CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-07-18 KuiperC def concept RO-BP-621.139.80-TOTAAL-ON01

Oordeelsvormende vergadering 29 november 2022, gemeente SchagenBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan27.827 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In het ontwerp is ook voorzien in een groene inrichting van de ruimte rondom de bebouwing. Zo worden in ieder geval de zones langs de watergangen en aan de noordzijde groen ingericht, en worden grote open ruimten met verharding zonder groen voorkomen. Van de speerpunten uit de visie, is voor de ontwikkeling van centrumgebied Waldervaart met name het speerpunt met betrekking tot wonen relevant. Naast de herontwikkeling van de bestaande voorzieningen (onderwijsfuncties en sporthal), worden aan het gebied nieuwe woningen toegevoegd. Deze ontwikkeling sluit ook aan bij de visiekaart, waarop het plangebied globaal is aangeduid met de actie ‘woningen mogelijk aan de rand van de kern’. De realisatie van 120 nieuwe woningen geeft invulling aan het doel om meer woningen te bouwen, en past binnen de gestelde opgave van 300 nieuwe woningen per jaar (en 3.000 tot en met 2030). Het precieze woningprogramma is nog niet bepaald, maar de beoogde woningen variëren in grootte en prijs waarbij zowel betaalbare als vrije sectorwoningen kunnen worden gerealiseerd. Er wordt gericht op verschillende doelgroepen, waaronder senioren. Wanneer de actuele behoefte daar aanleiding toe geeft, is er de mogelijkheid om in te kunnen spelen op veranderingen in de vraag (bijvoorbeeld meer kleinere woningen) en tot maximaal 140 woningen toe te staan.

Voorwaarde daarvoor is dat de behoefte regionaal dient te zijn afgestemd. Voor dit bestemmingsplan, vormt het stedenbouwkundig en beeldkwaliteitsplan de basis. Hieraan is een uitgebreid participatietraject vooraf gegaan, waarbij bewoners van de wijk een grote rol hebben gespeeld. Hiertoe zijn verschillende (inwoners)bijeenkomsten georganiseerd, is een klankbordgroep ingesteld, en hebben diverse brainstormsessies en overleggen plaatsgevonden met de verschillende betrokken partijen. De voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving komt in de volgende hoofdstukken van deze toelichting aan bod. Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

25

Reisgids voor ruimtelijke ontwikkelingen Per 1 januari 2015 is het ‘oude’ ruimtelijke beleid in de gemeente Schagen komen te vervallen, en vervangen door een beleidsdocument: de reisgids voor ruimtelijke ontwikkelingen. Op basis van dit document is de gemeente in staat sneller en beter te besluiten over ontwikkelingen, ruimte voor eigen invulling aan initiatiefnemers te geven, kansen voor samenwerking te benutten en efficiënt van ieders kwaliteiten gebruik te maken. Voor het bouwen van nieuwe woningen geldt dat per initiatief gekeken wordt hoe dit zich verhoudt tot regelgeving vanuit het Rijk, de Provincie, het Regionaal Kwalitatief Woningbouwprogramma (KWK), de Lokale Woonvisie en het jaarprogramma. De ‘reisgids’ bevat een overzicht en een korte toelichting op regelgeving/procedures van hogere overheden. De gids kan gebruikt worden als naslagwerk bij het ontwikkelen van plannen en is onderverdeeld in drie hoofdthema's Wonen, Werken en Recreëren. Voor het thema Wonen moeten de volgende vier vragen beantwoord worden: 1. Is de locatie kansrijk? 2. Is het plan passend in de lokale woonvisie? 3. Is er een regionale behoefte? 4. Is voldoende rekening gehouden met overige omgevingsaspecten? Wanneer deze vragen positief kunnen worden beantwoord, dan kan het plan ingepast worden in het nieuwe woonprogramma.

Bij nieuwe plannen wordt gekeken naar de verkaveling van het plangebied, het soort woningen (prijsklasse, huur/koop, doelgroep), de plattegronden en de inrichting van het openbaar gebied, maar ook naar een stappenplan hoe het plan vraaggestuurd kan worden ontwikkeld en gerealiseerd. Daarnaast moet er onderzocht worden of er eventuele belemmeringen voor het plangebied aanwezig zijn. Met dit bestemmingsplan wordt de herontwikkeling van het centrumgebied van Waldervaart mogelijk gemaakt. Daarmee wordt de ruimtelijke kwaliteit van het centrum van de woonwijk verbeterd. Zo worden verouderde voorzieningen vernieuwd, bestaande (ruimtelijke) problemen in het gebied aangepakt en wordt de centrumfunctie van het gebied binnen de wijk versterkt. Het Stedenbouwkundig en beeldkwaliteitsplan Centrumontwikkeling Waldervaart vormt hiervoor de basis. Hierin is voorzien in vernieuwing van de voorzieningen die in het gebied aanwezig zijn; met name de sloop-nieuwbouw van de sportzaal en clustering van de onderwijsvoorzieningen in een nieuw kindcentrum. Daarnaast worden er in twee woonclusters nieuwe woningen aan het gebied toegevoegd. De locatie als centrumgebied van woonwijk Waldervaart is hiertoe zeer kansrijk. Door het vernieuwen van de voorzieningen wordt de centrumfunctie van het gebied versterkt.

