CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

19. Bijlagen bij de toelichting; Bijlage 13; Verkennend natuuronderzoek

Oordeelsvormende vergadering 3 september 2024, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Muggenburg Zuid8.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Verantwoording Titel Onderwerp: Projectnummer: Klant: Referentienummer Versie:

Verkennend Natuuronderzoek Muggenburg Zuid Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur 51008724 BPD Text.

C1.0

Datum:

23-12-2021

Auteur: E-mailadres

Luca Prins luca.prins@sweco.nl

Gecontroleerd door Paraaf gecontroleerd

Maikell Verkade

Goedgekeurd door Paraaf goedgekeurd

Maarten Mouissie

Document referentie:

p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

2/33

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 4 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding ................................................................................................................................................ 6 1.2 Kader van het onderzoek ........................................................................................................................ 6 1.3 Ligging plangebied .................................................................................................................................. 6 1.4 Voorgenomen activiteiten ........................................................................................................................

8 2.1 Toetsingskader ......................................................................................................................................12 2.1.1 Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) ...............................................................................................12 2.1.2 Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) .............................................................................................12 2.1.3 Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) ......................................................................................................13 2.2 Methode .................................................................................................................................................15 3.1 Voorkomende ecotopen ........................................................................................................................15 3.1.1 Vogels .................................................................................................................................................16 3.2 Planten ..................................................................................................................................................17 3.3 Vleermuizen ...........................................................................................................................................17 3.3.1

Verblijfplaatsen ...................................................................................................................................17 3.3.2 Foerageergebieden ............................................................................................................................18 3.3.3 Vliegroutes..........................................................................................................................................19 3.4 Overige zoogdieren ...............................................................................................................................19 3.5 Amfibieën en reptielen ...........................................................................................................................20 3.6 Vissen ....................................................................................................................................................22 3.7 Ongewervelden .....................................................................................................................................22 3.8 Zorgplicht ...............................................................................................................................................22 4 Natuurbeleidskaders..............................................................................................................................24 4.1

Toetsingskader ......................................................................................................................................24 4.2 Natuurnetwerk Nederland .....................................................................................................................24 4.3 Gebieden buiten het NNN .....................................................................................................................26 4.3.1 Ganzenfoerageergebied .....................................................................................................................26 4.3.2 Habitat voor weidevogels ...................................................................................................................27 4.4 Gemeentelijk beleid ...............................................................................................................................29 5 5.1 5.2

Conclusies .............................................................................................................................................31 Wet natuurbescherming ........................................................................................................................31 Natuurbeleidskaders..............................................................................................................................32

Referenties ......................................................................................................................................................33

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51005090 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

3/33

Samenvatting In onderstaande tabel is een samenvatting weergegeven van conclusies, voortkomend uit het verkennend natuuronderzoek. Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Nadere procedure/ mitigerende maatregelen

Natura 2000-gebieden

Mogelijk

Ja, AERIUS berekening

Op basis van een verschilberekening met de AERIUS Calculator wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie

Wet natuurbescherming: soortbescherming

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Nadere procedure/ mitigerende maatregelen

Jaarrond beschermde nesten

Geen

Geen

Geen

Algemene broedvogels

Mogelijk verstoring broedvogels

Broedvogelcontrole bij werkzaamheden binnen het broedseizoen (15 maart – 15 augustus) Geen

Geen

Vogels

Geen

Planten

Geen

Vleermuizen

Potentieel aanwezige vliegroute

Onderzoek vliegroute

Mogelijk ontheffing, compenserende maatregelen

Grondgebonden zoogdieren

Geschikt leefgebied kleine marterachtigen.

Aanvullend onderzoek marterachtigen

Mogelijk ontheffing, compenserende maatregelen

Amfibieën en reptielen

Kans op kolonisatie rugstreeppad door werkzaamheden

Geen

Melden algemene soorten Het gebied onaantrekkelijk of ontoegankelijk maken voor de rugstreeppad ten tijde van de uitvoeringsfase Melden algemene soorten

Vissen

Geen

Geen

Zorgplicht.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

4/33

Ongewervelden

Geen

Geen

Zorgplicht.

