8b Bijlage B.2 - NL.IMRO.0840 (1)
Tekst van het document
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken.
Beoordeling en conclusie In onderhavige ontwikkeling worden diverse duurzaamheidsaspecten geïntegreerd in het plan. In de huidige situatie is nagenoeg het gehele speelterrein verhard, waarbij weinig groen aanwezig is. In de buitenruimte van de voorgenomen ontwikkeling worden natuurlijke elementen gebruikt voor een groene uitstraling van het speelterrein. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor groen en water binnen het plangebied. In het ontwerp van de buitenruimte wordt rekening gehouden met duurzaamheid, onderhoud- en schoonmaakvriendelijkheid.
Daarnaast betreft een van de randvoorwaarden dat het gebouw duurzaam moet presteren. Dit impliceert dat de focus niet alleen het bouwproces is, maar juist het totaal van bouwproces en volledige gebruikscyclus. Want juist in de gebruikscyclus bewijst de duurzame huisvestingsoplossing haar meerwaarde.
Eventuele duurzame maatregelen dienen breed beoordeeld te worden teneinde te voorkomen dat een ogenschijnlijk duurzame maatregel op een ander niveau contraproductieve effecten heeft. Als voorbeelden van relevante aspecten kunnen hierbij genoemd worden de inhoud en de vorm van het onderwijs, de arbeidsomstandigheden en de werkomgeving, de aantrekkingskracht van de instelling, de toegankelijkheid van faciliteiten en organisatie en het gebouw.
Daarnaast worden op het dak van het gebouw zonnepanelen gerealiseerd voor opwekking van duurzame energie.
Gezien het voorgaande voldoet de ontwikkeling aan de Visie Duurzaamheid van de gemeente Rucphen.
3.4.6 Integraal Huisvestingsplan gemeente Rucphen 2019 Toetsingskader In het Integraal Huisvestingsplan van de gemeente Rucphen is een afsprakenkader omschreven die is opgesteld vanuit de onderwijs- en opvangorganisaties en de gemeente. Daarnaast zijn scenariokaarten gemaakt waarop de oplossingsrichtingen per school/kern zijn omschreven. De gemeente Rucphen bestaat uit vijf kernen. Momenteel zijn in iedere kern één of meerder onderwijs- en opvangvoorziening(en) aanwezig. Hoe groot of klein de kern ook is, de ambitie van onderwijs- en opvangorganisaties en de gemeente Rucphen is om een doorgaande leerlijn van 0 tot 18 jaar te bieden.
De komende jaren laat de leerlingprognose voor de gemeente Rucphen een vrij stabiel beeld zien. In enkele kernen is sprake van een lichte daling, maar een grote krimp of aanzienlijke groei is niet aan de orde. In het IHP wordt een vijftal scenario's voor gebouwen onderscheiden:
30 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
1. 2. 3. 4. 5.
Vervangende nieuwbouw; Renovatie (inclusief verduurzamen); Handhaven en verduurzamen; In stand houden; Afstoten.
Beoordeling en conclusie Voor de IKC Heilinde, Sint Willebrord is scenario 1 'vervangende nieuwbouw' van toepassing. Voor nieuwbouw geldt vanaf 2020 aangescherpte wet- en regelgeving omtrent de kwaliteit van schoolgebouwen en daarbij duurzaamheid in het bijzonder. Het Bouwbesluit en vigerende wet- en regelgeving is altijd van kracht.
De beoogde ontwikkeling betreft volledige sloop en nieuwbouw. Het planvoornemen wordt gerealiseerd conform de gestelde ambities en eisen in het Integraal Huisvestingsplan van de gemeente Rucphen.
Onderhavig initiatief is daarmee passend binnen het Integraal Huisvestingsplan gemeente Rucphen.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 31
Hoofdstuk 4 Planologisch relevante (milieu)aspecten 4.1 Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten.
4.2 Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.