De nieuwe woningen dragen bij aan de levendigheid en sociale veiligheid, en sluiten aan bij het karakter van de omliggende wijk Waldervaart als woongebied. Met de ontwikkeling van verschillende typen woningen wordt gericht op de behoefte van verschillende doelgroepen. De locatie in het centrumgebied zorgt voor een aantrekkelijke woonomgeving dichtbij verschillende voorzieningen, zowel het winkelcentrum als de scholen. Ook de binnenstad en het buitengebied liggen op korte afstand. De precieze invulling van de woonclusters wordt nog nader uitgewerkt, mede afhankelijk van de vraag (vraaggestuurd ontwikkelen). In dit hoofdstuk is aandacht besteed aan het lokale en regionale woonbeleid in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling. In de hoofdstukken 4 tot en met 9 wordt uitgebreid ingegaan op de diverse omgevingsaspecten. Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit (welstandsbeleid) De gemeente Schagen hanteert als welstandsbeleid de ‘Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit’. Deze ‘reisgids’ is opgesteld vanuit maatschappelijk en politiek veranderde wensen over het welstandsbeleid. Hierin wordt het beeldkwaliteitsplan als belangrijk instrument geïntroduceerd om nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen zorgvuldig af te wegen ten opzichte van bestaande kwaliteiten van een gebied en deze daarin zo goed mogelijk in te passen.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een nieuwe invulling van het centrumgebied van Waldervaart. Het gaat om een functionele en ruimtelijke verandering waarmee bestaande functies worden verplaatst of uitgebreid en nieuwe functies worden toegevoegd. Volgens de reisgids valt de voorgenomen ontwikkeling daardoor onder de noemer ‘(bijzondere) ontwikkelingen’. Voor bijzondere ontwikkelingen in de gemeente Schagen worden beeldkwaliteitsplannen opgesteld als aanvulling op de reisgids. Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

26

Voor de voorgenomen herinrichting van Waldervaart is een stedenbouwkundig en beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 1). Hierin is op basis van een analyse van het bestaande karakter en de eigenschappen van het gebied een integraal stedenbouwkundig plan opgesteld. Daarbij is een algehele visie voor het gebied geformuleerd, resulterend in enkele principiële ingrepen. Dit heeft geleid tot een stedenbouwkundige hoofdopzet, met een indicatieve programmatische invulling per deelgebied en de hoofdstructuren in het gebied. Op basis daarvan is een nadere uitwerking per deelgebied gemaakt. Hierbij zijn ook beeldkwaliteitscriteria voor de toekomstige ontwikkelingen geformuleerd. Het stedenbouwkundig plan vormt een samenhangend toekomstperspectief, dat een raamwerk biedt voor de stapsgewijze ontwikkeling van het gebied. Het dient als inspirerend document voor ontwikkelende partijen, en tegelijk een sturend en toetsingskader voor de gemeente. Het integrale plan geeft de beoogde stedenbouwkundige ontwikkeling, het gewenste eindbeeld van het centrumgebied op (middel)lange termijn aan. Het plan dient als basis voor voorliggend bestemmingsplan, en de definitieve uitwerkingen van de deelgebieden. Woonbeleid gemeente Schagen Voor woningbouwontwikkelingen is binnen de gemeente Schagen een Woonvisie opgesteld. De laatste Woonvisie is op 28 oktober 2014 vastgesteld.

Het doel van deze woonvisie is te komen tot een gezonde woningmarkt in combinatie met een goede vitaliteit van de gemeenschappen in alle kernen. In de woonvisie staat beschreven hoe Schagen omgaat met de veranderingen op de woningmarkt. Trends zijn onder meer een daling van de groei van het aantal inwoners, vergrijzing en toename van het aantal kleine huishoudens. In de stad Schagen neemt het aantal inwoners wel toe. Zo willen senioren bijvoorbeeld graag dichtbij voorzieningen wonen. De gemeente ziet voor de periode tot 2030 nog mogelijkheden voor de bouw van 2.390 nieuwe woningen. Centraal in deze woonvisie staat het vraaggestuurd bouwen. In het najaar van 2019 is het proces voor een nieuwe woonvisie van de gemeente van start gegaan. Als onderdeel van het proces zijn verschillende bijeenkomsten georganiseerd waar inwoners, dorpsraden, gemeenteraad, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties konden meedenken. Tegelijkertijd is in de gemeente ook gewerkt aan het opstellen van de gemeentelijke omgevingsvisie, die inmiddels eind 2021 is vastgesteld. De omgevingsvisie geeft de ambities weer van de gemeente voor alle thema’s die een ruimtelijke impact hebben, waaronder (maar niet alleen) het onderwerp wonen.

Omdat (een actualisatie van) de woonvisie en de omgevingsvisie niet los van elkaar gezien kunnen worden, heeft het college besloten om geen aparte woonvisie op te stellen maar deze in de omgevingsvisie te laten landen. Dit houdt in dat de informatie die is verzameld tijdens bijeenkomsten met inwoners, dorpsraden, etc. als input is meegenomen in de omgevingsvisie. Op de omgevingsvisie is eerder in deze paragraaf ingegaan. Daarnaast werken provincie Noord-Holland en de gemeenten in de Kop van Noord-Holland samen via de stuurgroep Kop van Noord-Holland. In het ‘Convenant regionale samenwerkingsafspraken woningbouw van de Kop van Noord-Holland 2020 – 2030’ hebben zij voor een periode van 10 jaar nieuwe regionale afspraken gemaakt over woningbouw. Met deze overeenkomst wordt de actieve regionale samenwerking rondom woningbouw verder vormgegeven, om te kunnen zorgen voor een optimale ruimtelijke ontwikkeling van de woningvoorraad en -markt in de regio. Eerder in dit hoofdstuk is al beschreven dat de beoogde ontwikkeling van de woningen in het centrumgebied van Waldervaart voorziet in een behoefte en in overeenstemming is met het ‘Convenant regionale samenwerkingsafspraken woningbouw van de Kop van Noord-Holland 2020 – 2030’.