Natuurbeleidskaders

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Nadere procedure/ mitigerende maatregelen

Natuurnetwerk Nederland

Geen

Nee

N.v.t

Weidevogels

Geen

Nee

N.v.t.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

5/33

1 Inleiding 1.1 Aanleiding BPD is voornemens om het gebied Muggenburg Zuid in Schagen te ontwikkelen met circa 673 woningen. Wanneer bij dergelijke ontwikkelingen beschermde plant- of diersoorten of beschermde gebieden in het geding kunnen zijn, dient te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om inzichtelijk te maken of de kans bestaat dat dit het geval is bij het voorgenomen plan, is dit verkennend onderzoek uitgevoerd.

1.2 Kader van het onderzoek Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders:

• Wet natuurbescherming:  Natura 2000-gebieden  Soorten  Houtopstanden • Provinciaal beleid  Natuurnetwerk Nederland (NNN)  Gebieden buiten het NNN zoals ganzenfoerageergebied en habitat voor weidevogels

• Gemeentelijk beleid Het verkennend onderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In dit verkennend onderzoek heeft toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders.

1.3 Ligging plangebied Het plangebied bevindt zich in Schagen, in de provincie Noord-Holland. Het gebied ligt tussen de Westerweg (N245) in het westen, de Bonkelaarsdijk in het zuiden, de Muggenburgerweg in het oosten en de Alie Postmastraat in het noorden. Onderstaand figuur geeft de globale ligging van het plangebied weer (Figuur 1).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

6/33

Figuur 1. Ligging plangebied (rood omlijnd).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

7/33

1.4 Voorgenomen plan BPD is, als grondeigenaar van het gebied, voornemens om het gebied Muggenburg-Zuid in Schagen te ontwikkelen. Het gebied betreft circa 32,19 ha. Het plan is om circa 673 woningen te ontwikkelen (Figuur 2). Daarnaast zal een ontsluitingsweg op de N245 worden gerealiseerd in het westen van het plangebied. Een groot aantal watergangen wordt gehandhaafd. Enkele van de aanwezige watergangen worden verlegd en/of gedempt.

Figuur 2. Schetsontwerp Muggenburg Zuid

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

8/33

2 Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden 2.1

Toetsingskader

Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudings-doelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb) en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudings-doelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.

Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend, indien een ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project een dwingende reden van groot openbaar belang kent, er geen alternatieven zijn met minder grote effecten op Natura 2000-gebieden en compenserende maatregelen worden getroffen. In de navolgende paragrafen is beoordeeld of er significante effecten kunnen optreden op Natura 2000-gebieden en zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn.

2.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000-kaart, zoals deze beschikbaar is via het Nationaal Georegister. Uit Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

9/33

deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van 7,4 kilometer ten noordwesten van het plangebied is gelegen. Dit betreft het Natura 2000-gebied ’Zwanenwater en Pettemerduinen’ (Figuur 2). Dit gebied kent stikstofgevoelige habitattypen in de vorm van vochtige duinvalleien (H2190) en blauwgraslanden (H6410).

Figuur 3. Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

2.3

Analyse van de mogelijke effecten

Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ ligt op een afstand van circa 7,4 kilometer van het plangebied. Licht, trillingen en geluid kunnen tot Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

10/33

enkele honderden meters ver reiken. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook – gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden – op voorhand uit te sluiten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in het Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. De vrijstelling geldt alleen voor tijdelijke stikstofemissies en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van een gebouw, of verkeer dat over een weg rijdt. Het plan heeft mogelijk een verkeersaantrekkende werking, wat kan resulteren in een stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

2.4 Conclusie analyse van mogelijke effecten Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn op voorhand uit te sluiten. Uit de analyse blijkt dat er mogelijke effecten van stikstofdepositie kunnen optreden op Natura 20000gebieden als gevolg van het voorgenomen plan. Voor de werkzaamheden is een AERIUS-berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase vast te stellen. Uit deze berekening is gebleken dat er geen toename in de emissie van stikstof zal optreden. Daarmee zijn effecten als gevolg van stikstofdepositie uitgesloten.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

11/33

2. Wet natuurbescherming: soortenbescherming 2.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

2.1.1

Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.)

• lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende • • • •

vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2.1.2

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.)

• lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in

• • • •

bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

12/33

2.1.3

Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.)

• lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:  onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;  onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of  onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde beschermd gedurende het broedseizoen. Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld1. Ook onder Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen.

Voor provincie Noord-Holland geldt de reguliere landelijke lijst. Soorten waarvan de nesten altijd jaarrond beschermd zijn, zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel jaarrond beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Dit zijn soorten zoals de pimpelmees, boerenzwaluw en blauwe reiger (categorie 5 broedvogels). Voor andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming.

