CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

Technische vraag CDA + antwoord (Vaststelling TOV beleid)

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 25 februari 2026, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Beleid teeltondersteunende voorzieningen1.294 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAAG COMMISSIE EROM

vraag gesteld door:

L. van Wezel en E. van Kalmthout/CDA-fractie

datum vergadering:

25 februari 2026

betreft:

agendapunt 7 Vaststelling Beleid teeltondersteunende voorzieningen (TOV beleid)

VRAGEN: Hectaregrens 1) Waar is de keuze voor maximaal 8/16 hectare op gebaseerd (onderzoek, jurisprudentie, vergelijkbare gemeenten)? 2) Hoe verhoudt dit maximum zich tot provinciale afwijkingsmogelijkheden? 3) Is maatwerk boven 16 hectare uitgesloten of mogelijk via hardheidsclausule? Droogte en water 4) Is rekening gehouden met waterrecirculatie bij moderne containervelden? 5) Is kwantitatief onderzocht hoeveel infiltratieverlies optreedt bij TOV? Landschappelijke inpassing 6) Op basis van welk onderzoek is gekozen voor interne bufferstroken? 7) Is onderzocht wat dit betekent voor: - Ziektedruk - Gewasbescherming 8) Kan gekozen worden voor randinpassing in plaats van interne versnippering? Vergunningverlening 9) Wanneer wordt het beleid juridisch vertaald naar het omgevingsplan? 10) Worden lopende aanvragen na vaststelling versneld behandeld? 11) Hoe wordt voorkomen dat beleid opnieuw tot stilstand leidt?

ANTWOORD:

Hectaregrens 1) Waar is de keuze voor maximaal 8/16 hectare op gebaseerd (onderzoek, jurisprudentie, vergelijkbare gemeenten)? Antwoord 1: De gekozen maxima sluiten aan bij het eerdere beleid van de gemeente, zoals dat is opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan. Met dit TOV-beleid zijn de randvoorwaarden bepaald waarbinnen de gemeente voor deze maximale oppervlaktes een vergunning kan afgeven. Het TOV-beleid is een verplichting van de provincie. Zonder dit TOV-beleid mag de gemeente geen gebruik maken van de maxima in dit omgevingsplan. De gekozen maxima zijn een beleidsmatige afweging waarbij de gemeente balans heeft gezocht tussen:

▪ ▪

ontwikkelruimte voor de boomteeltsector; bescherming van landschap, bodem en water;

-2-

▪ ▪

schaal en karakter van het buitengebied van Rucphen; uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

De differentiatie naar 16 hectare in andere gebiedstypen volgt uit de gebiedsgerichte benadering: waar landschappelijke en hydrologische draagkracht groter is, wordt meer ruimte geboden, mits aanvullende voorwaarden worden geborgd. Het betreft geen norm die voortvloeit uit jurisprudentie, maar een lokale beleidskeuze binnen provinciale kaders, mede gebaseerd op bestaande praktijk en proportionaliteit. 2) Hoe verhoudt dit maximum zich tot provinciale afwijkingsmogelijkheden? Antwoord 2: De provincie Noord-Brabant hanteert als uitgangspunt max. 3 hectare TOV binnen het bouwperceel. Afwijking daarvan is mogelijk mits:

▪ ▪ ▪ ▪

de ontwikkeling past binnen de gebiedsgerichte ontwikkelingsrichting; effecten op water en bodem zijn afgewogen; mitigerende maatregelen worden geborgd; verwijdering financieel en juridisch is verzekerd.

Het gemeentelijk TOV-beleid vormt de gebiedsgerichte ontwikkelingsrichting, waarmee de gemeente gebruik maakt van deze provinciale afwijkingsruimte. 3) Is maatwerk boven 16 hectare uitgesloten of mogelijk via hardheidsclausule? Antwoord 3: Het beleid bevat een hardheidsclausule. Het college kan gemotiveerd afwijken wanneer strikte toepassing van het beleid tot onevenredige gevolgen leidt. Dit betekent niet dat uitbreiding boven 16 hectare automatisch mogelijk is. Een eventuele afwijking van het beleid moet:

▪ ▪ ▪

ruimtelijk en milieutechnisch aanvaardbaar zijn; passen binnen provinciale kaders; via de juiste procedure (BOPA of wijziging omgevingsplan) juridisch worden verankerd.

Maatwerk is dus niet uitgesloten, maar vraagt gedegen en deugdelijk gemotiveerde onderbouwing waarom er sprake is van onevenredige gevolgen bij toepassing van het TOV-beleid.

Droogte en water 4) Is rekening gehouden met waterrecirculatie bij moderne containervelden? Antwoord 4: Ja. In het beleid is expliciet aandacht besteed aan moderne containervelden met opvang en hergebruik van water. Het beleid erkent dat recirculatiesystemen substantieel water kunnen besparen en dat water kan worden opgevangen in bassins en opnieuw ingezet voor beregening. Tegelijkertijd vraagt het beleid aandacht voor voldoende infiltratie en worden maatregelen gevraagd om water dat niet nodig is voor de planten, te laten infiltreren in de bodem. Daarbij geldt dat het Waterschap eisen stelt aan de waterkwaliteit. 5) Is kwantitatief onderzocht hoeveel infiltratieverlies optreedt bij TOV? Antwoord 5: Het beleid bevat een kwalitatieve beoordeling van effecten op infiltratie en bodem. Er is geen hydrologisch onderzoek uitgevoerd naar infiltratieverlies omdat dit per locatie kan verschillen. Wel zijn mitigerende maatregelen opgenomen, zoals:

-3-

▪ ▪ ▪

maximale oppervlakten voor aaneengesloten bodembedekking; verplichte bufferstroken; eisen aan wateropvang en infiltratievoorzieningen.