3.4

Conclusie

Op basis van bovenstaande samenvattingen van het relevante beleid kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

27

Hoofdstuk 4 4.1

Mobiliteit

Verkeer

Verkeersgeneratie In de huidige situatie zijn reeds verschillende functies in het plangebied aanwezig, waaronder verschillende scholen, kinderopvang, een sportzaal en een winkelcentrum. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een groot deel van de bestaande bebouwing gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Daarin zullen deels dezelfde functies een plek krijgen binnen het plangebied; de scholen worden geïntegreerd in een kindcentrum, er wordt een nieuwe sportzaal gebouwd en het winkelcentrum blijft behouden. Daarnaast zijn er twee nieuwe woonclusters voorzien, met in totaal 120 nieuwe appartementen. Om inzicht te verkrijgen in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstig parkeren’. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. In de ‘Nota Parkeernormen Schagen 2016’ is het plangebied ingedeeld in deelgebied ‘rest bebouwde kom’, overeenkomstig het gebiedstype uit de CROW-richtlijnen. Daarbij is gezien de omgevingsadressendichtheid de gemeente Schagen gekwalificeerd als ‘weinig stedelijk’. De precieze invulling van de deelgebieden wordt nog nader uitgewerkt. De definitieve variant voor het scholencluster wordt nog bepaald, en ook het precieze woningprogramma wordt in een definitief ontwerp nog nader uitgewerkt.

De exacte verkeersgeneratie in de toekomstige situatie is daarom nog niet bekend. De verkeersgeneratie in de huidige situatie is evenmin bekend. In het plangebied zijn verschillende functies aanwezig, waaronder meerdere basisscholen. In de CROW-publicatie wordt hierover gesteld dat de verkeersaantrekkende werking mede afhankelijk is van de grootte van de school (aantal kinderen), hoeveel kinderen begeleid naar school komen, hoeveel kinderen met de auto worden gebracht, hoeveel kinderen er overblijven en vooral de signatuur van de school (openbaar of bijzonder, algemeen of speciaal). Omdat hiervoor lokaal maatwerk noodzakelijk is, zijn voor deze categorie in de CROW-publicatie geen verkeersgeneratiecijfers opgenomen. Omdat de huidige en toekomstige verkeersgeneratie niet bekend zijn, kan de precieze verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling niet worden bepaald. Gezien de sloop-nieuwbouw van de bestaande functies, is met name door de toevoeging van de appartementen een toename in verkeersbewegingen te verwachten. In de CROW-publicatie geldt voor woningen in de categorie ‘huur, appartement, duur’ in bovenstaand gebiedstype een gemiddeld kencijfer van 6,0 motorvoertuigbewegingen per etmaal (5,6 – 6,4). Uitgaande van een ‘worst case’-scenario met 120 dure appartementen betekent dit een verkeersgeneratie van circa 720 motorvoertuigbewegingen per etmaal.

In werkelijkheid zal de verkeersgeneratie naar verwachting lager zijn, omdat hier is uitgegaan van het maximaal aantal woningen en enkel in het dure segment. In het plan zijn woningen in verschillende segmenten voorzien, waaronder ook sociale huur en middeldure woningen. Hiervoor gelden lagere verkeersgeneratiecijfers. Ontsluiting autoverkeer In het stedenbouwkundig plan voor het hele gebied is reeds aandacht besteed aan het aspect en de ontsluiting van het plangebied. Voor de ontsluiting van het gebied wordt gebruik gemaakt van de bestaande wijkontsluiting: de Kievitlaan aan de oostzijde en de Spreeuwenlaan aan de westzijde van het plangebied. Beide wegen sluiten in oostelijke richting aan op de N245 (Westerweg), via waar het verkeer in noordelijke en zuidelijke richting verspreid wordt. Binnen het centrumgebied zal alleen bestemmingsverkeer mogelijk zijn, naar de parkeerplaatsen, bevoorrading en kort parkeren (ophalen, afzetten). Tussen de oostzijde en westzijde van het gebied wordt geen verbinding voor de auto gerealiseerd. Daarmee worden verkeersbewegingen van en naar het plangebied verspreid over de ontsluitingswegen. Zo worden het oostelijke en westelijke wooncluster door een aparte weg ontsloten.

Gezien de capaciteit van de omliggende wegen, en de planopzet die zorgt voor een verspreiding over twee wijkontsluitingswegen, kunnen de verkeersbewegingen in de toekomstige situatie naar verwachting goed verwerkt worden. In het kader van het stedenbouwkundig plan is de ontsluiting van het gebied ook al ter sprake gekomen, waarbij geen specifieke belemmeringen naar voren zijn gekomen. Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

28

Ontsluiting langzaam verkeer Daarnaast is in het stedenbouwkundig plan aandacht besteed aan de langzaam verkeersstructuren in het plangebied. Langzaam verkeer krijgt binnen de herontwikkeling van het centrumgebied veel aandacht. Het fiets- en voetverkeer wordt maximaal gestimuleerd. Daartoe wordt een fijnmazig netwerk van bestaande en nieuwe paden gerealiseerd. Afbeelding 4.1 toont de beoogde langzaam verkeersstructuren in het plangebied. Deze worden hieronder nader omschreven: 1. Het fietsverkeer vanaf de Menisweg kan via een nieuwe brug bij cluster 1 het centrum bereiken. Aan de westzijde, langs het Kindcentrum, wordt een tweede vrij liggend fietspad vanaf de Menisweg aangelegd, richting het schoolplein. 2. Ook vanaf de noordzijde wordt het fietsverkeer met zo min mogelijk obstakels tot de scholen gebracht. 3. Daarnaast komen naast de bestaande brug nog twee nieuwe voetgangersbruggen over de vaart. Deze vormen een belangrijke verbinding in de oost-west richting, tussen de oostelijk en de westelijke woonbuurten en het centrum. 4. Rondom de voorzieningen worden op strategische plekken, bij de entrees, fietsparkeerplaatsen aangelegd.