Beoordeling Door Econsultancy is in september 2023 een bodemonderzoek afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 1 gevoegd bij deze toelichting. Hieronder worden de resultaten behandeld.
Het veldwerk is op 11 en 18 augustus 2023 uitgevoerd. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor 20 boringen geplaatst; 13 boringen tot maximaal 1,0 m -mv, 5 boringen tot 2,0 m -mv en 2 boring tot maximaal 4,2 m -mv. Deze diepe boringen zijn afgewerkt als peilbuis, teneinde de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater te kunnen bepalen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform protocol 2001 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn.
De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bodem is bovendien plaatselijk zwak humeus. De bovengrond is sporadisch zwak baksteenhoudend of sporadisch matig baksteenhoudend en zwak betonhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte materialen aangetroffen.
Op basis van de onderzoeksresultaten is geen 'onderzoek asbest in bodem/puin' noodzakelijk. In een zintuiglijk schoon mengmonster van de bovengrond is een matige PAK verontreiniging aangetoond. De bovengrond is verder plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met molybdeen. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond.
Nader onderzoek naar de PAK-verontreiniging kan door het desbetreffende mengmonster uit te splitsen
32 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
door het naboren van de (originele) boringen. Vervolgens moeten deze 10 monsters separaat geanalyseerd worden op de aanwezigheid van PAK om tot een duidelijker beeld te komen ten aanzien van de nu aangetroffen concentratie Pak over dit gedeelte van het terrein.
Voor de aangetoonde lichte verontreinigingen bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw.
Conclusie De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik.
4.3 Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het wadtersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.
Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Dit beleid is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Behalve dat het RWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid.
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners.
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keuren en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 33
dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
Uniformering keuren De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.
In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: de waterparagraaf schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de maatregelen in de waterparagraaf zijn uitgevoerd, of voor zover; het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit ( in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06
Uitsnede van de Keurkaart van het waterschap Brabantse Delta waarop het plangebied is aangeduid met een rode ster. Bron: Waterschap Brabantse Delta, 2023.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 De gemeente Rucphen heeft samen met het Waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en Brabant Water het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 opgesteld. De term verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering. Hierbij is er voor de gemeente
34 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
sprake van drie zorgplichten: zorgplicht voor inzameling en transport stedelijk afvalwater; zorgplicht voor afvloeiend hemelwater; zorgplicht voorkomen structureel nadelige gevolgen van grondwater. De gemeente dient zorg te dragen voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken. De uitvoering van werkzaamheden wordt intern integraal afgestemd en bij voorkeur gecombineerd met wegbeheer en reconstructie van de openbare ruimte zodat kosteneffectief 'werk-met-werk' gemaakt kan worden.
Voorgesteld wordt om te kiezen voor risico gestuurd rioolbeheer. Hiermee kan naar verwachting voldoende invulling worden gegeven aan de gemeentelijke zorgplicht en kan de stijging van de rioolheffing op een aanvaardbaar niveau worden gehouden, conform de ambities van de betrokken overheidsinstanties.
Beoordeling Uit de kaarten behorend bij de Keur waterschap Brabantse Delta volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een beschermd gebied dat volgt uit de Keur. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Verder is het plangebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied.
Oppervlaktewater In de onderstaande figuur is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven. Nabij het plangebied bevinden zich geen vastgestelde oppervlaktewaterlichamen.
Uitsnede legger oppervlaktewater waterschap Brabantse Delta
Hemelwater De beoogde bebouwings is voorzien op gronden die momenteel reeds bebouwd en in gebruik zijn ten behoeve van de basisschool Heilinde. Het plangebied is nagenoeg volledig verhard en zal in de toekomstige situatie niet toenemen met meer dan 500 m 2. Waardoor de aanleg van bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 35
retentievoorzieningen niet noodzakelijk is. In zijn algemeenheid is het voor de waterhuishouding in nieuwe projecten de realisatie van een duurzaam gescheiden systeem uitgangspunt. Om water in de planuitwerking expleciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te nemen en hemelwater op een duurzame wijze te verwerken (hydrologisch neutraal) wordt geadviseerd om in het ontwerp niet te veel verharding aan te brengen en zo min mogelijk hemelwater uit het plangebied af te voeren.
