NL.IMRO.0840.2584K0033-DEF1 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 8 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA KAAISTRAAT (ONG.) TE ST. WILLEBRORD
Rapportage quickscan flora en fauna Kaaistraat (ong.) te St. Willebrord Opdrachtgever
Prince managers van ruimtelijke projecten Sportweg 12 5037 AC Tilburg
Rapportnummer Versienummer
5377.003 D2
Status
Eindrapportage
Datum
4 juli 2018
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
ir. B.H.H. Verdijck
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ing. M.H.M. Gijsbers
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
6
Broedvogels ...................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen ......................................................................................................................... 13 Amfibieën ........................................................................................................................ 13 Vissen ............................................................................................................................. 14 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 17 Streng beschermde amfibieën ........................................................................................ 18 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 5377.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Prince managers van ruimtelijke projecten opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Kaaistraat (ong.) te St. Willebrord. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 1 van 23
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 1,75 ha) ligt aan de Kaaistraat (ong.), circa 1 kilometer ten zuidwesten van de kern van St. Willebrord. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 49 F (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 99.062, Y = 395.013.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met een leegstaand woonhuis. Er is geen verdere bebouwing aanwezig. Op enkele meters van het huis, op de zuidoostzijde van de locatie, is een poel aanwezig die geen verbinding lijkt te hebben met overige sloten. Het perceel is omringd door sloten, waarvan grote delen droog liggen. Aan de noordzijde en gedeeltelijk de noordoost en noordwestzijde van de onderzoekslocatie is een bomenopstand aanwezig bestaande uit onder andere fijnspar, zomereiken, kersen en ruwe berken. De bomen zijn geschat op een leeftijd tussen de 25 en 50 jaar oud.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 2 van 23
In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Bebouwing op de locatie.
Figuur 4. Locatie grenzend aan Kaaistraat met bomenrij noordzijde.
Figuur 5. De onderzoekslocatie wordt omsloten door watergangen.
Figuur 6. De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit verruigd grasland.
Figuur 7. Richting de bosschage is meer struweel aanwezig.
Figuur 8. Bomenrand noordzijde.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 3 van 23
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens aan de westelijke rand van de kern Sint Willebrord bouwkavels te ontwikkelen ten behoeve van Ruimte-voor-Ruimte en reguliere woningbouw (zie figuur 9). Op de planlocatie rust de bestemming “Maatschappelijk” en de bestemming “Bos”. Een deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming “Waterstaat - Waterbergingsgebied. Het naburige perceel (gebied in rode kader) maakt geen onderdeel uit van het onderhavige rapport. Ten behoeve van de voorgenomen plannen dient het aanwezige woonhuis gesloopt te worden, wordt de aanwezige bomenopstand verwijderd en dienen aanwezige waterlichamen mogelijk gedempt te worden.
Figuur 9. Schets toekomstige situatie (de rode omkadering maakt geen onderdeel uit van de onderzoekslocatie).
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 4 van 23
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 23 mei 2018. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord Brabant geraadpleegd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 5 van 23
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 6 van 23
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 7 van 23
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 8 van 23
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Aan de rand van de bebouwde kom kunnen dit bijvoorbeeld zijn: huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart en roek. Tevens zijn nesten van een groot aantal roofvogels en uilen zoals steenuil, ransuil, kerkuil, boomvalk, buizerd, havik, sperwer, slechtvalk en wespendief beschermd. De slechtvalk kan op voorhand worden uitgesloten door het ontbreken van hoge bebouwingen waarop de soort zich kan nestelen. Huismus en gierzwaluw De bebouwing vormt, door de aanwezigheid van openingen die toegang verlenen tot ruimte tussen het dak en het dakbeschot, potentiële nestplaatsen voor de huismus en gierzwaluw. Het betreffen ruimtes onder dakpannen die toegankelijk zijn via overhangende dakpannen en het gat in de boeiboord (zie figuur 10). Aanwezigheid van nesten van huismus en gierzwaluw kan niet worden uitgesloten. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Figuur 10. Gaten in het boeiboord bieden potentieel geEen dergelijke habitat is op de onderzoekslocatie schikte ruimte voor gierzwaluwen en vleermuizen en eventueel een steenuil. niet te vinden en een broedgeval is dan ook uitgesloten.
