20230321 Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche
Tekst van het document
De raad heeft verder toegelicht dat er met het paraplu-omgevingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. In dit verband heeft de raad ter zitting toegelicht dat het niet bestemmen van de bungalows van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] als "Recreatie Verblijfsrecreatie 3" geen omissie betreft. In wat [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om hun bungalows wel als zodanig te bestemmen. Dit laat onverlet dat [appellant sub 3] en [appellant sub 4] een aanvraag kunnen indienen bij de raad om een wijziging in "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" te verkrijgen voor hun bungalows, waarmee permanente bewoning wordt toegestaan. Voor zover [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben betoogd dat alle woningen in het park de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" zouden moeten krijgen, overweegt de Afdeling dat zij in rechte alleen voor hun eigen belangen kunnen opkomen, nu zij niet zijn gemachtigd om ook namens de andere bewoners van het park te procederen. Gelet hierop behoeft dit betoog verder geen inhoudelijke bespreking. Het betoog slaagt niet. Overgangsrecht 10.
[appellant sub 3] en [appellant sub 4] voeren verder aan dat de raad ten onrechte geen overgangsrecht heeft opgenomen in het plan, waardoor het permanent bewonen van hun bungalows, in overeenstemming met de genomen gedoogbeslissing, niet is gegarandeerd. De stelling van de raad dat in bijlage 3 bij het paraplu-omgevingsplan overgangsrecht is opgenomen is daarnaast niet juist volgens hen, aangezien dit overgangsrecht niet vindbaar is. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] aldus dat de raad ten onrechte geen persoonsgebonden overgangsrecht heeft opgenomen in het plan. 10.1. Artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) luidt: "Indien toepassing van het overeenkomstig artikel 3.2.2 in het plan opgenomen overgangsrecht gebruik zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, kan de gemeenteraad met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan persoonsgebonden overgangsrecht opnemen." 10.2. De Afdeling overweegt dat het gebruik voor permanente bewoning van de bungalows niet in het plan is geregeld. Dit betekent dat dit gebruik in planologisch opzicht niet is toegestaan.
Niet in geding is echter dat niet handhavend zal worden opgetreden tegen de permanente bewoning van de bungalows, nu daarover gedoogbeslissingen zijn genomen. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat in alle gevallen het gebruik voor permanente bewoning op basis van een gedoogbeslissing reeds tijdens de periode van in beginsel 20 jaar, zoals bedoeld in artikel 7c, tweede lid, van het Besluit uitvoering Chw, zal worden gestaakt. Om die reden acht de Afdeling het niet uitgesloten dat in een
aantal gevallen het met het plan strijdige gebruik tot na deze periode zal worden voortgezet. Wanneer er op dat moment een nieuw plan in werking treedt zonder dat het huidige plan voorziet in persoonsgebonden overgangsrecht, vormt dat een belemmering voor het verder gedogen van de permanente bewoning. Een persoonsgebonden gedoogbeslissing kan in juridisch opzicht namelijk niet gelijk worden gesteld met in een plan opgenomen persoonsgebonden overgangsrecht. Gelet op deze omstandigheden heeft de raad niet mogen afzien van het opnemen van een overgangsregeling als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Bro voor die gevallen waarvoor een gedoogbeslissing is genomen, terwijl niet op voorhand vaststaat dat het gebruik voor permanente bewoning binnen de periode van in beginsel 20 jaar, zoals bedoeld in artikel 7c, tweede lid, van het Besluit uitvoering Chw, zal worden beëindigd. De Afdeling overweegt nog dat in dit geval een termijn zou kunnen worden opgenomen overeenkomstig de aan de gedoogbeslissingen verbonden termijn, zodat deze gelijklopen. De betogen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] slagen in zoverre. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Gelijkheidsbeginsel 11.
[appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen tot slot dat het paraplu-omgevingsplan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Zij voeren hiertoe aan dat aan bungalow nummer […] op Park de Horn wel een woonbestemming is toegekend. 11.1. Over bungalow nummer […] op Park de Horn, heeft de raad tijdens de zitting toegelicht dat deze bungalow geen deel meer uitmaakt van het park en al in 2016 als zomerwoning is bestemd, behorende bij het woonhuis aan de Dorpsstraat 30 in Dirkshorn. De Afdeling stelt vast dat ter plaatse van de zomerwoning permanente bewoning niet is toegestaan. Alleen al daarom is van een gelijk geval geen sprake. Het betoog slaagt niet. Conclusie 12. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn gegrond. Het besluit tot vaststelling van het paraplu-omgevingsplan dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarin geen regels als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Bro zijn opgenomen. Het beroep van [appellant sub 2] 13. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 1] in Schagerbrug. [appellant sub 2] betoogt dat de tweede woning op haar perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd in het parapluomgevingsplan. Het betreft de woning met nummer [locatie 2]. Voorbereiding van het besluit 14.
[appellant sub 2] betoogt dat de raad het besluit van 30 juni 2020 niet zorgvuldig en in strijd met de rechtszekerheid heeft voorbereid. In dit verband voert zij aan dat de raad niet heeft gereageerd op haar zienswijze waarbij zij heeft gewezen op de voor haar woning aan de [locatie 2] verleende bouwvergunning en het gespreksverslag van 5 november 2015. 14.1. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk en uitgebreid wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bezwaren of argumenten van [appellant sub 2] niet in de besluitvorming van de raad zijn betrokken. Het betoog slaagt niet. Niet als zodanig bestemd 15. [appellant sub 2] betoogt dat haar woning met het adres [locatie 2] ten onrechte niet als zodanig is bestemd in het voorliggende paraplu-omgevingsplan. In dit verband voert zij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2416, onder 17, aan dat er tijdens de procedure over het bestemmingsplan "Buitengebied Zijpe" door de raad foutieve informatie is verstrekt. Dit heeft de raad in het gespreksverslag van 5 november 2015 ook erkend, volgens [appellant sub 2].
Ook voert zij in dit kader aan dat er in 1985 een bouwvergunning voor haar woning is verleend en dat de onbewoonbaarverklaring van deze woning is opgeheven. [appellant sub 2] stelt tot slot dat haar woning in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (hierna: BAG) staat opgenomen, zodat de woning als zodanig bestemd zou moeten worden in het paraplu-
omgevingsplan. 15.1. De raad heeft toegelicht dat een aantal omissies in geldende bestemmingsplannen is hersteld in het paraplu-omgevingsplan. Het gaat daarbij volgens de raad om een aantal verbeteringen die zien op geringe omissies in de planregels en/of de verbeelding. De raad stelt zich op het standpunt dat er bij het perceel van [appellant sub 2] geen sprake is van een omissie. 15.2. De Afdeling stelt vast, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2416, dat de woning met het adres [locatie 2] niet positief is bestemd. Ter zitting is daarnaast door [appellant sub 2] toegegeven dat deze woning in de afgelopen jaren steeds wisselend door een of meer anderen is bewoond. Dat er hierbij geen sprake was van een "bed en breakfast" maakt niet dat er sprake was van permanente bewoning. Dat in 1985 een bouwvergunning voor deze woning is verleend en de onbewoonbaarverklaring van deze woning is opgeheven, maakt ook niet dat sprake is van permanente bewoning ervan door een ander huishouden dan [appellant sub 2]. De raad heeft in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen reden hoeven te vinden om de tweede woning van [appellant sub 2] positief te bestemmen in het paraplu-omgevingsplan. Het betoog slaagt niet. Herhalen zienswijze 16.
Voor zover [appellant sub 2] verzoekt de inhoud van haar zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de nota van beantwoording is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in haar beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging hiervan onjuist zou zijn. Conclusie 17.
