20221017 Transformatorstation Sint Maartensweg vastgesteld Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Voorafgaand aan het veldwerk is er een locatie-inspectie uitgevoerd. Hierbij zijn geen afwijkende zaken naar voren gekomen. Daarnaast is de onderzoekslocatie in beeld gebracht door het bestuderen van beeldmateriaal op internet en actuele foto’s van de onderzoekslocatie (zie bijlage 6).
Stantec | m20b0242.r01.doc 4
2.5
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE
Op basis van de bovenstaande historische informatie is onderstaande hypothese geformuleerd. Ten behoeve van de uitvoering van het onderzoek is de bijbehorende onderzoeksstrategie gevolgd (bron 1, bijlage b). Uit het vooronderzoek blijkt dat er in de grond en het grondwater geen verontreinigende stoffen worden verwacht boven de streefwaarde/AW of boven de in het betreffende gebied geldende achtergrondgehaltes. Op grond van de beschikbare informatie is uitgegaan van de hypothese ‘onverdachte locatie’. Er is bij de uitvoering van het onderzoek uitgegaan van de onderzoeksstrategie onverdacht (ONV) uit de NEN 5740. Omdat er mogelijk grondverzet gaat plaatsvinden is het onderzoek aangevuld met onderzoek naar aanwezigheid van PFAS. De locatie is op basis van de bekende gegevens onverdacht voor de aanwezigheid van PFAS.
Stantec | m20b0242.r01.doc 5
3.0
VELDWERK EN CHEMISCHE ANALYSES
In dit hoofdstuk worden de kwaliteitseisen uit de beoordelingsrichtlijnen, de gekozen onderzoeksstrategie, de resultaten van het veldwerk en de uitgevoerde chemische analyses besproken.
3.1
KWALITEIT
De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform een gecertificeerd kwaliteitssysteem (ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 en VCA*). Voor dit project is Erik van der Lippe van ons kantoor te Arnhem opgetreden als senior adviseur. Het veldwerk is uitgevoerd onder het procescertificaat van de BRL SIKB 2000: ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’ (bron 3), protocol 2001: ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’ (bron 4) en protocol 2002: ‘Het nemen van grondwatermonsters’) (bron 5).
2001 + 2002
De procesonderdelen, uitvoering veldwerk en overdracht monsters aan laboratorium zijn uitbesteed aan VWB bodem B.V. (certificaat EC-SIK-20264). Het veldwerk is uitgevoerd door de heer P. Warkor en de watermonstername is uitgevoerd door de heer H. Wesselink. Zij zijn erkend en geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. De procesonderdelen, begeleiding erkend projectleider en rapportage zijn uitgevoerd door Stantec B.V. Stantec B.V. is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Kiwa Nederland B.V. Ons meest recente certificaatnummer kunt u hier vinden: https://www.stantec.com/nl/about/certifications-memberships. Wij verklaren dat de beschreven uitvoering van kritische functies onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd conform de eisen die de BRL daartoe stelt vanuit de Regeling bodemkwaliteit. De kwaliteitsborgingsformulieren zijn opgenomen in bijlage 4.2. Stantec B.V. en VWB bodem B.V. hebben geen financiële of juridische belangen met betrekking tot het eigendom van de locatie.
Stantec | m20b0242.r01.doc 6
3.2
ALGEMENE ONDERZOEKSSTRATEGIE EN WERKWIJZE
De gehanteerde onderzoeksstrategie is gebaseerd op de in hoofdstuk 2 gestelde hypothese. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van alle uitgevoerde veldwerkzaamheden en de analyses van grond en grondwater. In de hierop volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de veldwerkzaamheden en de chemische analyses. Tabel 1: Overzicht uitgevoerde veldwerkzaamheden en analyses Deellocaties
Aantal boringen
Veldwerk Waarvan Grond peilbuizen
Analyses
Grondwater
Algemene bodemkwaliteit (7.800 m2) Onverdachte boven- en 13 (0,5 m-mv) ondergrond (ONV) 6 (2,0 m-mv) 1
NEN-grond:
2
NEN-grondwater:
3
PFAS:
2
NEN-grond1 (3x), PFAS3 (1x) NEN-grond1 (2x), PFAS3 (1x)
NEN-grondwater2 (2x)
lutum- en organische stofpercentage, negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie, som PAK (10), som PCB (7); negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen (som), styreen en naftaleen), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie; PFBA, PFPaA, PFHxA, PFHpA, PFOA, PFOA vertakt, PFNA, PFDA, PFUnDA, PFDoA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFOS, PFOS vertakt, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, N-MeFOSAA, N-EtFOSAA, PFOSA, N-MEFOSA, 8:2 diPAP.