De gemeente Rucphen heeft een stresstest laten uitvoeren bij een regenbui van ééns in de 100 jaar, zie Bijlage 2. Uit de hydraulische berekening van de huidige situatie blijkt dat er ter hoogte van erfgrens van de Dahliastraat 24A met de basisschool water-op-straat wordt berekend. Het gaat hierbij om plassen met een maximale diepte van 0,18 m. Dit is te wijten aan de plaatselijke laagte die zich op deze locatie bevindt. Door het toepassen van de voorgenomen peilen neemt de hoeveelheid water-op-straat in de achtertuin niet toe. Op het terrein van de school is het berekende water-op-straat nagenoeg verdwenen, doordat er lager gelegen groenvakken zijn gesitueerd. Dat resulteert aan deze kant van de school in maximaal 0,02 m water-op-straat en 0,08 m water in de plantvakken. Ter hoogte van de bestaande basisschool aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 wordt het hemelwater oppervlakkig afgevoerd richting het parkeerterrein aan de voorzijde van de Smidsstraat 35. In de toekomstige situatie is er bij de voorgenomen peilen een te verwaarlozen toename van de hoeveelheid hemelwater dat afvoert richting de Smidsstraat 35. Indien de infiltratiecapaciteit onvoldoende blijkt te zijn, kan ten behoeve van de lediging drainage aangelegd worden richting het oppervlaktewater parallel aan de Pastoor Bastiaansensingel.
De buitenruimte van het plangebied wordt natuurlijk, uitdagend en ontdekkend ingericht voor de leerlingen. Hierdoor ontstaan ook veel mogelijkheden om in het ontwerp rekening te houden met de waterhuishouding. Door veel groen op te nemen in het ontwerp en door met hoogteverschillen te werken kan tijdens zware regenbuiten tijdelijk water worden vastgehouden in de onderverharde lager gelegen delen. In deze delen kan het (regen)water geleidelijk infiltreren in de bodem. Afstroming van helemwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen.
Het hemelwater van de weg en parkeerplaatsen kan worden geborgen in of onder de bestratingen bijvoorbeeld in de fundering. Dergelijke systemen worden vaak toegepast in gebieden waar de infiltratiemogelijkheden beperkt zijn of waar sprake is van een hoge grondwaterstand. Voor de bestratingselementen en funderingslaag kunnen verschillende materialen worden toegepast zoals lava, (drain)zand, waterdoorlatende bestrating en/of bergende bestratingselementen. Het vullen van het systeem kan op conventionele wijze middels kolken en verbuizing, waterdoorlatende verhardingsconstructies (steen of voeg), permeoblokken en/of lijn,- molgoten.
Daarnaast wordt in de huidige situatie gebruik gemaakt van retentievoorzieningen in de omgeving van het plangebied. Het verharde oppervlakte binnen het plangebied neemt niet toe. Deze retentievoorzieningen zullen dus ook in de toekomstige situatie voldoende capiteit hebben voor de waterhuishouding. Tevens wordt door de groene invulling van het plangebied het water vetraagd afgevoerd richting de retentievoorziening. Er is een afname van het verhard oppervlak. In dat geval is er geen sprake van een bergingsopgave op basis van een bergingseis van 60 mm. Dat neemt niet weg dat de nieuwbouw van de school de uitgelezen kans is om toch berging op het terrein te realiseren. Dat zou bijvoorbeeld gedaan kunnen worden door middel van het toepassen van sedumdaken op de platte daken van de nieuwbouw. Door het toepassen van sedumdaken kan een berging van ca. 25 L/m² (25 mm) gerealiseerd worden. Uiteraard dient onderzocht te worden of de constructie van het ontwerp van het gebouw geschikt is om dergelijke sedumdaken toe te passen.
