dit nader gemotiveerd. Geen kans op directe schade Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH4+) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken op planten. Dit betekent dat deze hoge concentraties een direct schadelijke werking uitoefenen op de (cel)fysiologie van planten. Bij indirecte effecten treden de schadelijke effecten op door geleidelijke veranderingen in het bodemmilieu en/of door veranderingen in beschikbaarheid van voedingsstoffen voor planten. De huidige concentraties van NH3, NOx en S02 zijn in Nederland zo laag dat direct toxische schade aan planten in Natura 2000-gebieden niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme speelt daarom in Nederland t.a.v. atmosferische depositie van stikstof geen rol. Hieruit volgt de conclusie dat een concentratie van stikstofverbindingen die leidt tot eenmalige depositie van 0,5 mol/ha/jaar nooit kan leiden tot meetbare directe schade aan planten. Geen relevante verandering in groeisnelheid Het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten.

Een extra opname van 1 gram stikstof per hectare zal - per hectare - de droge biomassa dus met maximaal 67 gram per hectare doen toenemen. Een eenmalige depositie van 0,5 mol (ca. 7 gram) zal dus leiden tot een maximale toename van de droge biomassa met bijna 500 gram. Dit is een zeer worst case benadering, omdat er van uitgegaan wordt dat alle extra stikstof die deponeert, volledig door de vegetatie wordt opgenomen en omgezet wordt in biomassa. In werkelijkheid wordt niet alle stikstof door de plant efficiënt benut, accumuleert een deel in de bodem en zal een deel (tot 90% op droge zandgrond) uitspoelen. Wanneer echter uitgegaan wordt van een aanwas van 0,5 kg droge stof per hectare staat dit in geen verhouding tot de natuurlijke aanwas van minimaal 2.000 - 3.000 kg droge stof per hectare per jaar in een voedselarm ecosysteem. De iets matig voedselrijke natuurlijke ecosystemen produceren per jaar 6-7 ton droge stof. Veel voor stikstof gevoelige habitats en leefgebieden worden beheerd middels begrazing. Een schaap heeft een voedselbehoefte van 1,7 kg droge stof per dag. Uitgedrukt in schaapdagen (hoeveelheid vegetatie die één schaap op één dag graast) is 1,7 kg dus 1 schaapdag. Om een jaarlijkse extra aanwas van 0,5 kg vegetatie per hectare uit het systeem te halen, is dus (0,5 / 1,7 =) 0,3 schaapdag per hectare nodig.

Uitgaande van een graasduur van 8 uur per dag (gescheperde kudde), moet om het gehele effect van de extra depositie van een heel jaar af te voeren door één schaap ongeveer 2,5 uur worden gegraasd per hectare. In verhouding tot de ongeveer minimaal 1.200 schaapdagen die nodig zijn om de natuurlijke biomassa-aanwas in een natuurlijk voedselarm systeem weg te nemen, is geen sprake van een daadwerkelijke toename van de beheerinspanning om de extra biomassa door een depositie van 0,5 mol weg te nemen. Een eenmalige en kleine toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie, en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een eenmalige kleine depositietoename van 0,5 mol de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. Eenmalig bijdrage is verwaarloosbaar ten opzichte van de totale depositie Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloede oorzaken depositie van stikstof plaats. Deze achtergronddepositie varieert tussen ca. 700 en 4000 mol N/ha/jaar, afhankelijk van de locatie.

Deze deposities vinden al gedurende decennia permanent plaats, zij het dat ze in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald zijn. Hoewel sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddepositie dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur,

windrichting en hoeveelheid neerslag). Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10%. Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol N/ha/jaar. Een eenmalige depositie van 0,5 mol/ha aan stikstof is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen. Om die reden is een eenmalige depositie van maximaal 0,5 mol N/ha niet relevant. Gevolgen voor de achtergronddepositie De depositie van stikstofverbindingen is in de afgelopen decennia sterk gedaald. In ca. 25 jaar is de gemiddelde depositie in Nederland afgenomen van 2700 naar 1700 mol N/ha/jaar. Dit betekent een gemiddelde jaarlijkse daling van 40 mol N/ha/jaar. Deze daling is inmiddels afgevlakt en de bijdrage van ammoniak aan de totale depositie is de afgelopen járen gestegen als gevolg van een grotere bijdrage uit de melkveehouderij. Een kleine, éénmalige depositie heeft geen invloed op de trend van de ontwikkeling van de achtergronddepositie, omdat na afloop van het project de depositie zich weer op hetzelfde niveau als daarvoor bevindt. Om die reden is een eenmalige depositie van 0,5 mol N/ha niet relevant.