De boorlocaties zijn weergegeven in bijlage 2. De boringen zijn gelijkmatig over de locatie verspreid geplaatst. Van het bodemmateriaal is maximaal per halve meter en/of per bodemlaag een monster genomen.
3.3
RESULTATEN VELDWERK
Het veldwerk is uitgevoerd op 3 november 2020. Voor aanvang van de boorwerkzaamheden is de locatie visueel geïnspecteerd. Op het maaiveld van het terrein zijn geen verontreinigingen en asbestverdachte materialen waargenomen. In bijlage 4 zijn de gedetailleerde boorbeschrijvingen weergegeven met de bodemopbouw, de diepten waarop grondmonsters zijn genomen en de diepten waarop eventuele peilfilters geplaatst zijn. De zintuiglijke waarnemingen en eventuele afwijkingen zijn eveneens in deze bijlage weergegeven.
Stantec | m20b0242.r01.doc 7
Bodemopbouw De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: De bovengrond (0-0,5 m-mv) bestaat voornamelijk uit een kleilaag. Ter plaatse van de boring in de oprit naar de loods is een zandlaag met daaronder een bakstenen funderingslaag in de toplaag aangetroffen. De ondergrond bestaat over het algemeen tot de maximale boordiepte (0,5-2,8 m-mv) uit klei met zeer plaatselijk een kleine zandlaag.
Zintuiglijke verontreinigingen Visueel zijn in het opgegraven en opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdachte materialen waargenomen. Zintuiglijk is er geen bodemvreemde bijmenging waargenomen. Onder de zandige toplaag bij boring B01 is een funderingslaag aangetroffen bestaande uit baksteen. Deze laag is zintuiglijk geïnspecteerd op asbestverdachtheid. De laag wordt als onverdacht beschouwd op het voorkomen van asbest. Gezien de doelstelling van het onderzoek is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Grondwater Voor de bemonstering van het grondwater zijn boringen B01 en B05 afgewerkt met een peilbuis. Conform NEN 5740 is de bovenzijde van het peilfilter circa 0,5 m beneden de grondwaterstand geplaatst. Het grondwater is bemonsterd op 11 november 2020. Tijdens de bemonstering zijn aan het grondwater geen afwijkingen waargenomen. Beide peilbuizen waren slecht lopend met een slechte opbrengst. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (Ec) en de aanwezigheid van niet-opgeloste deeltjes (troebelheid) van het grondwater zijn tijdens de monstername in het veld bepaald. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De meetwaarden geven geen aanleiding de analysestrategie te wijzigen. Tabel 2: Veldmetingen grondwater Peilbuis
Filter (m-mv)
GWS (m-mv)
Temp. (0C)
pH
Ec (µS/cm)
Troebelheid (FTU)
B01
1,8-2,8
1,45
13,5
7,57
2380
100*
B05 1,5-2,5 1,02 13,9 7,68 2215 100* * Door de veldwerker is opgemerkt dat de aanwezige apparatuur een maximaal meetbereik had van 100 NTU. Mogelijk was de troebelheid nog hoger.
Op basis van de gemeten Ec is sprake van brak (400 µS/cm <Ec <2.800 µS/cm) grondwater. Op basis van de beschikbare gegevens kan geen eenduidige stromingsrichting van het freatische grondwater worden vastgesteld. Opgemerkt wordt dat de stromingsrichting van het freatisch grondwater beïnvloed kan zijn door bijvoorbeeld getijden, drainage, kabels en leidingen e.d. De troebelheid van grondwater heeft een natuurlijke waarde in een zandpakket van 0-10 NTU. Deze kan afwijken wanneer er sprake is van een meer siltig samengestelde bodem. Vooral in klei- en veengronden (slechtlopende peilbuizen) komt het in de praktijk veelvuldig voor ondanks dat de gestelde vereisten voor plaatsing van peilbuizen en bemonstering van grondwater zijn gevolgd, de NTU waarden afwijken. Tijdens de monstername van het grondwater is in alle peilbuizen een NTU van > 10 gemeten. De peilbuizen staan in een klei pakket. Wij zien dit niet als een afwijking op de BRL SIKB 2000 en houden hiermee rekening met de interpretatie van de meetresultaten.
