NL.IMRO.0840.2584K0033-DEF1 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 10 Aanvullend ecologisch onderzoek 2
Tekst van het document
AANVULLENDE ECOLOGISCHE ONDERZOEKEN KAAISTRAAT (ONG.) TE SINT WILLEBRORD
Rapportage zoeken
aanvullende
ecologische
onder-
Kaaistraat (ong.) te Sint Willebrord Opdrachtgever
Prince managers van ruimtelijke projecten Sportweg 12 5037 AC Tilburg
Rapportnummer Versienummer
5377.006 D1
Status
Eindrapportage
Datum
11 juni 2019
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
N. Janssen, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ir. T. Leeuwis
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie ................................................................ 3
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK ............................................................................ 5
4
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6 4.1 4.2 4.3
5
ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................... 9 5.1 5.2 5.3
6
Broedvogels ...................................................................................................................... 9 Zoogdieren........................................................................................................................ 9 Amfibieën ........................................................................................................................ 10
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ........................................................................... 11 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Broedvogels ...................................................................................................................... 6 Zoogdieren........................................................................................................................ 7 Amfibieën .......................................................................................................................... 8
Broedvogels .................................................................................................................... 11 Zoogdieren...................................................................................................................... 11 Amfibieën ........................................................................................................................ 12 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 12
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 13
5377.006
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Prince Projecten opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Kaaistraat (ong.) te Sint Willebrord. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die Econsultancy in mei 2018 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 5377.003 d.d. 4 juli 2018). Uit de quickscan bleek dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen, huismus, gierzwaluw, vleermuizen, steenmarter, eekhoorn, kleine marterachtigen, roofvogelsoorten, ransuil en streng beschermde amfibieën meer informatie benodigd was. Onderzoek naar vleermuizen, gierzwaluw en huismus werd in 2018 reeds uitgevoerd en gerapporteerd (rapport 5377.005 d.d. 17 september 2018). Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 1 van 13
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 1,75 ha) ligt aan de Kaaistraat (ong.), circa 1 kilometer ten zuidwesten van de kern van Sint Willebrord. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 49 F (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 99.062, Y = 395.013.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met een leegstaand woonhuis. Er is geen verdere bebouwing aanwezig. Op enkele meters van het huis, op de zuidoostzijde van de locatie, is een poel aanwezig die geen verbinding heeft met omliggende sloten. Het perceel is omringd door sloten, waarvan grote delen droog liggen. Aan de noordzijde en gedeeltelijk de noordoost- en noordwestzijde van de onderzoekslocatie is een bomenopstand aanwezig bestaande uit onder andere fijnspar, zomereiken, kersen en ruwe berken. De bomen zijn geschat op een leeftijd tussen de 25 en 50 jaar oud. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 2 van 13
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Bebouwing op de locatie.
Figuur 4. Locatie grenzend aan Kaaistraat met bomenrij noordzijde.
Figuur 5. De onderzoekslocatie wordt omsloten door watergangen.
Figuur 6. De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit verruigd grasland.
Figuur 7. Richting de bosschage is meer struweel aanwezig.
Figuur 8. Bomenrand noordzijde.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie
De opdrachtgever is voornemens aan de westelijke rand van de kern van Sint Willebrord bouwkavels te ontwikkelen ten behoeve van Ruimte-voor-Ruimte en reguliere woningbouw (zie figuur 9). Op de planlocatie rust de bestemming “Maatschappelijk” en de bestemming “Bos”. Een deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming “Waterstaat - Waterbergingsgebied. Het naburige perceel (gebied in rode kader) maakt geen onderdeel uit van het onderhavige rapport. Ten behoeve van de voorgenomen plannen dient het aanwezige woonhuis gesloopt te worden, wordt de aanwezige bomenopstand verwijderd en dienen aanwezige waterlichamen mogelijk gedempt te worden.