Steenuil Volgens verspreidingsgegevens komt de steenuil voor in de omgeving van Sint Willebrord. Steenuilen leven op gevarieerde erven met (oude, knoestige) bomen, struiken, heggen en kort begraasde weides. De bomen op de onderzoekslocatie vormen door het ontbreken van boomholtes geen geschikte nestplaats voor een steenuil. De bebouwing vormt door de overkapte schoorsteen en een opening in het boeiboord wel een mogelijke geschikte verblijfplaats voor een steenuil. Het habitat op de onderzoekslocatie vormt door de aanwezigheid van korte vegetatie deels geschikt foerageergebied voor een steenuil. In mei en juni hebben echter vleermuisonderzoeken en huismusonderzoeken plaatsgevonden (totaal zes bezoeken) waarbij geen aanwijzingen zijn aangetroffen van een mogelijke nest-
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 9 van 23
plaats van de steenuil. In de schoorsteen is wel een nestplaats van een paar holenduiven waargenomen. Indien er een nestplaats van de steenuil op de onderzoekslocatie aanwezig zou zijn, zou deze gedurende een van de veldrondes waargenomen moeten zijn. Het kan dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten dat er op de onderzoekslocatie een nest- en/of rustplaats van de steenuil aanwezig is. Kerkuil De kerkuil heeft een voorkeur voor halfopen- tot open cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Kerkuilen broeden meestal op zolders en in speciale nestkasten in halfopen bebouwingen zoals (kap)schuren. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor de kerkuil aanwezig. Aangezien kerkuilen een zeer groot foerageergebied hanteren is het daarnaast ook uitgesloten dat de onderzoekslocatie een essentieel deel vormt van het foerageergebied van een in de omgeving voorkomende kerkuil. Boomvalk, buizerd, havik en sperwer De bomen in de bosschage op de onderzoekslocatie vormen geschikt habitat voor diverse roofvogels als boomvalk, buizerd, havik en sperwer. De bomen konden door het bladerdek en de dichtheid van de naaldbomen niet goed gecontroleerd worden op aanwezigheid van nesten. In het bos zijn plukplaatsen van roofvogels aangetroffen (figuur 11).
Op basis van de geschiktheid van de onderzoekslocatie als nestgelegenheid in combinatie met de aanwezige sporen treedt mogelijk overtreding op van de Wet natuurbescherming. Figuur 11. Pluksporen van roofvogel. Ransuil De ransuil komt volgens verspreidingsgegevens voor in de nabijheid van de onderzoekslocatie. De ransuil komt zowel in de bebouwde kom als in agrarisch gebied voor en jaagt bij voorkeur in open veld. De vogel broedt vooral in naaldbomen, welke op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. De naaldbomen konden niet goed gecontroleerd worden op nesten vanwege de dichtheid van de naalden. Aanwezigheid van de ransuil als broedvogel kan daarom niet worden uitgesloten.
Wespendief Volgens de NDFF komt de wespendief voor in de omgeving van Sint Willebrord. De waarnemingen hebben betrekking op de bosgebieden ten noordwesten van de onderzoekslocatie op circa 1,8 kilometer. De wespendief is een verstoringsgevoelige soort. Door de ligging aan de rand van de bebouwde kom en de kleinschaligheid van de bosschage is een nestlocatie van de wespendief redelijkerwijs uit te sluiten. Roek De roek is een koloniebroeder met slordige nesten in de toppen van hoge bomen. Roekenkolonies bevinden zich vaak in vrijstaande hoge groepen bomen langs wegen, sporen of kanalen. Roekenkolonies zijn relatief gemakkelijk te herkennen. De aanwezigheid van de roek kan op de onderzoekslocatie uitgesloten worden. 5.1.2
Overige broedvogels
De beplanting en bebouwing op de onderzoekslocatie kan onderdak bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, tjiftjaf of vink. In de schoorsteen van het huis is een nest met broedende holenduiven waargenomen. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 10 van 23
in gebruik zijn. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. De aanwezige vegetatie wordt door de afwezigheid van holtes niet gekarakteriseerd als geschikte nestgelegenheid voor holenbroeders. Nesten van een kraai en/of ekster kunnen echter niet worden uitgesloten. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, watervleermuis en meervleermuis. De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang geven tot de ruimte onder het dak. Verder zijn er op verscheidene plekken ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (figuur 12). De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf en als baltsverblijf (zie hoofdstuk 6).