Afbeelding 4.1: Langzaam verkeersstructuren in het plangebied (bron: KuiperCompagnons, d.d. augustus 2021).

Tussen de buurten en het centrum versterkt een fijnmazig netwerk van wandelroutes de relatie met de omgeving. Er worden aantrekkelijke paden door het park en langs de vaart aangelegd. In het bijzonder zal bij de uitwerking aandacht voor toegankelijkheid en veiligheid van deze routes besteed worden. Omdat een groot deel van het groen langs de vaart behouden blijft voor ecologie, zal voor de aanleg van het openbaar gebied onderzocht moeten worden of een houten vlonderpad langs het water wenselijk is.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

29

4.2

Parkeren

Voor wat betreft parkeren dient te worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Deze zijn meest recentelijk vastgelegd in de ‘Nota parkeernormen Schagen 2016’. Hierin zijn per gebiedstype en per functie de te hanteren parkeernomen aangegeven. Zoals hierboven aangegeven, valt voorliggend plangebied in gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ (stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’). Omdat de nadere invulling van de deelgebieden in het plangebied nog wordt uitgewerkt, is de exacte parkeerbehoefte nog niet te bepalen. In het stedenbouwkundig plan voor het centrumgebied is op basis van het voorlopige ontwerp al wel aandacht besteed aan de parkeeroplossing. Deze is te zien in afbeelding 4.2. Aan de oostkant van het plangebied wordt het parkeerterrein ten noorden van het winkelcentrum behouden, en uitgebreid richting het westen. Hier vindt parkeren plaats voor de winkels, de bestaande en nieuwe woningen. Aan de westkant van het plangebied is ten noorden van het nieuwe scholencluster voorzien in parkeerplaatsen en een ‘kiss & ride’-strook. Het parkeren voor de twee noordelijke woonclusters, wordt binnen de bouwblokken van de nieuwe woningen opgelost. Uiteindelijk zal het definitieve ontwerp per deelgebied/functie moeten voldoen aan de parkeernormen uit de gemeentelijke parkeernota. Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

Daartoe zijn de bepalingen overgenomen uit het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’, zoals vastgesteld op 7 november 2017. Daarin is een dynamische verwijzing opgenomen naar de gemeentelijke parkeernota.

Afbeelding 4.2: Parkeeroplossing voorlopig ontwerp (bron: KuiperCompagnons, d.d. augustus 2021).

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

30

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Kader

Nationaal Waterplan Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 20162021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit is Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden.

Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Met het Waterprogramma 2016-2021 geeft Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) richting aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Het HHNK beschrijft het beleid, de maatregelen, de programma’s en de projecten voor deze periode. Zodoende wordt een basis gegeven voor de watertaken die het waterschap heeft: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Watercompensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. Om deze effecten, zoals versnelde waterafvoer, te nivelleren dient nieuw verhard oppervlak Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

31

gecompenseerd te worden door extra wateroppervlak, berekend op basis van de toename van het verharde oppervlak. Keur Elk waterschap stelt een keur vast waarin de gebods- en verbodsbepalingen zijn opgenomen die het waterschap nodig oordeelt ter uitvoering van zijn taak: de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zorgt voor voldoende en schoon water in de sloten en meren van Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal. Om dat doel te bereiken stelt het hoogheemraadschap eisen aan het onderhoud van de wateren. Het is van belang dat de wateren blijven bestaan, de juiste afmetingen hebben en worden onderhouden. De legger is onlosmakelijk verbonden met de Keur Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier en algemene regels bij de keur. In de keur staat wat er wel en niet mag en wat moet. In de legger staat waar de keur van toepassing is en is gedetailleerd vastgelegd wie wat in hoeverre moet onderhouden. Primair zijn de wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op regionaal en polderniveau. Het zijn wateren met een belangrijke publieke functie. Secundair is een stelsel van wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op perceelniveau met diverse belanghebbenden. Wateren dus met een beperkte publieke functie.

In de Legger Wateren is beschreven wie onderhoudsplichtig is. De primaire wateren worden over het algemeen onderhouden door het hoogheemraadschap zelf; dit betreft dan het buitengewoon onderhoud, het onderhoud nat en het baggeren. De secundaire en tertiaire wateren worden onderhouden door de aanliggende eigenaren.

5.2

Watertoets

Huidige situatie plangebied Het plangebied wordt in noord-zuidelijke richting doorkruist door een watergang, die aan de zuidkant van het plangebied aansluit op de oost-westelijke watergang. Het betreft hier de Tjallerwallervaart, waar de wijk haar naam aan dankt. De watergangen lopen als centrale assen door de wijk, en vormen een verbonden stelsel van watergangen die door en rondom de wijk aderen. Richting het westen sluit de vaart aan op het Schagerwiel. Op de leggerkaart van het hoogheemraadschap, zoals te zien in afbeelding 5.1, is dit oppervlaktewater in het plangebied aangemerkt als secundair water. Dat betekent dat het in beheer is van de gemeente Schagen. Binnen het plangebied is een tweetal bruggen aanwezig over de vaart, die de west- en oostkant van het plangebied voor langzaam verkeer met elkaar verbinden. Deze bevinden zich ter hoogte van de bestaande scholen en aan de noordkant van het plangebied (het Steenloperspad).