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 3 van 13
Figuur 9. Schets toekomstige situatie (de rode omkadering maakt geen onderdeel uit van de onderzoekslocatie).
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 4 van 13
3
RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK
Op basis van de quickscan blijkt dat er voor de voorgenomen plannen (sloop en bouw van nieuwe woningen), middels aanvullend veldonderzoek, meer duidelijkheid dient te worden verkregen over de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van steenmarter, kleine marterachtigen, eekhoorn, buizerd, boomvalk, havik, sperwer, ransuil en streng beschermde amfibieën. Daarnaast dient middels aanvullend veldonderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen ten aanzien van vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Deze soorten vallen echter buiten de scope van dit aanvullend onderzoek en de resultaten van de veldbezoeken van deze soorten zijn in een separaat rapport beschreven (rapport 5377.005 d.d. 17 september 2018). Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het eventuele verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar nesten van huismus, gierzwaluw, ransuil en roofvogels
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek gebouw bewonende vleermuizen
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
-
vliegroutes
-
ja
nee
nee
nee
Marterachtigen (bunzing, wezel, hermelijn en steenmarter)
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar hermelijn, wezel, steenmarter en bunzing
Eekhoorn
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar eekhoorn.
Algemene grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van muis, mol, egel
Amfibieën
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kamsalamander
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 5 van 13
4
ONDERZOEKSMETHODIEK
4.1
Broedvogels
Boomvalk buizerd, havik en sperwer Voor het onderzoek naar roofvogels zijn in de periode juli 2018 tot en met juni 2019 tien veldbezoeken uitgevoerd (zie tabel I voor broedperiodes per soort). Deze veldbezoeken zijn overdag uitgevoerd, op verschillende momenten op de dag. Tijdens deze veldbezoeken is gelet op aanwezige roofvogels, recente prooiresten, ruiveren en verse uitwerpselen en braakballen. Daarnaast werd in december toen het blad van de bomen was een ronde uitgevoerd zodat aanwezig nesten, indien aanwezig, makkelijker waargenomen konden worden. De inventarisatie is conform het Kennisdocument buizerd (BIJ12,2017) en de telrichtlijnen van Sovon (www.sovon.nl). Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden gunstig, het was droog, helder tot half bewolkt, minstens 11 ºC en er stond weinig wind (<4Bft). Tabel I. Broedperiode per soort (bron: Sovon).
soort
maart
april
mei
juni
juli
augustus
buizerd havik sperwer boomvalk Tabel II.
Onderzoeksinspanning roofvogels.
tijdstip
juli 2018
augustus 2018
overdag
overdag
19 juli
22 en 30 augustus
datum
sep-okt 2018
functie
dec 2018- feb 2019
overdag
-
roofvogels
broedgeval
november 2018
28 november
-
controleronde naar nesten
broedgeval
maart 2019
april 2019
mei 2019
juni 2019
overdag
overdag
2x overdag
overdag
27 maart
10 en 26 april
7 en 22 mei
4 juni
broedgeval
broedgeval
broedgeval
broedgeval
Ransuil Voor ransuil werden er in de periode 15 maart tot en met 20 juli 2018 twee gerichte veldbezoeken uitgevoerd. Deze veldbezoeken werden uitgevoerd vanaf de schemering tot in de vroege nacht. Daarnaast werd in december toen het blad van de bomen was een ronde uitgevoerd zodat aanwezig nesten, indien aanwezig, makkelijker waargenomen konden worden. Tijdens de bezoeken overdag werd tevens gezocht naar braakballen, uitwerpselen en ruiveren. Tabel III.