Stantec | m20b0242.r01.doc 8
3.4
ANALYSESTRATEGIE
Onderstaande tabel geeft, voor de verschillende aanleidingen, de geselecteerde monsters weer met de bijbehorende zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde analyses. Tabel 3: Analysestrategie Code Samengesteld uit boringen (meng)monster (traject m-mv) diepte (m-mv) Algemene kwaliteit grond
Bodemtype
Zintuiglijke waarnemingen
B01-1 (0-0,35)
Zand
-
NENgrond1
Klei
-
NEN-grond -
Klei
-
NEN-grond -
Klei
-
NEN-grond -
Klei
-
NEN-grond -
Klei
-
PFAS3
-
Klei
-
PFAS
-
B01-1 (0-0,35)
B02 (0-0,3) + B03 (0-0,35) + B04 (00,5) + B07 (0-0,3) + B09 (0-0,5) + MMB01 (0-0,5) B11 (0-0,5) + B12 (0-0,5) + B13 (00,5) B05 (0-0,35) + B06 (0-0,35) + B14 MMBG02 (0(0-0,3) + B15 (0-0,5) + B16 (0-0,3) + 0,5) B17 (0-0,3) + B18 (0-0,3) + B19 (00,3) B01 (0,5-1,0) + B02 (1,1-1,5) + B03 MMOG01 (0,5(0,85-1,3) + B04 (1,25-1,5) + B05 1,5) (0,7-1,0) + B06 (1,0-1,5) B01 (1,5-2,0) + B02 (0,6-1,1) + B04 MMOG2 (0,6(1,5-2,0) + B05 (1,5-2,0) + B06 (0,62,0) 1,0) B02 (0-0,3) + B04 (0-0,5) + B06 (0PFAS-BG (00,35) + B07 0-0,3) + B13 (0-0,5) + 0,3) B14 (0-0,3) + B18 (0-0,3) B01 (1,2-1,5) + B02 (1,1-1,5) + B03 PFAS-OG (1,0(1,3-1,8) + B04 (1,0-1,5) + B05 (1,01,8) 1,5) + B06 (1,0-1,5) Algemene kwaliteit grondwater B01-1 (1,8-2,8) B01 B05-1-1 (1,52,5) 1 NEN-grond:
B05
2
NEN-grondwater:
3
PFAS:
Analyses Grond Grondwater
-
NENgrondwater² NENgrondwater lutum- en organische stofpercentage, negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie, som PAK (10), som PCB (7); negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen (som), styreen en naftaleen), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie; PFBA, PFPaA, PFHxA, PFHpA, PFOA, PFOA vertakt, PFNA, PFDA, PFUnDA, PFDoA, PFTrDA, PFTeDA, PFHxDA, PFODA, PFBS, PFPeS, PFHxS, PFHpS, PFOS, PFOS vertakt, PFDS, 4:2 FTS, 6:2 FTS, 8:2 FTS, 10:2 FTS, N-MeFOSAA, N-EtFOSAA, PFOSA, N-MEFOSA, 8:2 diPAP. -
-
Stantec | m20b0242.r01.doc 9
-
3.5
CHEMISCHE ANALYSES
De analyseresultaten met de bijbehorende toetsingswaarden en een verklarende woordenlijst zijn opgenomen in bijlage 3. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 5. De chemische analyses zijn uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (RvA geaccrediteerd). De analyses zijn uitgevoerd conform het AS3000 protocol. Voor de analyse op mengmonster MMOG02 geldt een verstreken conserveringstermijn voor de parameters PAK en minerale olie. Per abuis was in eerste instantie een analyse op de ondergrond te weinig ingezet. Dit is later hersteld door een extra analyse uit te voeren. Aangezien in het mengmonster zelf en de overige monsters geen verhoogde gehalten zijn aangetoond wordt niet verwacht dat deze afwijking significante invloed heeft op het gerapporteerde resultaat.