Permanente depositie van 0,05 mol/ha/jaar Een permanente depositie van 0,05 mol/ha/jaar of minder leidt niet tot significante gevolgen Bij de bepaling van significantie gaat het niet om de vraag of de additionele depositie tezamen met de reeds bestaande achtergronddepositie significante gevolgen kan hebben. Beoordeeld moet worden of, rekening houdend met de bestaande situatie, de toevoeging van depositie nog een extra effect heeft dat als significant moet worden beschouwd. Daarbij behoeft ook niet te worden aangetoond dat er geen enkel gevolg is: de conclusie mag zijn dat een verslechtering niet is uitgesloten, zo lang er maar geen sprake is van significante gevolgen. Een bijdrage van 0,05 mol/ha/jaar is, in verhouding tot de gemiddelde achtergrondwaardes, de in de bodem aanwezige voorraden van doorgaans meer dan enkele duizenden mol N/ha en de feitelijke stikstofbehoefte van de habitattypen, verwaarloosbaar. Veel ecosystemen zijn wel gevoelig voor stikstofdeposities, maar niet dermate gevoelig dat er bij extra deposities van enkele molen zichtbare of meetbare veranderingen optreden. De onderzoeken naar stikstofgevoeligheid van habitats zijn deels gebaseerd op proefopstellingen waar tientallen tot meer dan honderd kg N/ha/jaar aan vegetaties is toegevoegd, waarbij 1 kg N gelijk staat aan circa 71 mol stikstof.

Ecologisch gezien zijn er geen verschillen in de kwaliteit van habitats aangetoond door verschillen in depositie die kleiner zijn dan 1 kg N/ha/jaar. Daarbij: In de Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen en Duinen Den Helder-Callantsoog geldt dat de kritische depositiewaarde (kdw) van het habitattype Grijze Duinen kalkarm 714 mol/ha/jaar is. Dus een toename van 0,05 mol is nog geen 7 duizendste deel van een procent van deze kdw. Dat is verwaarloosbaar. De kdw’s van de andere betrokken habitattypen liggen hoger, dus de stikstoftoename in procenten van de kdw van die habitattypen is dan nog lager dan 0,007%. Zie in dit verband de uitspraak van de RvS van 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1207). In die zaak was sprake van een toename van de stikstofdepositie van 0,04 mol/ha/jr. De RvS oordeelt (r.0. 6.3.1): “De Afdeling overweegt evenwel dat in dit geval de berekende toename van stikstofdepositie zeer gering is, betrekking heeft op slechts twee locaties van hiervoor gevoelige habitattypen, en deze toename ongeveer vier duizendste deel van een procent van de kritische depositiewaarde van het desbetreffende habitattype betreft.

Nu appellanten niet hebben onderbouwd dat het college zich op grond hiervan niet heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 19g van de Nbw 1998 is genomen. Het betoog faalt”. Zie ook de uitspraak van de ABRvS van 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1110). In die zaak was een bestemmingsplan vastgesteld zonder passende beoordeling, omdat uit de voortoets al was gebleken dat de toename van stikstof door het bouwplan dermate gering was dat er geen significante gevolgen voor het (reeds overbelaste) Natura 2000-gebied Duinen Den Helder – Callantsoog te verwachten waren. De Afdeling gaat hiermee akkoord en laat daarmee duidelijk zien dat voor de beantwoording van de vraag of bij een plan met stikstofdepositie een passende beoordeling of vergunning vereist is, de gevolgen van de stikstoftoename bepalend zijn, en niet de getalsmatige toename op zichzelf. Volgens de oorspronkelijke berekeningen was de depositie in de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar en in de aanlegfase 0,04 mol/ha/jaar. Uit latere berekeningen met de nieuwe Calculator van januari 2020 kwam een tijdelijke depositie in de aanlegfase van 0,03 mol naar voren, en een permanente depositie in de gebruiksfase van 0,04 mol.

De Afdeling vond dit geringe verschillen die niet relevant zijn. Gelet hierop kan veilig worden aangenomen dat het uitgesloten is dat door een bijdrage van 0,05 mol/ha/jaar significante gevolgen ontstaan voor de Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen of Duinen Den Helder-Callantsoog. Temeer daar er al jaren sprake is van een geleidelijke vermindering van de achtergronddepositie. Deze trend zal zich in de komende jaren voortzetten als gevolg van generiek beleid op het gebied van landbouwemissies, verkeer en industrie. De staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitattypen zal daardoor verder verbeterd worden. Cumulatie Ten aanzien van het aspect cumulatie in dit verband geldt: zolang de gecumuleerde depositie op het betrokken habitat op hexagoonniveau onder de 71 mol/jaar blijft, is er geen verschil merkbaar. Pas bij meer dan 1.420 projecten met een depositie van 0,05 mol op hetzelfde hexagoon komt men boven de 71 mol (1.420 x 0,05 = 71). Een dergelijke grote hoeveelheid projecten met effecten op precies hetzelfde hexagoon is volstrekt theoretisch. Zelfs als men aan de veilige kant gaat zitten en een bovengrens hanteert van maximaal 35 mol/ha/jaar, dan nog geldt dat er pas sprake is van significante effecten bij meer dan 710 projecten met een depositie van 0,05 mol/jaar op hetzelfde hexagoon. Ook dit is op geen enkele wijze te verwachten.