Onderzoeksinspanning ransuil. november 2018
overdag tijdstip
dec 2018 – feb 2019
maart 2019
april 2019
mei 2019
juni 2019
Juli 2019
Avond/nacht 2x
Ransuil
datum
Rapport 5377.006 versie D1
28 no-
5 juni en 5 juli
Pagina 6 van 13
vember
functie
4.2
-
-
controleronde naar nesten
broedgeval
Zoogdieren
Kleine marterachtigen Voor de bunzing, wezel en hermelijn zijn in maart op de onderzoekslocatie één losse cameraval met een jiggler (met lokstof van valeriaan) en twee marterboxen (hierna mostela) geplaatst voor een periode van zes weken. Deze mostela’s bestaat uit een koffer waarin een cameraval is geplaatst en een buis waar de marters doorheen kunnen lopen. Doordat de cameraval in de koffer geplaatst is werd er minder irrelevant beeldmateriaal opgenomen (bewegende takken, gras etc.). De losse cameraval werd opgesteld met lokstof om de trefkans te vergroten. Bij de plaatsing van de vallen is gelet op de geschiktheid van de locatie voor de mogelijk aanwezige marterachtigen. Met deze cameravallen zijn automatisch infraroodopnames gemaakt, zodra er beweging en warmte werd gedetecteerd. Aan de hand van de foto-opnames van de fotovallen en mostelavallen is inzicht verkregen in het gebruik van de onderzoekslocatie door marterachtigen. De camera’s zijn tijdens het onderzoek drie keer uitgelezen. Op deze wijze is voldoende zekerheid verkregen om de aanwezigheid van kleine marterachtigen aan te tonen, dan wel uit te sluiten. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in de handreiking kleine marterachtigen (Zoogdiervereniging, oktober 2017). Tabel IV.
Onderzoeksinspanning kleine marterachtigen. 2019
maart
overdag
overdag
datum
27 maart
10 april, 26 april en 7 mei
functie
plaatsen cameravallen
controleren en ophalen cameravallen
tijdstip
Kleine marterachtigen
april
mei
Eekhoorn Het onderzoek naar de eekhoorn werd gecombineerd uitgevoerd met het onderzoek naar roofvogels. Bij elk roofvogelbezoek werd er ook gekeken worden of er een vaste rust- en/of verblijfplaats van de eekhoorn op de onderzoekslocatie aanwezig was. Er werd tevens een bezoek in november uitgevoerd, omdat op dat moment het blad van de bomen was en de nesten beter waargenomen konden worden (tabel V). Daarnaast werd gezocht naar vraatsporen van de eekhoorn en werden de gemaakte camerabeelden voor het marteronderzoek ook geanalyseerd op beelden van de eekhoorn.
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 7 van 13
Tabel V.
Onderzoeksinspanning eekhoorn. juli 2018
augustus 2018
overdag
overdag
sep-okt 2018
november 2018
dec 2018- feb 2019
-
4.3
mei 2019
juni 2019
overdag
overdag
2x overdag
overdag
-
19 juli
22 en 30 augustus
28 november
27 maart
10 en 26 april
7 en 22 mei
4 juni
nestlocatie
nestlocatie
controleronde naar nesten
nestlocatie
nestlocatie
nestlocatie
nestlocatie
datum
functie
april 2019
overdag
tijdstip
eekhoorn
maart 2019
Amfibieën
Alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kamsalamander. Om de aanwezigheid van kamsalamanders, vinpootsalamanders en alpenwatersalamanders in de poel en/of sloten vast te stellen is de onderzoeksmethode met betrekking tot voortplantingshabitat zoals beschreven in het kennisdocument van de kamsalamander (BIJ12, 2017) en de soorteninventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, 2017) gehanteerd. Het in gebruik zijn van voortplantingswater van kamsalamander, vinpootsalamander en alpenwatersalamander werd onderzocht door in juni te scheppen met een schepnet. De planning was om éénmaal in 2018 en éénmaal in 2019 te scheppen. De watergangen stonden in 2019 echter vanaf maart droog, waardoor ze niet in gebruik konden zijn als voortplantingswater door amfibieën. Tijdens het eerste schepbezoek waren de weersomstandigheden gunstig; het was windstil. Aangenomen werd dat als er amfibieën aangetroffen worden in de watergangen, de onderzoekslocatie ook in gebruik is als landhabitat. Tabel IV.