Met artikel 3.10 van deze wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, drinkwaterleidingen en infiltratiekanalen ten behoeve van drinkwaterproductie, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. Met artikel 4.9 van de omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

13/33

(Omgevingsverordening NH2020 (2020)). De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen toeziet, worden genoemd in tabel 1. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Tabel 1. Vrijgestelde soorten in Noord-Holland (Provincie Noord-Holland 2019) Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis

Vos Woelrat Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is altijd van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. Zorgplicht (artikel 1.11) • lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. • lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: o onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, o onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of o onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. • lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

14/33

2.2 Methode Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt:

• Nationale Database Flora en Fauna (NDFF): periode 2016-2021; • NDFF Verspreidingsatlas (https://www.verspreidingsatlas.nl). Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 3 januari 2021 en is uitgevoerd door een ecoloog van Sweco. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Niet-beschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming.

3.1

Voorkomende ecotopen

Het plangebied ‘Muggenburg Zuid’ is gelegen ten zuiden van de stedelijke bebouwing van Schagen. Het plangebied wordt in het noorden omsloten door de Breisloot en in het zuiden door de Muggenburgerweg. De Westerweg (N245) is gelegen ten westen van het plangebied. Het terrein heeft een oppervlakte van circa 32 hectare aan open polderlandschap en omvat weilanden omsloten door sloten. Een gedeelte van het de percelen wordt begraasd door schapen. Binnen het plangebied zijn geen bomen of bosschages aanwezig. De sloten binnen het plangebied zijn begroeid met riet. Het aanwezige riet was ten tijde van het veldbezoek gemaaid en daarom niet aanwezig.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

15/33

Figuur 4. Impressie plangebied.

3.1.1

Vogels

Jaarrond beschermde nesten Uit gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vogelsoorten voorkomen met jaarrond beschermde nest- en rustplaatsen; boerenzwaluw, boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, sperwer en torenvalk. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen (grote) nesten waargenomen. Tevens worden deze door de afwezigheid van bomen en bebouwing niet binnen het plangebied verwacht. Tevens zijn bomen niet aanwezig aan de randen van het plangebied. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van beschermde vaste rust- en verblijfplaats van vogels is niet nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Overige broedvogels Het plangebied is geschikt voor algemene vogelsoorten, zoals de meerkoet, wilde eend en waterhoen. Deze soorten kunnen de rietkragen rondom de sloten gebruiken om te broeden. Het plangebied vormt tevens geschikt habitat voor broedende vogels zoals de grutto, kievit, scholeksters en andere akker- en weidevogels. Nesten van inheemse vogelsoorten zijn beschermd gedurende de broedperiode (ca. half maart – half augustus). In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode voor het broedseizoen gegeven omdat bepaalde vogelsoorten (zoals bijvoorbeeld de houtduif) juist vroeg of erg laat in het seizoen kunnen broeden.

Broedende vogels zijn volgens Wet natuurbescherming echter te allen tijde beschermd. Wij raden aan om de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 augustus) plaats te laten vinden, zodat broedende vogels geen verstoring zullen ervaren. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaats vinden, dient het plangebied en directe omgeving (invloedsfeer van de werkzaamheden) door een ter zake kundig persoon gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels kort voorafgaand (uiterlijk een week) aan de werkzaamheden. Deze persoon bepaalt of en waar (op welke verstoringsafstand) werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Om de kans te verkleinen dat er vogels gaan broeden binnen het plangebied, kunnen eventueel vogelwerende (broedpreventie) maatregelen worden genomen. Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

16/33

Figuur 5. Geschikt habitat broedvogels.

3.2 Planten In de omgeving van het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten bekend (NDFF 2016-2021). Evenmin bestaan er binnen het plangebied geschikte groeiplaatsen voor deze soorten. Beschermde soorten komen voornamelijk voor in stabiele (voedselarme) habitattypen zoals duinen, heiden en venen. In het betreffende plangebied is geen sprake van een dergelijk habitat. Omdat er geen akkers binnen het plangebied aanwezig zijn, wordt de aanwezigheid van de wilde ridderspoor uitgesloten. De begroeiing binnen het plangebied bestaat voornamelijk uit grassen en riet. Beschermde planten worden op basis van habitatseisen niet verwacht. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde planten is niet noodzakelijk. Ook is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.

3.3 Vleermuizen Uit gegevens van de NDFF (2016-2021) blijkt dat de volgende vleermuissoorten in en/of in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.