Overigens heeft de ABRvS in haar uitspraak van 4 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:683) over cumulatie het volgende overwogen (r.o. 15.4): “Over de cumulatie van stikstof overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel ertoe dwingt om de stikstofdepositie van activiteiten die het voorliggende plan niet mogelijk maakt te betrekken bij de gevolgen van het ter beoordeling staande plan.” Passende Beoordelingen Pallas en Kustzone Petten Ten overvloede kan ook nog op het volgende gewezen worden: in het kader van de bestemmingsplannen voor de Pallas-reactor en de Kustzone Petten zijn door onderzoeksbureau Arcadis Passende Beoordelingen gemaakt voor de Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen en Duinen Den Helder-Callantsoog. Hierin is het volgende geconcludeerd: Voor de habitattypen waarbij overschrijding plaatsvindt van de Kritische Depositie Waarde (KDW) is door middel van een ecologische systeemanalyse onderzocht of de berekende toenames zullen leiden tot aantasting van areaal en kwaliteit. Voor veel van de habitattypen is al jaren sprake van een overschrijding van de KDW voor stikstof. Ondanks deze overschrijding hebben deze habitattypen zich niet alleen gehandhaafd, maar soms ook uitgebreid of in kwaliteit verbeterd sinds de laatste integrale vegetatiekartering in 2004. Deze habitattypen verkeren in een goede staat van instandhouding.

In de beoordelingen is geconstateerd dat deze habitattypen in het gebied voorkomen in voldoende oppervlakte en met goede kwaliteit, ondanks jarenlange overschrijding van de KDW’s. De relatief beperkte overschrijdingen van de KDW’s, de natuurlijke dynamiek in het gebied en het gevoerde beheer (waaronder begrazing) hebben voorkomen dat stikstof een nadelige invloed heeft gehad op deze habitattypen. Gelet hierop kan veilig worden aangenomen dat het uitgesloten is dat door een tijdelijke depositie van 0,5 mol of een permanente depositie van 0,05 mol/ha/jaar significante gevolgen optreden. vi

Uit de jurisprudentie (zie o.a. de uitspraken van de Raad van State van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9779 en van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1861) volgt dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdende verkeer niet meer aan het in werking zijn van een inrichting worden toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Hiervan is sprake indien het af- en aanrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. Hier enkele voorbeelden: Voorbeeld 1: Een bedrijf is gelegen aan een rustige weg. Dagelijks vindt er aan- en afvoer plaats met een vrachtwagen. Aan de rustige weg zijn verder geen andere bedrijven gelegen, alleen enkele woningen. Op de rustige weg is het dagelijks rijden van een vrachtwagen relevant. De bewegingen zijn pas in het heersend verkeerbeeld opgenomen bij de eerstvolgende kruising met een (grotere) weg waar meerdere vrachtwagens per dag rijden, bijvoorbeeld een N-weg. Voorbeeld 2: Een transportbedrijf heeft gekozen voor een makkelijk toegankelijke locatie die direct ontsluit op een drukke N-weg.

Het verkeer ten gevolge van het bedrijf is daarom direct op de N-weg opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Voorbeeld 3: In een Natura 2000-gebied wordt een horecagelegenheid gerealiseerd. De verwachting is dat dagelijks enkele tientallen bezoekers per motorvoertuig extra naar het gebied worden getrokken door deze gelegenheid. De ontsluiting van de horecagelegenheid vindt plaats over bestaande landwegen; er zijn enkele verspreide woningen langs deze wegen gelegen. De meest nabijgelegen grotere weg ligt op 7 kilometer afstand. Hoewel de ontsluiting over bestaande wegen plaatsvindt, is het verkeer pas op grote afstand (7 kilometer) opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Mede omdat het een Natura 2000-gebied betreft, is extra aandacht voor de toename van voertuigen benodigd. Op korte afstand van een gebied is de invloed van verkeer groot. vii

Intern salderen met reeds gesloopte panden is in principe niet mogelijk, tenzij er een passende beoordeling is gemaakt vóór de sloop. De referentiedatum is dan de datum van de passende beoordeling (zie ABRvS 4-32020, ECLI:NL:RVS:2020:683). De provincie komt nog met nadere regels over salderen met reeds gesloopte panden. viii Let op: als er voor de betrokken activiteit een bestemmingsplan wordt opgesteld, en er moet een passende

beoordeling worden uitgevoerd, dan moet er ook een milieueffectrapport (plan-MER) opgesteld worden (o.g.v. artikel 7.2a Wet milieubeheer). De passende beoordeling maakt in dat geval deel uit van het plan-MER. Toetsing van het m.e.r. door de Commissie m.e.r. kost ca. € 23.000,-. In voorkomend geval is het dus beter (goedkoper) om de activiteit mogelijk te maken met een uitgebreide omgevingsvergunning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10155608/1