Onderzoeksinspanning kamsalamander, vinpootsalamander en alpenwatersalamander. 2019
Kamsalamander, vinpootsalamander en alpenwatersalamander
Tijdstip
jun 2018
jul 2018-jun-2019
schepbezoek overdag
-
juni 2019
juli
aug
sept
-
Niet uitgevoerd omdat watergangen droog stonden
Rapport 5377.006 versie D1
Datum
1 juni
-
-
Functie
vangen volwassen dieren
-
-
Pagina 8 van 13
5 5.1
ONDERZOEKSRESULTATEN Broedvogels
Boomvalk, buizerd, havik en sperwer De onderzoekslocatie bevat door het gevarieerde bos potentieel geschikte nestlocaties voor de boomvalk, buizerd, havik en sperwer. Tijdens het onderzoek werden geen pluksporen, nesten of braakballen gevonden. Tijdens één enkel veldbezoek werd een buizerd foeragerend gezien en tijdens één veldbezoek werd gezien dat een buizerd in de buurt aangevallen werd door scholeksters en kraaien. Tijdens geen enkel veldbezoek werden roepende jongen gehoord. Gesteld kan dan ook worden dat de onderzoekslocatie incidenteel gebruikt wordt als foerageerhabitat en niet als voortplantings- en rustplaats. Aangezien in de omgeving meer geschikt foerageerhabitat voor roofvogels aanwezig is, zal de afname in foerageergebied niet essentieel zijn en is daarmee een overtreding op de Wet natuurbescherming niet te verwachten. Ransuil De bosschage op de onderzoekslocatie vormt door de aanwezigheid van naaldbomen afgewisseld met loofbomen geschikt broedbiotoop voor de ransuil. Tijdens het onderzoek werden geen pluksporen, nesten of braakballen gevonden. Daarnaast werden geen roepende jongen of volwassenen gehoord. Gesteld kan worden dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is als voortplantings- en rustplaats door de ransuil. 5.2
Zoogdieren
Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie bevat potentieel geschikte rustplaatsen van de bunzing, wezel en de hermelijn. Bunzing, wezel en hermelijn gebruiken oude holen (van muizen, mollen, konijnen, vossen en dassen), takkenhopen, stenenstapels en holle bomen als rustplaats. Deze soorten hebben binnen hun territorium verscheidene rustplaatsen. Voor deze soorten geldt geen vrijstelling van de Wet natuurbescherming; de verblijfplaatsen zijn het gehele jaar beschermd. De bunzing, wezel en hermelijn zijn tijdens de onderzoeksinspanning met de wild-camera en mostelaval niet waargenomen ondanks het geschikte habitat op de onderzoekslocatie. Op basis van deze gegevens is uit te sluiten dat de bunzing, de wezel en de hermelijn op de onderzoekslocatie een of meer voortplantings- of rustplaatsen hebben. Eekhoorn De onderzoekslocatie bevat door het gevarieerde bos potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor de eekhoorn. Tijdens het onderzoek werden vraatsporen van de eekhoorn gevonden. Daarnaast werden op de camerabeelden bijna dagelijks één of twee eekhoorns waargenomen. Er werden tijdens de veldbezoeken twee nesten van eekhoorn gevonden. Eén van de nesten in een rechtopstaande boom (figuur 10 coordinaten; 51°54’18.3”N, 4°58’05.6”E) en één van de nesten in een afgebroken en scheefhangende boom (figuur 11 coördinaten; 51°.54’18.2”N, 4°58’04.8”E).
De coördinaten van deze nesten werden ingemeten aan de voet van de bomen. Daarnaast werd de eekhoorn tijdens 5 van de veldbezoeken waargenomen in de buurt van de bomen met nesten. Door de aanwezigheid van de nesten in combinatie met de vraatsporen, de camerabeelden en de zichtwaarnemingen kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie in gebruik is als voortplantingsplaats of rustplaats van de eekhoorn.