Stantec | m20b0242.r01.doc 10
4.0
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN
In dit hoofdstuk wordt de verontreinigingssituatie beschreven op basis van de onderzoeksresultaten. Vervolgens worden de resultaten getoetst aan de in hoofdstuk 2 geformuleerde hypothese.
4.1
TOETSING ANALYSERESULTATEN
Grond In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de (indicatieve) toetsing aan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit en het Besluit bodemkwaliteit conform het generieke beleid (landelijke beleid). Tevens wordt de, op basis van de indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit bepaalde, voorlopige veiligheidsklasse weergegeven. Tabel 4: (Indicatieve) toetsing analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering 2013 en de Regeling/het Besluit bodemkwaliteit Analysemonster Boringen (m-mv) B01-1 (0-0,35)
B01
Toetsing Wbb >AW
B02 + B03 + B04 + B07 + B09 + B11+ B12 + B13 MMBG02 (0-0,5) B05 + B06 + B14 + B15 + B16 + B17 + B18 + B19 MMOG01 (0,5B01 + B02 + B03 + 1,5) B04 + B05 + B06 MMOG2 (0,6-2,0) B01 (+ B02 + B04 + B05 + B06 PFAS-BG (0-0,3) B02 + B04 + B06 + B07 + B13 + B14 + B18 PFAS-OG (1,0B01 + B02 + B03 + 1,8) B04 + B05 + B06 Toelichting: AW: Bodemkwaliteitsklasse AW; Wonen: Bodemkwaliteitsklasse Wonen; Industrie: Bodemkwaliteitsklasse Industrie; NIET: Niet toepasbaar. MMB01 (0-0,5)
>T
>I
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Stantec | m20b0242.r01.doc 11
Toetsing Bbk
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400)
AW AW
Basishygiëne Basishygiëne
AW
Basishygiëne
AW
Basishygiëne
AW
Basishygiëne
AW
Basishygiëne
AW
Basishygiëne
Grondwater In de tabel 5 wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de toetsing van het grondwater aan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Tabel 5: Toetsing analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering 2013 (grondwater) Analysemonster
Toetsing Wbb >AW
>T
>I
B01-1-1
Peilbuizen (filterstelling m-mv) 1,8-2,8
B05-1-1
1,5-2,5
Barium, molybdeen
-
-
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400) Basishygiëne
-
-
-
Basishygiëne
4.2
BESPREKING ANALYSERESULTATEN WET BODEMBESCHERMING
Grond In zowel de zandige als kleiige bovengrond (0-0,5 m-mv) en de kleiige ondergrond (0,5-1,8 m-mv) zijn geen verhoogde gehalten gemeten.
Grondwater In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties barium en molybdeen gemeten. Verhoogde concentraties barium in gebieden met marine afzettingen zijn voornamelijk van natuurlijke oorsprong. De herkomst van de verontreiniging met molybdeen is onbekend. Waarschijnlijk is eveneens sprake van verhoogde achtergrondconcentraties. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarden en/of detectiegrenzen gemeten.
Toetsing hypothese De hypothese voor onverdachte boven- en ondergrond wordt aanvaard. In de grond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. De grond is tevens niet verontreinigd met PFAS. Het grondwater is licht verontreinigd. Aangezien sprake is van achtergrondconcentraties wordt de hypothese ‘onverdacht ten opzichte van haar omgeving' bevestigd.
4.3
BESPREKING RESULTATEN BESLUIT BODEMKWALITEIT
De analyseresultaten van de geanalyseerde grond(meng)monster(s) zijn indicatief getoetst aan de, normwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bron 7) behorende bij het Besluit bodemkwaliteit (bron 8) en het geactualiseerd tijdelijk handelingskader voor PFAS-houdende grond (bron 11). De vrijkomende boven- en ondergrond worden op basis van de indicatieve resultaten ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse “achtergrondwaarde”.