Figuur 11 Ruimte onder dakbeschot voor invliegende vleermuizen Figuur 12. Mogelijke verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, welke kunnen dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk andere soorten om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 11 van 23
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. In de plannen voor de herinrichting van de onderzoekslocatie blijkt dat een gedeelte van de bomen die als potentiële vliegroute kunnen fungeren gekapt zullen worden. Er zijn echter voldoende bomen die blijven bestaan, zoals de bomen aan de overzijde van de Kaaistraat en daarom komen eventuele vliegroutes niet in het geding. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen: eekhoorn, boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Eekhoorn In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is een eekhoornbrug waargenomen. De onderzoekslocatie vormt door de aanwezige bomenopstand geschikt habitat voor een eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het dichte bladerdek niet goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn niet kan worden uitgesloten (zie hoofdstuk 6). Hermelijn, wezel en bunzing Kleine marterachtigen komen voor in verscheidende habitats, waarbij de voorkeur uitgaat naar structuurrijke terreinen met afwisseling van houtopstanden/bosschages en open velden. De onderzoekslocatie vormt door de afwisseling in habitat geschikt habitat voor kleine marterachtigen. Kleine marterachtigen kunnen gebruik maken van muizenholen en/of konijnenholen als verblijfplaats. Daarnaast kunnen zij ook gebruik maken van takkenhopen, opslagmaterialen en dicht struweel als verblijfplaats. Op de onderzoekslocatie is een prooiplaats van een marterachtige aangetroffen. Aanwezigheid van hermelijn, wezel en bunzing kan derhalve niet worden uitgesloten. Boommarter De boommarter maakt gebruik van boomholtes, van onder andere spechten, als verblijfplaats.
De bosschage vormt door afwezigheid van boomholtes, de kleinschaligheid van de bosschage en het ontbreken van verbindingselementen naar bestaande populaties geen geschikt leefgebied voor de boommarter. De waarnemingen van de boommarter hebben voornamelijk betrekking tot de bosgebieden ten zuiden van Rucphen. Steenmarter De onderzoekslocatie is geschikt voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Er zijn tijdens het veldonderzoek wel prooiresten van een marterachtige aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie door een marterachtige. De onderzoekslocatie maakt dan ook mogelijk deel uit van het leefgebied van een in de omgeving voorkomende steenmarter.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 12 van 23
5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel, mol en rosse woelmuis. Tijdens het veldbezoek zijn molshopen en holen van muizen aangetroffen. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat deze holen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen
Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: gladde slang, hazelworm en levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Gladde slang De gladde slang is waargenomen op 4,5 km ten zuiden van de onderzoekslocatie in het natuurgebied Lange Maten. De gladde slang komt vooral voor op heideterreinen, hoogvenen en stuwwallen. In hun verspreiding zijn ze duidelijk beperkt tot zandgronden (van Delft et al. 2015). Wegens de geïsoleerde ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van dergelijke natuurgebieden in combinatie met het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van de gladde slang uit te sluiten. Hazelworm en levendbarende hagedis De hazelworm en levendbarende hagedis worden voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen en in structuurrijke bermen. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de dichtstbijzijnde bekende populatie van de levendbarende hagedis op circa 3,5 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie gelegen op de Rucphensche heide. Voor de hazelworm bevindt de meest dichtsbijzijnde populatie zich op circa 4,5 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie in het natuurgebied de Lange Maten.
Ondanks het geschikte habitat op de onderzoekslocatie kan wegens de geïsoleerde ligging van de onderzoekslocatie en het ontbreken van voldoende verbindingsmogelijkheden de aanwezigheid van de hazelworm en levendbarende hagedis redelijkerwijs uitgesloten worden. 5.5
Amfibieën
Volgens gegevens van de NDFF zijn in de omgeving van Sint Willebrord de volgende soorten waargenomen: gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander, vinpootsalamander, kamsalamander en alpenwatersalamander. Op de onderzoekslocatie is een enkele ondiepe poel gelegen en het gebied is omsloten door watergangen (zie figuur 13 en 14). Ondanks dat de watergangen in de zomer droogvallen is een functie voor streng beschermde amfibieën niet uit te sluiten. De watergangen hebben namelijk een gematigde waterplantengroei waardoor amfibieën beschutting kunnen vinden. Tijdens het veldbezoek op 1 juni is met een schepnet onderzoek gedaan naar het voorkomen van amfibieën in de poel. Tijdens het scheppen zijn enkel algemene soorten aangetroffen. Echter op basis van deze steekproef kan het voorkomen nog niet uitgesloten worden. De aanwezige watergangen en het landhabitat vormen zowel voor algemene als streng beschermde amfibieën geschikt habitat.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 13 van 23
Figuur 103. Dichtgroeiende ondiepe poel.