3.3.1

Vaste rust en verblijfplaatsen

Vleermuizen zijn wat hun keuze voor vaste rust- en verblijfplaatsen betreft, globaal in te delen in twee typen vleermuizen: gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen (Dietz et al. 2011). Boombewonende soorten Soorten zoals de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis maken gebruik van holtes en spleten in bomen als verblijfplaats en worden soms ook achter loshangend schors waargenomen. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen bomen aanwezig. In de bomen langs het plangebied zijn geen kieren, scheuren, barsten of holtes aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kan daarom worden uitgesloten. Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

17/33

Gebouwbewonende soorten Andere soorten zoals de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger worden uitsluitend in gebouwen aangetroffen. Hier bevinden de verblijfplaatsen zich voornamelijk op zolders, onder dakpannen, in spouwmuren en achter houten betimmering. Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig. De aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen kan daarom worden uitgesloten. Ten noorden van de Breisloot is echter wel bebouwing aanwezig (bestaand stedelijk gebied van Schagen), welke potentieel geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van de Breisloot vormt daarbij geschikt habitat. Deze watergang is geschikt als foerageergebied omdat de huizen beschutting bieden. Omdat de aanwezige bebouwing en de Breisloot mogelijk gebruikt wordt door vleermuizen, worden deze mogelijk door de werkzaamheden verstoord, hetgeen een overtreding van artikel 3.5, lid 2 is. Het is nodig om tijdens de aanlegfase en gebruiksfase het gebruik van verlichting zoveel mogelijk te beperken of om maatregelen te nemen om verstoring door verlichting zoveel mogelijk te voorkomen in deze zone. Dit kan gedaan worden door tijdens de werkzaamheden in de kwetsbare periode (april t/m oktober, tussen zonsondergang en zonsopgang) geen verlichting toe te passen in deze zone.

Er kan worden gewerkt met een amberkleurige vleermuisvriendelijke verlichting met een zogenaamde human/bat response ratio groter of gelijk aan 45. Daarnaast kan er gewerkt worden met armaturen die het licht goed richten en die een scherpe bundel om onnodige verstrooiing tegen te gaan, met name ledlampen zijn dan geschikt (BIJ12, 2017). De verlichting zal tijdens de gebruiksfase zodanig worden aangepast om verstrooiing richting de watergang ten noorden van het plangebied tegen te gaan. Voor de gebruiksfase geldt dat in het plan een bufferzone is opgenomen tussen de huidige stedelijke bebouwing van Schagen en de toekomstige bebouwing van Muggenburg Zuid. Het areaal aan foerageergebied wordt niet gewijzigd en geborgd door de aanwezige bufferzone. Bovendien wordt door de nieuw stedelijke bebouwing van Muggenburg Zuid de Breisloot nog meer beschut en daardoor potentieel ook geschikt als foerageergebied.

3.3.2

Foerageergebieden

Vleermuizen jagen in zeer uiteenlopende biotopen; hoog boven in de lucht, boven open water, langs heggen en lanen, maar ook in dichte vegetatie. Voorbeelden van foerageergebieden zijn bossen, parken, tuinen, plassen, sloten en half open of open grasland. Vleermuizen jagen bij voorkeur op beschutte plekken waar insecten makkelijk te vangen zijn. De plaats waar vleermuizen jagen is soort specifiek. Zo jaagt de gewone dwergvleermuis voornamelijk tussen boomkruinen, kleine open plekken en rondom lantaarnpalen en jaagt de laatvlieger liever in open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Het plangebied is potentieel geschikt als foerageergebied voor de dwergvleermuissoorten en de laatvlieger. Het plangebied biedt open plekken waarbij de bebouwing langs de Breisloot beschutting biedt. Deze sloot is geschikt als foerageergebied. Echter is de rest van het plangebied voornamelijk open landschap zonder beschutting. Er zijn in de nabije omgeving geschiktere foerageergebieden aanwezig waar bomen beschutting kunnen bieden. Het plangebied is daarom geen onderdeel van essentieel foerageergebied.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

18/33

Aanvullend onderzoek naar foerageergebieden is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Om verstoring te voorkomen is nodig om tijdens de werkzaamheden het gebruik van verlichting zoveel mogelijk te beperken of om maatregelen te nemen om verstoring door verlichting zoveel mogelijk te voorkomen.