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

32

Afbeelding 5.1: Uitsnede Legger Wateren 2021 (bron: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier).

Waterkwantiteit en watercompensatie In de huidige situatie is het plangebied voor een aanzienlijk deel verhard, in de vorm van bebouwing maar ook wegen/paden, parkeerplaatsen en pleinen. In de toekomstige situatie wordt nieuwe bebouwing opgericht, maar daarvoor wordt ook bestaande bebouwing en verharding verwijderd. Bovendien is in het stedenbouwkundig plan, dat als basis dient voor dit bestemmingsplan en de nadere invulling van de deelgebieden, de ruimte rondom de nieuwe bebouwing voor een groot deel ingericht met groen en water. Daarbij wordt een ‘groen tenzij’ principe gehanteerd. Zo blijven in ieder geval de bestaande watergangen behouden. Hierlangs wordt een groenstrook van tenminste 15 m vrij en groen gelaten. Ook zijn groenstroken langs de randen van de bebouwingsblokken voorzien, en blijft de groene zone aan de noordzijde groen en onverhard. Dit is in voorliggend bestemmingsplan geborgd middels de bestemmingen ‘Water’ en ‘Groen’. Daarnaast zijn in het kader van klimaatadaptatie onder meer nog wadi’s voorzien. Hoewel er nog geen exact bouwplan bekend is, neemt het verhard oppervlak in het plangebied gezien de bestaande verhardingen en het huidige stedenbouwkundige ontwerp naar verwachting niet toe.

Daarbij zijn in het stedenbouwkundig plan en voorliggend bestemmingsplan de toekomstige groen- en waterstructuren vastgelegd, en is aandacht voor klimaatadaptieve maatregelen. Watercompensatie wordt daardoor niet benodigd geacht. Deze waterparagraaf zal in het kader van het vooroverleg ter advies aan het hoogheemraadschap worden voorgelegd. Waterafvoer Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon hemelwater op verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

33

Het plangebied voorziet in een gemeentelijk gescheiden rioleringssysteem, met een droogweerafvoer (DWA)- en hemelwaterafvoer (HWA)-stelsel. Afvalwater zal worden afgevoerd via het DWA-riool. Hemelwater dat op de daken, parkeer- en terreinverhardingen valt wordt afgekoppeld van het DWAstelsel via het HWA-stelsel ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij de herontwikkeling van het centrumgebied Waldervaart is het uitgangspunt het regenwater geheel af te koppelen van het riool. Het regenwater zal binnen het plangebied worden opgevangen en vastgehouden en vervolgens vertraagd afgevoerd worden naar de aanliggende watergangen. In het kader van klimatadaptatie worden wadi’s gerealiseerd in het park ten noorden van het centrumgebied en mogelijk ook ter plaatse van de groene schoolpleinen. Waterkwaliteit In het projectgebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. De waterkwaliteit van het afstromend hemelwater van het plangebied zal in beperkte mate van invloed zijn op de oppervlaktewaterkwaliteit. In het plangebied vinden geen activiteiten plaats die schadelijk kunnen zijn voor de oppervlaktewaterkwaliteit en het afstromend water van schone dakverhardingen zal naar verwachting een positief effect op de oppervlaktewaterkwaliteit hebben.

Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Waterveiligheid en waterkeringen Uit de Legger waterveiligheid van het Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier blijkt dat binnen het plangebied geen beschermingszone van een regionale waterkering ligt.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

34

Hoofdstuk 6 6.1

Natuur

Kader

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat een omgevingsvergunning of afwijking van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: 1. Natuurnetwerk Nederland (NNN); 2. Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en  de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

35

Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

6.2

Onderzoek

Soortenbescherming Quickscan flora en fauna De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. In het kader van de voorgenomen (her)ontwikkelingen wordt bestaande bebouwing gesloopt, en nieuwe bebouwing opgericht. Een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming is hierom benodigd. Door ABO-Milieuconsult is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in bijlage 2. De onderzoeksresultaten zijn samengevat in tabel 6.1, en worden hieronder beknopt toegelicht.

Tabel 6.1: Overzicht onderzoeksresultaten quickscan flora en fauna (bron: ABO-Milieuconsult, d.d. 27 september 2021).

Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het mogelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten vleermuizen. In de quickscan wordt aangegeven dat nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen in de gebouwen in het plangebied moet plaatsvinden, om te kunnen aantonen of vleermuizen in het plangebied verblijven. Daarbij gaat het specifiek om gevels die open stootvoegen hebben, zoals bij de bebouwing in het zuidoosten van het plangebied. Daarnaast wordt in de quickscan geconcludeerd dat met de werkzaamheden mogelijk inbreuk gemaakt wordt op een mogelijke vaste vliegroute van vleermuizen. Om vast te stellen of de bomen en sloten worden gebruikt als navigatie tijdens de vluchtroute van vleermuizen, wordt gesteld dat nader onderzoek benodigd is. Dit onderzoek naar de functie van het groen in het plangebied als foerageergebied moet aantonen of vleermuizen het plangebied als essentieel foerageergebied gebruiken. Indien vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied, dient gemitigeerd te worden in de vorm van tijdelijke verblijfplaatsen binnen een straal van 100 à 200 m van het plangebied. In de nieuwbouw dienen permanente verblijfplaatsen te worden gecreëerd. Het lijnelement kan worden behouden door een wal van groen te planten, voordat de bomen worden gekapt.