5.6
Figuur 14. Watergangen rondom het terrein.
Vissen
Volgens gegevens van RAVON komt de grote modderkruiper voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. De grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De aanwezige vijver is niet verbonden met omringende sloten en momenteel dicht aan het groeien met wilg. De aanwezige sloten hebben geen dikke modderlaag en de plantengroei is er gematigd. Daarnaast valt een groot gedeelte van de aanwezige watergangen droog in de zomer. Het voorkomen van de grote modderkruiper kan door het ontbreken van geschikt habitat worden uitgesloten. 5.7
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 14 van 23
5.8
Vaatplanten
De onderzoekslocatie bestaat uit pioniervegetatie met verschillende ruigtesoorten. Dit zijn bijvoorbeeld brandnetels, distels, robertskruid, zachte ooievaarsbek en pitrus. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 15 van 23
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels
Huismus en gierzwaluw De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen en gierzwaluwen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen en/of gierzwaluwen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus en/of gierzwaluw op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van deze soorten. Roofvogels en ransuil Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van een streng beschermde roofvogelsoort dan wel uilensoort aanwezig zijn zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de desbetreffende soorten. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om eventueel snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 16 van 23
6.2
Vleermuizen
De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. In onderhavig geval vindt er mogelijk verstoring plaats. Beschadigen, vernielen of wegnemen, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 4 is te voorkomen door te allen tijde de functionaliteit te behouden. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbieden van voldoende alternatieve verblijfplaatsen. Overtreding van artikel 3.5 lid 2 voor zover het verstoren van een vleermuis betreft is niet te voorkomen. Hiervoor dient een ontheffing te worden verkregen. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.
Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode mei tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3
Overige zoogdieren
Eekhoorn De bomen op de onderzoekslocatie zijn potentieel geschikt voor de eekhoorn. Tijdens het veldbezoek konden de bomen niet goed onderzocht worden op nesten. Indien eekhoornnesten aanwezig zijn in de te kappen bomen dient gewerkt te worden conform een goedgekeurde gedragscode. Door het zorgvulding handelen kan de gunstige staat van instandhouding van de eekhoorn gegarandeerd worden en wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Om te voorkomen dat er toch door eekhoorn in gebruik zijnde nesten worden beschadigd of verwijderd, wordt geadviseerd de bomen in de periode van eind september tot half november te kappen. Dit betreft de periode tussen de voortplantingsperiode en de winterperiode. Indien de kap van bomen met eekhoornnesten niet binnen de aanbevolen periode kan worden uitgevoerd is kap gedurende de voortplantingsperiode en buiten de winterperiode (mei-eind september) een mogelijkheid, mits het een niet in gebruik zijnd nest betreft. Een ter zake kundige dient een controle uit te voeren om te bepalen of het een in gebruik zijnd nest betreft. Aangezien tevens aanvullend onderzoek naar roofvogelnesten benodigd is wordt aanbevolen om tegelijkertijd de aanwezigheid van de eekhoorn te onderzoeken. Indien aanwezig wordt geadviseerd om de te maatregelen vast te leggen in een ecologisch werkprotocol.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 17 van 23
Hermelijn, wezel en bunzing In de provincie Noord-Brabant behoren de hermelijn, wezel en bunzing tot de beschermde inheemse diersoorten. De bomen met dichte onderbegroeiing in de noordzijde van de onderzoekslocatie kunnen geschikte nestgelegenheid verbergen in de vorm van (konijnen)holen en houtstapels. Tevens zijn om het huis geschikte holen gevonden voor hermelijn en wezel. De sloot die in het noorden en oosten langs de onderzoekslocatie loopt kan een geschikte migratie route zijn voor marterachtigen. Het aangrenzende weiland kan dienen als foerageergebied voor desbetreffende soorten. Het verwijderen van de beplanting kan daarom mogelijk leiden tot verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen en overtreding van de Wet natuurbescherming. Indien blijkt dat de onderzoekslocatie in gebruik is door één of meerdere soorten dienen mitigerende maatregelen genomen te worden en dient mogelijk een ontheffing worden aangevraagd. Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in.
Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4
Streng beschermde amfibieën
De alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kamsalamander zijn beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming en deze soorten kunnen de onderzoekslocatie potentieel als voortplantings- en land/overwinteringshabitat gebruiken. Dergelijke verblijfplaatsen worden bij de uit te voeren werkzaamheden mogelijk beschadigd of vernield. Om vast te stellen of er beschermde soorten aanwezig zijn in de aanwezige waterlichamen dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het actieve seizoen van de desbetreffende soorten. 6.5
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 18 van 23
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het Ulvenhoutse bos, ligt op ongeveer 15 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie. Hollands Diep en de Biesbosch, bevinden zich op respectievelijk 16 en 20 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 15).
Figuur 15. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de grote afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 19 van 23
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa één kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 16 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 116. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is op circa één kilometer afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 20 van 23
8
HOUTOPSTANDEN
In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. Op de locatie zijn houtopstanden aanwezig die vallen onder artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. De te vellen houtopstanden zijn mogelijk gelegen buiten de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Geadviseerd wordt om bij de gemeente na te vragen of op de te vellen houtopstanden de meldingsplicht en herplantplicht van toepassing zijn.
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 21 van 23
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Prince managers van ruimtelijke projecten een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Kaaistraat (ong.) te St. Willebrord. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens aan de westelijke rand van de kern Sint Willebrord bouwkavels te ontwikkelen ten behoeve van Ruimte-voor-Ruimte en reguliere woningbouw (zie figuur 9). Op de planlocatie rust de bestemming “Maatschappelijk” en de bestemming “Bos”. Een deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming “Waterstaat - Waterbergingsgebied. Het naburige perceel (gebied in rode kader) maakt geen onderdeel uit van het onderhavige rapport. Ten behoeve van de voorgenomen plannen dient het aanwezige woonhuis gesloopt te worden, wordt de aanwezige bomenopstand verwijderd en dienen aanwezige waterlichamen mogelijk gedempt te worden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I.
In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het eventuele verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar nesten van huismus, gierzwaluw, ransuil en roofvogels
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek gebouw bewonende vleermuizen
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
-
vliegroutes
ja
nee
nee
nee
-
Marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn en steenmarter)
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar hermelijn, wezel, steenmarter en bunzing
Eekhoorn
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar eekhoorn.
Algemene grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van muis, mol, egel
Amfibieën
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kamsalamander
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 22 van 23
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
15 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
1 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
n.v.t
n.v.t
n.v.t
De te vellen houtopstanden zijn mogelijk gelegen buiten de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Geadviseerd wordt om bij de gemeente na te vragen of op de te vellen houtopstanden de meldingsplicht en herplantplicht van toepassing zijn.
Conclusie Op basis van onderhavige quickscan flora en fauna dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van huismus, gierzwaluw, vleermuizen, steenmarter, eekhoorn, kleine marterachtigen, roofvogelsoorten, ransuil en streng beschermde amfibieën. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Met betrekking tot beschermde houtopstanden zijn de te vellen houtopstanden zijn mogelijk gelegen buiten de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Geadviseerd wordt om bij de gemeente na te vragen of op de te vellen houtopstanden de meldingsplicht en herplantplicht van toepassing zijn. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoekslocatie.
Econsultancy Boxmeer, 4 juli 2018
Rapport 5377.003 versie D2
Pagina 23 van 23
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Sint Willebrord en omgeving, periode 2008-2018
Literatuur Noord-Brabant van Delft, J.J.C.W. & W. Schuitema 2005. Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. Stichting RAVON, Nijmegen. Twisk, P. & H. Limpens 2006. Een thuis voor de vleermuis. Beschermingsplan voor vleermuizen in Noord-Brabant. Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem. Algemene websites www.floron.nl (soortgegevens planten) www.ndff.nl (nationala databank flora en fauna) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaards) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale/lokale websites www.brabant.nl (EHS en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant) www.rucphen.nl (kap en omgevingsvergunningen)
Rapport 5377.003 versie D2
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.