Het beroep is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 1] 18. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 3] in Schagerbrug. Hij wenst in de toekomst onder meer de mogelijkheid te hebben van een bedrijfswoning, een autobedrijf en detailhandel op zijn perceel. Hij wenst dat daarbij aan het gehele perceel een maximum bebouwingspercentage van 100% wordt toegekend. Crisis- en herstelwet 19. Op deze zaak is de Chw van toepassing. In artikel 1.6a van de Chw is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen nieuwe beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan artikel 1.6a van de Chw niet worden tegengeworpen, wanneer het besluit en de kennisgeving van het besluit niet in overeenstemming zijn met artikel 11 van het Besluit uitvoering Chw (vergelijk de uitspraak van de Afdeling 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1129). De Afdeling overweegt dat het na afloop van de termijn voor het instellen van beroep vermelden van nieuwe beroepsgronden in dit geval niet kan worden tegengeworpen aan [appellant sub 1], aangezien de toepasselijkheid van de Chw in het besluit van 30 juni 2020 niet is vermeld. De Afdeling zal de nadere stukken van [appellant sub 1] van 12 oktober 2020, 26 oktober 2020 en 30 juni 2021 daarom in deze procedure betrekken. Gevraagde aanpassingen 20.
[appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte de door hem gevraagde aanpassingen, namelijk het maximaal bebouwingspercentage verhogen naar 100%, de maximaal toegestane bouwen goothoogte aanpassen naar respectievelijk 15 en 10 m, het toekennen van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - autobedrijf", het mogelijk maken van detailhandel en een garagebedrijf op zijn perceel, het mogen aanbrengen van zonnepanelen op de bestaande bebouwing en het toekennen van de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2", niet heeft meegenomen bij het vaststellen van het paraplu-omgevingsplan. 20.1. De Afdeling stelt voorop dat het paraplu-omgevingsplan het gehele grondgebied van de gemeente Schagen omvat. Dit plan bevat onder meer enkele uniformerende begripsbepalingen en algemene regels en heeft een aanvullende werking op alle geldende bestemmingsplannen in de
gemeente. De raad heeft toegelicht dat een aantal omissies in geldende bestemmingsplannen is hersteld in het paraplu-omgevingsplan. Het gaat daarbij volgens de raad om verbeteringen die zien op geringe omissies in de planregels en/of de verbeelding. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de gewenste ontwikkelingen van [appellant sub 1] geen omissies betreffen die meegenomen hadden moeten worden in het plan, dat immers geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. In wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de gewenste ontwikkelingen mee te nemen in het paraplu-omgevingsplan. Dit laat onverlet dat [appellant sub 1] een aanvraag kan indienen bij de raad om in afwijking van het bestemmingsplan deze door hem gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Het betoog slaagt niet. Vertrouwensbeginsel 21. [appellant sub 1] voert aan dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat de brief van het college van burgemeester en wethouders van 31 juli 2012 volgens hem een toezegging inhoudt dat aan zijn perceel een bebouwingspercentage van 100% zal worden toegekend. 21.1. In de brief van 31 juli 2012 staat het volgende vermeld: "[…]. Tenslotte kan met een kruimelontheffing een bijbehorend bouwwerk worden geplaatst. Dit kan een geheel nieuwe bedrijfshal zijn. Hier gelden qua bebouwingsoppervlakte geen beperkingen.
Ook hoeft de hal niet binnen het bouwvlak te worden geplaatst. Daarnaast kan gemotiveerd worden dat goot- en bouwhoogte 8 en 12 meter mogen zijn, conform de regels uit het bestemmingsplan. Hiervoor moet dan wel een onderbouwd plan worden ingediend. Hiervoor is wel een procedure noodzakelijk. Het betreft hier echter een reguliere procedure met een doorlooptijd van 8 weken." 21.2. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. 21.3. De Afdeling is van oordeel dat geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Uit de door [appellant sub 1] genoemde brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zijpe (nu: de gemeente Schagen) van 31 juli 2012 blijkt niet van een concrete toezegging van de kant van de gemeente aan [appellant sub 1] waaruit hij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de raad aan zijn perceel in het plan een bebouwingspercentage van 100% zou toekennen. Het college heeft immers aangegeven dat voor het bouwen een kruimelontheffing is vereist en dat een (reguliere) procedure moet worden doorlopen. Het betoog slaagt niet. Loods 22.