Op die manier blijft de vliegroute behouden wanneer de bomen worden gekapt. Het foerageergebied kan worden behouden door veel groen te behouden of bomen met een grote diameter terug te planten. Voor bovenstaande ingrepen is een ontheffing van de Wnb noodzakelijk.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

36

Voor wat betreft de grote bonte specht wordt geconcludeerd dat vanwege de zorgplicht, indien de bomen met gaten worden gerooid, in het plangebied spechtenkasten moeten worden opgehangen. Hierbij gaat het om enkele bomen in de groene zone aan de noordkant van het plangebied. Nadelige effecten op overige beschermde flora en fauna kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek daarnaar is niet noodzakelijk. Zorgplicht en aanbevelingen De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. Daarnaast worden in de rapportage van de quickscan nog enkele aanbevelingen gedaan. • Zodra een niet in de Wet natuurbescherming beschermd in het wild levende dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. • Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. • Bij kap van de vegetatie in de winter dient men rekening te houden met zoogdieren in winterslaap, zoals de egel. Inachtneming van de zorgplicht betekent dat men het struikgewas handmatig en gefaseerd kapt, in plaats van met bulldozer of graafmachine. De egel is met name 's nachts actief.

Door de werkzaamheden overdag te plannen wordt verstoring zoveel mogelijk voorkomen. • Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half februari tot half september), mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen. Aanvullend onderzoek In 2020 heeft Smit Groenadvies een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen, andere jaarrond beschermde nesten en marterachtigen in het plangebied. Doel van het onderzoek was de aanwezigheid van deze beschermde soorten aan te tonen of uit te sluiten, en mogelijk negatieve effecten in kaart te brengen. De rapportage is opgenomen in bijlage 7, de bevindingen uit het onderzoek zijn hieronder samengevat. Uit het huismusonderzoek is gebleken dat het plangebied in gebruik is door huismussen. Er zijn drie rustplaatsen van de huismus waargenomen. Deze worden niet als essentieel beschouwd vanwege voldoende geschikt alternatief buiten het plangebied. Er zijn geen huismusnesten waargenomen in het plangebied.

Een ontheffing omtrent de huismus is niet nodig, mits er geen materieel/opslag geplaatst wordt ter hoogte van de bosschages aan de Kievitsweg 14 t/m 44. Uit het gierzwaluwonderzoek is gebleken dat het plangebied niet in gebruik is door gierzwaluwen. Een ontheffing op verbodsbepalingen omtrent de gierzwaluw is niet nodig. Uit het onderzoek naar marterachtigen is gebleken dat marterachtigen geen gebruik maken van het plangebied. Een ontheffing op verbodsbepalingen omtrent de marterachtigen is niet nodig. Uit het onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten is gebleken dat twee nesten van de ekster zich in het plangebied bevinden. Deze nesten zijn enkel beschermd wanneer zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Dit is hier niet het geval vanwege voldoende alternatieve nestlocaties in de directe omgeving van het plangebied. Een ontheffing op verbodsbepalingen omtrent deze eksternesten is niet nodig. Uit het vleermuisonderzoek is gebleken dat het plangebied in gebruik is door de laatvlieger, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. Er zijn in totaal twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis waargenomen in twee verschillende gebouwen. Bij sloop van de gebouwen gaan deze verblijfplaatsen verloren. Hiervoor is een ontheffing op de Wnb nodig.

Deze ontheffing wordt bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord aangevraagd. Hiervoor dient een activiteitenplan opgesteld te worden met daarin mitigerende en compenserende maatregelen. Dit houdt in dat eerst alternatieve verblijfplaatsen moeten worden gerealiseerd, in de vorm van vleermuiskasten. Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

37

Bij werkzaamheden aan de watergang en/of brug over de watergang, treden negatieve effecten op voor de vliegroute van de watervleermuis. Er kan gewerkt worden zonder ontheffing als de watergang niet wordt afgesloten, vleermuisvriendelijke verlichting gebruikt wordt tussen zonsondergang en zonsopkomst en de ruimte vlak boven het water toegankelijk blijft voor de (water)vleermuizen. De uitvoering van de werkzaamheden dient bij voorkeur tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats te vinden. Als werkzaamheden tijdens de schemertijd plaatsvinden dient vleermuisvriendelijke verlichting gebruikt te worden. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daardoor gaat er geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN is zodoende niet nodig. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000-gebied, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Stikstofdepositie Rondom het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Zwanenwater & Pettemerduinen (circa 6 km afstand) en Duinen Den Helder-Callantsoog (circa 7,5 km afstand).

Door de uitspraak van de Raad van State van mei 2019 is het voor ieder project nodig uit te sluiten dat hier negatieve effecten als gevolg van onder andere stikstofdepositie optreden. Met een Aeriusberekening dient te worden aangetoond dat er geen nadelige effecten optreden. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering – waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt – geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De aanlegfase hoeft niet langer te worden berekend. Een berekening voor de gebruiksfase blijft wel benodigd. Door KuiperCompagnons is in dit kader een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 3. In dit onderzoek is beoordeeld of de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling.

Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project.