3.3.3

Vliegroutes

De foerageergebieden van vleermuizen kunnen op kilometers afstand van de verblijfplaats liggen. Vleermuizen maken gebruik van vaste vliegroutes tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Als een vleermuis op zo’n vliegroute plekken tegenkomt waar veel insecten zijn, zal deze de route tevens gebruikt worden om te jagen. De meeste vliegroutes liggen langs lijnvormige landschapselementen zoals lanen, heggen, bomenrijen en watergangen. Lijnvormige elementen zijn aanwezig binnen het plangebied. De Breisloot is een vrij brede watergang welke potentieel geschikt is als vliegroute. Aanvullend onderzoek naar vliegroutes is nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is mogelijk nodig. Deze wordt op voorhand verleenbaar geacht.

3.4 Overige zoogdieren De gegevens van de NDFF (2016-2021) tonen geen waarnemingen van beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Het plangebied vormt door de aanwezigheid van schuilmogelijkheden en kleinschalig landschap geschikt habitat voor beschermde soorten zoals de bunzing, hermelijn en wezel. Binnen het plangebied is een stapel met houten palen en autobanden aangetroffen. Deze stapel is rondom begroeid met riet en daarom geschikt als schuilplaats voor marterachtigen (Figuur 6). Tevens is het plangebied geschikt voor algemeen voorkomende soorten zoals haas en veldmuis.

Figuur 6. Geschikt leefgebied marterachtigen

Bunzing De bunzing is een donkerbruine marterachtige met witte flanken. De bunzing komt voor in verschillende landschapstypen, maar heeft de voorkeur naar Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

19/33

kleinschalig landschap in de buurt van water met voldoende schuilmogelijkheden. Dit kunnen droge sloten zijn in weidegebieden, maar ook houtwallen, heggen en bosranden. De bunzing kan zich verschuilen in oude holen van konijnen en vossen, maar ook in houtstappels, takkenhopen, steenhopen en holle bomen. In de winter verblijft de bunzing op warmere locaties zoals onder hooibalen bij boerderijen (Zoogdiervereniging, 2021). Hermelijn De hermelijn komt voor in alle habitats zoals in bossen en houtwallen maar ook in vochtig terrein en akkers. Voor een geschikt habitat is het belangrijk dat er voldoende schuilmogelijkheden aanwezig zijn zoals houtwallen, heggen en stapels stenen. De hermelijn gebruikt oude holen van vossen en konijnen als verblijfplaats (Zoogdiervereniging, 2021). Wezel De wezel leeft bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap, maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden èn de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt.

De aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten zoals de hermelijn, wezel en de bunzing binnen het plangebied kan niet worden uitgesloten vanwege de aanwezigheid van geschikt habitat. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde zoogdieren is noodzakelijk. Het aanvullend onderzoek naar marterachtigen dient conform het protocol marterachtigen Noord-Holland (OD NHN 2017) plaats vinden met behulp van wildcamera’s (bunzing) of Mostela’s (hermelijn en wezel) Dit onderzoek dient plaats te vinden tijdens de zomermaanden (mei t/m augustus), waarbij de camera’s op kansrijke locaties worden geplaatst voor een periode van 4 weken. Als uit het onderzoek blijkt dat een kleine marter aanwezig is, moet een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Het gehele plangebied is geschikt voor de veldmuis en de haas (algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten)). Volgens het beleid van de provincie Noord-Holland dienen vrijgestelde soorten die binnen het plangebied aanwezig zijn of worden verwacht, voorafgaand aan de werkzaamheden bij het bevoegd gezag - de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord - digitaal te worden gemeld; zie het meldingsformulier vrijgestelde soorten, https://www.odnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming/Meldingsfor mulier_vrijgestelde_soorten).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

20/33

3.5

Amfibieën en reptielen

Uit gegevens van de NDFF (2016-2021) blijkt dat de rugstreeppad in de omgeving (4 km afstand) van het plangebied is waargenomen. Daarnaast is het plangebied geschikt voor vrijgestelde amfibiesoorten zoals de bastaardkikker, meerkikker, gewone pad en de bruine kikker. Rugstreeppad De rugstreeppad is een echte pioniersoort en komt vooral voor op terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen aangebrachte dynamiek. Bouwterreinen, zand- en kleiafgravingen, bouwterreinen en (rivier)duinen vormen een geschikt landbiotoop. Daarnaast komt de soort voor in agrarisch gebied en in pas geschoonde sloten en andere wateren in grasland- en akkergebieden. De rugstreeppad kan afstanden tot wel circa 5 kilometer afleggen op zoek naar geschikt leefgebied en kan zodoende snel nieuwe gebieden ontdekken en koloniseren. De soort overwintert in vergraafbare bodems. De overwinteringslocaties bevinden zich in muizenholletjes en onder stronken en puin. Tussen half april en mei trekt de soort naar voortplantingswater, waaraan de soort weinig eisen stelt. Het voortplantingswater kenmerken zich over het algemeen als (tijdelijk aanwezige) ondiepere, meestal vegetatie loze, wateren. Regenplassen, ondergelopen graslanden, en volgelopen sporen van zware voertuigen vormen ideaal voortplantingswater (BIJ12, Kennisdocument rugstreeppad).