Stantec | m20b0242.r01.doc 12
Toelichting hergebruik grond (milieuhygiënische verklaring) Voor een definitieve vaststelling van de bodemkwaliteitsklasse is in veel gevallen een partijkeuring conform AP04 vereist. Een dergelijke keuring onderscheidt zich van het onderhavige onderzoek door een intensievere bemonstering, een aangepaste monstervoorbehandeling in het laboratorium, zowel monstername als analyse in duplo en in enkele gevallen uitloogonderzoek.
4.4
VEILIGHEIDSKLASSEN CONFORM DE CROW 400
Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek kunnen de graafwerkzaamheden ter plaatse van beide deellocaties worden uitgevoerd onder “Basishygiëne” conform de CROW400.
Stantec | m20b0242.r01.doc 13
5.0
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken:
Samenvatting •
• •
• • • • • •
De bovengrond (0-0,5 m-mv) bestaat voornamelijk uit een kleilaag. Ter plaatse van de boring in de oprit naar de loods bevat een zandlaag met daaronder een bakstenen funderingslaag. De ondergrond bestaat over het algemeen tot de maximale boordiepte (0,5-2,8 m-mv) uit klei met zeer plaatselijk een kleine zandlaag. Aan het maaiveld en in de grond is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het opgeboorde materiaal zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Zeer plaatselijk is onder de zandige bovengrond een bakstenen funderingslaag aangetroffen. Deze wordt als asbest onverdacht gekenmerkt. In de zandige en kleiige bovengrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In de kleiige ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties barium en molybdeen gemeten. Conform het Besluit bodemkwaliteit heeft de grond ter plaatse van de onderzoekslocatie de bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Eventueel vrijkomende grond kan waarschijnlijk op of buiten de locatie worden hergebruikt. Op basis van de resultaten geldt conform de CROW 400 de veiligheidsklasse Basishygiëne.
Conclusies • • •
In het kader van de Wet bodembescherming is ter plaatse van de onderzoekslocatie geen sprake van een geval van (ernstige) bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de locatie in milieuhygiënisch opzicht geschikt geacht voor de toekomstige bestemming. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Vrijkomende grond komt voor hergebruik in aanmerking.
Aanbevelingen •
• •
Er zijn voor de aankoop en voor de voorgenomen werkzaamheden geen milieuhygiënische belemmeringen geconstateerd. Vervolgonderzoek en/of sanerende maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het verdient altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem. Indien vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen.
Stantec | m20b0242.r01.doc 14
BRONVERMELDINGEN 1.
NEN 5740:2009+A1:2016 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 april 2016. 2. NEN 5725:2017 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 oktober 2017. 3. BRL SIKB 2000, ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 4. Protocol 2001, ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 5. Protocol 2002, ‘Het nemen van grondwatermonsters’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 6. Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant nummer 16675, 27 juni 2013. 7. Regeling bodemkwaliteit, regeling van 13 december 2007, houdende regels voor de uitvoering van de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr. 247, 20 december 2007 en bijbehorende wijzigingen en besluiten. 8. Besluit bodemkwaliteit, besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr.
469., 3 december 2007 en bijbehorende wijzigingen/besluiten. 9. Topotijdreis, https://www.topotijdreis.nl/ 10. Bodemkwaliteitskaart regio Kop van Noord-Holland, CSO Adviesbureau voor Milieuonderzoek B.V., 12M239, 25 april 2013. 11. Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (Geactualiseerde versie van 29 november 2019), Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, IENW/BSK-2019/253533, 1 december 2019
Stantec | m20b0242.r01.doc 15
Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 5: Bijlage 6.1: Bijlage 6.2:
Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:500) Verklarende woordenlijst Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Analysecertificaten en gaschromatogrammen Foto’s terreininspectie Foto’s veldwerk
Bijlage 1: Overzichtskaart (1:25.000)
Verkennend bodemonderzoek Sint Maartensweg 100a Sint Maartensbrug Overzichtstekening Legenda
J )
Projectlocatie
0
250
J )
500
750
1.000 m
Datum: Schaal: Status:
±
16-11-2020 1:25.000 Definitief
Projectnummer: M20B0242 Formaat: A4 landscape Tekenaar: NIKO
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M20\M20B0242
Opdrachtgever: Qirion B.V.