6.3

Conclusie

Op basis van de bevindingen uit de quickscan, is nader onderzoek naar vleermuizen en spechten benodigd. Dit onderzoek wordt momenteel nog uitgevoerd. Nadelige effecten op overige beschermde flora en fauna kunnen worden uitgesloten. Ook maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied. Wat betreft stikstofdepositie kunnen significant negatieve effecten op de instandhouding van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden uitgesloten, en leidt de Wnb niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

38

Hoofdstuk 7 7.1

Archeologie en cultuurhistorie

Kader

Erfgoedwet De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken: Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bescherming van stads- en dorpsgezichten.

7.2

Onderzoek

In het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebieden Kern Schagen’ kent vrijwel het gehele voorliggende plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Uitzondering hierop vormt een kleine strook in de zuidoostelijke hoek van het plangebied. Dit betreft een cirkelvormig gebied rondom het eilandje ten zuidoosten van het plangebied waarvoor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is opgenomen. Deze valt voor een klein deel net binnen het plangebied. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd of werkzaamheden worden uitgevoerd zonder vergunning, waarbij advies van een archeologisch deskundige is gevraagd. Uitgezonderd zijn o.a. nieuwe, vervangende of uitgebreide gebouwen van maximaal 50 m2 en andere werken die niet dieper reiken van 0,35 m. Met het oog op de herinrichting van centrumgebied Waldervaart heeft Archeologie West-Friesland in dit kader een archeologische quickscan uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 4. Uit de quickscan volgt dat de vigerende dubbelbestemming is opgenomen voor de voormalige locatie van molen ‘De Dankbaarheid’. Deze houtzaagmolen heeft tot 1832 hier gestaan, en is daarna afgebroken. Op basis van de quickscan is geadviseerd de resten van deze molen ‘in situ’ te bewaren; dit kan door het opnemen van een archeologische dubbelbestemming ter plaatse van de voormalige molen.

Daarbij is de molenlocatie nu nader bepaald en gespecificeerd tot het eiland (dat binnen de huidige waterbestemming ligt). Geadviseerd wordt deze nieuwe begrenzing in een bestemmingsplan op te nemen. Voor het overige deel van het plangebied behoeft geen archeologische dubbelbestemming te worden opgenomen. De (nader bepaalde) locatie van de voormalige molen, het eiland, valt buiten het voorliggende plangebied. Het deel van de vigerende dubbelbestemming dat wel binnen het plangebied ligt, valt zodoende buiten de begrenzing van de molenlocatie. Op grond van de quickscan is voor de gronden in dit bestemmingsplan dan ook niet langer de archeologische dubbelbestemming opgenomen.

7.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

39

Hoofdstuk 8 8.1

Milieu

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse milieuaspecten die relevant zijn voor het plan. Per milieuaspect wordt het geldende wettelijk en/of het beleidskader beschreven. Daarnaast wordt het uitgevoerde onderzoek belicht waarbij de resultaten kort worden weergegeven. Ten slotte wordt op basis van het kader en het onderzoek de conclusie weergegeven.

8.2

M.e.r.-beoordeling

8.2.1 Kader De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie of een bestemmingsplan. Het centrale onderdeel van een m.e.r. is het milieueffectrapport (MER) waarin de milieueffecten voor een tal van aspecten voor een of meerdere alternatieven geanalyseerd en beoordeeld worden ten opzichte van de referentiesituatie. Deze m.e.r.procedure is van toepassing bij activiteiten waarvan reeds vast staat dat er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Deze activiteiten met bijbehorende drempelwaarden staan weergegeven in onderdeel C van het Besluit m.e.r. (ook geldt voor activiteiten uit onderdeel D waar een plan, bijvoorbeeld een structuurvisie, voor nodig is). Naast het direct uit moeten voeren van een m.e.r. zijn in het Besluit m.e.r. ook activiteiten met bijbehorende drempelwaarden aangegeven waarvoor eerst beoordeeld moet worden of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten en drempelwaarden staan benoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten dient een zogenaamde m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Daarnaast is het verplicht om aandacht aan m.e.r.

te besteden voor activiteiten die in onderdeel D genoemd staan, maar waar de drempelwaarden niet gehaald worden. Deze drempelwaarden zijn aantallen, oppervlaktes of grootte. Voor activiteiten die wel in onderdeel D van het Besluit m.e.r. genoemd staan, maar waar de aantallen uit het betreffende plan of besluit onder de drempelwaarden liggen dient een vormvrije m.e.r.- beoordeling uitgevoerd te worden. Hierbij wordt, net als bij de m.e.r.beoordeling getoetst of er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. De procedure- en inhoudelijke vereisten voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn sinds een wijziging van de Europese Richtlijn MER in mei 2017 en het Besluit MER in juli 2017 gelijk aan de procedurevereisten voor een ‘gewone’ m.e.r.-beoordeling. Het enige verschil is dat de publicatieverplichtingen in art. 2 lid 5 sub b Besluit m.e.r. niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

8.2.2 Onderzoek en conclusie De voorgenomen realisatie van 120 woningen (met een afwijkingsmogelijkheid tot maximaal 140) en (her)ontwikkeling van een kindcentrum en sportzaal valt aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals voorkomend in de eerste kolom van de D-lijst behorende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Voor ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’, gelden de volgende drempelwaarden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruim onder de aangegeven drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., waardoor het plan niet plan-m.e.r.-plichtig is.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

40

De drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Er dient daarom wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Als hieruit blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.beoordeling of MER nodig. Sinds 16 mei 2017 moet voor elk ruimtelijk plan expliciet een besluit worden genomen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER), op een zo vroeg mogelijk moment. Voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit moet het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit nemen, waarin wordt aangegeven of er wel of niet een formele (uitgebreide) m.e.r.beoordeling of MER moet worden opgesteld. Het besluit over de m.e.r.-beoordeling wordt opgenomen bij het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Omdat in dit geval de gemeente de initiatiefnemer is, kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.beoordeling in dit bestemmingsplan en is een separate aanmeldnotitie niet nodig. Deze beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: • Kenmerken van het project; • Plaats van het project; • Kenmerken van de potentiële effecten.