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 9 van 13
Figuur 10. Eekhoornnest in scheef hangende boom.
5.3
Figuur 11. Eekhoornnest in rechtopstaande boom.
Amfibieën
Alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kamsalamander De onderzoekslocatie vormt in potentie geschikt voortplantingshabitat en landhabitat voor de alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kamsalamander. Dit vanwege de aanwezige poelen en sloten op de onderzoekslocatie en de aanwezigheid van een gemende bosschage met voldoende beschutting in de vorm van struweel. Tijdens het schepbezoek op 1 juni 2018 werden enkel algemene soorten amfibieën waargenomen. Streng beschermde amfibieën werden niet waargenomen. In 2019 stonden de watergangen als sinds eind maart droog. Hierdoor kan uitgesloten worden dat streng beschermde soorten gebruik maken van de onderzoekslocatie.
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 10 van 13
6 6.1
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING Broedvogels
Boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer De buizerd, boomvalk, havik, ransuil en sperwer staan vermeld in bijlage II van de Europese Habitatrichtlijn en de conventie van Bern. Op basis van de gemaakte onderzoeksinspanning is redelijkerwijs uit te sluiten dat de onderzoekslocatie als vaste voortplantings- en rustplaats dient voor buizerd, boomvalk, ransuil, havik en/of sperwer. Hierdoor is een overtreding op de Wet natuurbescherming uit te sluiten. Ondanks dat er aan de onderzoeksinspanning van het Kennisdocument buizerd en aan de telrichtlijnen van Sovon is voldaan, kan het nooit volledig worden uitgesloten dat een incidentele voortplantings- en rustplaats van één of enkele individuen wordt gemist. Het protocollair onderzoek blijft een reeks van momentopnames, waardoor niet elke dag gedurende het seizoen onderzoek plaats kan vinden. Wanneer er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch één of meerdere voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van roofvogels worden aangetroffen dienen de werkzaamheden ter plaatse tijdelijk te worden gestaakt en dient er in eerste instantie contact te worden opgenomen met Econsultancy of een lokale roofvogeldeskundige. In overleg zal vervolgens worden bepaald hoe er verder gehandeld dient te worden en welke eventuele maatregelen getroffen moeten worden. 6.2
Zoogdieren
Kleine marterachtigen De bunzing, wezel en hermelijn zijn nationaal beschermd via de Wet natuurbescherming. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- en rustplaatsen. Een vaste voortplantings- en rustplaats van deze soorten is niet op de onderzoekslocatie aangetroffen, waarmee een overtreding op de Wet natuurbescherming kan worden uitgesloten. Echter, ondanks dat er aan de onderzoeksinspanning van de handreiking wezel, hermelijn en bunzing is voldaan, kan het nooit volledig worden uitgesloten dat een incidentele verblijfsfunctie van één of enkele individuen wordt gemist. Het protocollair onderzoek blijft een reeks van momentopnames, waardoor niet elke dag gedurende het seizoen onderzoek plaats kan vinden. Wanneer er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch één of meerdere voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van marterachtigen worden aangetroffen dienen de werkzaamheden ter plaatse tijdelijk te worden gestaakt en dient er in eerste instantie contact te worden opgenomen met Econsultancy of een lokale deskundige op het gebied van marterachtigen. In overleg zal vervolgens worden bepaald hoe er verder gehandeld dient te worden en welke eventuele maatregelen getroffen moeten worden.