Afvalwater Als gevolg van de ontwikkeling wijzigt het aanbod vuilwater niet. Volgens de prognose (zoals beschreven in Hoofdstuk 2) blijft het aantal leerlingen nagenoeg gelijk. Het toekomstige vuilwater kan daarom worden aangeboden aan de bestaande gemeentelijke riolering.
36 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd.
4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is geduid met een blauwe contour.
Beleid gemeente De provincie Noord-Brabant gaat ervan uit dat de informatie afkomstig uit de kaartlaag 'overige cultuurhistorische waarden: informatie van CHW 2006' op gemeentelijk niveau wordt geactualiseerd en waar nodig geacht beschermd. De Cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen, vastgesteld in 2010, biedt een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische aspecten, structuren en gebieden in de gemeente Rucphen.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 37
Uitsnede van de cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen. Plangebied is aangeduid met de rode ster.
Beoordeling Het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio.
Voor het overige is het plangebied gelegen binnen een gebied met historische stedenbouw en staat aangeduid als 'Sint Willebrord' met een 'redelijk hoge' waarde. De Pastoor Bastiaansensingel en de Poppestraat zijn betreffen straten die in het kader van de historische geografie een 'redelijk hoge' waarde heeft.
Binnen de cultuurhistoriekaart (erfgoedkaart) van de gemeente Rucphen is een gedeelte van het plangebied aangeduid als 'historisch gegroeide ruimtelijke structuur (hoge waarde)'. Deze categorie wordt gevormd door de combinatie van historisch gegroeide ruimtelijke structuren en de historische bebouwing. Het gaat om gebieden die door hun samenhang in architectonische en stedenbouwkundige zin een herkenbare eenheid vormen. Het gaat om een schildvormig terrein met religieuze functie in de kern Sint Willebrord (Pastoor Bastiaansensingel-Dorpsstraat). In de toelichting van de erfgoedkaart staat beschreven dat de cultuurhistorische waarden beschermd kunnen worden doormiddel van een aanduiding binnen de bestemmingsplannen. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan kent echter geen aanduiding voor de bescherming van cultuurhistorische waarden. Daarnaast doen de voorgenomen plannen geen afbraak aan deze waarde.
Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving 38 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
van het plangebied.
4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beoordeling Econsultancy heeft in september 2023 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting. Hieronder worden de resultaten behandeld.
Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een lage verwachting heeft vanaf het maaiveld tot 40 tot 220 cm -mv voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Op grond van het veldonderzoek adviseert Econsultancy om de dubbelbestemming op het plangebied te handhaven, maar de delen met een lage verwachting binnen het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden. Voor de delen met een middelhoge tot hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen geldt dat er verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen te toetsen. Voor de delen van het plangebied die momenteel bebouwd zijn en zullen worden gesloopt kan het beste vervolgonderzoek plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding tijdens de sloop van de bebouwing in het plangebied. Voorafgaand aan dit onderzoek mag de bebouwing wel bovengronds worden gesloopt. Bij de sloop van de aanwezige constructies beneden het maaiveld begeleidt de archeoloog de civieltechnische graafwerkzaamheden waarbij archeologische waarden bij het aantreffen direct geborgen worden en daarmee ex-situ worden behouden.
Voor dit onderzoek en voor het proefsleuvenonderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Conclusie Er zijn archeologische resten te verwachten. Dit dient met een proefsleuvenonderzoek voorafgaand de vergunningaanvraag te worden onderzocht. De sloop van de bestaande funderingen van het schoolgebouw dienen archeologisch te worden begeleid. De archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' wordt op de verbeelding behouden.
4.6 Ecologie 4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 39
De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.
De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
Beoordeling en conclusie Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de 'Ulvenhoutse Bos', dat is gelegen op een afstand van circa 15 km. Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Aangezien het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied of een beschermd natuurmonument, is van directe schade geen sprake. Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan.