Bijlage 2: Situatietekening (1:500)
Verkennend bodemonderzoek Sint Maartensweg 100a Sint Maartensbrug
( !
Situatietekening
B19
Legenda B06
( !
B16
( !
<
D
ú8úú ú8
Peilbuis tot 2,5 m-mv
?
Peilbuis tot 3,0 m-mv
( !
Boring tot 0,5 m-mv
D
Boring tot 2,0 m-mv
B14
Projectgebied Sin t
M
aa rte
B05
we g
<
ú8ú
ns
B18
B17
( !
B13
D
B03
( ! ( !
B15
D
B04
( !
B10
B11
B01
( !
( !
B07
ú8ú ?
B12
( !
D
B09 0
B02
( !
B08
±
5
10
15
20
25 m
Opdrachtgever:
Qirion B.V.
Datum: Schaal: Status:
17-11-2020 1:500 Definitief
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
M20B0242 A3 landscape NIKO
N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M20\M20B0242
( !
( !
Bijlage 3.1: Verklarende woordenlijst
VERKLARENDE WOORDENLIJST Een grond- en/of grondwaterverontreiniging kan veroorzaakt worden door verschillende parameters. Soms betreft het stoffen die van nature in de bodem voorkomen. In andere gevallen is er sprake van milieuvreemde stoffen. Om een indicatie te krijgen van een eventuele grond(water)verontreiniging worden analyses uitgevoerd op verschillende parameters.
Toetsingskader Sinds oktober 2008 zijn in het kader van de Wet bodembescherming de streefwaarden (grondwater) en interventiewaarden (grond en grondwater) van kracht en daarmee het toetsingskader voor beoordeling van de kwaliteit van grond en grondwater. Daarnaast gelden voor de toepassing van grond de (landelijke) achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit.
Achtergrondwaarde (grond) De Achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond.
Streefwaarde (grondwater) Als de streefwaarde wordt overschreden is er sprake van bodemverontreiniging. Voor de stoffen die van nature voorkomen, komt de streefwaarde overeen met het zogenaamde ‘gemiddelde achtergrondgehalte’. Voor stoffen die niet van nature in de bodem voorkomen is de streefwaarde gelijkgesteld aan de aantoonbaarheidsgrens van de huidige analysetechnieken, ook wel ‘detectiegrens’ genoemd.
Tussenwaarde Deze waarde geeft de milieukwaliteit aan, waarbij er sprake is van verhoogde, maar in het algemeen niet potentieel onaanvaardbare, risico's voor mens en milieu. Het betreft een rekenkundig gemiddelde van de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) en de Interventiewaarde, dat niet rechtstreeks aan een specifiek risiconiveau is gekoppeld. Overschrijding van deze waarde heeft slechts een indicatieve functie, namelijk het aangeven van de noodzaak om een nader onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uit te voeren. Grond of grondwater die de tussenwaarde wel maar niet de interventiewaarde overschrijdt, wordt aangeduid als matig verontreinigd.
Interventiewaarde De interventiewaarde is de waarde die aangeeft bij welke concentratie sprake kan zijn van een dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor plant, mens en dier.
Toetsingswaarden asbest Voor asbest in grond geldt alleen een interventiewaarde c.q. restconcentratienorm. Deze norm is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. asbest (gewogen). De Interventiewaarde voor asbest is gebaseerd op het verwaarloosbaar risiconiveau (VR). Grond met een gehalte aan asbest (gewogen) lager dan de Interventiewaarde mag hierdoor als niet verontreinigd worden aangemerkt. Het gewogen gehalte aan asbest wordt berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met tienmaal het gehalte aan amfibool asbest.
Geval van ernstige bodemverontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde en de verontreiniging is ontstaan voor 1987. Asbest is uitgezonderd van dit volumecriterium.
BRL SIKB 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek Alleen bedrijven die door het Ministerie van I en M zijn erkend mogen veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek verzorgen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Zij zijn ook de enigen die voor deze activiteit het keurmerk ‘Kwaliteitswaarborging bodembeheer SIKB' mogen voeren. Bedrijven met een erkenning staan vermeld op de lijst met erkende veldwerkers bij milieuhygiënisch bodemonderzoek op de website van Rijkswaterstaat Leefomgeving (www.rwsleefomgeving.nl).