Kenmerken van het project Dit bestemmingsplan voorziet in de centrumontwikkeling van woonwijk Waldervaart. Daarbij wordt het centrumgebied van de wijk vernieuwd en (her)ontwikkeld. Het gebied kent een oppervlakte van circa 5,4 ha. De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van 120 (maximaal 140) appartementen, ontwikkeling van een kindcentrum van circa 5.000-6.000 m2 bvo ter vervanging van de bestaande onderwijsvoorzieningen, en de sloop-nieuwbouw van een sportzaal. Plaats van het project Het plangebied bevindt zich ten westen van het centrum van Schagen. Het vormt het centrumgebied van de woonwijk Waldervaart. Deze wijk ligt ingeklemd tussen de N245 aan de oostzijde en het Schagerwiel en open landschap aan de westzijde. Het plangebied bevindt zich ten noorden van de oost-westelijke watergang Waldervaart en Menisweg, aan weerszijden van de noord-zuidelijke watergang. Aan de oostkant wordt het gebied begrensd door de Kievitlaan, in het westen vormt de woonbebouwing aan de Spreeuwenlaan en Merelstraat de globale begrenzing. Samenhang met andere activiteiten Er zijn geen concrete andere activiteiten in de omgeving van het plangebied gepland of in uitvoering, die samenhangen met de beoogde centrumontwikkeling. De ontwikkelingen in het plangebied worden gefaseerd uitgevoerd, maar zijn onderdeel van het integrale stedenbouwkundige plan meegenomen in voorliggend bestemmingsplan.

Kenmerken van de potentiële effecten In het kader van de beoogde ontwikkelingen zijn in de voorgaande en hierop volgende paragrafen de diverse omgevings- en milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft op het gebied van mobiliteit, water, natuur, archeologie en cultuurhistorie, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemkwaliteit, bedrijven en milieuzonering en duurzaamheid. De afweging van de potentiële effecten vindt zodoende impliciet plaats in de paragrafen van deze toelichting. Uit de afweging van deze verschillende aspecten en de daarbij uitgevoerde onderzoeken blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen significante nadelige milieueffecten optreden. Nadelige effecten die eventueel optreden zijn te compenseren, en er is mogelijk ook sprake van positieve effecten. De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling niet benodigd.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

41

8.3

Geluid

8.3.1 Kader De Wet geluidhinder (Wgh) verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van zowel woningen als onderwijsgebouwen, die worden gekenmerkt als geluidsgevoelig object. Onderzoekszone wegverkeer Conform artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) (2007) bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Alvorens geluidgevoelige objecten - zoals woningen of scholen - kunnen worden geprojecteerd, dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). Voor woonerven en voor wegen waarop de maximum snelheid 30 km/h bedraagt, geldt geen onderzoekszone, waardoor ze - strikt formeel gezien - niet hoeven te worden getoetst aan de normen van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk dat deze wegen worden meegenomen in de afweging. Normstelling Als er nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de onderzoekszone van een weg worden gerealiseerd, dan mag de geluidsbelasting van het wegverkeer niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde.

Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde. Deze hogere waarde mag de maximale ontheffingswaarde niet overschrijden. Reductie geluidsbelastingen wegverkeerslawaai Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd. Volgens artikel 110g Wgh is deze reductie 5 dB bij wegen met een rijsnelheid van lager dan 70 km/uur. Bouwbesluit In het Bouwbesluit 2012 is aangegeven wat de karakteristieke geluidwering moet zijn om een binnenwaarde, bij gesloten ramen, te garanderen voor verblijfsgebieden van een nieuwe woning. De geluidbelasting door wegverkeerslawaai mag in verblijfsgebieden (gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen) niet hoger zijn dan 33 dB, waarbij 20 dB het minimum is.

8.3.2 Onderzoek De nieuw te bouwen woningen en scholen zijn niet gelegen binnen de in de Wgh vastgelegde onderzoekszones voor weg-, rail- en/of industrielawaai. Dit betekent dat op grond van de Wgh geen akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het wel nodig de geluidbelasting die veroorzaakt wordt vanwege het verkeer op de omliggende 30 km/uur wegen te beoordelen. In dit kader is door KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In dit onderzoek is, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, de geluidbelasting vanwege het verkeer op de omliggende 30 km/uur wegen (de Kievitlaan) beoordeeld. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 5, de bevindingen zijn hieronder samengevat. Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting maximaal 47 dB bedraagt op het noordoostelijke bouwvlak langs de Kievitlaan. Omdat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden zijn er geen belemmeringen. Het bouwvlak waarbinnen de nieuwe geluidsgevoelige bebouwing kan worden gerealiseerd ligt het dichtst bij de Kievitlaan. Omdat de overige wegen allen op grotere afstand van de bouwvlakken liggen en deze wegen ook een (veel) lagere verkeersintensiteit hebben zal ook hier geen sprake zijn van een geluidsbelasting die de voorkeursgrenswaarde overschrijdt.

Bestemmingsplan ‘Centrumgebied Waldervaart’ Toelichting Ontwerp – 18 juli 2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14686456/1