[appellant sub 1] betoogt verder dat de raad ten onrechte het bouwblok van de reeds vergunde loods niet heeft ingetekend op de verbeelding behorende bij het paraplu-omgevingsplan. 22.1. De Afdeling begrijpt de beroepsgrond van [appellant sub 1] aldus dat de raad bij besluit van 20 juni 2018, in afwijking van het voorheen geldende bestemmingsplan "Dorpen langs de Groote Sloot", een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte buiten het bouwvlak op het perceel [locatie 3] in Schagerbrug en deze ten onrechte niet heeft opgenomen in het bestemmingsplan "Dorpen langs de Groote Sloot". Deze omissie was bekend bij de gemeente en had volgens [appellant sub 1] meegenomen moeten worden in het voorliggende paraplu-omgevingsplan. 22.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet meenemen van de verleende omgevingsvergunning in het voorliggende plan geen omissie betreft. 22.3. De Afdeling stelt vast dat de aanpassing die nodig was als gevolg van de verleende omgevingsvergunning niet is verwerkt in het bestemmingsplan "Dorpen langs de Groote Sloot", vastgesteld door de raad van de gemeente Zijpe (nu: de gemeente Schagen) op 29 mei 2012 via een wijziging van dat plan. De Afdeling stelt verder vast dat de aanpassing ook niet verwerkt is in het vastgestelde paraplu-omgevingsplan.
Aangezien het paraplu-omgevingsplan beoogt een aantal omissies in geldende bestemmingsplannen te herstellen, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de op
grond van artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De Afdeling acht in dit verband van belang dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat er een bijzondere reden zou bestaan om de reeds in 2018 verleende omgevingsvergunning niet op te nemen in het vorige plan, dan wel het voorliggende paraplu-omgevingsplan. Het betoog slaagt. Schade 23. Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat hij ten gevolge van het paraplu-omgevingsplan schade lijdt, wijst de Afdeling op de mogelijkheid om op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een verzoek om een tegemoetkoming in planschade in te dienen. Het betoog slaagt niet. Herhalen zienswijze 24. Voor zover [appellant sub 1] verzoekt de inhoud van zijn zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de nota van beantwoording is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 1] heeft in zijn beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging hiervan onjuist zou zijn. Conclusie 25. Het beroep is gegrond. Het besluit tot vaststelling van het paraplu-omgevingsplan dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarin de omgevingsvergunning van [appellant sub 1] van 20 juni 2018 niet is verwerkt. Proceskosten 26.
Ten aanzien van [appellant sub 3] moet de raad de proceskosten vergoeden.
27. Ten aanzien van [appellant sub 4], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.
verklaart de beroepen van A. [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 1] gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Schagen van 30 juni 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche", voor zover het betreft het ontbreken van regels als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening en voor zover daarin de omgevingsvergunning van [appellant sub 1] van 20 juni 2018 niet is verwerkt; III. draagt de raad van de gemeente Schagen op om binnen 20 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen, voor zover dit is vernietigd onder II, en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV.
verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Schagen tot vergoeding van bij A. [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,87 (zegge: tweeënveertig euro en zevenentachtig cent); VI. gelast dat de raad aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor A. [appellant sub 3], € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor [appellant sub 4] en € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor [appellant sub 1] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2021 91-928.
bestemmingsplan Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche
Bijlage 3 Uitspraak Raad van State ECLI:NL:RVS:2023:951
87
Uitspraak 202200887/1/R1 ECLI :
ECLI:NL:RVS:2023:951
Datum uitspraak :
8 maart 2023
Inhoudsindicatie :
Bij besluit van 14 december 2021 heeft de raad van de gemeente Schagen het bestemmingsplan "Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche" vastgesteld. [appellant A] en [appellant B] wonen permanent in hun bungalows aan het Park de Horn met gebruikmaking van gedoogbeslissingen die zijn verleend door het college van burgemeester en wethouders. [appellant A] woont in de bungalow met nummer [nummer A] en [appellant B] woont in de bungalow met nummer [nummer B]. In de uitspraak van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2006, heeft de Afdeling over de permanente bewoning van de bungalows van [appellant A] en [appellant B] geoordeeld - kort gezegd - dat de raad niet had mogen afzien van het opnemen van een persoonsgebonden overgangsregeling als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening.