Tijdens het veldbezoek bleek het plangebied niet te beschikken over geschikt voorplantingswater. De kans is aanwezig dat tijdens de werkzaamheden (aanlegfase) tijdelijke plassen kunnen ontstaan welke geschikt voortplantingswateren kunnen vormen voor de rugstreeppad. Het is daarom van belang binnen het werkgebied plasvorming te voorkomen of het werkgebied ontoegankelijk te maken voor de rugstreeppad. Een werkwijze kan bijvoorbeeld zijn door het gebied af te rasteren. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog, welke minimaal 10 centimeter is ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken, moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Er moet regelmatig gecontroleerd worden op kieren en overhangende vegetatie. Een andere werkwijze kan bijvoorbeeld zijn om plasvorming te voorkomen door een verharde bouwweg aan te leggen en tijdelijk een goede afwatering te borgen (via greppels bijvoorbeeld). Indien maatregelen worden genomen met betrekking tot de rugstreeppad, is geen aanvullend soortenonderzoek nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot (beschermde) amfibieën en reptielen is niet nodig.

Overige soorten Bij het dempen van de sloten dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van algemeen voorkomende vrijgestelde soorten zoals debastaardkikker, meerkikker, gewone pad, bruine kikker. Wanneer de watergangen binnen het plangebied worden gedempt, is het vanaf één kant rustig opstarten van de werkzaamheden nodig, zodat mogelijk aanwezige

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

21/33

dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen, een manier om aan de zorgplicht te voldoen.

3.6

Vissen

Uit gegevens van de NDFF blijkt dat er geen beschermde soorten in en/of in de omgeving van het plangebied voorkomen. Het aanwezige water binnen het plangebied bestaat uit sloten van ongeveer 1,5 meter breed. Deze watergang vormt door de afwezigheid van o.a. een kiezelrijke bodem met snelstromend, zuurstofrijk of plantenrijk, koel water, geen geschikt habitat voor beschermde vissoorten. De grote modderkruiper wordt op basis van verspreidingsgegevens niet verwacht. Deze wordt op basis van verspreidingsgegevens en de habitatgeschiktheidsbeoordeling niet binnen het plangebied verwacht. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Wanneer de watergangen binnen het plangebied worden gedempt, is het vanaf één kant rustig opstarten van de werkzaamheden nodig, zodat mogelijk aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen, een manier om aan de zorgplicht te voldoen.

3.7

Ongewervelden

Volgens gegevens van de NDFF komen de in en in de omgeving van het plangebied geen beschermde ongewervelden voor. Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitattypen die voorkomen in bijvoorbeeld duinen, heiden of venen of hebben specifieke waardplanten nodig. In het plangebied is geen sprake van een dergelijke leefomgeving en de juiste leefomstandigheden voor beschermde soorten. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

3.8

Zorgplicht

De zorgplicht geldt voor alle (ook de onbeschermde) plant- en diersoorten. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Een manier om aan de zorgplicht te voldoen is om de werkzaamheden vanaf één kant rustig op de starten zodat mogelijk aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Tevens wordt aangeraden om in verband met verstoring van aanwezige dieren de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uit te voeren. Het gehele plangebied is geschikt voor algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten zoals de bastaardkikker, meerkikker, gewone pad, bruine kikker, veldmuis en haas. Volgens het beleid van de provincie Noord-Holland dienen vrijgestelde soorten die binnen het plangebied aanwezig zijn of worden verwacht, voorafgaand aan de werkzaamheden bij het bevoegd gezag - de

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

22/33

Omgevingsdienst Noord-Holland Noord - digitaal te worden gemeld; zie het meldingsformulier vrijgestelde soorten, https://www.odnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming/Meldingsfor mulier_vrijgestelde_soorten).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