Indien bij concrete initiatieven twijfel bestaat over hydrologische effecten, kan aanvullend locatiegericht onderzoek worden verlangd.

Landschappelijke inpassing 6) Op basis van welk onderzoek is gekozen voor interne bufferstroken? Antwoord 6: Er zijn geen studies gevonden waarin het effect van verharding of afdekking van de bodem op het bodemleven is onderzocht. Wel zijn er studies bekend waarin het effect van de plaatsing van zonnepanelen op de bodemkwaliteit is onderzocht. Uit deze studies komt naar voren dat de kwaliteit van de bodem wordt bepaald door de hoeveelheid organische stof. De hoeveelheid organische stof wordt bepaald door het vergaan van bladeren of wortels en door schimmels in de bodem. Daarbij is voldoende zuurstof en vocht noodzakelijk. Als de bodem door verharding wordt verdicht kan het (ook voor de lange termijn) de doorwortelbaarheid van de bodem negatief beïnvloeden. Om te voorkomen dat over grote oppervlaktes geen zuurstof of vocht tot de bodem kan toetreden is de maatregel voor bufferstroken opgenomen. Meer informatie over deze onderzoeken is opgenomen op pagina 20 van het TOV-beleid. De keuze voor interne bufferstroken bij bodembedekkende teelten is dus een beleidsmatige maatregel gericht op:

▪ ▪

behoud van bodemkwaliteit en regeneratief vermogen; bevordering van infiltratie en zuurstoftoetreding;

7) Is onderzocht wat dit betekent voor: – Ziektedruk – Gewasbescherming Antwoord 7: Het beleid bevat geen afzonderlijk teeltkundig onderzoek naar effecten van interne bufferstroken op:

▪ ▪

ziektedruk; gewasbeschermingsmiddelengebruik.

Het beleid richt zich primair op de effecten van TOV op landschap, natuur, milieu, bodem en waterhuishouding. Gewasbescherming blijft gereguleerd via landelijke wetgeving en geldende normen (zoals spuitzones en driftreductie-eisen). 8) Kan gekozen worden voor randinpassing in plaats van interne versnippering? Antwoord 8: Er wordt in het TOV-beleid een onderscheid gemaakt in twee losstaande maatregelen om de effecten van TOV op het landschap, natuur, milieu, bodem en water te verminderen of te compenseren. 1. De landschappelijke inpassing. Met een landschappelijke inpassing wordt de invloed van TOV op (de beleving van) het landschap verzacht en natuurwaarde toegevoegd. Een inpassing moet robuust zijn en rond het gebied met TOV’s worden aangebracht. 2. De bufferstroken. Deze zijn bedoeld om tussen percelen van 3 hectare met teeltbedekkende teelten een strook open te houden waar wel water en zuurstof tot de bodem kan toetreden. Deze stroken zijn bedoeld om het bodemleven (deels) in stand te houden en het regeneratieve vermogen van de grond te vergroten. Deze maatregel geldt alleen als meer dan 3 hectare aan teeltbedekkende teelten wordt gewenst. De voorgeschreven bufferstroken zijn daarmee een inhoudelijke beleidskeuze en geen vrijblijvende inpassingsvariant.

-4-

De beide maatregelen dienen elk een ander doel en vullen elkaar aan. Daarom zijn de maatregelen ook niet onderling vervangbaar.

Vergunningverlening 9) Wanneer wordt het beleid juridisch vertaald naar het omgevingsplan? Antwoord 9: Alle regels die de fysieke leefomgeving raken moeten op 1 januari 2032 in het omgevingsplan zijn opgenomen. Tot die tijd fungeert het vastgestelde TOV-beleid als afwegingskader. Op basis van het TOV-beleid kan de gemeente vergunningen verlenen voor het oprichten van TOV. 10) Worden lopende aanvragen na vaststelling versneld behandeld? Antwoord 10: Er zijn enkele principe- en conceptverzoeken ingediend. Aan deze initiatiefnemers is medegedeeld dat inhoudelijke beoordeling pas mogelijk is nadat de gemeente beschikt over een vastgesteld afwegingskader en een ontwikkelingsrichting. Dat is (ook) een eis, die de provincie stelt. Alleen met vastgesteld beleid mag de gemeente vergunningen verlenen voor nieuwe TOV buiten het bouwvlak. Na vaststelling van het TOV-beleid worden deze principe- en conceptverzoeken inhoudelijk opgepakt en beoordeeld. De betreffende verzoekers worden geïnformeerd over de uitkomst van de beoordeling. Bij een positieve beoordeling, kan de initiatiefnemer het plan verder uitwerken en formeel indienen. 11) Hoe wordt voorkomen dat beleid opnieuw tot stilstand leidt? Antwoord 11: Het beleid bevat een lerende aanpak met evaluatiemomenten (na het eerste en tweede jaar).

Hierdoor kunnen knelpunten tijdig worden gesignaleerd en kan het beleid indien nodig worden bijgesteld. Daarnaast biedt het beleid:

▪ ▪ ▪ ▪

duidelijke maxima; expliciete voorwaarden; een hardheidsclausule voor uitzonderlijke situaties; aansluiting bij provinciale kaders.

Hiermee wordt beoogd de rechtszekerheid te vergroten en stagnatie te voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16625054/2