Besluit bodemkwaliteit Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Volgens dit besluit kan per gemeente een beleid worden gevoerd, waarin rekening gehouden is met lokale omstandigheden. Per gemeente dient voor toepassing gecontroleerd te worden of er sprake is van gebiedsspecifiek beleid of dat de generieke normen van het besluit van toepassing zijn. Voor de ontvangende bodem dient de bodemkwaliteit te zijn vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden afgeleid van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Als geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld moet met bodemonderzoek de kwaliteit van de ontvangende bodem worden vastgesteld. Een dergelijk onderzoek dient tenminste te worden uitgevoerd volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740.
PARAMETERS Asbest Asbest is een verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen, die zijn opgebouwd uit fijne, microscopisch kleine vezels. Losse asbestvezels zijn met het blote oog niet zichtbaar. Asbestvezels zijn sterk en flexibel tegelijk. Bovendien zijn ze thermisch en elektrisch isolerend, bestand tegen zuren en logen en hebben ze een hoge wrijvingsweerstand. Hierdoor zijn ze geschikt voor veel verschillende toepassingen, als: • golfplaten; • waterleidingbuizen; • rem- en frictiemateriaal; • isolatiemateriaal. Asbest is met name na de Tweede Wereldoorlog veel gebruikt. Niet-hechtgebonden asbest is sinds 1983 vrijwel niet meer toegepast. De beroepsmatige toepassing en verkoop van alle soorten asbest is sinds 1 juli 1993 volledig verboden.
Minerale olie Onder verontreinigingen met minerale olie vallen o.a. benzine, diesel en huisbrandolieverontreinigingen. Verontreinigingen met minerale olie komen veelvuldig voor. Minerale olie is in de meeste gevallen in de bodem terechtgekomen door lekkage bij ondergrondse tanks of calamiteiten. Een olieverontreiniging is in de meeste gevallen goed zintuiglijk waarneembaar door geurafwijkingen en/of met behulp van de olie-op-watertest. Bij de olie-op-watertest wordt een beetje grond in water gebracht. De in de grond aanwezige olie komt boven drijven en wordt zichtbaar als een oliefilm. Na analyse kan in de meeste gevallen een redelijk betrouwbare indicatie worden gegeven van de oliesoort. Indien sprake is van een benzineverontreiniging dient tevens rekening gehouden te worden met een verontreiniging met vluchtige aromaten (BTEXN) en bij nieuwe gevallen met ETBE of MTBE.
Organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) Bestrijdingsmiddelen worden ook wel pesticiden genoemd. Met name bij (voormalige) tuinbouwkassen en akkerbouw wordt rekening gehouden met deze vorm van verontreiniging. DDT en drins zijn bekende voorbeelden.
Polychloorbifenylen (PCB) PCB zijn olieachtige vloeistoffen die veel zijn toegepast in transformatoren en condensatoren vanwege hun goede elektrisch-isolerende eigenschap in combinatie met het bestand zijn tegen hoge temperaturen. In het verleden zijn PCB ook toegepast in producten als motorolie, tl-armaturen, inkt, lijm en verf. Tegenwoordig zijn PCB op de zwarte lijst geplaatst en is de toepassing ervan verboden. PCB zijn voor mens en dier met name schadelijk omdat zij de eigenschap hebben om zich op te hopen in vet.
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) PAK zijn teerachtige producten. PAK wordt gevormd bij diverse verbrandings- en chemische processen, veelal door onvolledige verbranding van koolstofverbindingen. PAK kan in hoge gehaltes voorkomen in asfalt, steenkoolteer, pek, creosoot, diverse oliesoorten, zuiveringsslib en dakbedekkingsmaterialen. In de bodem komen PAK-verbindingen vaak voor in combinatie met koolas of sintels. In totaal bestaan er circa 250 verschillende PAK-verbindingen. Bij analyse op PAK ten behoeve van bodemonderzoek wordt een selectie van deze verbindingen geanalyseerd, bijvoorbeeld de zogeheten zestien van EPA of tien van VROM. Enkele PAK-verbindingen, zoals benzo(a)pyreen, zijn carcinogeen ofwel kankerverwekkend.