eerste aanleg - meervoudig
ro - noord-holland
Volledige tekst 202200887/1/R1. Datum uitspraak: 8 maart 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Dirkshorn, gemeente Schagen, appellanten, en de raad van de gemeente Schagen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 14 december 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant A] en [appellant B] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2023, waar [appellant A] en [appellant B] en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.H. Moraal, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant A] en [appellant B] wonen permanent in hun bungalows aan het Park de Horn met gebruikmaking van gedoogbeslissingen die zijn verleend door het college van burgemeester en wethouders. [appellant A] woont in de bungalow met nummer [nummer A] en [appellant B] woont in de bungalow met nummer [nummer B]. 2. In de uitspraak van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2006, heeft de Afdeling over de permanente bewoning van de bungalows van [appellant A] en [appellant B] geoordeeld - kort gezegd - dat de raad niet had mogen afzien van het opnemen van een persoonsgebonden overgangsregeling als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). De Afdeling heeft de raad opgedragen om een nieuw besluit te nemen. 3. In het voorliggende bestemmingsplan is niet voorzien in een persoonsgebonden overgangsregeling als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Bro. [appellant A] en [appellant B] betogen onder meer dat de raad dus ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2021. Omvang van het beroep 4.
Ter zitting hebben [appellant A] en [appellant B] toegelicht dat hun bezwaren over de procedurele gang van zaken bij de voorbereiding van het voorliggende plan, vooral bedoeld zijn als verzuchting en ter illustratie van de wijze waarop zij zich door de gemeente behandeld voelen. Dat geldt ook voor hun bezwaar over de toegekende dossierstatus op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Een woonbestemming 5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het bestemmingsplan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, omdat, anders dan aan hun bungalows, aan bungalow nummer 720 wel een woonbestemming is toegekend. Volgens hen heeft de raad zich in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 8 september 2021 ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gelijke situaties omdat de bungalow met nummer 720 niet tot hetzelfde bestemmingsplan zou horen. Zij hebben ter zitting op een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland gewezen waarin zou zijn geoordeeld dat bungalow 720 wel tot het park behoort. Ter zitting hebben zij verder nog aangevoerd dat aan hun bungalows in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (hierna: BAG) een logiesfunctie is toegekend. Hiervan ondervinden zij nadeel en ook daarom zou in het plan een woonbestemming moeten worden toegekend. 5.1.
Onder 11.1 van de uitspraak van 8 september 2021 heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] naar voren hebben gebracht geen reden om daar thans anders over te oordelen. Over het betoog dat [appellant A] en [appellant B] er belang bij hebben dat voor hun bungalows een woonfunctie in de BAG wordt opgenomen, overweegt de Afdeling dat in deze procedure alleen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voorligt. De wijze van registratie in de BAG speelt daarbij geen rol. De betogen slagen niet. Persoonsgebonden overgangsrecht 6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad heeft verzuimd om persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen, hoewel de Afdeling in haar uitspraak van 8 september 2021 de raad daartoe wel heeft opgedragen. 6.1. De raad erkent dat in navolging van de uitspraak van 8 september 2021 in het plan persoonsgebonden overgangsrecht als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Bro had moeten worden opgenomen voor de bungalows van [appellant A] en [appellant B], en dat dit ten onrechte niet is gebeurd. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen. Het betoog slaagt. De Afdeling zal hierna onder de conclusie bezien tot welke gevolgen dit moet leiden.