23/33

4 Natuurbeleidskaders 4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit:

• Provinciaal beleid  Natuurnetwerk Nederland (NNN).  Gebieden buiten het NNN (zoals habitat voor weidevogels)

4.2 Natuurnetwerk Nederland Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor de provincie Noord-Holland is vastgelegd in Artikel 6.43 van de Omgevingsverordening NH2020 (Provincie Noord-Holland, 2020). De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”, figuur 6. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor

Figuur 7. Schema: Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

24/33

het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In de provincie Noord-Holland is de externe werking van het NNN niet van toepassing. Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied. Inventarisatie Voor de inventarisatie van NNN-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van de provincie Noord-Holland. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het plangebied niet binnen het NNN gelegen is (8). Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van 2,6 kilometer van het plangebied.

Figuur 8. Ligging plangebied t.o.v. NNN-gebieden (aangegeven in groen).

Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet gelegen in een NNN-gebied. Effecten op NNN-gebieden zijn, gelet op de ligging buiten een NNN-gebied en uitsluiting door externe Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

25/33

werking, voor het voorgenomen project uitgesloten. Het uitvoeren van een nee, tenzij-toets is niet noodzakelijk.

4.3

Gebieden buiten het NNN

4.3.1

Ganzenfoerageergebied

Toetsingskader Ganzenfoerageergebieden worden via de omgevingsverordening beschermd. Bestemmingsplannen welke negatieve effecten teweeg zullen brengen op het ganzenfoerageergebieden zijn niet toegestaan, tenzij er geen aanvaardbare alternatief aanwezig of en een groot openbaar belang wordt ingediend. Inventarisatie Voor de inventarisatie van het ganzenfoerageergebied is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van de provincie Noord-Holland. Het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied ‘Polder Zeevang’ bevindt zich op een afstand van circa 17 km ten oosten van het plangebied. De geplande werkzaamheden zullen vanwege deze afstand geen effecten hebben op dit beschermde gebied.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

26/33

Figuur 9. Ligging plangebied t.o.v. ganzenfoerageergebied

Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet gelegen in een ganzenfoerageergebied. Effecten op ganzenfoerageergebieden kunnen, gelet op de ligging buiten een het ganzenfoerageergebied en uitsluiting door externe werking, voor het voorgenomen plan worden uitgesloten. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

4.3.2

Habitat voor weidevogels

Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van gebieden buiten het NNN (Bijzonder Provinciaal Landschap) is geregeld via het bestemmingsplan. Habitat voor weidevogels voor de provincie Noord-Holland is vastgelegd in Artikel 6.46 van de Omgevingsverordening NH2020 (2020). Bestemmingsplannen welke negatieve effecten teweeg brengen op het habitat voor weidevogels zijn niet toegestaan, tenzij er geen aanvaardbaar alternatief aanwezig is en/of een groot openbaar belang wordt ingediend.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

27/33

Inventarisatie Voor de inventarisatie van een gebied behorend tot een habitat voor weidevogels is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van de provincie Noord-Holland. Het dichtstbijzijnde habitat voor weidevogels, onderdeel van Bijzonder Provinciaal Landschap ‘Schagen’ is direct aan het plangebied gelegen.

Figuur 10. Ligging plangebied t.o.v. Bijzonder Provincaal Landschap met kernkwaliteit ‘habitat voor weidevogels’.

Analyse en toetsing effecten Het plangebied is direct gelegen naast een gebied behorend tot een habitat voor weidevogels (Bijzonder Provinciaal Landschap). Dankzij de openheid rond de kerngebieden vormt BPL Schagen een ideale broedgelegenheid voor weidevogels. Het aangewezen habitat voor weidevogels binnen het BPL bevinden zich voornamelijk ten noorden en oosten van de bebouwde kom van Schagen (Figuur 11). Deze gebieden liggen daarom op een relatief grote Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

28/33

afstand van het plangebied, De verstoringsafstand van gebouwen bedraagt ongeveer 175 meter (Kleijn et al., 2008). Het plangebied ligt op meer dan 200 meter afstand van deze gebieden. Zodoende kunnen effecten op een habitat voor weidevogels voor het voorgenomen plan worden uitgesloten.

Figuur 11. Habitat voor weidevogels binnen BPL Schagen met plangebied rood omlijnd.