4.6.2 Stikstof Toetsingskader Het plangebied is gelegen op circa 12,4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald.
Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie Bijlage 4). In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan aan de Pastoor Bastiaansensingel 21 te St. Willebrord de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Daarnaast blijkt uit de berekening dat de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten in de Belgische Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.
Conlcusie Uit een AERIUS-berekening is gebleken dat als gevolg van de (aanleg- en) gebruiksfase er ten aanzien van stikstofdepositie geen negatieve effecten optreden als gevolg van het plan op Natura 2000-gebieden.
4.7 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen 40 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.
Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Beoordeling Door Blom Ecologie is in februari 2022 een quickscan Wet natuurbescherming afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 5 gevoegd bij deze toelichting. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde nauurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora fauna en mogelijke effecten daarop.
Samenvattend dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismus en vleermuizen. De planolocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen. In de onderstaande tabel is een overzicht van de soortenbescherming weergegeven.
Overzicht van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten. Bron: Blom Ecologie, 2022.
Overzicht van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie. Bron: Blom Ecologie, 2022.
Om vast stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Blom Ecologie heeft in oktober 2022 het aanvullend onderzoek ecologie afgerond. De rapportage daarvan is als Bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting.
In april 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van huismus aanwezig zijn. Hierbij zijn geen huismusnesten vastgesteld binnen het plangebied. De beoogde ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van huismusnesten.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 41
In de periode mei tot september 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in het plaangebied. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat het schoolgebouw aan de noordzijde van het plangebied een functie heeft voor de gewone dwergvleermuis als zomerverblijfplaats. Deze verblijfplaatsen worden bij de beoogde ingreep weggenomen. De beoogde sloopt van het noordelijk gelegen schoolgebouw leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art. 3.5, lid 2 en lid 4. Er dient ten aanzien van de gewone dwergvleermuis een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens het schoolgebouw met vleermuisverblijfplaatsen gesloopt kan worden.
Tijdens het onderzoek is tevens gelet op individuen, nesten en/of verblijflocaties van andere soorten binnen het plangebied. Binnen het plangebied is een houtduif- en kauwennest vastgesteld. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen. Indicatief betreft het broedseizoen de periode 15 maart t/m 15 juli. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.
Samenvatting van de aangetroffen nestlocaties en vleermusiverblijfplaatsen in het onderzoeksgebied. Bron: Blom Ecologie, 2022.
Voor de uitvoering van de ingreep is ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor de ontheffingsaanvraag inzake Wnb is een Mitigatieplan opgesteld door Blom Ecologie. De rapportage daarvan is als Bijlage 7 gevoegd bij deze toelichting.
De huidige vleermuisverblijfplaatsen worden onderbegeleiding van een ter zake deskundige ecoloog ongeschikt gemaakt. Tussen het ongeschikt maken en de uitvoering van de sloop wort met een controlebezoek uitgesloten dat er vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden worden er voor de vleermuizen tijdelijke alternatieve voorzieningen getroffen om de periode tussen ontoegankelijk of ongeschikt maken van de huisige verblijfplaatsen en het realiseren van de permanente alternatieve voorzieningen te overbruggen. In totaal worden er 8 vleermuiskasten geplaatst aan de gebouwen in de directe omgeving.
Voor de gewone dwergvleermuis worden alternatieve voorzieningen gerealiseerd in de gevel van het nieuwe schoolcomplex. Daarmee kan worden gesteld dat de gunstige instandhouding van beschermde soorten is gewaarborgd
Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken inzake de Wet natuurbescherming is voor onderhavig voornemen een mitigatieplan opgesteld. Daarmee kan worden gesteld dat de gunstige instandhouding van beschermde soorten is gewaarborgd. Derhalve ligt het in de lijn der verwachting dat door de provincie een ontheffing Wet natuurbescherming zal verlenen.
4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien
42 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art. 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.
Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 8). In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor het nieuwe schoolgebouw aan de Pastoor Bastiaansensingel 21, St. Willebrord.
Een hogere waarde is niet nodig omdat alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 46 dB ter plaatse van de westgevel. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt dan ten hoogste 20 dB (standaardeis uit het bouwbesluit). Of een onderzoek naar de gevelwering nodig zal zijn kan de gemeente afwegen.
De milieukwaliteit wordt bij het gebouw wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Goed’. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebouw wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de berekende cumulatieve geluidbelasting staat het wegverkeer een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg.
Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai is geen belemmering voor het initiatief.
4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 43
woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
Beoordeling De VNG-borchure onderscheid twee omgevingsypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. In de omgeving van het plangebied zijn in de huidige en toekomstige situatie diverse centrumfuncties, maatschappelijke functies en woningen te vinden. Het plangebied ligt daarom in een gebied dat aangemerkt kan worden als 'gemengd gebied'. Richtafstanden kunnen derhalve met één afstandstrap worden verlaagd.
In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied in gebruik ten behoeve van een maatschappelijke bestemming; de basisschool Heilinde. In de toekomstige situatie wijzigthet gebruik van het plangebied niet. Daarnaast wordt het speelterrein enkel in gebruik genomen door de maatschappelijke bestemming.
Gelet op het voorgaande is initiatief aanvaardbaar in het kader van bedrijven en milieuzonering.
Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1
Inrichtingen en externe veiligheid
Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
44 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
Uitsnede van het Register Externe Veiligheidsrisico's (REV), plangebied is aangeduid met rode ster. Bron: atlasleefomgeving.nl; 2023.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is het Register Externe Veiligheidsregio's (REV) via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de dichtsbijzijnde inrichtingen zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden en groepsrisico.
Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.10.2
Transport en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1 kilometer van de Rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg geldt dat er op basis van de REV geen sprake is van een risicocontour. Voor het groepsrisico gelden geen veiligheidsafstanden. Gelet op de ruime afstand van de weg tot het plangebied vormt de ligging van de weg geen belemmering voor onderhavig voornemen.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 45
Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.10.3
Buisleidingen en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.
Beoordeling Om te beoordelen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is het REV via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de dichtsbijzijnde hogedruk aardgasleiding is gelegen op een afstand van circa 1 kilometer tot het plangebied. Gelet op de ruimte afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.11
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen ( C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
46 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft volledige nieuwbouw van de basisschool Heilinde. De huidige bebouwing wordt gesloopt en binnen het plangebied wordt één onderwijsgebouw gerealiseerd. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bij onderhavige ontwikkeling is immers sprake van het herontwikkeling van een bestaande functie.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.12
Kabels en leidingen
Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant in verband met onderhoud, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. b. c. d. e.
hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.
Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 47
4.13 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. 2. 3.
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.
In onderhavige situatie is sprake van volledige sloop en nieuwbouw van een onderwijslocatie. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van een schoolgebouw komt wel voor op de D-lijst onder categorie D11,2 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsroject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Bij een dergelijke activiteit is er sprake van m.e.r-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer.
Onderhavige ontwikkeling blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting fungeert als deze vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met 48 ingel 2 1 te St. Willebrord
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansens
zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.
Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan sprake van een verplichting tot het opstellen van het doorlopen van de (vormvrije) m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling in dit hoofdstuk is gebleken dat er met het plan geen significante effecten op het milieu te verwachten zijn.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Pastoor Bastiaansensingel 2 1 te St. Willebrord 49
Hoofdstuk 5
Juridische plantoelichting
5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2 Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de binnen de gemeente Rucphen gehanteerde bestemmingsplansystematiek voor woningen.
De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
5.3 Regels 5.3.1 Hoofdstuk 1. Inleidende regels Artikel 1. Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 standaard omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.
Artikel 2. Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3.2 Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels Het stramien voor de bestemmingsplanregels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels;
50 ingel 2 1 te St. Willebrord