Conclusie, finale geschilbeslechting en proceskosten
7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft het ontbreken van regels als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Bro. 8. De raad heeft een tekstvoorstel aangereikt voor een planregel waarmee het persoonsgebonden overgangsrecht in het bestemmingsplan volgens de raad geregeld zou kunnen worden. De raad heeft de Afdeling verzocht om zelf in de zaak te voorzien op voet van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). [appellant A] en [appellant B] hebben ter zitting te kennen gegeven dat zij er belang bij hebben dat het persoonsgebonden overgangsrecht voor de permanente bewoning van hun bungalows zo snel mogelijk in het plan geregeld wordt. Zij hebben verder te kennen gegeven met de tekst van het voorstel van de raad in te kunnen stemmen. De Afdeling stelt vast dat het aangereikte tekstvoorstel niet specifiek betrekking heeft op de situatie van [appellant A] en [appellant B], maar ruimer is geformuleerd. Met dit tekstvoorstel als planregel verandert dus mogelijk ook de rechtspositie van derden die zich daarover niet hebben kunnen uitlaten. Het is daarmee onvoldoende aannemelijk dat derdebelanghebbenden door het zelf voorzien niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
De Afdeling zal dus niet zelf in de zaak voorzien, maar andermaal op voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb een opdracht aan de raad geven om een persoonsgebonden overgangsregeling als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Bro voor [appellant A] en [appellant B] vast te stellen. Gelet op de belangen van [appellant A] en [appellant B] zal de Afdeling hiervoor een korte termijn stellen. 9. De raad moet de proceskosten vergoeden. Wat betreft de op het proceskostenformulier door [appellant B] opgegeven verletkosten, stelt de Afdeling vast dat het opgegeven uurtarief niet is toegelicht. Vanwege het ontbreken van de onderbouwing van de gestelde kosten wordt het minimumtarief van € 8,00 per uur toegekend en wordt het aantal uren forfaitair vastgesteld op zes uren. Wat betreft de opgegeven reiskosten hebben [appellant A] en [appellant B] ieder voor zich om vergoeding verzocht en redenen gegeven waarom zij niet met het openbaar vervoer konden reizen. Gelet op die redenen en omdat zij gezamenlijk een beroepschrift hebben ingediend, zal de Afdeling eenmaal de gevraagde kilometervergoeding toekennen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.
verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van 14 december 2021 tot vaststelling van "Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche", voor zover het betreft het ontbreken van regels als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening; III. draagt de raad van de gemeente Schagen op om binnen tien weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat hierin is overwogen een nieuw besluit te nemen, voor zover dit is vernietigd onder II, en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. veroordeelt de raad van de gemeente Schagen tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 104,00 met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; V. gelast dat de raad van de gemeente Schagen aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier. w.g. Van Ravels voorzitter w.g. Boer griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2023 745
bestemmingsplan Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche
92
bestemmingsplan Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche
Regels
93
bestemmingsplan Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende Regels
Doelstelling
Het omgevingsplan is met het oog op duurzame ontwikkeling gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van de maatschappelijke verantwoordelijkheid.
94
bestemmingsplan Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche
Artikel 2 2.1
Begrippen
Plan:
het Chw bestemmingsplan paraplu-omgevingsplan, 1e tranche- met identificatienummer NL.IMRO.0441.BPPARAPLU1-VA03 van de gemeente Schagen; 2.2
Chw bestemmingsplan:
het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte, de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 2.3
Omgevingsplan:
het plan als bedoeld in lid 2.1. 2.4
Geldende plannen
De bestemmingsplannen zoals opgenomen in bijlage 1.
95
bestemmingsplan Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Algemeen
Werking van dit paraplu-omgevingsplan
Reikwijdte
De regels in dit bestemmingsplan zijn van toepassing op alle geldende bestemmingsplannen zoals bedoeld in artikel 2.4 van dit paraplu-omgevingsplan. 3.2
Verhouding tot andere bestemmingsregelingen
a. Als op een locatie ook algemene regels van een eerder vastgesteld bestemmingsplan gelden, die kennelijk dezelfde strekking hebben als een regel van dit plan, dan blijven die algemene regels van dat eerder vastgestelde bestemmingsplan buiten toepassing. b. Uitleg van de begrippen in artikel 2 is alleen van toepassing op de regels van dit paraplu-omgevingsplan.
96
bestemmingsplan Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche
Artikel 4
Uniforme Algemene Regels
In bijlage 3 zijn de uniforme algemene regels opgenomen die van toepassing zijn op alle geldende bestemmingsplannen zoals bedoeld in artikel 2.4 van dit paraplu-omgevingsplan.
97
bestemmingsplan Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche
Artikel 5
Uniforme begrippen
In bijlage 2 zijn de uniforme begrippen opgenomen die van toepassing zijn op alle geldende bestemmingsplannen zoals bedoeld in artikel 2.4 van dit paraplu-omgevingsplan.
98