4.4

Gemeentelijk beleid

De Gemeente Schagen heeft geen specifiek beleid opgesteld op het gebied van biodiversiteit. Gemeentelijk beleid is niet van toepassing. Het voorgenomen plan biedt kansen om de stedelijke biodiversiteit te versterken/vergroten, zie onderstaande tekstbox. In het schetsontwerp zijn brede groenstroken opgenomen waarbij kansen voor vergroting van de biodiversiteit aanwezig zijn. Tekstbox 1. Kansen voor biodiversiteit Wereldwijd staat de biodiversiteit sterk onder druk. Om de afname van biodiversiteit niet alleen te stoppen maar tevens te verhogen, zal Sweco zich extra inspannen om de biodiversiteit te bevorderen. U mag van ons dan ook een proactieve houding op het gebied van biodiversiteit verwachten. Als wij kansen zien voor biodiversiteit, zullen wij u als opdrachtgever, daar op wijzen en adviseren hoe deze kansen benut kunnen worden. Een hoge biodiversiteit zorgt voor meer leven in de wijk, dit gaat vaak samen met de juiste toepassing van meer groen. Dit heeft voor mensen en dieren meerdere voordelen. Zo heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat mensen zich veiliger op straat voelen in een groene omgeving. Ook komen uitingen van agressie minder vaak voor in groenere buurten en is groen goed voor de gezondheid. Er is aangetoond dat mensen ‘mentaal herstellen’ in een groene omgeving.

Groen biedt daarnaast een mogelijkheid even te ontspannen aan stress of de drukte van de stad. Groene gebouwen hebben een positieve invloed op de beleving van de stedelijke leefomgeving. Mensen bekommeren zich en/of voelen zich betrokken bij groen in hun directe Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

29/33

omgeving. Het bieden van een thuis voor diersoorten kan dit gevoel versterken. Daarnaast heeft het groen ook een educatieve functie, een groene omgeving kan helpen om het concentratievermogen te vergroten en creativiteit te stimuleren. In hedendaagse ontwerpen van nieuwe gebouwen zijn geen of nauwelijks verblijfsmogelijkheden aanwezig voor diersoorten die afhankelijk zijn van bebouwing, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Deze soorten hebben hun rust- en voortplantingsplaatsen in spouwmuren, spleten, kieren of onder dakpannen. Voor deze soorten is het inbouwen van faunavoorzieningen in de nieuwbouw heel goed mogelijk. Deze kunnen worden toegepast zonder concessies te doen aan het uiterlijk of de kwaliteit van het gebouw of het comfort van de gebruikers. De faunavoorzieningen zijn namelijk geheel ingekaderd, zodat de dieren nergens anders dan op de toegewezen plekken kunnen komen en er geen overlast zal zijn. Naast maatregelen voor dieren zijn er ook mogelijkheden voor beplanting, zoals een groene gevel of een groen dak.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Muggenburg Zuid Projectnummer: 51008724 Datum: 23-12-2021 Versie: C1.0 Document referentie: p:\5305\51008724_bp_muggenburg_zuid\2. do work\2.1 advies en onderzoek\2.1.6 ecologie\rapportage vno\rapportage verkennend natuuronderzoek muggenburg zuid.docx

30/33

5 Conclusies 5.1 1.1.1

Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op 7,4 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn op voorhand uit te sluiten. Uit de analyse blijkt dat er mogelijke effecten van stikstofdepositie kunnen optreden op Natura 20000gebieden als gevolg van het voorgenomen plan.

1.1.2

Soortenbescherming

Er zijn mogelijk verschillende beschermde soorten aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten op vogels, kleine marters als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Vogels Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Wel is het plangebied geschikt voor broedende akker- en weidevogels. Er wordt aangeraden om de werkzaamheden plaats te laten vinden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 augustus). Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaats zullen moeten vinden, dient de projectlocatie en directe omgeving (invloedsfeer van de werkzaamheden) door een ter zake kundig persoon gecheckt te worden op de aanwezigheid van broedvogels kort voorafgaand (uiterlijk een week) aan de werkzaamheden. Deze persoon bepaalt of en waar (op welke verstoringsafstand) werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Kleine marters De aanwezigheid van de beschermde zoogdiersoorten hermelijn en bunzing binnen het plangebied kan niet worden uitgesloten vanwege de aanwezigheid van geschikt habitat. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde zoogdieren is noodzakelijk. Het aanvullend onderzoek naar kleine marters vindt plaats met behulp van cameravallen. Dit onderzoek dient plaats te vinden tijdens de zomermaanden (mei t/m augustus).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14868176/1