Vluchtige aromaten (BTEXN) Vluchtige aromaten (BTEXN = benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen) worden bereid uit aardoliën. Ze zijn met name aanwezig in benzine en oplosmiddelen (bv. thinner). Ze zijn vrij vluchtig en hebben een sterk oplossend vermogen voor een groot aantal kunststoffen. Van bijvoorbeeld benzeen is bekend dat het kankerverwekkend is.
Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOH/ VOCl) Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen zijn koolwaterstoffen met een halogeenverbinding, met name chloor is in dit kader bekend. VOH/ VOCl worden veel gebruikt als ontvettings- en schoonmaakmiddelen bij chemische wasserijen, metaalindustrie en drukkerijen. Met name verontreinigingen met ‘Per’ (tetrachlooretheen) en ‘Tri’ (trichlooretheen) komen veel voor. Per en Tri hebben een hoog soortelijk gewicht (zwaarder dan water) en zijn vrij vluchtig. Ook deze stoffen hebben een sterk oplossend vermogen voor een groot aantal kunststoffen. Van deze stoffen is bekend dat ze het zenuwstelsel aan kunnen tasten.
Zware metalen Zware metalen komen van nature in kleine hoeveelheden voor in de bodem. In deze hoeveelheden zijn ze niet schadelijk voor volksgezondheid of milieu. Grote (schadelijke) hoeveelheden zware metalen zijn in veel gevallen in het milieu terecht gekomen door: • verwerking metaalertsen; • metaalbewerking; • metaaloppervlaktebehandeling (galvaniseren/emailleren); • glazuren van aardewerk (loodwit); • metalen in drukinkt, cosmetica, katalysatoren, accu's, batterijen en verbrandingsafval (sintels, cokes, vliegas, slakken). Zware metalen komen in de bodem vaak in combinatie met puin en aardewerk voor. Door toepassing van lood als antiklopmiddel in benzine zijn grote hoeveelheden lood diffuus verspreid in het milieu terecht gekomen, vooral langs wegen en in stedelijke gebieden.
PFAS De groep van poly- en perfluor-alkyl stoffen (PFAS) is een grote verzameling van koolstofverbindingen waarbij de waterstofatomen door fluor vervangen zijn. Van deze groep zijn de stoffen PFOS en PFOA het meest bekend. Er zijn meer dan 6.000 typen PFAS-verbindingen bekend, die veelvuldig worden toegepast in consumentenproducten als waterafstotende kleding, textiel, tapijt, in leer, papier en in industriële producten zoals verf en brandblusschuim. Tijdens de productie, het gebruik en in de afvalfase komen de stoffen op verschillende manieren in de lucht, bodem en water terecht. De stoffen worden nauwelijks afgebroken in het milieu en kunnen duizenden jaren blijven bestaan. Door bioaccumulatie kunnen de stoffen in de voedselketen terechtkomen. PFAS kunnen schadelijke effecten hebben op de nieren, lever, voortplanting, het immuunsysteem en zijn potentieel kankerverwekkend. PFOS De afkorting PFOS staat voor perfluor-octaansulfonaat. De stof is vooral bekend van de toepassing in brandblusmiddelen. In 1969 is PFOS houdend brandblusschuim geïntroduceerd in Nederland. Sinds 2011 is het gebruik van PFOS voor deze toepassing in de EU verboden. In plaats van PFOS worden nu diverse PFAS verbindingen met kleinere ketens gebruikt in brandblusschuim. PFOA PFOA is de afkorting voor perfluor-octaanzuur en is tot 2012 gebruikt als een hulpstof in de bereiding van Teflon.
Vanwege de aanwezigheid van acht koolstofatomen wordt soms ook wel de minder specifieke afkorting C8 gebruikt. GenX GenX is strikt genomen geen stof, maar een technologie die sinds 2012 wordt gebruikt bij het produceren van fluorhoudende polymeren zoals Teflon. Bij de GenX-technologie wordt de stof 2,3,3,3-tetrafluoro-2-(heptafluoropropoxy)-propaanzuur (FRD-903) en het ammoniumzout ervan (FRD-902) gebruikt.