Eekhoorn De eekhoorn is nationaal beschermd via de Wet natuurbescherming wat betekent dat de eekhoorn beschermd is tegen opzettelijk doden en vangen. Daarnaast mogen voortplantings- en rustplaats niet opzettelijk beschadigd of vernietigd worden. Voor de eekhoorn geldt geen algemene vrijstelling, maar is het werken met een goedgekeurde gedragscode (Stadswerk, 2011) wel toegestaan. In combinatie met het zorgvuldig handelen om de gunstige staat van instandhouding van de soort te garanderen kan overtreding ten aanzien van de Wet natuurbescherming worden voorkomen. De werkzaamheden dienen wel uitgevoerd te worden buiten de kwetsbare periode. De betreffende maatregelen dienen in een ecologisch werkprotocol te worden vastgelegd. Door met behulp van het ecologisch werkprotocol te werk te gaan is een ontheffing niet noodzakelijk. In het ecologisch werkprotocol staan maatregelen uitgewerkt om overtreding ten aanzien van de Wet natuurbescherming te voorkomen, dit kunnen maatregelen zijn zoals het werken
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 11 van 13
buiten kwetsbare periode, behouden van een deel van de bosschage, het plaatsen van eekhoornkasten en het verplaatsen van de eekhoornbrug. 6.3
Amfibieën
Alpenwatersalamander, kamsalamander en vinpootsalamander De alpenwatersalamander en vinpootsalamander vallen onder de nationaal beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming. De kamsalamander is opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en bijlage II van de conventie van Bern. Op basis van het onderhavig onderzoek is geen verstoring ten aanzien van de kamsalamander, de alpenwatersalamander of de vinpootsalamander te verwachten. 6.4
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten zoals verschillende muizensoorten, bruine kikker, gewone pas en kleine watersalamander geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden en bomenkap kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 12 van 13
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Econsultancy heeft in opdracht van Prince Projecten een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de Kaaistraat (ong.) te Sint Willebrord. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en de toekomstige ontwikkeling van de planlocatie, naar aanleiding van de onderzoeksresultaten uit de quickscan flora en fauna, uitgevoerd door Econsultancy in 2018 (rapport 5377.003 d.d. 4 juli 2018). Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer is voornemens bouwkavels te ontwikkelen ten behoeve van Ruimte- voor- Ruimte en reguliere woningbouw. Functie onderzoekslocatie voor streng beschermde soorten Uit onderhavig onderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie geen functie heeft voor de streng beschermde ransuil, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, bunzing, hermelijn, wezel, alpenwatersalamander, vinpootsalamander en kamsalamander. Verstoring ten aanzien van desbetreffende soorten is dan ook op voorhand uit te sluiten. Wel werd de eekhoorn op de onderzoekslocatie aangetroffen. Voor deze soort moet gewerkt worden volgens een gedragscode en moet een ecologisch werkprotocol opgesteld worden. Daarnaast moet voor algemene broedvogels rekening gehouden worden met het broedseizoen. Functie onderzoekslocatie voor licht beschermde soorten De onderzoekslocatie heeft een functie voor verschillende muizensoorten en andere algemene zoogdieren.
Voor deze soorten dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Conclusie Vervolgstappen ten opzichte van streng beschermde soorten zijn alleen voor de eekhoorn aan de orde. Voor deze soort dient gewerkt te worden volgens een gedragscode en dient een werkprotocol opgesteld te worden. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden ten allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën.
Boxmeer, 11 juni 2019
Rapport 5377.006 versie D1
Pagina 13 van 13
Bronnenlijst Bouwers, S. (2017). Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging, Nijmegen Netwerk Groene Bureaus (2017). Soorteninentarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Netwerk Groene Bureaus, Odijk Sovon (2019). Telrichtlijnen. Geraadpleegd van www.sovon.nl/nl/node/1221 Stadswerk (2011). Gedragscode flora- en fauna wet ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Vereniging Stadswerk, Ede
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/Natuurnetwerk hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/Natuurnetwerk, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden.
Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kun oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.
Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen.
Ontheffing De Wet natuurbescherming is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.
Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet Natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantings- en rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levencyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een voortplantings- of rustplaats is. Dit is soortafhankelijk.
Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Is een vleermuisverblijfplaats anders dan een kraamverblijf. Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.